RBDHA 240426 toeslagenaffaire; vdo psychiater voor 4 gezinsleden; aangepaste IWMD 2025 vraagstelling; ad onderzoek prematuur; eerst psychiatrisch rapport
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 240426 toeslagenaffaire; vdo psychiater voor 4 gezinsleden; aangepaste IWMD 2025 vraagstelling; ad onderzoek prematuur; eerst psychiatrisch rapport
- voorschot kosten (€ 390 excl BTW per uur) t..l.v. staat, ook voor de gezinsleden ten opzichte waarvan aansprakelijkheid niet erkend is
2De feiten
2.1.
De moeder is erkend gedupeerde van de zogenoemde kinderopvangtoeslagaffaire.
2.2.
Verzoekers hebben de Staat aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden schade als gevolg van door de Staat genomen besluiten.
2.3.
Bij brief van 14 juni 2024 heeft de Staat aansprakelijkheid jegens de moeder erkend voor in ieder geval (naar de rechtbank begrijpt) de toeslagjaren 2007 en 2011 tot en met 2017.
2.4.
Aansprakelijkheid van de Staat jegens de kinderen is niet erkend.
2.5.
Op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen heeft de moeder een compensatie toegekend gekregen van (uiteindelijk) EUR 197.092.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank, kort gezegd, (i) per verzoeker een psychiatrisch en arbeidsdeskundig deskundigenbericht beveelt op basis van een vraagstelling die verzoekers hebben opgesteld, (ii) met verzoek aan de deskundigen om de kosten van hun werkzaamheden te begroten en (iii) het voorschot voor die werkzaamheden vast te stellen en te bepalen dat de Staat dit voorschot dient te deponeren.
3.2.
Verzoekers leggen aan het verzoek ten grondslag dat zij als gevolg van de kinderopvangtoeslagaffaire schade hebben geleden die hoger is dan de toegekende compensatie. Die schade willen zij verhalen op de Staat. Om vast te stellen hoe hoog die schade is en teneinde hun rechtspositie nader te kunnen bepalen, willen verzoekers hun schade laten beoordelen door onafhankelijke deskundigen.
3.3.
Hoewel de Staat niet tegenover gedupeerden wil staan of verweer wil voeren, is het de vraag of verzoekers gediend zijn met voornoemde onderzoeken. Zo is het verzoek ten aanzien van de moeder prematuur, omdat nog niet vaststaat over welke jaren de Staat jegens haar aansprakelijk is. Voor het verzoek van de kinderen geldt dat de Staat aansprakelijkheid jegens hen betwist. Het is dan ook niet op zijn plaats om de Staat te belasten met de betaling van een voorschot. Verder dient te worden uitgegaan van de IWMD-vraagstelling causaal verband bij ongeval, aldus de Staat.
4De beoordeling
4.1.
Een verzoek tot het bevelen van een voorlopig deskundigenonderzoek moet in beginsel worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopig deskundigenbericht (art. 196 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering).
4.2.
Verzoekers hebben ter zitting aan de hand van nadere stukken toegelicht dat per gezinslid een psychiatrisch onderzoek dient te worden ingesteld naar de mentale gevolgen van de problemen die zijn ontstaan door de onrechtmatige besluiten en de daarmee samenhangende handelingen van de Staat. Op die manier kan de impact van de toeslagenaffaire op het gehele gezin in kaart worden gebracht. Eerdere relevante medische beoordelingen van verzoekers moeten hierbij worden betrokken. Doel van het onderzoek is vast te stellen of sprake is van psychische klachten en of het aannemelijk is dat deze klachten in causaal verband staan met de onrechtmatige besluiten en daarmee samenhangende handelingen van de Staat. De mogelijk daaruit voortkomende fysieke en mentale functionele beperkingen moeten nauwkeurig worden beschreven. De uitkomsten van de psychiatrische expertises zijn tevens van belang bij het vaststellen van de omvang van de immateriële schade. Aansluitend dient per gezinslid arbeidsdeskundig onderzoek plaats te vinden. Doel hiervan is om per betrokken gezinslid een beoordeling te maken van het functioneren in privé-, werk- en/of studiesituaties, rekening houdend met de eventueel door de psychiater vastgestelde functionele beperkingen. Indien sprake is van functionele beperkingen, dienen de gevolgen daarvan voor het inkomen en het studie- en carrièreperspectief in kaart te worden gebracht. Hetzelfde geldt voor de impact van deze beperkingen op het sociaal en emotioneel functioneren. Op deze manier kan per persoon een vergelijking worden gemaakt tussen de situatie mét en zonder toeslagenaffaire. Indien sprake is van enige mate van arbeidsongeschiktheid, wensen verzoekers aan de hand van een actuarieel rekenkundige expertise per persoon te laten berekenen wat de omvang is van de geleden en toekomstige inkomensschade, een en ander in aanvulling op de arbeidsdeskundige rapportage, indien en voor zover de arbeidsdeskundige een dergelijke rapportage noodzakelijk acht.
Deskundigenonderzoek door een psychiater van WPEX
4.3.
Nu de Staat zich niet (formeel) verzet tegen het verzoek om als deskundige een psychiater te benoemen voor het verrichten van een deskundigenonderzoek per persoon, zal de rechtbank dat verzoek toewijzen met inachtneming van het volgende.
4.4.
Verzoekers hebben verzocht een psychiater van expertisebureau WPEX te benoemen. De Staat heeft daartegen geen bezwaren geuit.
4.5.
Verzoekers hebben verzocht te bepalen dat het voorschot op de kosten van de deskundigenonderzoeken door de Staat worden betaald. Hoewel de Staat als gezegd geen verweer voert, heeft hij erop gewezen dat hij zijn betwisting van de aansprakelijkheid jegens de kinderen handhaaft en dat dit verweer ook zal worden gevoerd in een eventuele bodemprocedure.
4.6.
Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid jegens de moeder en gelet op dat wat namens verzoekers ter zitting is toegelicht over de samenhang van de verzoeken van de moeder en de kinderen, waaruit kort gezegd volgt dat moeder en haar kinderen psychologische hulp hebben gezocht en dat sprake is (geweest) van psychische klachten, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat het voorschot op de kosten van de vier psychiatrische deskundigenonderzoeken door de Staat dient te worden betaald.
4.7.
Dit laat echter onverlet dat, zoals de rechtbank verzoekers ook ter zitting heeft voorgehouden, de Staat terecht heeft gewezen op het risico voor verzoekers althans de kinderen dat een deel van deze (aanzienlijke) kosten, waarover hierna meer, later alsnog voor rekening van verzoekers althans de kinderen kan komen, indien voornoemde (betwiste) aansprakelijkheid van de Staat jegens de kinderen niet komt vast te staan. Van de zijde van verzoekers is vervolgens desgevraagd bevestigd dat dit besproken en bekend is.
4.8.
Na de mondelinge behandeling heeft de rechtbank contact opgenomen met WPEX. Op 24 februari 2026 heeft WPEX de rechtbank bericht dat psychiater de heer M. van Beem beschikbaar is voor de verzochte vier onderzoeken. WPEX heeft een kostenbegroting meegestuurd en toegelicht dat:
de psychiater zich voor de onderzoeken van de volwassene en het meerderjarige kind zal laten bijstaan door een aan WPEX verbonden psycholoog;
de psychiater zich voor de onderzoeken van de minderjarige kinderen zal laten bijstaan door de heer H. Bijsterbosch (een aan WPEX verbonden klinisch neuropsycholoog Kind en Jeugd) en;
zij een doorlooptijd hanteert van 6 - 8 maanden.
4.9.
WPEX heeft de met de onderzoeken gemoeide kosten begroot op EUR 32.307 (inclusief 21% btw) in totaal voor alle verzoekers. WPEX hanteert een uurtarief van EUR 390 (exclusief 21% btw) voor een psychiater en EUR 255 (exclusief 21% btw) voor een klinisch neuropsycholoog en een GZ-psycholoog. WPEX verwacht de volgende tijdsbesteding:
-
per meerderjarige: 16 uren voor de psychiater en 3 uren voor de GZ-psycholoog en;
-
per minderjarige: 7 uren voor de psychiater en 13 uren voor de klinisch neuropsycholoog.
Daarnaast is per verzoeker drie uur aan administratieve werkzaamheden begroot tegen een uurtarief van EUR 50 (exclusief 21% btw).
4.10.
De rechtbank heeft partijen gelegenheid gegeven zich hierover uit te laten.
4.11.
Op 11 maart 2026 heeft de Staat bericht de kostenbegroting weliswaar hoog te vinden, maar daartegen niet direct bezwaar te hebben althans daarover niets te kunnen zeggen, omdat zijn medisch adviseur niet over relevante medische gegevens beschikt. De Staat onthoudt zich daarom van een oordeel over de hoogte van het voorschot. Omdat WPEX bij de kostenbegroting heeft geschreven dat kosten van eventueel aanvullend onderzoek daarin niet zijn opgenomen, merkt de Staat op dat het niet gegeven is dat hij gehouden is ook die kosten voor te schieten. De Staat wijst erop dat het om aanzienlijke kosten gaat en dat een eventuele terugvordering op de kinderen van door de Staat betaalde kosten hoger zal worden naarmate er meer kosten worden gemaakt.
4.12.
Op 12 maart 2026 hebben verzoekers bericht zich te refereren aan het oordeel van de rechtbank.
4.13.
Bij e-mailbericht van 12 maart 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij voornemens is over te gaan tot benoeming van de heer M. van Beem (psychiater), die zich zal laten bijstaan door een aan WPEX verbonden psycholoog en de heer H. Bijsterbosch (klinisch neuropsycholoog Kind en Jeugd) voor de uitvoering van de verzochte deskundigenonderzoeken, een en ander conform de begroting van WPEX.
Vraagstelling
4.14.
De rechtbank heeft partijen ter zitting voorgehouden dat zij (in het geval van het ontbreken van een gezamenlijke vraagstelling van partijen) aanleiding ziet de IWMD-vraagstelling voor te leggen aan de deskundige. De nieuwste versie van deze vraagstelling (versie 2025) zal dan ook aangepast aan de onderhavige zaak op na te melden wijze ter beantwoording worden voorgelegd aan de deskundige.
Overige verplichtingen van partijen
4.15.
Partijen zijn wettelijk verplicht mee te werken aan het onderzoek door de deskundige(n). De rechtbank zal deze en andere verplichtingen nader uitwerken in de beslissing. Wordt aan een van deze verplichtingen niet voldaan, dan kan de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht, ook in het nadeel van de desbetreffende partij.
4.16.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijke opmerkingen en verzoeken aan (een van) de deskundige(n) doet toekomen, dient zij daarvan gelijktijdig afschrift aan de wedepartij te verstrekken.
Deskundigenonderzoek door een arbeidsdeskundige
4.17.
Ter zitting is met partijen besproken dat de beslissing op het verzoek voor een arbeidsdeskundig onderzoek in dit geval prematuur is. De bevindingen van de psychiater kunnen relevant zijn bij de beoordeling van de vraag of onderzoek door een arbeidsdeskundige doelmatig is, maar dat zal pas veel later kunnen blijken. Om die reden zal het huidige verzoek voor een arbeidsdeskundig onderzoek worden afgewezen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
benoemt tot deskundige:
de heer M. van Beem, psychiater bij WPEX
Postbus 2783, 3800 GJ Amersfoort,
die zich zal laten bijstaan door:
a) een aan WPEX verbonden GZ-psycholoog en;
b) de heer H. Bijsterbosch (klinisch neuropsycholoog Kind en jeugd);
voor de uitvoering van een psychiatrisch deskundigenonderzoek per verzoeker (derhalve voor vier personen in totaal in één gezamenlijk deskundigenrapport);
vraagstelling
5.2.
draagt de deskundige op om ten aanzien van de moeder en de kinderen met betrekking tot de toeslagjaren 2007 en 2011 tot en met 2017 de volgende vragen te beantwoorden:
1DE SITUATIE MET ONRECHTMATIG HANDELEN
Anamnese
a. Hoe luidt de anamnese? Welke behandelingen heeft onderzochte gehad? Wat was het resultaat van deze behandelingen? Welke overige klachten op uw vakgebied worden desgevraagd gemeld? Wilt u vermelden welke belemmeringen betrokkene ervaart in relatie tot de activiteiten van het algemene dagelijkse leven (ADL), bij het werk, bij werkzaamheden in, aan en om de woning en bij het uitoefenen van hobby’s en bezigheden in de recreatieve sfeer?
Medische gegevens
Wilt u op basis van het medisch dossier van de onderzochte een beschrijving geven van de medische voorgeschiedenis (dat wil zeggen de gezondheid vóór het onrechtmatig handelen door de Staat) van de onderzochte op uw vakgebied? Wat is de medische behandeling geweest van de klachten en/of ervaren verschijnselen in gevolg op het onrechtmatig handelen en het resultaat daarvan?
Medisch onderzoek
Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?
Consistentie
Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van de onderzochte zelf, de feiten zoals die uit het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek?
Voor zover u de vorige vraag ontkennend beantwoordt, wilt u dan aangeven wat de reactie was van de onderzochte op de door u geconstateerde inconsistenties en welke conclusies u daaruit trekt? N.B. Confrontatie met gevonden inconsistenties is wel nodig; een betrokkene moet namelijk de kans krijgen om hier persoonlijk en verbaal op te reageren.
Diagnose
Wat is de diagnose op uw vakgebied? Wilt u daarbij uw differentiaaldiagnostische overweging geven?
Beperkingen
Welke beperkingen op uw vakgebied bestaan naar uw oordeel bij de onderzochte in zijn of haar huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het onrechtmatig handelen? Wilt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven, op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten ten behoeve van een eventueel in te schakelen arbeidsdeskundige?
Medische eindsituatie
Acht u de huidige toestand van de onderzochte zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van het onrechtmatig handelen mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van het op uw vakgebied geconstateerde letsel?
Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 1g)?
2DE SITUATIE ZONDER ONRECHTMATIG HANDELEN
Meestal zal het niet mogelijk zijn om onderstaande vragen (met name de vragen 2c – 2e) met zekerheid te beantwoorden. Van u wordt ook niet gevraagd zekerheid te bieden. Wel wordt gevraagd of u vanuit uw kennis en ervaring op uw vakgebied uw mening wilt geven over kansen en waarschijnlijkheden. Het is dus de bedoeling dat u aangeeft wat u op grond van uw deskundigheid op uw vakgebied op deze vragen kunt antwoorden.
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor onrechtmatig handelen
Bestonden voor het onrechtmatig handelen bij betrokkene reeds klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied? Zo ja, zijn die klachten er nog steeds? Bestaan er andere klachten en/of afwijkingen die wel relevant zijn voor uw vakgebied? Kunt u hierbij onderscheid maken tussen de gegevens bij anamnese verkregen en informatie op basis van de medische broninformatie verkregen?
Zo ja, kunt u zo mogelijk aangeven welke beperkingen voor het onrechtmatig handelen uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeiden en nu nog steeds uit deze klachten en/of afwijkingen voortvloeien? Kunt u hierbij aangeven, of deze gegevens anamnestisch zijn of gebaseerd op medische broninformatie?
Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder onrechtmatig handelen
Zijn er bij de onderzochte op uw vakgebied aanwijzingen dat hij/zij ook zonder het onrechtmatig handelen de huidige klachten en/of afwijkingen op uw vakgebied zou kunnen hebben ontwikkeld? Wilt u hierbij de algemene gezondheidstoestand van betrokkene meewegen? Kunt u daarbij aangeven of deze vraag wordt beantwoord op basis van anamnese of dat dit wordt afgeleid uit het medisch dossier?
Zo ja (dus zonder onrechtmatig handelen ook klachten), kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en/of afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
Kunt u aangeven welke beperkingen uit deze klachten en/of afwijkingen zouden kunnen zijn voortgevloeid? Kunt u deze beperkingen zo uitgebreid mogelijk beschrijven en op semi-kwantitatieve wijze weergeven en zo nodig toelichten? Indien dit niet mogelijk is dit graag aangeven.
Verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied geconstateerde niet aan het onrechtmatig handelen gerelateerde klachten en afwijkingen?
Zo ja, welke verbetering of verslechtering verwacht u?
Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Kunt u aangeven welke gevolgen deze verbetering dan wel verslechtering zal hebben voor de beperkingen (als bedoeld in vraag 2e)?
3OVERIG
a) Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?
het voorschot
5.3.
stelt de hoogte van het voorschot op de kosten van de deskundige vast op het door de deskundige begrote bedrag van EUR 32.307 (inclusief 21% btw);
5.4.
bepaalt dat de Staat het voorschot dient over te maken binnen twee weken na de datum van de nota met betaalinstructies van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak;
5.5.
draagt de griffier op om de deskundige onmiddellijk in kennis te stellen van de betaling van het voorschot;
het onderzoek
5.6.
bepaalt dat verzoekers het procesdossier in afschrift aan de deskundige dienen te doen toekomen;
5.7.
bepaalt dat de deskundige het onderzoek zelfstandig zal instellen op de door de deskundige in overleg met partijen te bepalen tijd en plaats;
5.8.
wijst de deskundige erop dat:
-
de deskundige voor aanvang van het onderzoek dient kennis te nemen van de Leidraad deskundigen in civiele zaken (te raadplegen op www.rechtspraak.nl of desgevraagd te verkrijgen bij de griffie);
-
de deskundige het onderzoek pas na het bericht van de griffier omtrent betaling van het voorschot dient aan te vangen;
-
de deskundige het onderzoek onmiddellijk dient te staken en contact dient op te nemen met de griffier, indien tijdens de uitvoering van de werkzaamheden het voorschot niet toereikend blijkt te zijn;
5.9.
bepaalt dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te verstrekken indien deze daarom verzoekt en de deskundige ook voor het overige gelegenheid dienen te geven tot het verrichten van het onderzoek;
het schriftelijk rapport
5.10.
draagt de deskundige op om uiterlijk acht maanden na het schriftelijk bericht van de griffier over de betaling van het voorschot één (gezamenlijk) schriftelijk en ondertekend deskundigenrapport in drievoud ter griffie van de rechtbank in te leveren, onder bijvoeging van een gespecificeerde declaratie;
5.11.
wijst de deskundige erop dat:
-
uit het schriftelijk bericht moet blijken op welke stukken het oordeel van de deskundige is gebaseerd;
-
de deskundige verzoekers in de gelegenheid moet stellen om gebruik te maken van hun inzage- en blokkeringsrecht als bedoeld in art. 7:464 lid 2 onder b BW en, indien verzoekers als eerste kennis wensen te nemen van het deskundigenrapport, een concept van dat rapport aan verzoekers (eventueel in een gesloten envelop via hun advocaat) moet toesturen en verzoekers daarbij een termijn van twee weken moet bieden om aan te geven of zij gebruik willen maken van hun blokkeringsrecht (waarbij verzoekers zich van commentaar op het concept moeten onthouden);
-
indien een of meer verzoekers binnen die termijn mededelen gebruik te maken van hun blokkeringsrecht, de deskundige de werkzaamheden betreffende die perso(o)n(en) onmiddellijk moet staken en dit aan de rechtbank moet mededelen;
-
indien verzoekers geen gebruik maken van hun inzage- of blokkeringsrecht, de deskundige het concept van het deskundigenrapport aan de advocaten van partijen moet toezenden;
5.12.
bepaalt dat partijen binnen vier weken dienen te reageren op het conceptrapport van de deskundige nadat dit aan partijen is toegezonden en dat partijen bij de deskundige geen gelegenheid hebben op elkaars opmerkingen en verzoeken naar aanleiding van het conceptrapport te reageren;
5.13.
bepaalt dat de deskundige in het definitieve rapport de door partijen gemaakte opmerkingen en verzoeken en zijn reactie daarop moet vermelden;
overige bepalingen
5.14.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan partijen en aan de deskundige zal zenden;
5.15.
wijst af het meer of anders verzochte. Rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:12301