Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 130126 beëindiging schuldsanering aansprakelijke partij op verzoek van SO; wezenlijke informatie over achtergrond schuld achtergehouden

GHAMS 130126 beëindiging schuldsanering aansprakelijke partij op verzoek van SO; wezenlijke informatie over achtergrond schuld achtergehouden

in vervolg op:
GHAMS 260618 ernstig hoofdletsel passagier speedboot bij doorvaart onder stalen brug; te hard varen, teveel alcohol. ES na billijkheidscorrectie 25% 
- Aansprakelijkheidslimiet 8:983 BW; betekenis HR 18 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:729 en ES bij toepassing limiet

1Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij op 19 november 2025 ter griffie ingekomen beroepschrift, met bijlagen, in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem, van 11 november 2025, waarbij de rechtbank het verzoek van [appellant] om de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [geïntimeerde] tussentijds te beëindigen, heeft afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 6 januari 2025. Bij die behandeling is [appellant] verschenen, bijgestaan door mr. B.J. den Hartog (waarnemend voor [naam] ), die het beroepschrift heeft toegelicht aan de hand van pleitaantekeningen die aan het hof zijn overgelegd. Voorts is [geïntimeerde] verschenen, bijgestaan door mr. F. Baars, die digitaal heeft deelgenomen aan de zitting. Ook de bewindvoerder, mevrouw A.V. Nigita, is digitaal verschenen.

Het hof heeft kennisgenomen van de volgende stukken die ter griffie zijn ingediend:

- voormeld beroepschrift;

- het dossier van de rechtbank, waaronder het vonnis afwijzing tussentijdse beëindiging, het toelatingsvonnis en het proces-verbaal daarvan;

- de door het hof bij [appellant] opgevraagde stukken (alle rechterlijke uitspraken die hebben geleid tot de vaststelling van zijn schade), ontvangen op 18 december 2025;

- het verslag van de bewindvoerder van 18 december 2025;

- het verweerschrift van [geïntimeerde] van 23 december 2025;

- de door het hof bij de bewindvoerder opgevraagde berekening van het vrij te laten bedrag (vtlb), ontvangen op 5 januari 2026.

De door [appellant] op verzoek van het hof overgelegde uitspraken betreffen (1) een vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 1 juni 2016 in een procedure die door hem als eiser tegen [geïntimeerde] als gedaagde aanhangig is gemaakt (rolnummer HA ZA 15-399) tot vaststelling van [geïntimeerde] aansprakelijkheid, (2) een daarop volgend tussenarrest van dit hof van 26 juni 2018 (zaaknummer 200.197.316/01), (3) een eindarrest van dit hof van 18 december 2018 en (4) een bij verstek gewezen vonnis van 29 januari 2020 van de rechtbank Noord-Holland waarin de hoogte [appellant] schade is vastgesteld (rolnummer HA ZA 19/797).

Partijen hebben desgevraagd verklaard eveneens te beschikken over alle genoemde stukken.

2Beoordeling

2.1.

Bij vonnis van 10 juli 2025 is [geïntimeerde] toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.2.

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] om de schuldsanering van [geïntimeerde] te beëindigen afgewezen. De rechtbank heeft het volgende overwogen. Uit het dossier is voldoende gebleken dat de rechter ten tijde van de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling op de hoogte was van de onderliggende feiten van de schuld aan [appellant] . De schuld aan [appellant] stond niet aan toelating van [geïntimeerde] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling in de weg. Dat een schuldenaar in staat is maandelijks te betalen in het kader van een regeling, staat op zichzelf evenmin een toelating in de weg, omdat ook een financiële situatie die voor schuldenaar uitzichtloos is, reden geeft verzoeker toe te laten. Ten tijde van het toelatingsverzoek kon worden geoordeeld dat de financiële situatie van [geïntimeerde] uitzichtloos is. Daarnaast is er geen sprake van misbruik van recht gezien de aard van de schuld. Van omstandigheden die grond opleveren tot beëindiging op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder e en f Faillissementswet (Fw) is niet gebleken. Het stoppen van betalingen is benadelend voor [appellant] , maar bij de beoordeling kan niet gezegd worden dat [geïntimeerde] ten onrechte is toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling.

2.3.

[appellant] verzoekt het hof het bestreden vonnis te vernietigen en de wettelijke schuldsaneringsregeling van [geïntimeerde] alsnog tussentijds te beëindigen. Hij stelt onder meer dat er door [geïntimeerde] bij zijn verzoek om toelating relevante feiten en omstandigheden zijn verzwegen die, waren zij bekend geweest, tot afwijzing zouden hebben geleid (artikel 350 lid 3 aanhef en onder f Fw). [appellant] stelt verder dat [geïntimeerde] met zijn vlucht in de wettelijke schuldsaneringsregeling weg loopt voor zijn verantwoordelijkheid en dat dit misbruik van recht oplevert. [appellant] meent dat hij als enige schuldeiser bewust en opzettelijk wordt benadeeld.

2.4.

[geïntimeerde] stelt in zijn verweerschrift dat de beslissing van de rechtbank juist is, ondanks het onderliggende feitencomplex. Uit het toelatingsvonnis van 10 juli 2025 blijkt dat conform de geldende regels een aanvraag is gedaan, dat de belanghebbenden zijn gehoord, waarna het vonnis is gewezen. Wanneer langdurig een schuld moet worden betaald, zoals door [geïntimeerde] , is er sprake van een uitzichtloze financiële positie. [appellant] geeft niet specifiek aan welke handeling of gedrag of stilzwijgen misbruik van recht oplevert. Het belang van [geïntimeerde] weegt zwaarder dan het belang van [appellant] ; van misbruik van recht is geen sprake. De wet voorziet daarnaast ruimschoots aan toetsingsmomenten om misbruik van recht te toetsen en dus te voorkomen.

2.5.

De bewindvoerder heeft in hoger beroep laten weten dat [geïntimeerde] sinds de toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling voldoet aan alle uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De schuldsanering verloopt naar behoren en gelet hierop bestaan er geen gronden voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, aldus de bewindvoerder.

2.6.

Het hof overweegt als volgt. Op grond van artikel 350, eerste lid, Fw kan de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigen, onder andere, op voordracht van een schuldeiser. Blijkens het derde lid, aanhef en onder f, van voornoemde bepaling geschiedt een dergelijke beëindiging indien feiten en omstandigheden bekend worden die op het tijdstip van de indiening van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling reeds bestonden en die reden zouden zijn geweest het verzoek af te wijzen overeenkomstig artikel 288, eerste en tweede lid, Fw.

2.7.

Het hof is van oordeel dat [geïntimeerde] bij het verzoek om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling feiten en omstandigheden heeft stilgehouden die, waren zij bekend geweest, tot afwijzing van het verzoek hadden moeten leiden. Het hof licht dit als volgt toe.

2.8.

Een schuldenaar kan ingevolge artikel 284 lid 1 Fw tot de wettelijke schuldsaneringsregeling worden toegelaten indien hij in de toestand verkeert dat hij is opgehouden te betalen of wanneer redelijkerwijs is te voorzien dat hij niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. [geïntimeerde] verkeert niet in de toestand dat hij heeft opgehouden met betalen. Het gaat in dit geval om de vraag of redelijkerwijs te voorzien is dat [geïntimeerde] niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schuld aan [appellant] . Daarbij moet worden beoordeeld of er objectief bezien sprake is van een uitzichtloze financiële situatie bij [geïntimeerde] . Aangezien het in deze zaak slechts om één schuld gaat die niet betaald kan worden, komt het erop neer dat beoordeeld moet worden of dit een problematische schuld is.

Verder is van belang dat de schuldenaar die om toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling verzoekt, uit eigen beweging alle relevante feiten en omstandigheden dient te melden die van belang kunnen zijn voor de toelating tot de regeling. Daarbij gaat het niet alleen om de aard, omvang en oorzaak van de schulden. Ook de situatie van de schuldeiser kan relevant zijn, zeker in een geval zoals hier aan de orde, waarin het niet gaat om het niet kunnen betalen van rekeningen, maar om het beweerdelijk niet kunnen betalen van een verschuldigde schadevergoeding. Bovendien gaat het maar om één schuld. Het ligt op de weg van de schuldenaar die om toelating tot de regeling verzoekt om in een dergelijk geval de situatie van de schuldeiser zo volledig mogelijk te schetsen, temeer omdat de schuldeiser in de toelatingsprocedure niet zelf van zich kan laten horen. Daarom past hier een strenge toets. Uit de aanvraag, het proces-verbaal van de zitting of de uitspraak moet duidelijk blijken dat de aanvrager alle relevante feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht.

2.9.

Mede op basis van de stukken die het hof bij partijen heeft opgevraagd, gaat het hof uit van de volgende feiten. De schuld aan [appellant] is ontstaan door een door [geïntimeerde] veroorzaakt ongeval met zijn speedboot in september 2013. [geïntimeerde] en [appellant] waren destijds bevriend. Nadat zij behoorlijk wat bier hadden gedronken, zijn zij met een derde gaan varen met de speedboot van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] bestuurde de boot. De boot was niet verzekerd en [geïntimeerde] had zelf ook geen WA-verzekering. Op een plaats waar maar 6 km/u gevaren mocht worden is [geïntimeerde] met een snelheid van tenminste 20 km/u onder een brug door gevaren. [appellant] stond op dat moment op en raakte met zijn hoofd de brug. Als gevolg daarvan is [appellant] , die op dat moment zesdejaars student geneeskunde was, blijvend invalide geraakt. Hij is afhankelijk van een elektrische rolstoel, is deels verlamd, heeft een ernstige spraakstoornis en enig hersenletsel. [appellant] heeft langdurig moeten revalideren en heeft zijn studie geneeskunde niet kunnen afmaken. In de avond na het ongeval is [geïntimeerde] aan een ademanalyse onderworpen. Daaruit bleek een hoeveelheid alcohol van 635 µg/l. In verband met het varen onder invloed heeft het Openbaar Ministerie [geïntimeerde] een transactie van € 500,- aangeboden, die hij heeft betaald. Wat betreft de verdenking van letsel door schuld is de zaak geseponeerd. Over de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] is tussen [appellant] en [geïntimeerde] in twee instanties geprocedeerd. De belangrijkste vragen daarbij waren of er sprake was van eigen schuld van [appellant] (omdat ook hij had gedronken en wist dat [geïntimeerde] dat ook had gedaan en toch bij hem in de boot is gestapt) en of er sprake was van overeenkomst van personenvervoer in de zin van artikel 8:970 van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarvoor de aansprakelijkheidslimiet van artikel 8:983 BW geldt. In een onherroepelijk geworden eindarrest van 18 december 2018 heeft dit hof geoordeeld dat [geïntimeerde] jegens [appellant] voor 75% aansprakelijk is voor diens schade en dat de aansprakelijkheid is beperkt tot een bedrag van € 137.000, - vermeerderd met de inflatiecorrectie vanaf 1991. Vervolgens is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 29 januari 2020 de schade van [appellant] vastgesteld op € 212.930,16, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2019. Vanaf 2016 heeft [geïntimeerde] maandelijks € 400,- aan [appellant] betaald.

2.10.

In het verzoekschrift om toelating van [geïntimeerde] tot de wettelijke schuldsaneringsregeling staat vermeld: “De heer [geïntimeerde] heeft een schuld. Deze is ontstaan door een ongeluk waar de heer [geïntimeerde] jaren geleden bij betrokken was. Er is betrokkene een schadevergoedingsmaatregel opgelegd via de civiele rechter. Betrokkene betaalt sinds september 2016, tot aanvang van de schuldregeling een bedrag per maand af.”

Tot het moment dat hij om toelating verzocht, heeft [geïntimeerde] in maandelijkse termijnen van

€ 400,- in totaal bijna € 40.000,- aan [appellant] betaald. De bewindvoerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat bij een succesvol doorlopen van de schuldsanering voor [appellant] een bedrag van circa € 20.000,- beschikbaar komt.

2.11.

[geïntimeerde] werkt op dit moment 36 uur per week in loondienst als loodgieter, waarmee hij netto circa € 2.900,- per maand verdient. Hij woont bij zijn ouders en betaalt € 400,- per maand kostgeld. In april 2025 is zijn ex-partner bevallen van zijn kind, dat hij heeft erkend. Hij draagt niet bij aan de kosten van levensonderhoud van het kind.

2.12.

Uit het proces-verbaal van de toelatingszitting en uit het toelatingsvonnis blijkt niet dat alle onder 2.9 bedoelde feiten en omstandigheden destijds bekend waren en hoe deze zijn meegewogen. Het hof kan zich dan ook niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat uit het dossier voldoende blijkt dat de rechter ten tijde van de toelatingszitting op de hoogte was van de onderliggende feiten van de schuld aan [appellant] . Naar het oordeel van het hof is het [geïntimeerde] tegen te werpen dat hij bij de toelating onvoldoende informatie heeft verstrekt.

2.13.

In de eerste plaats is [geïntimeerde] te verwijten dat hij bij de toelating niet heeft vermeld hoe het bedrag van € 400,- tot stand is gekomen. Ter zitting is door [appellant] onweersproken gesteld dat hij - kennelijk in 2016 - akkoord is gegaan met een voorstel van [geïntimeerde] om hem maandelijks € 400,- te betalen. [geïntimeerde] heeft daarover alleen verklaard dat die afspraak hem vervolgens regelmatig voor problemen stelde omdat hij onvoldoende inkomsten had. Dit is thans echter niet meer aan de orde. [geïntimeerde] beschikt immers al geruime tijd over een vast inkomen uit arbeid, waardoor hij - volgens de geldende wettelijke regels - in staat is (veel) meer dan € 400,- per maand af te dragen. Desondanks heeft [appellant] nooit aanspraak gemaakt op een hogere afdracht. Waar er sprake was van een door [geïntimeerde] als schuldenaar voorgestelde betalingsregeling en [appellant] als schuldeiser zich daar steeds aan gebonden heeft geacht, ondanks het feit dat hij op basis van de wet aanspraak had kunnen maken op een hogere afdracht, lag het op de weg van [geïntimeerde] om de toelatingsrechter volledig te informeren over het bestaan en de achtergrond van deze tussen partijen gemaakte betaalafspraak. Uit de overgelegde stukken, waaronder het proces-verbaal van de toelatingszitting, blijkt niet dat dit is gebeurd, terwijl dit ook niet volgt uit hetgeen [geïntimeerde] desgevraagd bij het hof heeft verklaard over de gang van zaken bij de toelatingszitting. Voor de beoordeling van de vraag in hoeverre redelijkerwijs is te voorzien of [geïntimeerde] al dan niet kan voortgaan met betalen, betreft het feit dat er een betaalafspraak is waarmee de schuldeiser heeft ingestemd en waaraan de schuldenaar kan voldoen, wezenlijke informatie.

2.14.

In de tweede plaats is [geïntimeerde] te verwijten dat hij bij de toelating niet volledig inzage heeft gegeven in de aard van zijn schuld aan [appellant] en hoe het bedrag tot stand is gekomen. Dit had eenvoudig kunnen gebeuren door de vonnissen en arresten die desgevraagd aan het hof zijn overgelegd, toe te voegen aan het verzoek. Dan was gebleken dat er sprake is van door [geïntimeerde] veroorzaakte letselschade, waarvoor hem ernstige verwijten zijn te maken (namelijk het veel te hard varen onder invloed van alcohol), dat er sprake is van levenslang voortdurende schade bij [appellant] , én dat de vordering van [appellant] vanwege het bepaalde in artikel 8:983 BW al zeer sterk is gelimiteerd. In het licht van het feit dat er sprake is - en ook ten tijde van het toelatingsverzoek al sprake was - van een behoorlijke betaalcapaciteit bij [geïntimeerde] , zijn dit eveneens wezenlijk factoren bij de beoordeling van de vraag of er kort gezegd sprake is van een problematische schuld. Ook het karakter van de schuld speelt een rol. De vordering van [appellant] bestaat voor een groot deel uit inkomensschade, die nog altijd voortduurt. Zolang [appellant] leeft, lijdt hij in beginsel immers iedere maand opnieuw schade, waardoor er telkens een nieuwe vordering ontstaat. Doorgaans wordt dergelijke toekomstige schade gekapitaliseerd en teruggebracht tot één bedrag ineens, maar daarover zijn in dit geval kennelijk geen afspraken gemaakt, waarschijnlijk omdat de werkelijke schade veel hoger is dan de gemaximeerde schade waarover is geprocedeerd. Een eventuele schone lei ziet alleen op reeds bestaande schulden; de schone lei ziet niet op nieuwe schulden die nadien ontstaan. Omdat het maximum van artikel 8:983 BW na het verkrijgen van de schone lei nog lang niet zal zijn bereikt en de bepaling slechts de hoogte van de schade maximeert (maar niet het ontstaan van de schade verhindert of deze vermindert, vgl. rov. 3.13 in het arrest van dit hof van 26 juni 2018), zou dit kunnen betekenen dat [geïntimeerde] , ook na de schone lei, door [appellant] kan worden aangesproken wegens het ontstaan van nieuwe vorderingen. Dit is eveneens een omstandigheid die meegewogen dient te worden bij de beoordeling van de vraag in hoeverre er sprake is van een problematische schuld die via de wettelijke schuldsaneringsregeling gesaneerd kan worden, temeer omdat er geen aanleiding is om aan te nemen dat de vordering van [appellant] voor toekomstige termijnen is verjaard. Zijn vordering is immers erkend en er is op betaald door [geïntimeerde] .

2.15.

Naar het oordeel van het hof zou, indien de hiervoor bedoelde feiten en omstandigheden bij de toelating bekend waren geweest, dit reden zijn geweest het verzoek af te wijzen op de voet van artikel 288 lid 1 onder a Fw. Alle feiten en omstandigheden wegend, is er naar het oordeel van het hof onvoldoende grond om te concluderen dat [geïntimeerde] niet kan voortgaan met het betalen van zijn schuld aan [appellant] . De schuld houdt verband met blijvende letselschade die is ontstaan door ernstig verwijtbaar handelen van [geïntimeerde] . Uit niets is gebleken dat de € 400,- die tot dan toe werden betaald op basis van een tussen partijen overeengekomen betalingsregeling, [geïntimeerde] daadwerkelijk voor financiële problemen stelde.

2.16.

Het oordeel van de rechtbank dat er sprake is van een problematische schuld omdat met het overeengekomen bedrag van € 400,00 de schuld mogelijk nooit kan worden afgelost en dat deze mogelijk zelfs oploopt doordat ook de rente niet kan worden voldaan, onderschrijft het hof niet. Daarbij is allereerst van belang dat [appellant] vanwege de sinds 2016 gewijzigde financiële omstandigheden aan de zijde van [geïntimeerde] een verhoging van het maandelijkse bedrag had kunnen verlangen. Op basis van de regels met betrekking tot de beslagvrije voet had hij immers aanspraak op een aanzienlijk hoger maandbedrag. Bovendien moeten de oorzaak en aard van de schuld worden meegewogen. Het gegeven dat het in de normale lijn der verwachting ligt dat onverzekerd handelen zoals hiervoor onder 2.9 beschreven tot een jarenlange betalingsverplichting kan leiden, legt daarbij veel gewicht in de schaal. Als er, zoals hier, betaalcapaciteit is, dient het uitgangspunt te zijn dat de wettelijke regeling rond de beslagvrije voet de schuldenaar voldoende bescherming biedt. Bij dit alles kan verder niet uit het oog worden verloren dat door een wijziging in de persoonlijke omstandigheden van de schuldenaar, zoals bijvoorbeeld het krijgen van een relatie (waardoor de afdrachtverplichting hoger kan worden op grond van artikel 475da Rv omdat ook het partnerinkomen meetelt bij de bepaling van de beslagvrije voet) of een erfenis, de betaalcapaciteit kan toenemen, terwijl door inflatie de druk van de schuld in de loop van de jaren kan verminderen. Het gegeven dat het lang kan duren voordat de schuld geheel is betaald, rechtvaardigt naar het oordeel van hof in dit geval niet de conclusie dat er objectief bezien sprake is van een uitzichtloze financiële situatie, zoals [geïntimeerde] stelt.

2.17. Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep slaagt. De beslissing van de rechtbank kan niet in stand blijven. Het hof zal alsnog de schuldsanering van [geïntimeerde] beëindigen op grond van artikel 350 lid 3 aanhef en onder f Fw. Omdat er baten beschikbaar zijn die uitgekeerd moeten worden, komt [geïntimeerde] in staat van faillissement verkeren zodra dit arrest in kracht van gewijsde is gegaan. In dat geval zal de rechtbank terstond een rechter-commissaris en een curator moeten benoemen (artikel 350 lid 5 Fw). Gerechtshof Amsterdam 13 januari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:165