Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 110925 onduidelijk hoe vdo neuroloog kan bijdragen aan vordering terzake van onvoldoende behandelde hypertensie; afwijzing

RBAMS 110925 onduidelijk hoe vdo neuroloog kan bijdragen aan vordering terzake van onvoldoende behandelde hypertensie; afwijzing
 

2De feiten

2.1.

[verzoeker] stond in de periode van 2000 tot en met 2019 onder behandeling bij de afdeling Endocrinologie van het AUMC in verband met adrenogenitaal syndroom (AGS). Gedurende deze gehele behandelperiode had zij ook last van bloeddrukschommelingen (hypertensie).

2.2.

Vanaf 2000 ervoer [verzoeker] daarnaast neurologische klachten. In dat kader onderging zij in 2001 een MRI-scan. Op deze MRI waren volgens de radioloog van het AUMC geen zogenoemde witte stof afwijkingen te zien. Witte stof afwijkingen kunnen leiden tot onder meer cognitieve klachten, zoals geheugen- of concentratieproblemen.

2.3.

Omdat de cognitieve klachten in 2015 verergerden, werd [verzoeker] na verwijzing gezien door een neuroloog. Zij onderging toen een neuropsychologisch onderzoek (NPO), een CT-scan en een MRI-scan. Op deze MRI-scan werden toen wel witte stof afwijkingen geconstateerd. De neuroloog vermeldde in zijn brief van 30 juli 2015 dat er sprake was van een functionele neurologische stoornis (FNS) en verwees [verzoeker] door naar een stottertherapeut of logopedist.

2.4.

In 2018 wendde [verzoeker] zich, vanwege aanhoudende cognitieve klachten (met name woordvindingstoornissen en snelle overprikkeling) tot het Dijklander Ziekenhuis voor een second opinion. Daar werd opnieuw een MRI-scan gemaakt, waarop eveneens witte stof afwijkingen zichtbaar waren. Vergelijking met de MRI uit 2015 wees uit dat er in de tussenliggende periode geen verslechtering was opgetreden. In retrospectief werd bovendien vastgesteld dat ook op de in 2001 gemaakte MRI-scan in zeer lichte mate witte stof afwijkingen zichtbaar zouden zijn geweest.

2.5.

Nadat deze conclusies uit het Dijklander Ziekenhuis met [verzoeker] waren gedeeld, vond er een gesprek plaats met neuroloog prof. dr. [naam 1] . In zijn e-mail van 19 april 2019 aan haar schreef hij:

“(…) witte stof afwijkingen en heb daarbij aangegeven dat de bekendste oorzaak hypertensie is. Ik heb uitgebreid met patiënte de scans doorgenomen. Ik heb de scan van 2001 naast die van 2018 gehouden (en 2015) en ik heb laten zien dat er duidelijke toename is geweest tussen 2001 en 2018, maar veel minder of niet tussen 2015 en 2018. Ik heb uitleg gegeven over het ontstaan, heb met haar haar de bloeddrukken van de afgelopen tijd doorgenomen en duidelijk is dat er (nog steeds) behoorlijk schommelingen in de bloeddruk zijn. Derhalve heb ik de voorzichtige conclusie getrokken dat mogelijk toch eenzelfde mechanisme een rol speelt als bij ‘gewone’ hypertensie patiënten in het ontstaan van witte stof afwijkingen. Ook de literatuur lijkt het daarmee eens te zijn - witte stof afwijkingen worden relatief vaak gezien bij patiënten met het AGS. Bloeddruk regulatie lijkt dat toch de beste behandeling. (…)”

2.6.

Sinds augustus 2019 is [verzoeker] voor haar AGS en bloeddrukschommelingen onder behandeling in het Dijklander Ziekenhuis, waar haar bloeddruk binnen enkele maanden onder controle was.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] vraagt de rechtbank een voorlopig deskundigenbericht te bevelen door de neuroloog dr. Ter Bruggen te benoemen om vragen te beantwoorden over het medisch handelen van de neurologen.

3.2.

[verzoeker] legt aan dit verzoek ten grondslag dat een groot deel van de schade die zij heeft opgelopen voorkomen had kunnen worden wanneer haar bloeddruk en de schommelingen daarin regelmatig en zorgvuldig waren gecontroleerd en tijdig en adequaat waren behandeld tijdens haar behandeling in het AUMC. Zij stelt dat er een direct verband tussen deze schommelingen en de witte stof afwijkingen in haar hersenen is. Zij verwijt de behandelend artsen dat haar bloeddrukproblematiek nooit hoge prioriteit heeft gekregen, noch op de polikliniek van de internisten, noch op die van de cardioloog. [verzoeker] stelt daarnaast dat zij gedurende de gehele behandelperiode van 2001 tot 2019 herhaaldelijk melding heeft gemaakt van neurologische klachten en zelf bloeddrukmetingen heeft doorgestuurd, waaruit schommelingen met pieken bleken. Volgens haar is daar te weinig mee gedaan. Tenslotte verwijt zij de neuroloog dat de in 2015 op een MRI-scan vastgestelde witte stof afwijkingen in haar hersenen niet met haar zijn besproken, en dat daaraan geen vervolg is gegeven in de vorm van nadere diagnostiek of een bespreking van mogelijke behandelopties. Hierdoor heeft zij geen weloverwogen beslissingen kunnen nemen over de te volgen behandelingen, waardoor haar het recht op zelfbeschikking is ontnomen. De diagnose van de neuroloog dat sprake zou zijn van FNS is volgens [verzoeker] onjuist.

3.3.

[verzoeker] heeft zowel het AUMC als de betrokken internist-endocrinologen ieder afzonderlijk aansprakelijk gesteld voor de schade die zij heeft geleden en nog lijdt, vanwege (i) de onvoldoende controle en behandeling van haar hoge bloeddruk en (ii) het niet (voldoende duidelijk) communiceren van de MRI-bevindingen in 2015. Zij hebben aansprakelijkheid afgewezen. [verzoeker] heeft de neuroloog (nog) niet aansprakelijk gesteld.

3.4.

[verzoeker] wil door middel van het verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht laten vaststellen dat de in 2015 door het AUMC gestelde diagnose FNS een misdiagnose is geweest. Volgens haar heeft het AUMC de op de MRI geconstateerde witte stof afwijkingen destijds ten onrechte afgedaan als een toevallige bevinding, zonder deze in verband te brengen met haar neurologische klachten. Verder wil zij laten vaststellen dat de witte stof afwijkingen het gevolg zijn van haar langdurige en sterk schommelende bloeddruk. Volgens [verzoeker] is het van belang om eerst de werkelijke neurologische schade vast te kunnen stellen en daarna pas het aandeel daarin van het handelen van de internist-endocrinoloog. Om die reden vraagt [verzoeker] de rechtbank om een neuroloog te benoemen als deskundige en zij heeft daartoe vragen opgesteld.

3.5.

Het AUMC verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en stelt dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft bij het gelasten van een neurologisch onderzoek. Het AUMC verzet zich niet tegen het benoemen van een internist-endocrinoloog die zich kan uitlaten over de medische praktijk en het medisch handelen van de behandeld internist-endocrinoloog. Pas als vast zou komen te staan dat er sprake is geweest van onzorgvuldig medisch handelen door de internist-endocrinoloog (met name door het onvoldoende controleren en behandelen van [verzoeker] ’s bloeddruk) zou een neurologisch onderzoek naar de gevolgen daarvan (eventueel) aan de orde kunnen zijn. Het is het AUMC niet duidelijk wat [verzoeker] hoopt te bereiken met haar huidige verzoek. Het AMC vindt ook van belang dat in 2015 (toen de neuroloog zijn diagnose stelde) de eventuele schade door witte stofafwijking al aanwezig was en de situatie is daarna niet verslechterd. Het verzoek moet dan ook worden afgewezen.

4De beoordeling

4.1.

Het verzoekschrift is ingediend na 1 januari 2025. Vanaf deze datum is het nieuwe bewijsrecht in werking getreden, zoals neergelegd in de artikelen 196 RV en verder, waardoor deze artikelen op deze procedure van toepassing zijn.

4.2.

Concreet betekent dit dat de rechter een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht in beginsel moet toewijzen, mits het daartoe strekkende verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. Het verzoek mag vervolgens op grond van artikel 196 lid 2 Rv alleen worden afgewezen als de informatie die verzocht wordt onvoldoende bepaald is, de verzoeker onvoldoende belang heeft bij toewijzing van het verzoek, als het verzoek in strijd is met de goede procesorde, als misbruik wordt gemaakt van de bevoegdheid om dit middel te gebruiken of als er andere gewichtige redenen tegen de toewijzing van het verzoek bestaan.

4.3.

De rechtbank oordeelt dat [verzoeker] onvoldoende belang heeft zodat haar verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenbericht moet worden afgewezen. Dit wordt hierna uitgelegd.

4.4.

Hoewel [verzoeker] in haar verzoekschrift en ter zitting nadrukkelijk heeft verzocht om een voorlopig deskundigenbericht over het medisch handelen van de neuroloog, blijkt uit de onderliggende verwijten dat haar klachten in hoofdzaak betrekking hebben op het handelen van de internist-endocrinoloog. Zo stelt [verzoeker] onder meer dat haar bloeddruk jarenlang onvoldoende is gecontroleerd en behandeld, hetgeen volgens haar heeft geleid tot de witte stof afwijkingen in haar hersenen. Deze verwijten zien op het handelen van de internist-endocrinoloog, die zij tevens aansprakelijk heeft gesteld. Ook meerdere door [verzoeker] voorgestelde vragen in het deskundigenbericht zien rechtstreeks op het beleid van de internist-endocrinoloog, met name ten aanzien van de monitoring en behandeling van hypertensie. Dit valt buiten het vakgebied van de neuroloog.

4.5.

De rechtbank volgt [verzoeker] niet in haar standpunt dat eerst (de omvang van) de schade en de oorzaak daarvan dienen te worden vastgesteld met de informatie van de neuroloog en vervolgens pas aan de orde komt of zorgvuldig is gehandeld. Bij het aansprakelijk stellen van een behandeld arts staat centraal of deze heeft gehandeld zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in die omstandigheden zou hebben gedaan. Het is niet zo dat er omdát er schade is, wel onzorgvuldig moet zijn gehandeld.

4.6.

[verzoeker] heeft onvoldoende duidelijk heeft gemaakt in hoeverre de expertise van de neuroloog zou kunnen bijdragen aan de beoordeling van een potentiële vordering van [verzoeker] . Om een voorlopig deskundigenbericht te kunnen bevelen, moet een duidelijk en concreet juridisch (vermogensrechtelijk) belang bij het verzoek naar voren zijn gebracht. [verzoeker] heeft weliswaar gesteld dat in 2015 mogelijk sprake was van een onjuiste diagnose en dat de uitslag van de MRI destijds onvoldoende met haar is besproken door de neuroloog, maar zij heeft niet inzichtelijk gemaakt hoe een eventuele vaststelling op dat punt kan bijdragen aan een potentiële vordering. Zo heeft zij niet toegelicht of zij op basis daarvan een aansprakelijkstelling of juridische procedure tegen het AUMC wenst te starten, noch welk rechtsgevolg volgens haar aan de expertise van een deskundige over het handelen van de neuroloog zou moeten worden verbonden.

4.7.

Daarbij komt dat uit de stukken blijkt, en ter zitting is bevestigd, dat de witte stof afwijkingen sinds 2015 niet of nauwelijks zijn toegenomen. Voor zover er destijds sprake is geweest van een misdiagnose of onvoldoende toelichting op de MRI-bevindingen, heeft [verzoeker] niet gesteld dat dit verband houdt met aantoonbare (verdere) schade. Het is daarom niet aannemelijk dat een deskundigenbericht over het handelen van de neuroloog kan bijdragen aan het vaststellen van relevante medische causaliteit of aan de onderbouwing van haar schade. Uit het verhandelde ter zitting begrijpt de rechtbank dat [verzoeker] wellicht op zoek is naar een vorm van erkenning, maar zij heeft dit onvoldoende concreet vertaald naar een rechtens te respecteren belang bij haar verzoek.

4.8.

Ook is van belang dat tussen partijen geen inhoudelijk geschil bestaat over het bestaan van en de mogelijke oorzaak van de witte stof afwijkingen. Het AUMC erkent immers zelf in haar verweerschrift dat hypertensie een mogelijke oorzaak kan zijn van witte stof afwijkingen.

4.9.

Gezien het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten met betrekking tot het handelen van de neuroloog.

4.10.

Het medische kernpunt waar het wél om lijkt te draaien ziet op de bloeddrukregulatie en dit behoort tot het vakgebied van de internist-endocrinoloog. Partijen lijken het hierover eens en daarop ziet het geschil niet. De rechtbank ziet bij die stand van zaken op dit moment geen aanleiding voor het gelasten van een (endocrinologisch) onderzoek.

5De beslissing

De rechtbank

5.1. wijst het verzoek af, Rechtbank Amsterdam 11 september 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:11338