RBZWB 120825 hersenletsel 10-jarige; MentaalDuurBelastbaarheidsOnderzoek en nadere vragen voor vza na eerder onderzoek door neuroloog, neuropsycholoog en vza
RBZWB 120825 hersenletsel 10-jarige; MentaalDuurBelastbaarheidsOnderzoek en nadere vragen voor vza na eerder onderzoek door neuroloog, neuropsycholoog en vza
- toegewezen cf verzoek; 28,3 uur x € 295; 5 uur reistijd (Groningen- RBZWB) niet onredelijk; € 10.101,69
2Het verzoek
2.1.
[verzoeker] verzoekt om bij beschikking in deelgeschil, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Rapport [verzekeringsarts] niet het uitgangspunt
I.) te bepalen dat de verzekeringsgeneeskundige expertise van [verzekeringsarts] d.d. 5juni 2024 niet als basis kan dienen bij de verdere beoordeling en beslissing in deze zaak, alsmede;
Aanvullende vraagstelling
II.) te bepalen dat aan [verzekeringsarts] een aanvullende vraagstelling inzake de plausibiliteitstoets als genoemd onder randnummer 46 van het verzoekschrift voorgelegd dient te worden, althans een aanvullende vraagstelling van gelijke strekking, alsmede;
Aanvullende expertise (MDBO)
III.) te bepalen dat, ter nadere medische voorlichting van partijen, een aanvullende onafhankelijke expertise heeft plaats te vinden in de vorm van een Mentaal DuurBelastbaarheids Onderzoek (MDBO), alsmede;
IV.) te bepalen dat Allianz verplicht is binnen vier weken na de in dezen te wijzen beschikking mee te werken aan het buiten rechte inwinnen van voornoemde expertise, alsmede;
V.) te bepalen dat Allianz ex art. 6:96 BW gehouden is de redelijke kosten gemoeid met het buiten rechte inwinnen van de voornoemde expertise te dragen, alsmede;
VI.) te bepalen dat Allianz aan [verzoeker] een dwangsom verschuldigd is ad € 1.000,00 per dag of gedeelte daarvan dat zij geheel of gedeeltelijk in gebreke mocht blijven haar medewerking binnen de door de rechtbank gestelde termijn te verlenen aan het buiten rechte inwinnen van de voornoemde expertise, alsmede;
VII.) te bepalen dat [verzekeringsarts] de resultaten van het voornoemde MDBO nog dient te verwerken in zijn definitieve expertiserapport, alsmede;
‘Nieuw’ rapport [verzekeringsarts]
VIII.) te bepalen dat [verzekeringsarts] na beantwoording van de voornoemde aanvullende vraagstelling (plausibiliteitstoets) én verwerking van de resultaten van het MDBO, (de wettelijk vertegenwoordigers van) [verzoeker] in de gelegenheid stelt gebruik te maken van zijn (hun) inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien geen gebruik wordt gemaakt van dit inzage- of blokkeringsrecht, het concept van zijn ‘nieuwe/aanvullende’ deskundigenrapport aan de advocaten van partijen toezendt teneinde hen in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren, om daarna met inachtneming daarvan het definitieve deskundigenbericht op te stellen, alsmede;
Kosten deelgeschilprocedure
IX.) de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure te begroten en Allianz tot betaling daarvan aan (de wettelijk vertegenwoordigers van) [verzoeker] te veroordelen.
2.2.
Allianz meent dat de verzoeken van [verzoeker] moeten worden afgewezen, met veroordeling van [verzoeker] in de kosten van deze deelgeschilprocedure.
3De beoordeling
3.1.
In rechte staan de volgende feiten vast.
a. Op 13 januari 2018 vond een ongeval plaats waarbij [verzoeker] op de fiets en een verzekerde van Allianz in de auto betrokken waren. Ten tijde van het ongeval was [verzoeker] 10 jaar oud. Allianz heeft namens haar verzekerde aansprakelijkheid erkend. [verzoeker] heeft bij dit ongeval blijvend hersenletsel opgelopen.
b. Om inzicht te krijgen in de medische gevolgen van het ongeval hebben er in gezamenlijk overleg meerdere expertise plaatsgevonden, te weten bij de neuroloog drs. [neuroloog] (definitieve rapport 1 juni 2022), bij de neuropsycholoog drs. [neuropsycholoog] (rapport d.d. 30 mei 2022) en bij de verzekeringsarts drs. [verzekeringsarts] (definitieve rapport 5 juni 2024).
c. Neuroloog drs. [neuroloog] heeft als diagnose een ernstig traumatisch schedel-hersenletsel vastgesteld en dat daardoor sprake is van verminderd cognitief functioneren en van beperkingen inzake het bewegingsapparaat.
De neuroloog heeft voor de expertise aan de ouders van [verzoeker] gevraagd om een beperkingenlijst in te vullen en de neuroloog heeft diverse neurologische tests uitgevoerd om de fysieke klachten en beperkingen van [verzoeker] te onderzoeken.
d. Om vast te kunnen stellen welke cognitieve beperkingen [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft, heeft drs. [neuroloog] een neuropsychologisch onderzoek (NPO) bij drs. [neuropsycholoog] aangevraagd.
e. Ook de neuropsycholoog drs. [neuropsycholoog] heeft de ouders van [verzoeker] bij het onderzoek betrokken en hen gevraagd een vragenlijst in te vullen. Het onderzoek van drs. [neuropsycholoog] bestond daarnaast uit het afnemen van diverse testen bij [verzoeker] en zij heeft hem klinisch geobserveerd. De neuropsycholoog stelt (onder meer) vast dat er bij [verzoeker] sprake is van subtiele stoornissen op het vlak van de aandachtsregulatie.
In alinea 6 “Beschouwing” op pagina 4 en 5 van het rapport schrijft drs. [neuropsycholoog] het volgende:
“Neuropsychologische onderzoeksresultaten hangen nauw samen met iemands gemoedstoestand, de aard van de test en de context waarin het onderzoek wordt afgenomen. Het komt in dergelijk onderzoek vaak voor dat er afwijkingen worden gevonden, waarvoor meerdere verklaringen mogelijk zijn. De vele interfererende variabelen, waaronder niet-cognitieve (stoor)factoren en niet-objectiveerbare klachten(5) (o.a. vermoeidheid, kort lontje), of de wens tot erkenning van de klachten, dan wel het ontbreken van geobjectiveerde informatie, nopen de onderzoeker tot een genuanceerde afweging van feiten, omstandigheden en alternatieve verklaringen; uitspraken zijn primair gebaseerd op het cognitief testprofiel en op de mate van aannemelijkheid. Essentieel is, dat de klachten van betrokkene, conform gerechtelijke uitspraken (6) als ‘reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, niet overdreven’ worden beoordeeld en plausibel zijn; doorslaggevend is, dat het onderzoek geen aanwijzingen oplevert voor (al dan niet bewust) cognitief onderpresteren of aggraveren van klachten. Symptoomvaliditeitstests (SVT’s) mogen in deze context dan ook niet ontbreken; SVT’s zijn ontwikkeld om redelijkerwijs uit te sluiten dat afwijkende prestaties een gevolg zijn van onvoldoende prestatiemotivatie (onderpresteren). Bij een voldoende prestatie op SVT’s, mag er van uitgegaan worden dat de onderzoeksbevindingen een betrouwbaar en valide beeld geven; wanneer de prestatie op een SVT negatief afwijkt van de afkap-normscore, bij géén aanwijzingen voor klinisch evidente cognitieve stoornissen (bijv. dementie), dient ernstig getwijfeld te worden aan de validiteit van het testprofiel; dit kan ertoe leiden dat de onderzoeker moet besluiten dat het onverantwoord, want onbetrouwbaar, is om conclusies te trekken m.b.t. aanwezige stoornissen en beperkingen.”
5)Dit zijn breed voorkomende klachten waar op zichzelf géén (percentage) functieverlies aan wordt toegekend (NVN Richtlijn Functieverlies, 2020).
6) ECLI:NL:HR:2001:AB2054 (Hoge Raad. 2001), ECLI:NL:RBMNE:2013:7649 (Rb Midden, 2013), EcLI:NL:PHR:2017:647 (Rb Arnh-Leeuw., 2017)”
f. Het door neuropsycholoog drs. [neuropsycholoog] uitgevoerde onderzoek was een hulponderzoek voor de neuroloog drs. [neuroloog] . Drs. [neuroloog] heeft vervolgens na het neurologisch- en neuropsychologisch onderzoek de volgende lichamelijke- en cognitieve beperkingen bij [verzoeker] vastgesteld (p.15):
“Beperkingen op somato-neurologisch terrein:
Staan en lopen, klimmen en klauteren, knielen kruipen en hurken: licht tot matig beperkt.
Reiken, met de hand boven schouderhoogte werken, hand- en vingergebruik, tillen duwen en trekken, dragen voor links: licht tot matig beperkt.
Beperkingen op psycho-neurologisch terrein.
Onderzochte moet zijn cognitieve activiteiten (die hij weliswaar zelfstandig kan uitvoeren) plannen, doseren en prioriteren, hij moet voor mentale activiteiten meer dan gemiddeld tijd nemen en meer dan gemiddeld rustmomenten inbouwen.”
g. Door neuroloog drs. [neuroloog] wordt op pagina 12 van het rapport opgemerkt:
“De neuropsycholoog beoordeelt de stoornissen als subtiel.(…). Het is dan ook opvallend dat er thans een duidelijk verschil aanwezig is tussen de beoordeling van de ernst van de stoornissen door met name moeder enerzijds en de door de neuropsycholoog en ondergetekende geobjectiveerde stoornissen anderzijds.”
h. In gezamenlijk overleg hebben partijen daarna verzekeringsarts drs. [verzekeringsarts] gevraagd een verzekeringsgeneeskundig onderzoek uit te voeren. De vraagstelling waarin aan drs. [verzekeringsarts] werd gevraagd om op basis van de expertiserapporten van drs. [neuroloog] en drs. [neuropsycholoog] en op basis van zijn eigen verzekeringsgeneeskundig onderzoek de beperkingen bij [verzoeker] te stellen, is in gezamenlijk overleg tot stand gekomen.
De vraagstelling bracht met zich mee dat drs. [verzekeringsarts] de door de neuroloog drs. [neuroloog] vastgestelde lichamelijke beperkingen nader moest omschrijven en in een FML moest vastleggen.
i. Voor de expertise heeft drs. [verzekeringsarts] [verzoeker] thuis bezocht en de ouders van [verzoeker] waren daar ook bij aanwezig. Hij heeft [verzoeker] niet zelf lichamelijk onderzocht. Drs. [verzekeringsarts] heeft in zijn rapport meer lichamelijke beperkingen opgenomen dan door neuroloog drs. [neuroloog] zijn vastgesteld. Het gaat daarbij om beperkingen van trillingsbelasting, schroefbewegingen maken, lopen tijdens werk, traplopen, lichtflitsen en harde geluiden.
Verzekeringsarts drs. [verzekeringsarts] heeft ook zwaardere beperkingen op cognitief vlak aangenomen dan de subtiele stoornissen, zoals door die drs. [neuropsycholoog] waren vastgesteld.
j. Verzekeringsarts drs. [verzekeringsarts] merkt op pagina 13 van zijn rapport op:
“Daarbij is van belang om te vermelden dat er sprake is van een discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door betrokkene en zijn ouders worden vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak die tijdens de expertise naar voren zijn gekomen.”
3.2.
[verzoeker] kan zich niet vinden in de uitkomst van de door drs. [verzekeringsarts] uitgevoerde expertise. Volgens [verzoeker] zou drs. [verzekeringsarts] , als hij de plausibiliteitstoets zou hebben aangelegd, tot meer beperkingen zijn gekomen dan nu het geval is, en is er daardoor sprake van een zwaarwegend en steekhoudend bezwaar tegen het rapport van drs. [verzekeringsarts] . Hij is van mening dat relevante beperkingen ten onrechte niet zijn meegenomen omdat de vraagstelling aan drs. [verzekeringsarts] een te beperkt beoordelingskader met zich zou meebrengen namelijk een ‘strikt medisch objectieve beoordeling’ in plaats van een beoordeling op basis van plausibiliteit. Om die reden wil [verzoeker] voor de tweede keer aanvullende vragen stellen aan verzekeringsarts drs. [verzekeringsarts] . Verder stelt [verzoeker] dat sommige beperkingen mogelijk zijn gemist en om die reden wil hij dat er ook nog een Mentaal DuurBelastbaarheids Onderzoek (MDBO) plaatsvindt. [verzoeker] meent dat een dergelijk onderzoek geïndiceerd is teneinde de ongevalsgevolgen goed in kaart te kunnen brengen. Zijns inziens kan met een dergelijk duurbelastbaarheidsonderzoek nagegaan worden of er nog beperkingen zijn te duiden die niet uit een neuropsychologisch onderzoek (als dat van drs. [neuropsycholoog] ) naar voren komen, aangezien een NPO in ideale omstandigheden plaatsvindt, waarbij duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd.
3.3.
Ailianz voert verweer tegen de verzoeken. Allianz meent dat de verzoeken zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Volgens Allianz Allianz kan ook een materiële beoordeling van de verzoeken niet tot toewijzing daarvan leiden. Allianz stelt zich op het standpunt dat beide partijen aan de inhoud van dat rapport van drs. [verzekeringsarts] gebonden zijn en zij dit rapport als uitgangspunt dienen te nemen bij de schadeafwikkeling.
In de visie van Allianz laat [verzoeker] na expliciet aan te gegeven welke beperkingen hij dan heeft die drs. [verzekeringsarts] in zijn FML had moeten opnemen die nu gemist zouden zijn en hoe de FML er dan uit had moeten zien.
Allianz bestrijdt dat drs. [verzekeringsarts] een strikt medisch objectieve beoordeling heeft gehanteerd (alhoewel dat volgens Allianz wel had gemoeten). Drs. [verzekeringsarts] heeft namelijk bij het opstellen van zijn rapport niet alleen de rapporten van drs. [neuroloog] en drs. [neuropsycholoog] als uitgangspunt genomen, maar ook klachten en beperkingen vastgesteld op basis van zijn eigen intuïtie en gevoel en het ‘verhaal’ van [verzoeker] , aldus Allianz. Volgens Allianz mag drs. [verzekeringsarts] niet op grond van plausibiliteit aannemen dat er meer beperkingen bij [verzoeker] aanwezig zijn dan uit de rapporten van drs. [neuroloog] en drs. [neuropsycholoog] en zijn eigen onderzoek is gebleken (hetgeen hij overigens wel al heeft gedaan door een aantal beperkingen zonder medisch substraat aan te nemen). In het geval drs. [verzekeringsarts] gevraagd zou worden om op basis van plausibiliteit meer beperkingen aan te nemen dan die medisch verklaard kunnen worden, dan kan drs. [verzekeringsarts] zich alleen maar baseren op de mededelingen van [verzoeker] en zijn ouders over welke beperkingen [verzoeker] allemaal heeft, aldus Allianz. Dit terwijl drs. [neuroloog] en drs. [verzekeringsarts] hebben aangegeven dat er een discrepantie bestaat tussen de door [verzoeker] en zijn ouders aangegeven klachten en beperkingen en de beperkingen die door drs. [neuroloog] en drs. [verzekeringsarts] zijn vastgesteld.
Wat betreft het verzoek aangaande een MDBO geeft Allianz aan dat dit geen gangbaar meetinstrument is. Bovendien heeft een MDBO in de ogen van Allianz geen meerwaarde boven een NPO zoals reeds is uitgevoerd door de neuropsycholoog en waarbij ook is onderzocht wat de effecten van een langdurige cognitieve belasting zijn voor [verzoeker] .
De verdere beoordeling
3.4.
Partijen hebben naar aanleiding van de conceptrapportage van [verzekeringsarts] overleg gevoerd over het door [verzekeringsarts] te hanteren beoordelingskader. Dit naar aanleiding van de beschouwing en conclusie van [verzekeringsarts] op pagina 12 en 13 van zijn rapportage. In deze correspondentie tussen partijen heeft [verzoeker] zich op het standpunt gesteld dat [verzekeringsarts] naast de beperkingen als aangenomen door de neuroloog en de neuropsycholoog ook de bredere kijk van de plausibiliteitstoets moet hanteren. Allianz heeft zich op het standpunt gesteld dat [verzekeringsarts] zich moest baseren op de beperkingen als aangenomen door de neuroloog en de neuropsycholoog en op eigen onderzoek en niet op de subjectieve uitlatingen van [verzoeker] .
Juist is dat [verzekeringsarts] zich niet kan baseren op slechts de subjectieve uitlatingen van [verzoeker] . Daar wordt door [verzoeker] ook niet om verzocht. [verzekeringsarts] neemt ook terecht aan dat hij niet zou zijn ingeschakeld wanneer volledig afgegaan zou moeten worden op de door [verzoeker] subjectief ervaren klachten en beperkingen.
Ook juist is dat [verzekeringsarts] zich zal moeten baseren op de inhoud van de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog. Deze rapportages zijn in gezamenlijk overleg tussen partijen tot stand gekomen en er zijn door partijen geen bezwaren gemaakt tegen deze rapportages van zodanige aard dat partijen niet aan deze rapportages zijn gebonden. Deze rapportages dienen dus het uitgangspunt te vormen voor [verzekeringsarts] , maar dat betekent niet dat [verzekeringsarts] in alle opzichten volledig gebonden is aan de inhoud van deze rapporten. De vraagstelling aan [verzekeringsarts] was om [verzoeker] op te roepen voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en op basis van de expertiserapporten van de neuroloog en de neuropsycholoog alsmede op basis van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat [verzekeringsarts] bij [verzoeker] verricht de functionele beperkingen van [verzoeker] in verband met het uit de expertiserapporten volgende ongevalsletsel te omschrijven en de belastbaarheid neer te leggen in een FML/belastbaarheidsprofiel. Het door [verzekeringsarts] te verrichten verzekeringsgeneeskundig onderzoek en de specifieke expertise van de verzekeringsarts kan mede gelet op deze vraagstelling er toe leiden dat [verzekeringsarts] tot afwijkende bevindingen komt en dat hij daarover gemotiveerd rapporteert. [verzekeringsarts] komt in zijn rapportage ook tot zijn eigen oordeel waarin hij op onderdelen uitgaat van meer beperkingen bij [verzoeker] dan de neuroloog en de neuropsycholoog (wat gedeeltelijk ook lijkt voort te vloeien uit de vertaalslag naar de FML die de verzekeringsarts nu eenmaal moet maken). In antwoord op een vraag van Allianz schrijft [verzekeringsarts] daarover dat “de nieuwe beperkingen zijn gebaseerd op de bevindingen uit het neurologische expertiserapport waarbij ik als verzekeringsarts de professionele ruimte heb om waar nodig aanvullende beperkingen aan te nemen” (pagina 17 rapportage). Dit geldt zeker volgens [verzekeringsarts] voor items die niet op de beperkingenlijst van de neuroloog voorkomen (voorbeelden staan tijdens werk, traplopen trillingsbelasting). Daarnaast concludeert [verzekeringsarts] dat sprake is van overprikkelingsklachten die [verzoeker] ervaart die als beeld passen bij een ernstige diffuse hersenbeschadiging waarbij hij opmerkt dat hem dit verzekeringsgeneeskundig een reële beperking lijkt. Ook ten aanzien van andere door [verzekeringsarts] aangenomen beperkingen waar Allianz zich tegen verzet licht [verzekeringsarts] toe dat dit is gebaseerd op de rapportages en zijn eigen visie waarbij hij is uitgegaan van wat zijn inziens reëel is en niet verder is te beargumenteren. Het komt de rechtbank voor dat deze benadering van de verzekeringsgeneeskundige juist is. Waar [verzekeringsarts] uitgaat van overprikkelingsklachten als beeld passend bij een ernstige diffuse hersenbeschadiging lijkt [verzekeringsarts] ook de plausibiliteitstoets te hanteren. Of hij dat overigens ook heeft gedaan in de rapportage van zijn bevindingen is niet zeker. Dit lijkt niet het geval te zijn omdat hij in antwoord op een vraag van de verzekeringsarts van [verzoeker] antwoordt dat deze nogmaals probeert hem een ander beoordelingskader te laten hanteren en dat hij dat niet doet omdat hij niet op verzoek van één partij een ander beoordelingskader kan gaan gebruiken. Niet uit te sluiten is dat de facto [verzekeringsarts] geen volledige beoordeling aan de hand van de plausibiliteitstoets heeft gedaan. De vraag is vervolgens of dit in het kader van het buitengerechtelijke traject van partijen wel nog dient te gebeuren voordat de arbeidsdeskundige aan de slag gaat.
3.5.
Vast staat dat sprake is van niet aangeboren hersenletsel bij verzoeker als gevolg van de aanrijding gediagnosticeerd als DAI, (graad 3). Van het ontbreken van een medisch substraat is geen sprake. Er zijn door de neuroloog en de neuropsycholoog beperkingen vastgesteld. De neuropsycholoog geeft in haar inleidende alinea 6 van de beschouwing (zie r.o. 3.1. sub e.) weer welk beoordelingskader zij hierbij hanteert waarbij zij bijzonder nauwkeurig en uitvoerig aansluit bij de plausibiliteitstoets zoals [verzoeker] die voorstaat. De stelling van [verzoeker] dat het verschil tussen de gestelde klachten en de vastgestelde beperkingen is te wijten aan de omstandigheid dat “de neuroloog en de neuropsycholoog geen beperkingen duiden vanwege ‘substraatloze” klachten” omdat zij zich hebben moeten beperken tot medisch objectiveerbare klachten, volgt de rechtbank niet. De neuropsycholoog geeft aan te zijn uitgegaan van de plausibiliteitstoets en de neuroloog incorporeert de conclusies van de neuropsycholoog in zijn eigen onderzoek en rapportage voor wat betreft de psycho-neurologische afwijkingen. Voor wat betreft de somato-neurologische afwijkingen baseert de neuroloog zijn bevindingen op de ingevulde beperkingenlijst, de rapportages van behandelaars en op een reeks door de neuroloog afgenomen testen van het bewegingsapparaat.
Dat de verschillen tussen de door [verzoeker] (of de moeder van [verzoeker] ) geuite klachten op dit vlak en de door de neuroloog vastgestelde beperkingen te wijten zijn aan de omstandigheid dat sprake is van klachten die wel voldoen aan de plausibiliteitstoets, maar niet zijn vastgesteld door de neuroloog wegens het ontbreken van een medisch substraat is door [verzoeker] niet onderbouwd. Zo is niet gespecificeerd om welke beperkingen het wat betreft [verzoeker] gaat en evenmin is duidelijk gemaakt op grond waarvan aangenomen moet worden dat, ondanks de uitkomsten van de reeks van testen als afgenomen door de neuroloog waarop deze de beperkingen onder meer baseert, sprake is van niet medisch objectiveerbare klachten die reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend, niet overdreven en plausibel zijn in het licht van het geconstateerde letsel.
Dat op het somato-neurologische vlak sprake is van reëele, niet ingebeelde, niet voorgewende en niet overdreven klachten die plausibel zijn maar die niet als beperkingen zijn aangenomen, volgt daarnaast onvoldoende uit de mededeling in de rapportage van [verzekeringsarts] , dat het niet vreemd is dat de neurologisch expert tot minder forse beperkingen komt dan [verzoeker] omdat de neurologisch expert moet afgaan op de objectiveerbare bevindingen en welke beperkingen op basis van die bevindingen zijn te verklaren. Het betreft hier een algemene opmerking ter verklaring van de discrepantie tussen de geuite klachten en de vastgestelde beperkingen waarvoor hij ook twee andere mogelijkheden oppert namelijk conditionering en gewoontevorming en het ontbreken van een mentaal duurbelastingsonderzoek (MBDO). Dat het een algemene opmerking is volgt alleen al uit de omstandigheid dat vast staat dat de neuropsycholoog uit is gegaan van de plausibiliteitstoets.
In het licht van de omstandigheden zoals hiervoor zijn benoemd, zoals de omstandigheden dat de neuropsycholoog al is uitgegaan van de plausibiliteitstoets, geen sprake is van het ontbreken van een medisch substraat, de neuroloog mede aan de hand van door hem zelf afgenomen testen van het bewegingsapparaat tot conclusies komt op het somato-neurologisch vlak en tenslotte [verzekeringsarts] al terecht de ruimte neemt om af te wijken van de visie van de experts als hij dat vanuit zijn expertise dienstig acht en dit ook daadwerkelijk heeft gedaan, sluit de rechtbank in het geheel niet uit dat thans al een rapport voorligt van [verzekeringsarts] dat toch al gestoeld is op het juiste beoordelingskader en in zoverre ook al geschikt is om te dienen als uitgangspunt voor een rapportage van de arbeidsdeskundige.
Echter, vooral door de discussie tussen partijen over het beoordelingskader en het hierin door Allianz ingenomen standpunt en de reactie hierop in het rapport van [verzekeringsarts] , bestaat op dit punt wel twijfel en bestaat er dus aanleiding op dit punt helderheid te verkrijgen met het oog op de buitengerechtelijk afwikkeling van de schade.
De in randnummer 46 van het verzoekschrift daartoe voorgestelde aanvullende vraagstelling aan [verzekeringsarts] zou ten onrechte de suggestie kunnen wekken dat bij de expertises tot nu toe uitsluitend beperkingen vanwege medisch objectiveerbare klachten zijn vastgesteld. Ook zou de indruk gewekt kunnen worden dat het onderzoek en de rapportage geheel opnieuw zou dienen plaats te vinden, maar dan nu met het “juiste” beoordelingskader. Dat acht de rechtbank gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet juist. De rechtbank zal in de beslissing de vragen formuleren zoals deze gelet op al het voorgaande door partijen aan [verzekeringsarts] gesteld dienen te worden.
Omdat deze vragen en hetgeen hierna zal worden overwogen en bepaald ten aanzien van het MBDO zullen leiden tot een aanvullende rapportage over de bevindingen van [verzekeringsarts] en mogelijk tot een gewijzigde FML, kan het huidige rapport van [verzekeringsarts] thans niet al als basis dienen van de verdere beoordeling en beslissing in deze zaak. Uitsluitend om deze reden zal de rechtbank het onder I). verzochte toewijzen.
MBDO
3.6.
[verzekeringsarts] heeft in zijn rapportage ter verklaring van de discrepantie tussen de ernst van de beperkingen zoals die door [verzoeker] en zijn ouders wordt vermeld en de objectiveerbare afwijkingen op neurologisch en neuropsychologisch vlak eveneens naar voren gebracht dat “een rol daarbij kan spelen dat tijdens een NPO in ideale omstandigheden wordt getest en dat daarbij een duurbelasting in minder gunstige omstandigheden niet wordt gesignaleerd”. [verzekeringsarts] merkt op dat het soms zinvol kan zijn om hier gericht naar te kijken middels een Mentaal DuurBelastbaarheids Onderzoek (MBDO) omdat het kan zijn dat er dan toch beperkingen worden geobjectiveerd die niet uit een NPO naar voren zijn gekomen.
De door [verzekeringsarts] gedane suggestie om de wenselijkheid van een MBDO aan de neuropsycholoog voor te leggen, waarmee Allianz heeft ingestemd, is niet door [verzoeker] gevolgd met als argumenten dat deze beslissing te belangrijk is om aan de neuropsycholoog voor te leggen, terwijl ook het gevaar bestaat dat de neuropsycholoog geneigd zal zijn achter haar rapport te blijven staan. De wenselijkheid van een MBDO is verder toegelicht. [verzoeker] verwijst naar het advies van zijn verzekeringsarts waarin naar voren komt dat een MDBO rekening houdt met een reële arbeidssituatie.
Allienz verzet zich tegen een MBDO onder verwijzing naar haar medisch adviseur die aangeeft dat een MBDO al lang bestaat maar geen gangbaar meetinstrument is in aansprakelijkheidszaken en geen meerwaarde heeft boven een NPO omdat in een NPO het effect van een langdurige cognitieve belasting als een te onderzoeken variabele kan worden meegenomen waarbij de medisch adviseur kort beschrijft hoe dat kan gebeuren.
Weliswaar volgt uit het verslag van de neuropsycholoog dat evenals als bij een MBDO sprake was van een langdurig onderzoek tot na de middagpauze, dat na de middagpauze de neuropsycholoog geeuwgedrag waarneemt en [verzoeker] steeds meer vermoeid oogt, alsmede dat zij ook een beperking in de duurbelasting aanneemt, maar hieruit kan de rechtbank nog niet concluderen dat een MBDO geen meerwaarde heeft boven het NPO zoals dat heeft plaatsgevonden. Die onzekerheid wordt niet weggenomen door hetgeen de medisch adviseur van Allianz naar voren brengt, hij maakt niet duidelijk waarom een MBDO geen gangbaar meetinstrument is terwijl dit op zich niet beslissend is voor de vraag of het onderzoek wenselijk is. Dat een en ander ook in een NPO kan worden meegenomen brengt geen uitsluitsel over de vraag of dat ook in het onderhavige onderzoek is gedaan en in welke mate. De rechtbank zal gelet op het grote belang dat [verzoeker] heeft dat zijn beperkingen volledig in kaart worden gebracht beslissen als hieronder weergegeven.
Kosten deelgeschil
3.7.
De rechtbank zal de kosten van de behandeling van het onderhavige
verzoek aan de zijde [verzoeker] (als zijnde de persoon die door letsel schade lijdt) begroten, zulks
ingevolge artikel 1019aa lid 1 Rv. Daarbij dienen alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt, zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW, in aanmerking te worden genomen.
De rechtbank is van oordeel dat een uurtarief van € 295,- excl. BTW redelijk moet worden geacht evenals de tijdsbesteding van 28,3 uur (16,6 + 11,7), mede gelet op het feit dat Allianz tegen het uurtarief en de tijdsbesteding geen gemotiveerd verweer heeft gevoerd, anders dan ter zake de reistijd van 5 uur tegen genoemd uurtarief. De rechtbank stelt vast dat mr. Kolder woonachtig is in Groningen, hetgeen de reistijd van 5 uur verklaart, hetgeen niet als onredelijk kan worden aangemerkt. De rechtbank zal dan ook de kosten begroten op een bedrag van € 10.101,69 en Allianz – als aansprakelijke partij – veroordelen tot vergoeding van deze kosten aan [verzoeker] .
4. De beslissing
De rechtbank
4.1.
bepaalt dat de verzekeringsgeneeskundige expertise van [verzekeringsarts] d.d. 5 juni 2024 nog niet als basis kan dienen bij de verdere beoordeling en beslissing in deze zaak;
4.2.
bepaalt dat aan [verzekeringsarts] de aanvullende vraagstelling voorgelegd dient te worden:
- Wilt u kennis nemen van het verzoekschrift, het verweerschrift en deze beslissing en aanvullend rapporteren over de beperkingen van verzoeker op uw vakgebied met inachtneming van de eerdere bevindingen in uw eigen rapportage en de rapportages van de neuroloog en de neuropsycholoog en hetgeen daarover ten aanzien van het beoordelingskader van deze deskundigen in deze beslissing is overwogen en
- wilt u daarbij voor wat betreft uw aanvullende rapportage over de beperkingen op uw vakgebied van [verzoeker] mede uitgaan van klachten van [verzoeker] voor zover u heeft kunnen vaststellen dat deze plausibel zijn in de zin dat deze reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn en passend in het beeld gelet op het [verzoeker] overkomen ongeval en het vastgestelde letsel en voorts niet worden weerlegd door resultaten van de door de neuroloog en de neuropsycholoog afgenomen testen zoals die blijken uit hun rapportages of overige informatie in dit dossier.
- Indien u van oordeel bent dat er, gelet op de jeugdige leeftijd van [verzoeker] en de mogelijke ontwikkeling van [verzoeker] , teveel tijd is verlopen tussen de eerdere anamnese om deze thans nog te gebruiken, wilt u dan een nieuwe anamnese afnemen.
- Wilt u indien u bij het aanleggen van deze toets tot andere of grotere beperkingen bij [verzoeker] komt zo veel mogelijk motiveren op basis waarvan u tot deze beoordeling bent gekomen
- Wilt u tevens de resultaten van het MBDO in uw rapportage verwerken in uw definitieve expertiserapport en indien daar aanleiding voor is een nieuwe functionele mogelijkhedenlijst opstellen op basis van de meest recente versie.
- Wilt u na de beantwoording van voormelde vragen en het voldoen aan voormelde verzoeken [verzoeker] in de gelegenheid stellen gebruik te maken van zijn inzage -en blokkeringsrecht als bedoeld in artikel 7;464 lid 2 onder b BW en indien geen gebruik wordt gemaakt van het blokkeringsrecht uw conceptrapport aan de advocaten van partijen toezenden teneinde hen in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren , om daarna met inachtneming daarvan het definitieve deskundigenrapport op te stellen.
4.3.
bepaalt dat er ter nadere medische voorlichting een aanvullende onafhankelijke rapportage heeft plaats te vinden in de vorm van een Mentaal DuurBelastbaarheids Onderzoek (MDBO), dat partijen het ertoe dienen te leiden dat een dergelijk onderzoek gaat plaats vinden en daartoe op korte termijn overleg moeten voeren tot het buiten rechte inwinnen van voornoemde expertise, waarbij Allianz ex artikel 6:96 BW gehouden is de redelijke kosten gemoeid met het buiten rechte inwinnen van deze expertise te dragen.
4.4.
begroot de kosten van de onderhavige deelgeschilprocedure aan de zijde van [verzoeker] op een bedrag van € 10.101,69 en veroordeelt Allianz tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker] ;
4.5.
wijst af het meer of anders verzochte. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 augustus 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:9784