RBROT 150725 toeslagenaffaire, verzoek tot benoeming psychiater en arbeidsdeskundige; afgewezen vanwege onvoldoende (onderbouwd) belang
- Meer over dit onderwerp:
RBROT 150725 toeslagenaffaire, verzoek tot benoeming psychiater en arbeidsdeskundige; afgewezen vanwege onvoldoende (onderbouwd) belang
2De feiten
2.1.
[verzoekster] is voor de opvang van haar zoon vanaf 2011 door de Gemeente Rotterdam verwezen naar de kinderopvanginstelling ‘ [naam kinderopvang] ’ (hierna: [naam kinderopvang] ). [naam kinderopvang] adverteerde ermee dat studerende moeders niet zelf een ouderbijdrage behoefden te betalen en dat het afdragen van de kinderopvangtoeslag voldoende was. Deze informatie was echter niet juist: de regeling van de kinderopvangtoeslag veronderstelt dat altijd een gedeelte van de kosten door de ouders zelf wordt gedragen en het betalen van de eigen bijdrage is een voorwaarde voor het recht op kinderopvangtoeslag.
2.2.
In november 2013 heeft de Belastingdienst [verzoekster] gevraagd om bewijsstukken van de betaling van de eigen bijdrage in de kinderopvangkosten. [verzoekster] kon bij gebreke van verrichte betalingen die bewijsstukken niet aanleveren. In plaats daarvan heeft zij toegelicht dat [naam kinderopvang] haar eigen bijdrage zou kwijtschelden. Toen [verzoekster] vervolgens aan [naam kinderopvang] verzocht om te verklaren dat geen eigen bijdrage verschuldigd was, weigerde [naam kinderopvang] die verklaring af te geven. [naam kinderopvang] heeft in plaats daarvan aan [verzoekster] aangegeven dat zij een schuld zou hebben bij [naam kinderopvang] .
2.3.
De Belastingdienst heeft vervolgens een onderzoek ingesteld naar fraude door [naam kinderopvang] . Daaruit volgde dat de handelwijze van [naam kinderopvang] inderdaad frauduleus was. In afwachting van de resultaten van dat onderzoek is de betaling van de kinderopvangtoeslag aan [verzoekster] opgeschort. Dat betrof de maanden januari, februari en maart 2014.
2.4.
Op 5 maart 2014 besliste de Belastingdienst dat [verzoekster] wél aanspraak kon maken op kinderopvangtoeslag over de hiervoor genoemde drie maanden. Die toeslag werd alsnog betaald op 14 maart 2014.
2.5.
De Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen heeft haar voorgenomen oordeel over toekenning van het door [verzoekster] verzochte compensatiebedrag voorgelegd aan de Commissie van onafhankelijke deskundigen hersteloperatie toeslagen, ook aangeduid als Commissie van Wijzen. Die commissie heeft op 24 november 2021 aan de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen geschreven dat zij van oordeel is dat geen sprake is van institutioneel vooringenomen handelen van de Belastingdienst, maar dat over genoemde drie maanden wel de hardheidscompensatie van toepassing is.
2.6.
In latere correspondentie over dit oordeel met de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen schrijft de Commissie van Wijzen dat [verzoekster] moet worden aangemerkt als slachtoffer van een frauderende kinderopvangstelling, maar ook:
In het kader van de toegezegde ruimhartige behandeling en toepassing van de menselijke maat kan hier niet worden gezegd dat belanghebbende niet een gedupeerde van de kinderopvangtoeslagaffaire is.
Dat er hier een terugvorderingsbedrag ontbreekt, waarop normaliter het bedrag van de compensatie rechtstreeks kan worden gebaseerd, is geen reden om belanghebbende niet als gedupeerde aan te merken. Zij behoort toegang te krijgen tot de Commissie Werkelijke Schade en tot de schuldenregeling voor gedupeerde ouders.
2.7.
Bij beschikking van 8 mei 2021 is aan [verzoekster] een bedrag van € 30.000,00 toegekend (de Catshuisvergoeding). Bij beschikking van 1 december 2022 is [verzoekster] een definitief compensatiebedrag van € 8.693,00 toegekend op grond van een integrale beoordeling. Aangezien dat bedrag niet hoger was dan de reeds uitgekeerde Catshuisvergoeding heeft [verzoekster] geen extra bedrag uitbetaald gekregen. De Catshuisvergoeding hoeft niet te worden terugbetaald.
3Het geschil
3.1.
Het verzoekschrift strekt tot het bevelen van twee voorlopig deskundigenberichten: één door een psychiater en vervolgens één door een arbeidsdeskundige. Zowel [verzoekster] als haar zoon zouden door de deskundigen dienen te worden onderzocht. Verder zijn in het verzoekschrift twee aan de deskundigen voor te leggen vraagstellingen opgenomen en luidt het verzoek de deskundigen te verzoeken de kosten te begroten, het voorschot te bepalen en te bepalen dat de Staat dat voorschot dient te deponeren ter griffie.
3.2.
De Staat heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij zo min mogelijk tegenover gedupeerden wil staan. Mede daarom heeft hij zijn verweer beperkt tot het verzoek om de Staat te belasten met betaling van het voorschot van de deskundigenkosten. In dat kader wijst hij erop dat [verzoekster] niet zozeer de dupe van de Staat maar van [naam kinderopvang] is geworden; aansprakelijkheid jegens [verzoekster] en haar zoon wordt betwist.
4De beoordeling
4.1.
In het verzoekschrift wordt [verzoekster] als ‘verzoekster’ aangeduid maar de procedure wordt mede op verzoek van haar minderjarige zoon gevoerd. De rechtbank houdt het er dan ook voor dat [verzoekster] het verzoek ook in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar zoon heeft ingediend.
4.2.
[verzoekster] stelt zich op het standpunt dat zij en haar zoon aanzienlijke schade hebben geleden als gevolg van onrechtmatige besluiten en/of handelingen van de Staat met betrekking tot de kinderopvangtoeslag over het toeslagjaar 2014. [verzoekster] wenst die schade te laten beoordelen door onafhankelijke deskundigen, zodat zij haar civielrechtelijke rechtspositie ten opzichte van de Staat nader kan bepalen.
4.3.
Een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht moet in beginsel worden toegewezen, tenzij de rechtbank van oordeel is dat de informatie die verlangd wordt niet voldoende bepaald is, onvoldoende belang bij het voorlopig deskundigenbericht bestaat, het verzoek in strijd is met de goede procesorde, sprake is van misbruik van bevoegdheid of andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen het voorlopige deskundigenbericht (artikel 196 lid 2 Rv).
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoekster] onvoldoende belang heeft bij de benoeming van deskundigen. Daartoe acht de rechtbank de volgende omstandigheden redengevend.
4.5.
[verzoekster] heeft haar kinderopvangtoeslag over de maanden januari, februari en maart 2014 met enige vertraging alsnog ontvangen in maart 2014. Zij is niet geconfronteerd met terug- of invorderingsmaatregelen maar heeft, mede vanwege de ruimhartigheid van het compensatiebeleid, wel als gedupeerde € 30.000,00 aan vergoeding ontvangen. De reden van de vertraagde uitbetaling is gelegen in de opschorting als gevolg van een onderzoek naar frauduleus handelen door [naam kinderopvang] . Voor het instellen van dat onderzoek bestond goede reden, mede gezien de aanwijzingen die op dat moment aanwezig waren en de conclusie dat [naam kinderopvang] inderdaad frauduleus handelde. Bovendien heeft het onderzoek niet (buitensporig) lang geduurd. Onder die omstandigheden valt niet in te zien dat de Staat iets valt te verwijten.
4.6.
[verzoekster] heeft nog aangevoerd dat de Staat aansprakelijkheid jegens haar zou hebben erkend in zijn brief van 22 mei 2024. De Staat heeft dat betwist en daartoe aangevoerd dat de brief een standaardbrief is, waarin slechts in algemene termen aansprakelijkheid is erkend voor “de besluiten met betrekking tot de jaren waarvoor door de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (UHT) compensatie is toegekend”, terwijl in het geval van [verzoekster] juist geen sprake is van onrechtmatige besluiten. Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de brief van 22 mei 2024 niet worden geconcludeerd dat de Staat aansprakelijkheid jegens [verzoekster] heeft erkend. In het geval van [verzoekster] staat, zoals terecht aangevoerd door de Staat, niet vast dat onrechtmatige besluiten zijn genomen door de Staat. De formuleringen in de brief zijn niet toegespitst op de specifieke omstandigheden van [verzoekster] en lijken dan ook geen betrekking te hebben op aansprakelijkheid voor de door haar geleden schade. Dat die standaardbrief toch ook aan [verzoekster] is verzonden heeft wellicht onnodig tot verwarring geleid, maar rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank dus niet de conclusie dat daarmee aansprakelijkheid is erkend.
4.7.
De vraag of de Staat al dan niet aansprakelijk is jegens [verzoekster] hoeft in de onderhavige procedure niet te worden beantwoord. Gelet op de door [verzoekster] gestelde feiten en omstandigheden en de voorgaande overwegingen is echter dusdanig beperkt onderbouwd dat [verzoekster] belang heeft bij de benoeming van een deskundige, dat het verzoek op grond daarvan – mede gelet op de met de verzochte deskundigenonderzoeken naar verwachting gemoeide (omvangrijke) kosten – moet worden afgewezen.
4.8.
De rechtbank ziet aanleiding om de proceskosten van deze procedure te compenseren in die zin dat elk van partijen de eigen kosten draagt. Rechtbank Rotterdam 15 juli 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:8632
