RBLIM 130526 geen inzage dossier i.h.k.v. vdo vanwege suïcide dochter; dochter heeft bij leven geen toestemming willen geven; geen absolute onmogelijkheid om desk. te bevragen
RBLIM 130526 geen inzage dossier i.h.k.v. vdo vanwege suïcide dochter; dochter heeft bij leven geen toestemming willen geven; geen absolute onmogelijkheid om desk. te bevragen
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoekende partij] heeft de rechtbank verzocht om een onderzoek door een psychiatrisch deskundige te bevelen. Aan dat verzoek legt [verzoekende partij] – samengevat weergegeven – ten grondslag dat Mondriaan de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden door:
- - meerdere malen een onjuiste diagnose te stellen bij [de dochter] ;
- - [de dochter] telkens een foutieve behandeling te laten ondergaan;
- - onjuiste medicatie voor te schijven aan [de dochter] ;
- - onvoldoende gehoor te geven aan de verzoeken en noodkreten van [de dochter] en haar vader;
- - niet (voldoende) te handelen naar aanleiding van de twee second opinions van het MUMC;
- - [de dochter] op 21 september 2021 niet gedwongen op te nemen of enige andere maatregel te treffen om haar suïcidepoging te voorkomen.
Het deskundigenonderzoek dient duidelijkheid te geven over de vraag of Mondriaan onzorgvuldig c.q. niet conform de professionele standaard heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, aldus [verzoekende partij] .
3.2.
Daarnaast verzoekt [verzoekende partij] op grond van artikel 843a (oud) Rv (thans artikel 194 en 195 Rv) een afschrift van het integrale medische dossier van [de dochter] . [verzoekende partij] stelt recht en belang te hebben bij afgifte van het medisch dossier opdat de aan te stellen deskundige zijn onderzoek mede aan de hand van dat dossier kan verrichten. Ter zitting en later bij e-mailbericht van 15 april 2026 heeft [verzoekende partij] daaraan toegevoegd dat hij afgifte vraagt van het integrale medisch dossier, inclusief het dossier van de crisisdienst, aan zijn advocaat zodat kan worden gewaarborgd dat de advocaten van beide partijen over dezelfde stukken beschikken, hetgeen ook van belang is in verband met de formulering van de vragen aan de deskundige. Subsidiair verzoekt [verzoekende partij] afgifte van het dossier aan zijn medisch adviseur. Volgens [verzoekende partij] is zijn belang bij afgifte gelegen in zijn procespositie en de zorgvuldigheid, namelijk dat zelfstandig kan worden beoordeeld of de stukken die aan de deskundige (zullen) worden verstrekt compleet zijn.
3.3.
Mondriaan verzet zich niet tegen toewijzing van het verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek. Zij verzet zich wel tegen de door [verzoekende partij] voorgestelde vraagstelling en de persoon van de deskundige. Mondriaan is alleen bereid het medisch dossier te verstrekken aan de te benoemen deskundige. Op die wijze wordt volgens Mondriaan het beroepsgeheim enerzijds en de wens van [verzoekende partij] om de behandeling van [de dochter] bij Mondriaan te beoordelen anderzijds tegemoet gekomen. In reactie op de e-mail van [verzoekende partij] stelt Mondriaan dat het verzoek van [verzoekende partij] niet voldoet aan de in artikel 7:458a BW opgenomen voorwaarden voor doorbreking van het beroepsgeheim. Ook het subsidiaire verzoek kan niet worden toegewezen nu dit niet strookt met het bepaalde in artikel 7:458b BW, aldus Mondriaan.
3.4.
Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.
4De beoordeling
Het verzoek tot afgifte van het medisch dossier
4.1.
Tot 1 januari 2025 kende de wet in artikel 843a Rv (oud) de mogelijkheid om van iemand anders inzage in documenten te vragen, of een kopie of uittreksel daarvan. Door de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht is artikel 843a Rv (oud) met ingang van 1 januari 2025 vervallen. Op basis van het overgangsrecht blijft dit artikel echter van toepassing in een procedure die vóór deze datum is gestart totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Deze procedure is gestart vóór 1 januari 2025, zodat de rechtbank het verzoek tot afgifte van [verzoekende partij] zal beoordelen aan de hand van artikel 843a Rv (oud).
4.2.
Voor de toepassing van artikel 843a Rv (oud) gelden de volgende eisen:
- - de verzoeker moet rechtmatig belang hebben bij de inzage, afschrift of uittreksel;
- - het moet gaan om bescheiden over een rechtsverhouding waarbij de verzoeker partij is;
- - het moet gaan om specifieke gegevens die de verzoeker niet heeft, maar de ander wel.
4.3.
Verder bepaalt lid 3 van voornoemde bepaling dat degene die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is aan een vordering tot inzage of afschrift te voldoen, indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn. Voor een beroep op dit functioneel verschoningsrecht is ten minste vereist dat de betrokkene een geheimhoudingsplicht heeft. Desondanks betekent het enkele feit dat die plicht bestaat niet (ook) dat aan de betrokkene altijd het verschoningsrecht toekomt. Dit kan slechts worden vastgesteld door afweging van de belangen waarop de verplichting tot geheimhouding is gericht tegen de zwaarwegende belangen die gemoeid zijn met de waarheidsvinding in een burgerlijk proces.3
4.4.
Het voorgaande zou (kunnen) betekenen dat Mondriaan, gelet op het professionele verschoningsrecht, in beginsel niet gehouden is medewerking te verlenen aan het verschaffen van afschrift, ook al is aan alle in artikel 843a eerste lid Rv genoemde voorwaarden voldaan. Met ingang van 1 januari 2020 is het inzagerecht van nabestaanden echter wettelijk geregeld en is artikel 7:458a BW in werking getreden.
Deze bepaling noemt de gevallen van een inzagerecht voor nabestaanden:
- de overleden patiënt heeft toestemming gegeven voor inzage na overlijden en deze toestemming is schriftelijk of elektronisch vastgelegd;
- de nabestaande heeft op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een mededeling van een zorgaanbieder ontvangen dat een incident heeft plaatsgevonden;
- de nabestaande heeft een zwaarwegend belang bij inzage en kan aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang,
- het verzoek wordt gedaan door de ouders of voogd van een overleden kind dat jonger is dan 16 jaar (lid 2).
4.5.
Niet in geschil is dat [de dochter] bij leven geen toestemming heeft gegeven voor inzage in het dossier als bedoeld onder sub a, dat geen sprake is van een mededeling als bedoeld onder sub b en dat evenmin sprake is van een situatie als bedoeld onder sub d. Dat betekent dat [verzoekende partij] enkel inzage kan krijgen in het medisch dossier als hij met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maakt dat (i) sprake is van een zwaarwegend belang, (ii) dit belang mogelijk wordt geschaad door de geheimhouding van het dossier en (iii) het voor de behartiging van het zwaarwegend belang noodzakelijk is om inzage te krijgen in het dossier. Zo is een louter emotioneel belang niet voldoende voor een recht op inzage. Een vermoeden van een medische fout kan wel een zwaarwegend belang opleveren. Verzoeker dient dat vermoeden met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk te maken en of dat gelukt is, moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.4 De rechtbank is, met Mondriaan5, van oordeel dat in de stellingen van [verzoekende partij] en de rapporten van het Maastricht UMC+6 mogelijk een begin van een vermoeden van een medische fout is te lezen en dat dit een zwaarwegend belang kan opleveren in de zin van artikel 7:458a onder c BW. Partijen twisten evenwel vooral over de vraag of inzage in het dossier noodzakelijk is ter behartiging van dit belang en of dit belang door de geheimhouding wordt geschaad. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Daarvoor is het volgende redengevend.
4.6.
Het verzoek tot afgifte van het dossier dient op dit moment beoordeeld te worden binnen het kader van het verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenonderzoek. Met het oog op het (zorgvuldig) kunnen verrichten van dat onderzoek, stelt [verzoekende partij] belang te hebben bij afgifte van het dossier. Dat belang is volgens hem vooral gelegen in zijn procespositie (equality of arms) en de zorgvuldigheid, alsook het kunnen waarborgen (controleren) dat partijen en de te benoemen deskundige allemaal over dezelfde stukken beschikken. Naar het oordeel van de rechtbank is de enkele vrees dat Mondriaan stukken zal achterhouden, onvoldoende om de op haar rustende geheimhoudingsplicht te doorbreken. De rechtbank acht daarbij van groot belang dat [de dochter] , ondanks dat haar dat bij leven is gevraagd, geen toestemming heeft gegeven voor inzage in haar dossier. Dat [verzoekende partij] door de geheimhouding van het dossier in zijn belangen wordt geschaad, acht de rechtbank op dit moment niet aannemelijk nu Mondriaan heeft aangegeven bereid te zijn het medisch dossier, inclusief het dossier van de crisisdienst, aan de te benoemen deskundige te overhandigen. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat Mondriaan conform haar toezegging het gehele dossier aan de deskundige zal overhandigen. Van een daadwerkelijke noodzaak om inzage te verkrijgen in het dossier door [verzoekende partij] , zijn advocaat, dan wel diens medisch adviseur, is daarom niet gebleken. Met de afgifte van het volledige dossier aan de gerechtelijk deskundige zijn de belangen van [verzoekende partij] voldoende gewaarborgd.
4.7.
De stelling van [verzoekende partij] dat kennis van de inhoud van het medisch dossier van belang is in verband met de formulering van de aan de te benoemen deskundige voor te leggen vragen, is evenmin voldoende om de geheimhoudingsplicht van Mondriaan te doorbreken. Niet gebleken is dat [verzoekende partij] in de absolute onmogelijkheid verkeerd om vragen te kunnen formuleren voor de deskundige die erop gericht zijn het handelen van Mondriaan en de behandeling van [de dochter] door Mondriaan te beoordelen. Daarbij kunnen partijen nog schriftelijke opmerkingen maken aan de deskundige en verzoeken aan de deskundige richten. Partijen verkrijgen daarnaast nog de gelegenheid te reageren op het concept-rapport van de deskundige.
4.8.
Gelet op het voorgaande is de conclusie dat Mondriaan niet gehouden is een afschrift van het medisch dossier te verstrekken aan [verzoekende partij] , zijn advocaat of diens medisch adviseur. Wel zal Mondriaan gehouden zijn het medische dossier, inclusief het dossier van de crisisdienst, af te geven aan de (nog) te benoemen gerechtelijk deskundige. De rechtbank zal aan die verplichting evenwel geen dwangsom verbinden nu Mondriaan zich bereid heeft verklaard het dossier aan de deskundige te zullen overhandigen.
4.9.
De rechtbank merkt ten overvloede op dat ook onder toepassing van huidig recht (artikel 194 Rv)7 voorgaand oordeel niet anders is. Daarin is immers ook bepaald dat een verschoningsrecht als bedoeld in artikel 165 tweede lid Rv aan de verplichting tot afgifte van gegevens in de weg kan staan. Dit verschoningsrecht ziet ook op het beroepsgeheim uit hoofde van een ambt, beroep of betrekking en dient beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in artikel 7:458a BW.
Het deskundigenonderzoek
4.10.
Omdat Mondriaan zich niet tegen toewijzing van het verzoek verzet en het verzoek verder voldoet aan de eisen van de wet, zal het verzoek worden toegewezen.
4.11.
Omdat partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de te benoemen deskundige zullen zij eerst in de gelegenheid worden gesteld zich daarover nader uit te laten. De rechtbank geeft mr. Pennino, zoals ter zitting besproken, daarbij de gelegenheid eerst een geanonimiseerd rapport van dr. [persoon] te lezen. Partijen zullen de rechtbank daarover nader berichten.
4.12.
Partijen kunnen bij die gelegenheid zich ook nader uitlaten over de aan de te benoemen deskundige voor te leggen vragen.
4.13.
De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de verzoekende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door [verzoekende partij] moeten worden betaald. Omdat [verzoekende partij] met een toevoeging procedeert, zal aan hem echter geen voorschot worden opgelegd, waarbij het voorschot zal worden voorgeschoten door de Staat.
1Productie 7 bij verzoekschrift.
2Productie 7 bij verzoekschrift.
3Zie artikel 165 lid 2 aanhef en onder b Rv en HR 22 december 1989, NJ1990/779.
4Kamerstukken 2017/18, 34 994, nr. 3 (MvT), p. 13.
5Randnummer 10 van het verweerschrift.
6Productie 2 en 4 bij verzoekschrift.
7[verzoekende partij] stelt zijn verzoek tot afgifte te baseren op de op het moment van beoordeling door de rechtbank, geldende wetgeving.