Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 050314 overlijdensschade, berekening vaste lasten mbt autokosten, inventaris en onvoorzien

Rb Rotterdam 050314 overlijdensschade, berekening vaste lasten mbt autokosten, inventaris en onvoorzien

vervolg op: rb-dordrecht-050912-vaste-lasten-moeten-concreet-berekende-en-onderbouwd-worden-afwijzing-abstracte-benadering-obv-655

2 De verdere beoordeling
tussenvonnis 31 juli 2013
2.1.
In het tussenvonnis van 31 juli 2013 is overwogen dat [eisers] zich nog op een aantal punten bij akte mogen uitlaten, te weten:
- 2.8 en 2.9: de door [Holding X B.V.] bij haar nieuwe berekening gehanteerde uitgangspunten voor wat betreft de hoogte van het inkomen van [eiseres 2] en de looptijd (=3.2 3.4, 3.5 en 3.6 van de akte van [Holding X B.V.] van 6 februari 2013);
- 2.10: het door [Holding X B.V.] berekende schadebedrag voor dochter [eiseres 3];
- 2.11: vaste lasten, te weten inventaris, autokosten, huishoudelijke goederen en onvoorzien;
- 2.13: betaalde voorschotten.

2.8-2.9: de door [Holding X B.V.] bij haar nieuwe berekening gehanteerde uitgangspunten voor wat betreft de hoogte van het inkomen van [eiseres 2] en de looptijd (=3.2, 3.4, 3.5 en 3.6 van de akte van [Holding X B.V.] van 6 februari 2013)
2.2.
[eisers] gaat in haar laatste akte niet in op het door [Holding X B.V.] in de akte van 6 februari 2013 gestelde uitgangspunt, te weten dat het arbeidsinkomen van [eiseres 2] zonder het overlijden van haar man gelijk is aan het arbeidsinkomen daarna, bij welk inkomen [Holding X B.V.] is uitgegaan van het volgende: arbeidsinkomen uit het dienstverband met ISS tot 15 september 2008, WW-uitkering tot 14 oktober 2010, vanaf het overlijden van de [betrokkene 1] t/m 2010 een ANW-uitkering en thans een ANW-hiaatpensioen (tot 1 augustus 2029) en een levenslang nabestaandenpensioen. Dit alles zal dus mede tot uitgangspunt worden genomen bij de berekening van de schade.

2.3.
In 2.4 van de laatste akte stelt [eisers] nog dat [Holding X B.V.] zonder dat met stukken te onderbouwen ten onrechte uitgaat van een bedrag van € 18.747,00 per jaar als inkomen van [eiseres 2]. Echter, zoals uit de eerder door [eisers] overgelegde stukken blijkt en ook in punt 26 van 2.5.1 van het tussenvonnis van 31 juli 2013 is opgenomen, zal [eiseres 2] zolang zij leeft een pensioenuitkering van € 9.136,32 per jaar ontvangen, alsmede tot en met 31 juli 2029 een ANW-pensioenuitkering van € 9.610,92 per jaar. Deze bedragen bij elkaar opgeteld (en afgerond) vormen het door [Holding X B.V.] genoemde bedrag van € 18.747,00. Ook hiervan zal worden uitgegaan bij berekening van de schade.

2.4. 2.10:
2.10: het door [Holding X B.V.] berekende bedrag voor dochter [eiseres 3]
Partijen zijn het erover eens dat als uitgangspunt van de berekening van de schade van de dochter moet worden gehanteerd: thuiswonend en studerend (in ieder geval) tot augustus 2016.

2.11: vaste lasten: inventaris, autokosten, huishoudelijke goederen en post onvoorzien
2.5.
In de akte van 6 februari 2013 heeft [Holding X B.V.] aan de hand van NIBUD-gegevens voorgerekend dat bij een netto jaarinkomen van € 32.393,00 gemiddeld 5,4% en dus € 1.749,22 jaarlijks wordt aangemerkt als reserveringsuitgaven voor inventaris (zie haar productie 9). Niet valt in te zien waarom hier van een ander uitgangspunt moet worden uitgegaan. Daarom zal op dit punt worden uitgegaan van (afgerond) € 1.750,00. Er wordt geen aanleiding gezien om daarnaast nog van € 2.750,00 ter zake van de aanschaf van huishoudelijke goederen uit te gaan, met gelet op het feit dat [eisers] deze post (als daadwerkelijk gemaakte en/of nog te maken kosten ter hoogte van dit bedrag) in het geheel niet hebben onderbouwd.

2.6.
Partijen twisten nog over het opnemen van de door [eisers] gestelde post onvoorzien van € 500,00 per jaar voor bijvoorbeeld huisdieren en extra vakantiekosten (als meerdere personen boeken levert dat volgens [eisers] een financieel voordeel op). Volgens [Holding X B.V.] komt deze post niet voor in het NIBUD-overzicht van vaste lasten en zijn dit variabele kosten (zie productie 9 bij haar akte van 6 februari 2013 en de toelichting daarop). De rechtbank ziet aanleiding om voor wat betreft de post onvoorzien rekening te houden met (0,9% + 0,4%) x € 2.699,00 = € 35,00 per maand = € 421,00 per jaar (zie NIBUD-overzicht: 0,9% voor dieren en 0,4% diversen).

2.7.
Als onbetwist staat vast dat [eiseres 2] geen auto meer heeft en dat zij heel af en toe in de door haar zoon gekochte en door hem betaalde/onderhouden auto rijdt om boodschappen te doen. In zoverre maakt zij kennelijk geen kosten. In 2.3 van de akte van [eisers] van 9 oktober 2013 staat echter dat geen sprake is van een besparing ten aanzien van de kosten van vervoer, dat [eiseres 2] weliswaar haar auto heeft moeten wegdoen in verband met geldgebrek maar dat dat gegeven niet in het voordeel van [Holding X B.V.] mag uitwerken en dat de kosten van het gebruik van openbaar vervoer niet goedkoper zijn dan het rijden van een auto. Dit alles is niet bestreden. De rechtbank begrijpt dat [eiseres 2] kosten ter zake van openbaar vervoer maakt. Het wordt redelijk geacht om de hiervoor gemaakte kosten in aanmerking te nemen en hierbij aansluiting te zoeken bij het bedrag ter zake van de vaste autokosten voor zover dat niet tussen partijen in geschil is, te weten € 5.273,00.

2.8. 2.13:
2.13: betaalde voorschotten
Partijen zijn het inmiddels erover eens dat tien bedragen bij wijze van voorschot door of namens [Holding X B.V.] aan [eisers] zijn betaald (zie 5.1 van de akte van [eisers] van 9 oktober 2013, in reactie op de akte van [Holding X B.V.] van 6 februari 2013 onder 5.1 t/m 5.5).
2.9.
Resumé uitgangspunten schadeberekening
Hieronder zullen de door de rechtbank in de drie tussenvonnissen vastgestelde uitgangspunten worden opgesomd, waarmee de te benoemen deskundige rekening zal moeten houden bij de berekening van de schade van [eiseres 2] en dochter [eiseres 3]:
- inkomen van wijlen de [betrokkene 1]: inkomen op 18 juni 2007 + 3% loonstijging per jaar, looptijd tot 67 jaar (5.4 tussenvonnis 5 september 2012);
- inkomen van [eiseres 2]: zie 2.2 en 2.3 van dit vonnis en 2.5.1. onder 1 tot en met 62 van het tussenvonnis van 31 juli 2013;
- situatie dochter [eiseres 3]: thuiswonend en studerend (in ieder geval) tot augustus 2016 (zie 2.10 tussenvonnis 31 juli 2013), zie voor haar gegevens verder 2.5.2 van het tussenvonnis van 31 juli 2013;
- vaste lasten: zie de opsomming onder 5.8 van de akte tevens houdende vermeerdering van eis van [eisers] d.d. 5 december 2012, met dien verstande dat voor wat betreft (reserveringsuitgaven) inventaris rekening wordt gehouden met € 1.750,00 (zie dit vonnis onder 2.5), voor wat betreft de post onvoorzien met een bedrag van € 421,00 (zie dit vonnis onder 2.6) en voor wat betreft de autokosten met € 5.273,00 (zie dit vonnis onder 2.7).
- uitkering uit ongevallenverzekering € 23.004,54 en uitkering uit reisverzekering € 14.650,00): rekening mee houden als behoeftigheidsverminderend (zie 5.14 en 5.15 tussenvonnis 5 september 2012);
- voorschotten op de schade als zijnde “behoeftigheidsverminderend” (niet zijnde begrafeniskosten c.a. en niet zijnde buitengerechtelijke kosten): op 31 december 2007 betaald € 5.000,00, op 17 april 2009 betaald € 15.000,00 en op 30 juli 2010 betaald € 28.178,00 (zie 2.8 van dit vonnis);
- rekenrente 2,5% (5.19 tussenvonnis 5 september 2012).

Verdere procedure
2.10.
Het komt de rechtbank voor dat partijen nu zelf een deskundige kunnen verzoeken om de inkomensschade van [eiseres 2] en [eiseres 3] te berekenen (op kosten van [Holding X B.V.] als aansprakelijke partij) aan de hand van de door de rechtbank vastgestelde en hiervoor in 2.9 opgesomde uitgangspunten en dat zij vervolgens een minnelijke regeling kunnen sluiten. Indien partijen daartoe besluiten, kunnen zij dat bij akte laten weten.
Voor het geval dat niet zal lukken, wordt reeds overwogen dat de rechtbank een deskundige zal benoemen ter berekening van de inkomensschade van [eiseres 2] en [eiseres 3] per 18 juni 2007. Partijen zullen voor dat geval in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige (eerst [eisers] en daarna [Holding X B.V.]) en over de aan die deskundige voor te leggen vraag. Naar voorlopig oordeel zal die vraag moeten luiden: kunt u de inkomensschade berekenen die [eiseres 2] en [eiseres 3] lijden als gevolg van het overlijden van de [betrokkene 1] op 18 juni 2007? De rechtbank is voorshands van oordeel dat kan worden volstaan met één deskundige. Het ligt voor de hand dat partijen kijken of zij het eens kunnen worden over de persoon van de deskundige. De aansprakelijkheid van [Holding X B.V.] staat vast; zij zal daarom het voorschot van de deskundige moeten deponeren. ECLI:NL:RBROT:2014:1575

Deze website maakt gebruik van cookies