Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Utrecht 281009 fietser rijdt door rood en tegen auto; beroep op overmacht gehonoreerd

Rb Utrecht 281009 fietser rijdt door rood en tegen auto; beroep op overmacht gehonoreerd
2.1.  Op 6 februari 2006, omstreeks 08:00 uur, heeft in de gemeente Zeist, buiten de bebouwde kom, op het kruisvlak van de Driebergseweg met de Breullaan een verkeersongeval plaatsgevonden. [eiseres], rijdend op een fiets op een afzonderlijk fietspad van de Driebergseweg in de richting van Zeist (hierna te noemen: het fietspad), kwam op dit kruisvlak in aanrijding met een voor haar van links komende, vanaf de Odijkerweg over de Driebergseweg naar de Breullaan rijdende personenauto (van het merk Daihatsu; hierna te noemen: de auto), bestuurd door [gedaagde]. [eiseres] heeft de auto aan de rechterachterzijde geraakt. De kruising van de Driebergseweg met enerzijds de Odijkerweg en anderzijds de Breullaan is beveiligd door middel van verkeerslichten, die ten tijde van het verkeersongeval in werking waren. Ter plaatse van de fietspaden staan voor (brom)fietsers geldende verkeerslichten. Ter plaatse geldt een snelheidslimiet van 80 km/u. [gedaagde] is met een snelheid van ongeveer 30 km/u het kruisvlak van de Odijkerweg met de Driebergseweg opgereden.



Grotere kaart weergeven
(...)
4.3. De rechtbank dient nu eerst vast te stellen wat de feitelijke gang van zaken rondom het ongeval is geweest. [eiseres] heeft gesteld dat zij geen rood licht heeft genegeerd. Die stelling heeft zij niet verder onderbouwd. [gedaagde] heeft dit gemotiveerd betwist. Zij verwijst daarbij naar het proces verbaal (zie overweging 2.2), de schriftelijke getuigenverklaring van de heer [getuige 2] (zie overweging 2.3) en haar eigen verklaring. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] daarmee voldoende heeft aangetoond dat [eiseres] wel degelijk het voor haar bestemde rode licht heeft genegeerd. De rechtbank zal ook voor het vaststellen van de overige relevante feiten en omstandigheden uitgaan van het ambtsedig proces-verbaal en de verklaring van getuige [getuige 2]. Deze zijn door [eiseres] onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank acht van belang dat [gedaagde] bij daglicht met ongeveer 30 km per uur (waar 80 km per uur was toegestaan) over een kruising reed. Zij had groen licht. Er stond een aantal fietsers voor een verkeerslicht te wachten op het punt waar [eiseres] even later het rode licht zou negeren. [eiseres] fietste kort voor de botsing voor Getuige [getuige 2] langs. Uitgaande van de verklaring van deze getuige, de door hem gemaakte schets en de luchtfoto opgenomen in overweging 2.1, gebeurde dat tussen de 7 en 10 meter voor de plaats van het ongeval. Hieruit concludeert de rechtbank dat [eiseres] zonder in te houden is doorgefietst. Dat strookt ook met haar eigen verklaring. De getuige zegt dat hij een tel nadat de fietser hem passeerde een klap hoorde. [eiseres] is tegen de rechterachterzijde van de auto waarin [gedaagde] reed, gebotst. Dit gebeurde op zeer korte afstand van het voor [eiseres] bestemde verkeerslicht. Uit deze omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank dat [eiseres] de weg moet zijn opgereden op een moment waarop de auto van [gedaagde] de plaats van het ongeval reeds zo dicht was genaderd, of mogelijk reeds gedeeltelijk was gepasseerd, dat [gedaagde] redelijkerwijs een aanrijding niet meer kon vermijden. [gedaagde] kan voorts niet verweten worden dat zij zodanig verkeersgedrag vertoonde dat zij niet adequaat op onvoorzichtig gedrag van anderen kon reageren. Haar snelheid was fors lager dan ter plekke toegestaan en zij heeft gekeken of het overige verkeer (inclusief de fietsers) de weg voor haar vrij hielden. Zij heeft gezien dat fietsers bij het voor hen bestemde verkeerslicht stonden te wachten. Op grond van al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] zich kan beroepen op overmacht en dat zij niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de gevolgen van het ongeval.
LJN BK4922