Overslaan en naar de inhoud gaan

PPS Bulletin 2026-01 37e LSA Symposion; Schadevergoeding in balans; lezing Kolder ‘eigen schuld’ in personenschadezaken.

PPS Bulletin 2026-01 37e LSA Symposion; Schadevergoeding in balans; lezingen Hartlief en Kolder

Meer dan vijfhonderd belangstellenden waren op vrijdag 30 januari 2026 in Hart van Holland in Nijkerk aanwezig voor het 37e LSA Symposion. Diana Matroos, journalist en mediapersoonlijkheid, leidde als dagvoorzitter zes lezingen in die ‘schadevergoeding in balans’ als gemeenschappelijk thema hadden. Het symposion werd geopend door Suzanne van Reedt Dortland, die de avond ervoor tijdens de algemene ledenvergadering van LSA tot nieuwe voorzitter was gekozen.

Dit verslag van het LSA Symposion zoomt in op de bijdragen van Ton Hartlief, advocaat-generaal bij de Hoge Raad en hoogleraar privaatrecht aan de Universiteit Maastricht, en Arvin Kolder, advocaat en bijzonder hoogleraar personenschade aan de Rijksuniversiteit Groningen. LSA had beiden gevraagd om terug te blikken op hun oratie – van Hartlief in 1997 en van Kolder in 2022 – en om de relevante ontwikkelingen sindsdien te schetsen.

Niet systeem- maar themagericht
In de tijd dat Ton Hartlief zijn oratie Ieder draagt zijn eigen schade uitsprak, maakte hij zich vooral zorgen over het hybride worden van vergoedingssystemen, waarin lage drempels van de sociale zekerheid werden gecombineerd met hoge vergoedingsniveaus van het aansprakelijkheidsrecht. “The best of both worlds”, aldus Hartlief. In de jaren daarna hebben tal van ontwikkelingen hun invloed gehad op het aansprakelijkheidsrecht, waaronder uiteraard de ingrepen van de Hoge Raad en de wetgever, die soms stevig aan de knoppen draaiden.

“Maar dat draaien aan de knoppen”, aldus Hartlief, “was niet systeemgericht, maar themagericht. Bij veranderingen op systeemniveau kijk je naar de consequenties voor het geheel, maar in het aansprakelijkheidsrecht doen we dat, denk ik, niet. De waan van de dag en de noden van de tijd zijn bepalend.” Volgens Hartlief is het daarom tijd voor een nieuwe inspectie van de fundamenten van het aansprakelijkheidsrecht. Hij gaf daarvoor drie redenen: 1) we leven in een compensatiemaatschappij met een overheid die ruimhartig vergoedt, 2) er is een debat ontstaan over de status van ‘ieder draagt zijn eigen schade’, en 3) de opmars van de strafrechter in personenschadezaken en de voorschotregeling leiden tot een disbalans in het vergoedingenstelsel.

Compensatiemaatschappij?
“Leven we inderdaad in een compensatiemaatschappij?”, vervolgde Hartlief. Hij verwees in dit verband naar de oratie van Jacobine van den Brink, hoogleraar bestuursrecht aan de Universiteit van Amsterdam. Zij betoogde dat de overheid met een breed spectrum aan regelingen en met miljarden euro’s op allerlei fronten pech probeert te dempen, óók wanneer de overheid niet betrokken is, en dat vaak doet zonder duidelijke wettelijke grondslag. Van den Brink pleitte daarom voor een algemene regeling en één instituut voor alle tegemoetkomingen.

Ton Hartlief gaf aan daartegen te zijn. “Die miljarden kunnen we niet meer benutten voor andere belangrijke doelen. Bovendien verstoren we daarmee normale mechanismen en werken we rechtsongelijkheid in de hand. Ook doorkruisen we de risicoverdeling in het aansprakelijkheidsrecht en belemmeren we de ontwikkeling van nieuwe verzekeringsproducten, zoals de directe verzekering. Dat moeten we dus niet doen.” Ook de Raad van State was het niet eens met Van den Brink.

Hartlief: “De Raad van State stelt dat de overheid eerst moet vaststellen of er aansprakelijkheid is. Vervolgens moet de zaak volgens de geldende regels worden afgewikkeld. Is er geen aansprakelijkheid, dan moet het niet vanzelfsprekend zijn dat de overheid toch betaalt, want in beginsel draagt ieder zijn eigen schade. Als de overheid desondanks een regeling wil treffen, moet dat goed worden gemotiveerd. De overheid handelt immers in het algemeen belang en het ligt niet voor de hand dat één groep een voorkeursbehandeling krijgt.”

Vrijheid en bescherming
Ieder draagt zijn eigen schade – tenzij er een grond bestaat om die schade af te wentelen. Het aansprakelijkheidsrecht biedt daarvoor gronden en zorgt zo voor een balans tussen vrijheid en bescherming. “Die twee uitersten zijn op zichzelf niet haalbaar”, aldus Hartlief. “Volledige vrijheid van handelen zou de samenleving levensgevaarlijk maken, terwijl volledige bescherming haar juist zou verlammen. Het evenwicht daartussen is afhankelijk van plaats en tijd.”

Volgens Hartlief is dat evenwicht niet plotseling doorgeslagen richting bescherming. Hij illustreerde dit met het Afzinkkelderarrest (ECLI:NL:HR:2024:17). Bij bouwwerkzaamheden, waarbij geen fouten waren gemaakt, ontstond schade aan een naastgelegen pand. De bouwer werd aangesproken, maar de rechtbank, het hof en de advocaat-generaal bij de Hoge Raad – Hartlief zelf – wezen de vordering af. “Is er geen onzorgvuldigheid, dan is er ook geen aansprakelijkheid. Pech bestaat”, aldus Hartlief.

De Hoge Raad oordeelde echter anders: er was sprake van een aanmerkelijk risico op schade en als dat risico zich verwezenlijkt, is het niet zonder meer redelijk om te zeggen dat ieder zijn eigen schade draagt. “Dit arrest heeft een stevig debat over de grondslagen van het aansprakelijkheidsrecht op gang gebracht”, aldus Hartlief. “Maar is dit het begin van het einde van ‘ieder draagt zijn eigen schade’? U weet wel beter: in de praktijk wordt nog steeds vaak ‘nul op het rekest’ gegeven, zelfs wanneer er duidelijk een veroorzaker is.”

De opmars van de strafrechter
De opmars van de strafrechter vormde het tweede deel van Hartliefs bijdrage. Hij besprak onder meer de voorschotregeling, die hij een soort staatsgarantie noemde, en het Schadefonds Geweldsmisdrijven, dat een specifieke groep slachtoffers extra bescherming biedt.

“Dit stelt de strafrechter voor uitdagingen”, aldus Hartlief. “Er komen steeds complexere personenschades op het bord van de strafrechter. Hoewel de zaak kan worden verwezen naar de civiele rechter, weet men dat daar de voorschotregeling niet geldt, waardoor zaken toch vaak worden aangehouden. Dat leidt tot stelselproblemen, zoals willekeur en ongelijke behandeling.”

Hartlief noemde diverse maatregelen om de balans te herstellen, zoals het beperken van de ontvankelijkheid, het uitsluiten van te complexe schadeposten, het maximeren van de voorschotregeling en het verhogen van tegemoetkomingen uit het Schadefonds. Ook pleitte hij voor betere ondersteuning van de strafrechter, waarbij de Rotterdamse Schaal een belangrijke rol speelt.

Ten aanzien van deze schaal besprak hij vijf aanbevelingen, waaronder het zo veel mogelijk hanteren van de Rotterdamse Schaal en richtlijnen voor het verhogen van smartengeld bij ernstige verwijtbaarheid, jonge leeftijd of meervoudig letsel. “De bedoelingen zijn goed”, aldus Hartlief, “maar het krijgt soms iets van boekhouden in plaats van het vaststellen van passend smartengeld.”

Eigen schuld
De oratie van Arvin Kolder uit 2022 ging over het leerstuk van ‘eigen schuld’ in personenschadezaken. Artikel 6:101 BW bepaalt dat een schadevergoeding kan worden verminderd wanneer de benadeelde zelf heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade.

“De kern van artikel 6:101 BW”, aldus Kolder, “is dat er een causale omstandigheid moet zijn die ook aan het slachtoffer kan worden toegerekend. Beide elementen moeten aanwezig zijn: causaliteit én toerekenbaarheid.”

Hij illustreerde dit met twee casussen. In de eerste zaak trok een passagier aan de handrem, waarna de bestuurder – zonder gordel en onder invloed van drugs – zwaar letsel opliep. De rechter oordeelde dat het niet dragen van de gordel eigen schuld opleverde, maar het drugsgebruik niet. In de tweede zaak struikelde een klant over een winkelkarretje. Het hof oordeelde uiteindelijk dat geen sprake was van toerekenbaarheid, omdat het handelen onbewust was.

Grabbelton en loterij
Wanneer eigen schuld wordt aangenomen, rijst de vraag hoe die moet worden verwerkt in de schadeverdeling. De wet schrijft een evenredige verdeling voor, met de mogelijkheid tot correctie op grond van redelijkheid en billijkheid.

“Daarmee wordt artikel 6:101 BW een grabbelton en een loterij”, aldus Kolder. “Het is onduidelijk welke factoren doorslaggevend zijn en welk gewicht daaraan wordt toegekend. De uitkomsten zijn daardoor moeilijk voorspelbaar.”

Kolder pleitte daarom voor het gebruik van vuistregels, zoals de 25%-korting bij het niet dragen van een gordel of volledige vergoeding bij jonge verkeersslachtoffers. “In mijn oratie heb ik daartoe opgeroepen, maar daar is weinig mee gedaan. Daarom heb ik zelf een aanzet gegeven.”

Vijf vuistregels
Op basis van recente jurisprudentie formuleerde Kolder vijf mogelijke vuistregels voor de toepassing van artikel 6:101 BW.

De eerste regel luidt dat eigen schuld alleen kan worden aangenomen op een ander vlak dan waarop de aansprakelijke partij zelf tekort is geschoten. De tweede regel benadrukt het belang van wederzijdse toerekenbaarheid. De derde regel stelt dat reflexwerking van risicoaansprakelijkheid doorgaans leidt tot 10 à 15 procent eigen schuld.

De vierde regel houdt in dat een gesubrogeerde verzekeraar slechts beperkt profiteert van de billijkheidscorrectie. De vijfde en laatste regel betreft de toepassing van de billijkheidscorrectie bij ernstig letsel, aan de hand van de zogenoemde eigen-schuldpiramide.

“Met deze vuistregels kunnen we meer grip krijgen op artikel 6:101 BW”, aldus Kolder, die rechters adviseerde deze aanbevelingen ter harte te nemen. PPS Bulletin