Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 140410 Rechter volgt rapport verzekeringsarts dat mede gebaseerd was op rapporten van neuroloog en neuropsycholoog

Rb Arnhem 140410 Rechter volgt rapport verzekeringsarts dat mede gebaseerd was op rapporten van neuroloog en neuropsycholoog

(vervolg op /rb-arnhem-101208
2.1.  In het laatste tussenvonnis is de verzekeringsarts [deskundige] als deskundige benoemd om een verzekeringsgeneeskundig deskundigenbericht uit te brengen.

2.2.  [deskundige] heeft na bestudering van het procesdossier, in het bijzonder de meest relevante (medische) stukken en de laatste twee tussenvonnissen van de rechtbank, en na eigen onderzoek van [eiseres] zijn rapportage opgesteld. In zijn rapport heeft hij onderzoeksbevindingen weergegeven en vervolgens de hem gestelde vragen als volgt beantwoord:
“Vraag 1:
Wilt u op basis van de neurologische rapportage van drs. [arts1] d.d. 20 september 2001 (productie 1 bij dagvaarding) en de aanvulling daarop bij brief van 6 mei 2003 (productie 6 bij dagvaarding) en de neuropsychologische rapportage van [arts2] - met inachtneming van hetgeen daaromtrent in het tussenvonnis van 10 december 2008 onder 2.8 is overwogen en beslist - de ongevalsgerelateerde beperkingen en mate van belastbaarheid van [eiseres] vaststellen?

Antwoord:
Bij het vaststellen van de beperkingen en de belastbaarheid van betrokkene ben ik er van uitgegaan dat de door de neuroloog [arts1] geconstateerde ‘verminderde belastbaarheid van de nek- en schouderstreek met optredende hoofdpijnen, met nu en dan ook vegetatieve reacties en tintelingen in de handen’ als vaststaand dienen te worden genomen. Deze verminderde belastbaarheid is naar mijn oordeel een gevolg van het in 1999 doorgemaakte ongeval. Voorts zijn deze beperkingen door de rechtbank als vaststaand aangenomen (zie tussenvonnis d.d. 10-12-2008 par. 2.7).

Ik ben bij het vaststellen van de belastbaarheid, voor zover deze het neuropsychologische terrein betreft, niet uitgegaan van beperkingen op cognitief terrein zoals de neuroloog [arts1] deze aanwezig achtte, doch van de bevindingen waartoe het rapport van de neuropsycholoog [arts2] leidt.
Deze neuropsycholoog stelt in zijn rapport dat de door betrokkene gepresenteerde problemen op neuropsychologisch gebied bij zijn onderzoek niet worden geobjectiveerd. Incidenteel zijn er zeer lichte problemen ten aanzien van de aandachts- en geheugenfunctie, doch deze problemen zijn weinig consistent, niet concordant en imponeren niet als organisch cerebraal bepaald.
Bij het op verzekeringsgeneeskundig terrein vaststellen van de belastbaarheid dient bij het aannemen en kwantificeren van beperkingen in eerste instantie uit te worden gegaan van te objectiveerbare [bedoeld zal zijn: objectiveren; rb] afwijkingen en stoornissen en dient, overeenkomstig het in de verzekeringsgeneeskundige gehanteerde M.A.O.C. (medisch arbeidsongeschiktheidscriterium), bij niet te objectiveren maar wel aangegeven belemmeringen bezien te worden of er sprake is van consistentie.
Daar de neuropsycholoog aangeeft dat de ervaren problemen weinig consistent en niet concordant zijn, kunnen deze problemen bij een verzekeringsgeneeskundige weging niet leiden tot het aannemen van beperkingen op het vlak van de aandachts- en geheugenfunctie.

Vraag 2:
Is er naar uw oordeel daarnaast ook sprake van niet-ongevalsgerelateerde beperkingen en/of verminderde belastbaarheid bij het verrichten van loonvormende en huishoudelijke arbeid?

Antwoord:
Ja, betrokkene heeft na een enkelfractuur die zij in het verleden opliep, lichte problemen gehouden met lopen, in die zin dat zij moeilijkheden ondervindt bij het lopen op een oneffen terrein.
Deze moeilijkheden en de daar uit voortvloeiende beperkingen zijn niet gerelateerd aan het ongeval dat betrokkene op 15 september 1999 overkwam.

In het tussenvonnis van de rechtbank d.d. 10 december 2008 valt in par. 2.8 verder te lezen:
Echter, ook andere - naar de rechtbank begrijpt: niet-ongevalsgerelateerde, bestaande - gezondheidsproblemen van [eiseres] kunnen volgens [arts2] haar algemene functioneren en daarmee haar mentale belastbaarheid negatief beïnvloeden. Ook met dit gegeven zal in een later stadium rekening moeten worden gehouden, bij het in kaart brengen van [eiseres]s ongevalsgerelateerde beperkingen.
Ook ik heb dit zo begrepen uit het rapport van [arts2].
Zonder meer concrete aanwijzingen in die richting heb ik echter op basis van mijn onderzoek en op basis van wat [arts1] en [arts2] in hun rapporten vermelden, niet kunnen vinden. Het is daarmee al in het geheel niet mogelijk nader te kwantificeren in welke mate betrokkene’s algehele functioneren en daarmee haar mentale belastbaarheid negatief worden beïnvloed door niet-ongevalsgerelateerde, bestaande gezondheidsproblemen.
Dit betekent dat het zeer speculatief zou zijn en op verzekeringsgeneeskundig terrein niet wetenschappelijk verantwoord zou zijn om in een belastbaarheidsprofiel in getal en maat niet-ongevalsgerelateerde beperkingen aan te geven op het gebied van de mentale belastbaarheid.

Wel dient naar mijn oordeel er van uitgegaan te worden dat de pijnklachten (uitgaande van de nekregio en van het hoofd) die betrokkene ervaart, ongevalsgerelateerd zijn.
[arts2] geeft in dit kader bij de beantwoording van de aan hem gestelde vragen (ad 3) aan, dat het functioneren van betrokkene kan worden beïnvloed door de ervaren pijnklachten, de verminderde spankracht, de neiging tot sombere reactievorming en de subjectief ervaren vermindering van vitaliteit en energie, de somatische fixatie en het geconditioneerde beeld en de functionele aggravatie.
Van deze door [arts2] opgesomde factoren die betrokkene’s functioneren kunnen beïnvloeden, zijn de ervaren pijnklachten wel ongevalsgerelateerd, de overige factoren zijn dat echter grotendeels niet.
Dat houdt naar mijn oordeel in dat er geen beperkingen ten aanzien van het functioneren kunnen worden aangenomen die als ongevalsgerelateerd dienen te worden beschouwd. Er zijn echter ook geen concrete redenen om niet-ongevalsgerelateerde beperkingen aanwezig te achten, anders da[n] die welke ik vermeldde ten aanzien van het lopen op een oneffen terrein. [arts2] vermeldt in dat kader dat de mentale belastbaarheid van betrokkene bovendien kan worden beïnvloed door pre-existente psychologische factoren, mogelijk eveneens door pre-existente en ten tijde van het ongeval bestaande lichamelijke klachten. Ik heb echter voor het bestaan van dergelijke psychologische factoren en lichamelijke klachten geen concrete aanwijzingen gevonden, behoudens de reeds vermelde enkel klachten die leiden tot een beperking ten aanzien van het lopen op oneffen terrein.

Vraag 3:
Wilt u de door u vastgestelde beperkingen en belastbaarheid in maat en getal omschrijven en verwerken in een FML? Wilt u in het voorkomende geval - voor zover naar uw oordeel aangewezen - de door u in antwoord op vraag 1 en vraag 2 vastgestelde beperkingen en mate van belastbaarheid in afzonderlijke Functionele Mogelijkheden Lijsten opnemen en eventueel daarnaast ook een gecombineerde FML opstellen?

Antwoord:
De ongevalsgerelateerde beperkingen heb ik vermeld in een FML, genaamd FML 1.
De niet-ongevalsgerelateerde beperkingen heb ik vermeld in een FML, genaamd FML 2.
Tot slot heb ik tevens een FML opgesteld, waarin zowel de ongevalsgerelateerde, alsook de niet-ongevalsgerelateerde beperkingen zijn vervat. Deze laatste is genaamd FML 3.
Het betreffen zogenaamde kritische FML’n, dat zijn FML’n waarop alleen de items staan vermeld waarop een onderzocht beperkt wordt geacht of waarop een toelichting aan de orde is.

Vraag 4:
Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

Antwoord:
Er zijn geen verdere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, die van belang kunnen zijn voor een goed begrip van de zaak.”

2.3.  Bij het deskundigenbericht bevindt zich, naast de drie door de deskundige opgestelde FML-en, een bijlage getiteld “Commentaren van partijen”, waarin (onder meer) het volgende is vermeld:

“Op 11 juni zond de advocaat van onderzochte mij per e-mail een reactie, verwijzend naar een bijlage gedateerd 29 mei 2009, van de hand van de neuroloog J.U.R. Niewold. Zie hiertoe de bij dit rapport gevoegde betreffende bijlage.

(...)
Mijn reactie op het commentaar van collega Niewold:

Het is juist dat betrokkene klachten aangeeft op cognitief terrein en dat de neuroloog [arts1] uit is gegaan van beperkingen bij betrokkene op cognitief gebied.
Nadien werd echter het neuropsychologisch onderzoek verricht door de neuropsycholoog Verdonk.
Deze komt op grond van zijn onderzoeksbevindingen tot de conclusie dat er bij betrokkene geen concrete stoornissen kunnen worden aangetoond op neuropsychologisch gebied en hij acht de aangegeven problemen t.a.v. de aandachts- en geheugenfunctie weinig consistent.

De rechtbank stelt vervolgens in haar vonnis d.d. 10 december 2008 (onder 2.2) dat de rechtbank de bevindingen en conclusies van deze deskundige over neemt en tot de hare maakt, (...).
De rechtbank stelt ook dat het rapport van Verdonk dus mede tot uitgangspunt zal dienen bij de verdere beoordeling van het geschil.

Ik ben er dus van uit gegaan dat ik het rapport van Verdonk mede als uitgangspunt diende te nemen bij het beoordelen van de belastbaarheid en op grond van dit rapport kan ik niet anders dan geen beperkingen aannemen op cognitief terrein.
De incidentele, zeer lichte problematiek inzake de aandachts- en geheugenfunctie waarvan Verdonk verder spreekt, zijn van een dermate geringe ernst dat dit compatibel blijft met de normaalwaarden die de FML aangeeft voor deze items op cognitief gebied. Hierbij moet men zich er rekenschap van geven dat deze normaalwaarden al uitgaan van geringe eisen die aan een persoon gesteld worden.

Op 10 juni zond de advocate mw. mr. N. Haase mij een commentaar namens de andere partij, HDI.
In dit commentaar wordt mij een achttal vragen gesteld. (...)

Ad vraag 1:
Bij betrokkene was er op het moment van beoordeling weliswaar sprake van een duidelijk overgewicht, zij had een gewicht van 105 kg bij een lengte van 1.78 m, maar er was ook weer niet sprake van een morbide obesitas. Bij het overgewicht dat betrokkene heeft is het niet obligaat, en ook niet per se te verwachten dat er als gevolg van het overgewicht nek- en schouderklachten ontstaan. Om die reden dienen betrokkene’s klachten niet zozeer aan het overgewicht te worden geweten, doch aan het bewuste ongeval, dit in navolging van wat de neuroloog [arts1] in zijn rapport stelt.
(...)

Eindoordeel:
Gezien hetgeen in de commentaren door beide partijen naar voren is gebracht en mijn reactie daar op, is het naar mijn oordeel niet aangewezen om tot een bijstelling van mijn rapport te komen en evenmin om tot een bijstelling van de FML’n te besluiten.”.

2.4.  [eiseres] kan zich niet vinden in de bevindingen en conclusies van [deskundige]. Samengevat heeft zij daaraan het volgende ten grondslag gelegd. Het rapport van [deskundige] is onjuist omdat hij het rapport van de neuropsycholoog [arts2] daarbij tot uitgangspunt heeft genomen en [arts2] tot onjuiste bevindingen en conclusies is gekomen. Voorts heeft [deskundige] miskend dat de rechtbank uitgaat van een stoornis op het gebied van het cognitief en neuropsychologisch functioneren van [eiseres] alsmede van lichte beperkingen met betrekking tot de aandachts- en geheugenfunctie. De in dat verband subjectief bepaalde factoren zoals verminderde spankracht en sombere reactievorming behoren als predispositie voor rekening van de verzekeraar te komen. [deskundige] heeft ook het verkeerde criterium aangelegd bij het beantwoorden van de vraag of beperkingen aanwezig zijn op dit gebied, met hantering van een verkeerde uitleg van het begrip ‘consistentie’. Niet alleen in verband met de ongevalsgerelateerde lichamelijke, maar ook in verband met de ongevalsgerelateerde, ernstige cognitieve beperkingen van [eiseres] had [deskundige] beperkingen moeten duiden in de desbetreffende FML-en, zo meent zij. Bij gebreke daarvan moet het rapport buiten beschouwing worden gelaten en moet een andere verzekeringsgeneeskundige worden benoemd, aldus [eiseres].

2.5.  HDI kan zich grotendeels wel vinden in het rapport van [deskundige], behoudens voor wat betreft zijn conclusie dat het forse overgewicht van [eiseres] in de situatie zonder ongeval niet op enig moment ook tot nek- en schouderklachten zou hebben geleid. Overigens heeft HDI opgemerkt dat zij niet op het - volgens HDI onterechte - commentaar van [eiseres] ingaat voor zover dat ziet op de rapportage van [arts2], omdat dat naar haar oordeel een gepasseerd station is. HDI is het eens met het oordeel van [deskundige] dat er geen mee te wegen cognitieve beperkingen zijn.

2.6.  De rechtbank blijft bij hetgeen zij in haar laatste tussenvonnissen heeft overwogen en zonder voorbehoud heeft beslist met betrekking tot de bij [eiseres] geconstateerde ongevalsgevolgen. In de (deels herhaalde) kritiek van [eiseres] op het neuropsychologisch rapport van [arts2], die is opgenomen in haar conclusie na het (verzekeringsgeneeskundig) deskundigenbericht van [deskundige], ziet de rechtbank geen aanleiding daarop terug te komen. Allereerst geldt dat [eiseres] eerder, bij conclusie na (neuropsychologisch) deskundigenbericht, met al haar kritiek op het rapport van [arts2] had kunnen en moeten komen. Voor zover er thans nieuwe kritiek op het rapport van [arts2] wordt geuit, is de conclusie van [eiseres] in strijd met de goede procesorde. Los daarvan is de rechtbank er op grond van hetgeen [eiseres] thans heeft aangevoerd niet van overtuigd dat haar op basis van het rapport van [arts2] gebaseerde beslissingen berusten op een juridische of feitelijke misslag die maken dat in een later stadium eindvonnis zal worden gewezen op basis van een ondeugdelijke grondslag (vgl. HR 28 april 2008, NJ 2008, 553).

2.7.  Ook het bezwaar van [eiseres] tegen het voortborduren door [deskundige] op het rapport van [arts2] wordt verworpen. Dat was - zie de eerste aan [deskundige] gestelde vraag - nu juist uitdrukkelijk de bedoeling. Het was niet de taak van [deskundige] zelf vaststellingen te doen met betrekking tot de door [eiseres] gepresenteerde klachten. Hieraan doet niet af dat [deskundige] - naar moet worden aangenomen conform de voor zijn beroepsgroep geldende regels - [eiseres] ook zelf heeft onderzocht alvorens zijn rapportage uit te brengen.

2.8.  Evenmin wordt gevolgd het betoog van [eiseres] dat [deskundige] in verband met het oordeel van de rechtbank op dit punt niet tot de conclusie had kunnen komen dat er geen sprake is van in de FML te verwerken cognitieve beperkingen. [eiseres] baseert dit betoog op de overwegingen van de rechtbank in het voorlaatste tussenvonnis (rov. 2.8 en 2.9) met betrekking tot het bestaan van een uit de pijnklachten voortvloeiende, incidentele zeer lichte stoornis in de aandachts- en geheugenfunctie van [eiseres], waardoor zij incidenteel een aan het ongeval toe te rekenen, zeer geringe beperking in haar mentale belastbaarheid ondervindt. Het betoog van [eiseres] gaat er ten onrechte aan voorbij dat deze conclusie van de rechtbank de mogelijkheid open laat dat naar verzekeringsgeneeskundige maatstaven geen sprake is van beperkingen die zich laten uitdrukken in een FML. Die situatie doet zich hier kennelijk voor. Wat er ook zij van het op enig moment in zijn rapport door [deskundige] genoemde ‘M.A.O.C’ en de hantering in dat verband van het begrip consistentie, het oordeel van [deskundige] (zoals neergelegd in het antwoord op vraag 1 en de aanvulling daarop in reactie op de vragen van de zijde van [eiseres]; zie hiervoor onder 2.3) komt erop neer dat de incidentele zeer lichte cognitieve klachten die door [arts2] zijn gevonden en door de rechtbank zijn overgenomen - wellicht met, achteraf bezien, een wat ongelukkige (want voorbarige) gebruikmaking van het woord ‘beperkingen’ - , zich niet laten kwantificeren ten behoeve van een FML. Vanuit dit oogpunt doet ook niet ter zake of aan de zeer geringe ‘beperking’ van de mentale belastbaarheid van [eiseres] mede enige voor rekening van HDI komende psychische predispositie ten grondslag ligt, want ook dan laten de precieze gevolgen zich niet in een FML kwantificeren. Ook de hiermee verband houdende, overige bewaren van [eiseres] tegen het deskundigenbericht worden verworpen.

2.9.  Het bezwaar dat HDI tegen het deskundigenbericht heeft aangevoerd, wordt eveneens verworpen. [deskundige] heeft in de bijlage bij zijn rapport in reactie op de desbetreffende vraag van HDI gemotiveerd uiteengezet dat en waarom hij het overgewicht van [eiseres] niet beschouwt als relevante, niet-ongevalsgerelateerde oorzaak - ook niet op termijn - voor haar nek- en schouderklachten. HDI heeft vervolgens de BMI van [eiseres] uitgerekend, maar daarmee wordt het duidelijke standpunt van [deskundige] geenszins weerlegd.

2.10.  Het voorgaande betekent dat de rechtbank de conclusies en bevindingen van [deskundige], zoals neergelegd in de door hem op gestelde FML-en, overneemt en tot de hare maakt. Voor de verdere afwikkeling van de zaak gelden de in FML-1 vermelde beperkingen als ongevalsgerelateerd, de in FML-2 vermelde beperkingen - in verband met een enkelfractuur in het verleden - als niet-ongevalsgerelateerd en de in FML-3 opgenomen beperkingen als een combinatie daarvan.

2.11.  Zoals in het laatste tussenvonnis is overwogen en beslist (rov. 2.4 en 2.5) zal de rechtbank thans overgaan tot benoeming van mevrouw [deskundige2], arbeidsdeskundige te Zaltbommel, als deskundige ter beantwoording van de reeds eerder in overleg met de partijen geformuleerde, in het dictum weer te geven vragen. Opgemerkt wordt dat de rechtbank aan vraag iii nog heeft toegevoegd ‘voor 24 uur per week’ en dat in vraag vii het woord ‘eventuele’ is weggelaten en de woorden ‘in de drie FML-en behorend bij’ zijn toegevoegd. Zoals reeds is overwogen, zullen de kosten van het arbeidsdeskundig onderzoek van mevrouw [deskundige2] door [eiseres] moeten worden voorgeschoten. Het voorschot is vastgesteld op € 8.092,-- (inclusief omzetbelasting).
LJN BM1542

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies