RBAMS 160426 Deelgeschil; verzoek medewerking aan desk. onderzoek vanwege netvliesloslating 3 maanden na verkeersongeval; afwijzing npo; hoort thuis in vdo;
- Meer over dit onderwerp:
RBAMS 160426 Deelgeschil; verzoek medewerking aan desk. onderzoek vanwege netvliesloslating 3 maanden na verkeersongeval
- afwijzing npo; hoort thuis in vdo; geen aanvullend voorschot; rb kan geen causaal verband aannemen en ook de schade is nog in geschil
- gedeeltelijke vergoeding bgk; proces onnodig gecompliceerd door uitblijven inhoudelijke reacties en actuele medische info
- verzocht € 10.979 waarvan 7 uur voor correspondentie en overleg met cliënt; gematigd tot 3,5 uur, toegewezen € 9.814,38
2De feiten
2.1.
Op 25 augustus 2018 heeft [verzoeker] een verkeersongeval gehad. Zij werd met hoge snelheid van achteren aangereden, waardoor zij in een slip raakte met haar auto, meerdere keren over de kop sloeg en in de sloot belandde met haar auto. Degene die haar aanreed is verzekerd bij Balosie.
2.2.
De rechtsvoorganger van Baloise (“CED”), ingeschakeld door CBC, heeft op 17 december 2018 aansprakelijkheid erkend voor het ongeval.
2.3.
In december 2018 kreeg [verzoeker] een subretinale bloeding in haar linkeroog.
2.4.
In augustus 2019 heeft [naam 1], in opdracht van CED, een eerste medisch rapport uitgebracht. Daarin schrijft hij onder andere over het oogletsel:
“Het tijdsbeloop sluit in deze het ongeval als oorzaak niet uit, de vastgestelde vaatafwijking in/onder het netvlies (voornoemde vasculopathie) wijst echter niet direct in die richting en laat toevallige comorbiditeit als oorzaak over (...).
Dat ik vanwege het vermoedelijk belangrijke aandeel van de oogproblematiek niet uitsluit dat t.z.t. in ieder geval een oogheelkundige expertise wenselijk is. (…) Alvorens het zo ver is, moet ik echter allereerst hechten aan een nadere actualisering van de hand van alle betrokken artsen/specialisten en paramedici/therapeuten.”
2.5.
In september 2019 is [verzoeker] geopereerd aan netvliesloslating in haar linkeroog.
2.6.
Op 15 november 2021 heeft [naam 2], op verzoek van CED, een medisch advies uitgebracht. Daarin concludeert [naam 2]: “De oogproblematiek komt met name voort uit vaatproblematiek in de ogen, waarvoor injecties gegeven worden. Dit is geen ongevalsgevolg en dat geldt ook voor de staar.”.
2.7.
Partijen hebben lange tijd met elkaar onderhandeld over de afwikkeling van de schade zonder overeenstemming te bereiken. CBC en Baloise zijn de onderhandelingen gestopt op 4 juli 2025.
2.8.
[verzoeker] ervaart op dit moment klachten in haar linkeroog, cognitieve klachten, neurologische klachten en orthopedische klachten. Daarnaast heeft zij psychische klachten ontwikkeld, waarvoor de diagnose PTSS is gegeven.
2.9.
[verzoeker] heeft in totaal € 57.000 aan voorschot ontvangen van CBC en Baloise. Verder heeft zij € 15.481,84 aan vergoeding voor buitengerechtelijke kosten ontvangen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank, bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover mogeijk hoofdelijk:
I. te bevelen dat Baloise en CBC medewering dienen te verlenen aan oogheelkundig onderzoek door oogarts drs. [naam 3], dr. [naam 4] of dr. [naam 5] van het [bedrijf] te [plaats] conform de sinds 1 november 2025 geldende IWMD-vraagstelling, en medewerking aan neuropsychologisch onderzoek door neuropsycholoog [naam 6], conform zowel de NvN-vraagstelling als de zogenaamde Tromp-Elemans vraagstelling;
II. te bepalen dat Baloise en CBC een voorschot op de schade onder algemene titel aan [verzoeker] dienen uit te keren ten bedrage van € 50.000;
III. te bepalen dat Baloise en CBC de buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 13.959,31 aan [verzoeker] dienen te vergoeden,
IV. de kosten van de deelgeschilprocedure te begroten en Baloise en CBC te veroordelen tot vergoeding daarvan aan [verzoeker], zoals hiervoor begroot, te vermeerderen met het door [verzoeker] verschuldigde griffierecht.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. De weigering van CBC en Baloise om causaal verband te erkennen tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker], belemmert het vaststellen van de schade en het bereiken van een minnelijke regeling. Om deze impasse te doorbreken, is het nodig om twee deskundigen aan te wijzen. [naam 1] zag aanleiding om een oogarts aan te wijzen en - gelet op nog bestaande klachten - is daarnaast een neuropsychologisch onderzoek nodig. [verzoeker] heeft de schade zelf op € 258.885 begroot, waardoor een extra voorschot van € 50.000 bovenop de reeds betaalde € 57.000 rechtvaardig is. Ook is de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten nodig, omdat de verleende juridsich hulp noodzakelijk was en direct verband houdt met de schade.
3.3.
Baloise en CBC voeren verweer. De omstandigheden waaronder in een deelgeschil medewerking aan een deskundigenonderzoek kan worden bevolen, zijn in deze zaak niet aan de orde. [verzoeker] had hiervoor een verzoek moeten doen tot een voorlopig deskundigenonderzoek (artikel 202 Rv). Voor het toekennen van een (nader) voorschot is volgens Baloise en CBC geen ruimte en de gevorderde kosten zijn niet toewijsbaar.
4De beoordeling
Verzoek medewerking aan medische expertise
4.1.
De deelgeschilprocedure is bedoeld om een persoon die een ander aansprakelijk houdt voor zijn letselschade de mogelijkheid te bieden om de rechter te verzoeken te beslissen op bepaalde geschilpunten, zodat de vastgelopen buitengerechtelijke onderhandelingen weer op gang gebracht kunnen worden en de totstandkoming van een minnelijke regeling wordt bevorderd. Uit de wetsgeschiedenis van de deelgeschillenregeling volgt dat deze procedure een aanvulling vormt op de reeds bestaande procesrechtelijke instrumenten, waaronder het voorlopig deskundigenbericht.1 De memorie van toelichting noemt de vraag of een deskundige geraadpleegd moet worden als voorbeeld van een geschilpunt dat in een deelgeschil aan de rechter kan worden voorgelegd.
4.2.
Een voorlopig deskundigenbericht kan worden toegewezen binnen de deelgeschilprocedure, als dat bijdraagt aan het doorbreken van de impasse tussen partijen en het bereiken van een minnelijke regeling. Daarvan is in dit geval sprake voor wat betreft het aanstellen van een oogarts. In augustus 2019 heeft [naam 1] in zijn medisch rapport, dat hij heeft opgesteld in opdracht van CED, aangegeven dat oogheelkundige expertise wenselijk is. Daarbij gaf [naam 1] wel aan dat het medisch dossier geactualiseerd moet worden. Tussen partijen is discussie blijven bestaan over welke klachten en welke schade als ongevalsgerelateerd zijn aan te merken. [naam 2] heeft in een later rapport beschreven dat de oogproblematiek geen ongevalsgevolg is, maar het is de rechtbank niet duidelijk op grond waarvan de door [naam 1] genoemde mogelijkheid dat dit wel ongevalsgerelateerd is, door [naam 2] volledig is uitgesloten. Dit onderwerp is tussen partijen nog onverminderd in geschil.
4.3.
De rechtbank weegt mee dat [verzoeker] tijdens de mondelinge behandeling heeft toegelicht dat zij bereid is om een geactualiseerd medisch dossier over te leggen, zodat ook aan de voorwaarde wordt voldaan die [naam 1] voor het verrichten van oogheelkundige expertise noemde. Een oogarts kan op basis van de actuele informatie duidelijkheid verschaffen voor de beoordeling van de eventuele aanwezigheid van causaal verband. Dit kan bijdragen aan het voortzetten van de onderhandelingen tussen partijen in het bereiken van een minnelijke regeling. Verder zijn partijen het eens over de aan te stellen deskundige, namelijk dr. [naam 4], en de vraagstelling, namelijk de per 1 november 2025 geldende IWMD-vraagstelling. Onder deze omstandigheden zal het verzoek van [verzoeker] voor zover dat betrekking heeft op oogheelkundig onderzoek worden toegewezen.
4.4.
Voor het verzoek tot het aanwijzen neuropscyholoog ligt dit anders. Partijen twisten over de vraag of er aanleiding bestaat voor een neuropsychologisch onderzoek, over de aan te wijzen deskundige en over de vraagstelling. Het is daarom niet een afgebakend geschilpunt dat binnen de deelgeschilregeling afgedaan kan worden om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Het verzoek van [verzoeker] hoort voor wat betreft dit onderdeel meer thuis in een verzoek om een voorlopig deskundigenbericht in de zin van artikel 202 Rv. De rechtbank wijst het verzoek tot het bevelen van medewerking aan neuropsychologisch onderzoek af.
Nadere bevoorschotting
4.5.
Voor de toewijzing van een nader voorschot moet voldoende aannemelijk zijn dat de bodemrechter in de hoofdzaak tot het oordeel zal komen dat er een causaal verband bestaat tussen de gestelde schade en het ongeval, en dat de omvang daarvan de door [verzoeker] reeds ontvangen € 57.000 te boven gaat.
4.6.
Op dit moment kan de rechtbank (voorshands) geen causaal verband aannemen tussen de klachten van [verzoeker] en het ongeval. Ook de omvang van eventuele ongevalsgerelateerde schade is nog volledig in geschil. Dit betekent dat er op dit moment onvoldoende aanknopingspunten zijn om aanemelijk te achten dat de schade van [verzoeker] de al aan haar verstrekte voorschotten overstijgt. Het verzoek tot nadere bevoorschotting wordt daarom afgewezen.
Verdere vergoeding buitengerechtelijke kosten
4.7.
Uitgangspunt is dat een slachtoffer van een ongeval recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte redelijke kosten van buitengerechtelijke rechtsbijstand van de partij die aansprakelijk is voor de gevolgen van dat ongeval. Of buitengerechtelijke kosten van rechtsbijstand voor vergoeding in aanmerking komen, wordt bepaald door het antwoord op de vraag of is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Dit houdt in dat, in de gegeven omstandigheden, het maken van de kosten redelijk moet zijn en ook dat de omvang van de verrichte werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk is in het kader van de behandeling van de zaak.
4.8.
Bij de beoordeling van de dubbele redelijkheidstoets is onder meer van belang de aard en omvang van de schade en de complexiteit van de zaak. Daarnaast komt betekenis toe aan de verhouding tussen de schade en de kosten, met dien verstande dat ook als uiteindelijk niet komt vast te staan dat schade is geleden aanspraak op vergoeding van deze kosten kan bestaan. Ook de opstelling van partijen kan van invloed zijn op de redelijkheid van het maken van kosten en de omvang ervan. Verder is van belang dat ook in relatief eenvoudige zaken of in zaken met een (vaak pas achteraf vast te stellen) relatief gering (financieel) belang, de belangen van de benadeelde adequaat behartigd moeten worden.
4.9.
[verzoeker] verzoekt CBC en Baloise te veroordelen tot betaling van € 13.959,31. Vanaf 2019 tot en met oktober 2021 hebben CBC en Baloise € 15.481,84 aan buitengerechtelijke kosten vergoed. Daarna heeft tussen partijen nog onderhandeling plaatsgevonden om tot een minnelijke regeling te komen. CBC en Baloise hebben aangevoerd dat inhoudelijke reacties vanuit [verzoeker] tijdens de onderhandelingen steeds uitbleven en dat zij telkens de medische informatie (ter onderbouwing van haar stellingen) niet heeft geactualiseerd. Dit komt ook terug in de tussen partijen gevoerde correspondentie. Daarmee heeft [verzoeker] het proces onnodig gecompliceerd. De rechtbank is van oordeel dat daarom niet alle kosten als redelijk zijn aan te merken. De rechtbank wijst daarom de verdere vergoeding van buitengerechtelijke kosten voor rechtsbijstand toe tot een bedrag van € 6.979,66.
Kosten deelgeschil
4.10.
De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de procedure te begroten, ook indien een verzoek niet of gedeeltelijk wordt toegewezen. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Voor begroting van de kosten op de voet van artikel 1019aa Rv komen in beginsel alleen de kosten in aanmerking die direct verband houden met de gevoerde deelgeschilprocedure.
4.11.
[verzoeker] vordert € 10.979 aan kosten voor het deelgeschil. Een van de kostenposten is 7 uur aan correspondentie en overleg tussen [verzoeker] en de advocaat. In het kader van de aard, omvang en complexiteit van deze zaak, komt de rechtbank dit enigszins bovenmatig voor, in die zin dat het niet redelijk is om alle kosten voor deze communicatie voor rekening van CBC en Baloise te laten komen. De rechtbank zal daarom 3,5 uur toewijzen voor deze post. CBC en Baloise worden gelet op het voorgaande hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 9.814,38.
1Kamerstukken II 2007/08, 31 518, nr. 3, p. 3
