Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 120411 deelgeschil, gebondenheid aan psychiatrische expertise; Rb gaat voorbij aan bezwaren die eerst 4 jaar na expertise worden ingebracht

Rb Den Haag 120411 deelgeschil, gebondenheid aan psychiatrische expertise; Rb gaat voorbij aan bezwaren die eerst 4 jaar na expertise worden ingebracht
2.De feiten
2.1.[verzoeker] is op 19 maart 2001 betrokken geraakt bij een ongeval. Een bij (de rechtsvoorganger van) Allianz verzekerde vrachtwagen is op de [a-straat te plaats A] met de voorzijde in botsing gekomen met de achterzijde van de door [verzoeker] bestuurde auto. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor de aan het ongeval toe te rekenen schade erkend.

2.2.[verzoeker] werkte ten tijde van het ongeval bij Panasonic Centre Nederland Servicecom B.V..

2.3.Na het ongeval, in 2001, heeft [verzoeker] zich onder behandeling gesteld van psychiater K. Kasi (hierna: Kasi).

2.4.Op verzoek van het UWV is [verzoeker] gezien door psychiater Van Ittersum (hierna: Van Ittersum). In zijn rapport van 22 oktober 2002 is, onder meer, het volgende vermeld:
"SAMENVATTING:
(...)
Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat betrokkene een inconsistent beeld vertoont, dan weer totaal gedesoriënteerd is dan weer adequaat, georiënteerd.
Hij toont geen tekenen van psychose.
De stemming is wat mat.
Wel valt op dat betrokkene een uitgesproken theatraal, onecht gedrag vertoont, terwijl hij zelfstandig, zonder begeleiding naar Naaldwijk gekomen is, op tijd is, en bij vertrek adequaat gedrag vertoont, zelfs informeert naar de inhoud van mijn verslag aan het GAK.
Ondanks de informatie van collega Kasi verkregen middels schriftelijke gegevens en telefonische gegevens lukt het mij niet een werkdiagnose te concipiëren gezien inconsistente beeld. Dan weer is betrokkene adequaat, dan weer is hij totaal gedesoriënteerd, terwijl het bewustzijn helder blijft.
(...)
ADVIES
Revisie op korte termijn. (...)"

2.5.In zijn rapport van 10 maart 2003 vermeldt Van Ittersum - voor zover van belang - het volgende:

"SAMENVATTING:
(...)
Uit het psychiatrisch onderzoek blijkt dat het beeld dat betrokkene toont totaal inadequaat is.
Er lijken geen manifeste psychotische verschijnselen aanwezig zoals wanen en/of hallucinaties.
Betrokkene lijkt soms afatisch.
Uit de hetero anamnese blijkt een wisselende apraxie.
Hij lijkt gedesorienteerd in 2 sferen.
De stemming is niet goed te beschrijven.
Qua diagnostiek denkt onderzoeker aan een neurologisch ziektebeeld, mogelijk ontstaan na het ongeval met amnestische stoornissen en aanwijzingen voor een angststoornis.
Ik zou willen aandringen op nadere klinische analyse.(...)"

2.6.In een rapportage van 24 maart 2003 trekt het UWV de conclusie dat [verzoeker] geen duurzaam te benutten mogelijkheden heeft, aangezien hij sterk beperkt is in het persoonlijk en/of sociaal functioneren.

2.7.In een rapportage van de aan het UWV verbonden verzekeringsarts C. Bartels van 1 juni 2006 is, onder meer, het volgende vermeld:

"Conclusie
Cliënt heeft als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte geen benutbare mogelijkheden om te functioneren, omdat er sprake is van afhankelijkheid met betrekking tot de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Betrokkene heeft hulp nodig bij de volgende activiteiten: Cliënt kan niet alleen gelaten worden ivm duizeligheidklachten en enorme verwardheid op grond van psychische problematiek. Cliënt is grotendeels afhankelijk voor zelfverzorging. Andere activiteiten heeft en kan cliënt niet. Hij neemt geen deel aan sociaal leven binnen of buiten het familie en gezins-verband. Er is geen mogelijkheid tot zelfstandig functioneren. Conform het 'Schattingsbesluit' is sprake van een uitzonderingscategorie waarbij arbeidsdeskundige functieduiding achterwege kan blijven. De arbeidsbeperkingen zijn niet duurzaam.

Planning
Voor deze casus geldt herbeoordelingscode 3: Niet of nauwelijks kans op verbetering van de belastbaarheid te verwachten. In beginsel niet meer oproepen.(...)"

2.8.In een rapportage van het UWV van 23 juni 2006 wordt vermeld dat [verzoeker] ongewijzigd 80-100% arbeidsongeschikt is.

2.9.In het op gezamenlijk verzoek van partijen op 28 juli 2006 uitgebrachte rapport van psychiater R.W. Jessurun (hierna: Jessurun) staat, onder meer, het volgende vermeld:

"INLEIDING
(...)Dit rapport betreft de heer [verzoeker], (...) in het vervolg van dit rapport aangeduid als betrokkene; kortweg B. (...)
PSYCHIATRISCH ONDERZOEK IN ENGERE ZIN
(...)
Eind februari 2006 heb ik ter wille van actuele informatie over het herstelbeloop navraag gedaan bij collega Kasi, psychiater m.b.t. de toestand van B. Psychiater Kasi ziet B. al gedurende langere tijd en draagt de stellige overtuiging dat er sprake is van een ernstige psychiatrische aandoening welk zijn eindtoestand heeft bereikt. Ter willen van de discussie besprak ik de mogelijkheid van een "nagebootste stoornis". We kwamen tot de gezamenlijke conclusie dat gezien het ziektebeloop, de symptomatologie en de psychiatrische voorgeschiedenis geen aanleiding geven voor een dergelijke differentiaal diagnose.
(...)
CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN

De oorzaak van het disfunctioneren, acht ik voor een belangrijk deel van psychische aard; zoals uit de classificatie blijkt. Het persoonlijk respectievelijk sociaal functioneren is gebrekkig, zoals ook blijkt uit hulp van buiten af die noodzakelijk is. B. heeft zowel voor zijn lichamelijke als ook voor zijn psychische klachten behandeling gezocht en gekregen die tot op heden voort duurt. De afwijkingen in samenhang met de persoonlijke en sociale problemen brengen een aanzienlijke beperking van de psychische belastbaarheid met zich mee, waarbij van een forse invalidering kan worden gesproken.

Vraag 1. De situatie na de aanrijding.
Ad a: uit de anamnese en heteroanamnese blijkt dat er sprake is van een ernstige psychiatrische aandoening die in het beloop eerder is verslechterd dan verbeterd. Dit terwijl er sprake is van een adequate behandeling door zijn behandelaren.
Ad b: voor het ongeluk van 19 maart 2001 was er sprake van een blanco medische voorgeschiedenis.
(...)
Ad f: B. is door zijn toestand dusdanig in zijn functioneren beperkt, zowel persoonlijk, sociaal als beroepsmatig, dat hij m.i. niet in staat is tot een adequate zelfzorg. Hij is tevens niet langer in staat tot het uitvoeren van gerichte taken. Een groot gedeelte van de tijd komt hij verward over en blijkt niet in staat tot een normaal consistent gesprek. Bovendien is hij verhoogd afleidbaar en is er sprake van een concentratiezwakte, waarbij hij tevens vermijdingsgedrag vertoont.
Ad g: op grond van de duur van de psychiatrische aandoening en de gevolgde behandeling, lijkt er sprake te zijn van een eindtoestand. Hoewel moeilijk in te schatten lijkt noch een belangrijke verbetering noch een verdere verslechtering voor de hand te liggen. Hoewel B. zijn toestand sedert maart 2001 toenemend verslechterde, lijkt hij nu al weer langere tijd op een zelfde niveau te functioneren.
(...)
Ad k: de meest voor de hand liggende neurologische onderzoeken hebben reeds plaats gevonden. Vooralsnog lijkt verder onderzoek op een ander vakgebied niet direct noodzakelijk. Met enige fantasie zou ik mij kunnen voorstellen dat er op cellulair niveau (hersenen) iets zou hebben kunnen plaats gevonden ten tijde van het ongeluk en daarna, waar onze wetenschappelijke bagage echter nog weinig zicht op heeft. Metabolische processen in hersencellen zouden een dergelijk beeld dan kunnen verklaren. Vooralsnog lijkt een PTSS het meest voor de hand liggend.

Vraag 2: De hypothetische situatie zonder ongeval.

Ad a: op mijn vakgebied zijn er geen klachten en afwijkingen bij B. geconstateerd, die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval B. niet was overkomen.
(...)

Vraag 3: Overige aspecten van de hypothetische situatie zonder ongeval.

Ad a: B. heeft voor het ongeval zowel op persoonlijk, sociaal als beroepsmatig gebied altijd goed gefunctioneerd. (...)

Overigens ga ik ervan uit dat er sprake is van chroniciteit en dat er mogelijk zelfs sprake is van een eindtoestand.(...)"


2.10.Bij brief van 28 september 2006 heeft Allianz Jessurun als volgt bericht:

"U bent van oordeel [verzoeker] ten gevolge van het ongeval lijdt aan een chronisch posttraumatisch stress-syndroom (PTSS). U conclusie roept, gezien de toedracht van het ongeval, de medische voorgeschiedenis van [verzoeker] en het door [verzoeker] vertoonde inconsequente gedrag tijdens onderzoeken door de psychiater, bij mij, mijn medisch adviseur en cliënte vragen op.

1. U bent, naar aanleiding van de door u afgenomen anamnese, in de door u opgestelde conceptrapportage ervan uitgegaan dat er sprake zou zijn geweest van een auto-ongeval waarbij [verzoeker] was gestopt en vervolgens werd aangereden door een vrachtwagen. Deze toedracht van de aanrijding is niet juist. Ik verwijs u naar het schadeaangifteformulier waaruit blijkt dat beide partijen ten tijde van het ongeval 35 km p/u reden (bijlage). De energetische factor is dan ook nagenoeg nul geweest. In dat kader verwijs ik u de conceptrichtlijn Diagnostiek en Behandeling van mensen met een whiplash Associated Disorder (...). In deze richtlijn worden de resultaten besproken van onderzoeken met proefpersonen en praktijkervaring met botsauto's. Uit deze onderzoeken volgt dat een ongeval met een impactsnelheid tot 15 km p/u geen letsel veroorzaakt. In casu was de impactsnelheid van het ongeval te verwaarlozen, u komt desalniettemin tot het oordeel dat er wél geestelijk letsel is ontstaan. Dit terwijl er geen sprake was van een levensbedreigend gevaar of een bedreiging van [verzoeker's] fysieke integriteit. Kunt u toelichten hoe u desalniettemin tot het oordeel komt dat er bij [verzoeker] naar aanleiding van het ongeval een posttraumatische stress-syndroom is ontstaan?

2. U schrijft dat er sprake is van een blanco voorgeschiedenis. Dit is echter niet het geval. [verzoeker] werd in 1986 afgekeurd voor militaire dienst onder de diagnose nervositas en neurostene klachten. (...) Dit wordt gezien als een voorteken van allerlei psychische stoornissen. Kunt u toelichten hoe u - ondanks het feit dat [verzoeker] geen blanco medische voorgeschiedenis heeft - desalniettemin tot het oordeel komt dat bij [verzoeker] naar aanleiding van het ongeval een posttraumatische stress-syndroom is ontstaan?

3. Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat [verzoeker] bij verschillende psychiatrische onderzoeken een inconsistent beeld heeft vertoond. [verzoeker] heeft bij het onderzoek door E.F. van Ittersum in oktober 2002 bijvoorbeeld gedrag laten zien waarbij hij het ene moment totaal gedesoriënteerd was en het andere moment weer adequaat georiënteerd. De psychiater Van Ittersum valt een uitgesproken theatraal en onecht beeld op en het lukte hem dan ook niet een sluitende werkdiagnose te geven. Hoe weet u dat [verzoeker] ten tijde van uw onderzoek niet aggraveerde en simuleerde evenals tijdens het onderzoek door E.F. van Ittersum?

4. [verzoeker] is door diverse neurologen onderzocht. Duidelijke afwijkingen konden echter niet worden gevonden. Er is dus geen organisch substraat voor de klachten van [verzoeker]. Desalniettemin komt u tot het oordeel dat de cognitieve stoornissen van [verzoeker] een gevolg zijn van het ongeval. (...) Kunt u toelichten, met inachtneming van de te verwaarlozen impactsnelheid van het ongeval en de voorgeschiedenis van [verzoeker], hoe u desalniettemin tot de conclusie komt dat de door [verzoeker] gepresenteerde cognitieve stoornissen daadwerkelijk aanwezig én een gevolg zijn van het ongeval?

5. Het gedrag dat [verzoeker] nu vertoont, staat haaks op de impact van het ongeval. Mijn medisch adviseur kan zich dan ook niet aan de indruk onttrekken dat iedere gebeurtenis in het leven van [verzoeker] (bijvoorbeeld het uitgaan van een relatie, het overlijden van een familielid, het kwijtraken van een baan etc) het huidige gedrag van [verzoeker] had kunnen veroorzaken (predispositie). Mijn medisch adviseur vraagt zich dan ook af of er op uw vakgebied klachten en afwijkingen zijn die er óók zouden zijn geweest, of op enig moment óók hadden kunnen ontstaan, als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen? Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt, kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de door [verzoeker] gepresenteerde klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?(...)"

2.11.Op 30 oktober 2006 heeft Jessurun Allianz - voor zover van belang - als volgt bericht:

´De vragen 1 t/m 5 zullen in het hierna volgende worden beantwoord.

Ad 1. (...) Het politierapport dat direct na het ongeval is opgemaakt spreekt o.a. van "14.1 (de vrachtwagen) botste vervolgens met de voorzijde tegen de achterzijde van 14.2 (betrokkene). Hierdoor werd de gehele achterzijde van 14.2 vernield. Door de klap is 14.2 ongeveer 20 meter vooruit geduwd".
Vervolgens verklaart Achmea schadeservice de auto van betrokkene "total loss". (d.d. 23-03-2001).
Uit het verhaal van de zus van betrokkene blijkt dat hierbij de portieren over elkaar geklapt waren waardoor betrokkene niet in staat was de auto zelf te openen. (...)

Uit het bovenstaande blijkt dat er wel degelijk sprake was van een forse energetische factor in een situatie waarbij ieder mens een traumatische ervaring zou hebben overgehouden. Betrokkene is bovendien 20m meegesleept en kon aanvankelijk zijn auto niet uit.
Voor de onderbouwing van de PTSS verwijs ik naar mijn expertise verslag onder de kop "Beschouwing" op blz. 11 en 12.

Ad 2. M.b.t. de blanco voorgeschiedenis van betrokkene geeft u aan dat hij in 1986 is afgekeurd voor militaire dienst onder de diagnose "nervositas en neurasthene klachten. D.w.z. dat betrokkene 20 jaar geleden (!) kennelijk is beoordeeld door een arts. Het is onduidelijk of er hiervoor een medisch specialist (zenuwarts) voor is ingeschakeld. In ieder geval is betrokkene voorheen, d.w.z. voor het ongeval nooit bij een psychiater behandeld voor de een of andere stoornis.
Uit het functioneringsverslag van zijn werkgever welke op blz. 9 van mijn expertise te lezen is, is hij boven gemiddeld beoordeeld.
Uit de heteroanamnese blijkt tevens dat betrokkene zowel sociaal als beroepsmatig altijd goed gefunctioneerd heeft. Dit laatste word algemeen aanvaard als een goede maat voor de frustratietolerantie en psychische draagkracht. Normaliteit en abnormaliteit in de psychiatrie zijn zeer vaag begrensd. De psychologische ontwikkeling kan zich niet goed voltrekken zonder dat angst hierin een grote rol meespeelt. Ieder mens heeft recht op zijn eigen neurose. Invaliderende symptomatologie treedt pas op bij een disbalans van het draagkracht/draaglast evenwicht. Betrokkene heeft bewezen in de afgelopen 20 jaar goed met zijn angsten te kunnen omgaan. Hij heeft naar behoren gefunctioneerd. Ten overvloede vermeld ik hier dat een PTSS optreedt als gevolg van inwerking van een trauma welke niet behoort tot de dagelijkse ervaringen van mensen. De trauma's waarvoor men gevoelig is zijn specifiek en verschillen van mens tot mens. Dit laatste heeft te maken met o.a. lifeevents in de psychologische ontwikkeling. Ik beschouw de PTSS van betrokkene dan ook als een specifieke reactie op dit specifiek trauma.

Ad 3. In zijn laatste rapportage van 10 maart 2003 geeft collega E.R. van Ittersum, psychiater, juist aan; "het huidige beeld lijkt consistent vergeleken met het eerste onderzoek van 2002 en lijkt in ernst toe te nemen". Vervolgens stelt hij; "qua diagnostiek denkt onderzoeker aan een neurologisch ziektebeeld mogelijk ontstaan na het ongeval met anamnetische stoornissen en aanwijzingen voor een angststoornis. Hieruit lees ik niet dat collega E.R. van Ittersum van mening is dat betrokkene aggraveerde en simuleerde tijdens het onderzoek.
Collega E.R. van Ittersum heeft evenals ondergetekende contact opgenomen met de behandeld psychiater K. Kasi en heeft pas daarna zijn eindoordeel gegeven.
Ik ben van mening dat de behandelend psychiater ten allentijde beter kan oordelen of er sprake is van o.a. aggravatie en simulatie omdat hij de mogelijkheid heeft patiënt over een langere periode te observeren.
Hoewel ik nimmer van mening ben geweest dat er sprake zou zijn van aggravatie of simulatie, sluit ik mij hierover aan bij het oordeel van de behandelend psychiater. Bovendien vermag ik niet in te zien waarom een goed functionerende hardwerkende man, die zijn vak kent en goed voor het gezin zorgt, zou willen kiezen voor een ziekenrol ver verwijderd van het arbeidsproces.

Ad 4. U stelt; "het door u gelegde causaal verband tussen cognitieve stoornissen en het ongeval wordt echter niet door een medisch substraat onderbouwd". Deze vraag stelt u mij terwijl er op wetenschappelijk gebied in de psychiatrie voortdurend gezocht wordt naar het organisch substraat van diverse hersenziekten en helaas vooralsnog voor de meeste aandoeningen in het duister getast wordt. (...)
Het stelt mij enigszins teleur dat u mij deze vraag stelt omdat ik ervan uit ga dat u bekend bent met de huidge stand van de wetenschap Er bestaat (nog) geen apparatuur waarmee een PTSS in de hersenen kan worden vastgelegd. Er is wel symptomatologie en die is beschreven. (...)

Ad 5. Uit de voorgaande beantwoording blijkt dat ik van mening ben dat betrokkene lijdt aan PTSS veroorzaakt door een specifiek trauma. Uit de heteroanamnese en uit o.a. de correspondentie van de huisarts W.H. Bharos, blijkt dat betrokkene voor het ongeval altijd op een gezonde wijze gefunctioneerd heeft. De huisarts schrijft: "Betreft de heer [verzoeker], geb. [geboortedatum]1966. Patiënt is sinds 1980 bij mij ingeschreven als patiënt. Patiënt is noot ziek geweest, de werkgever zegt dat hij altijd prima werk heeft gedaan, het gezin was stabiel tot kort na zijn auto ongeval".
Op mijn vakgebied zie ik klachten en afwijkingen die zijn ontstaan na het ongeluk. Het wordt door mij irreëel geacht om deze klachten toe te wijzen aan een andere oorzaak dan het ongeluk. Immers de realiteit betreft een psychische decompensatie, die bovendien voortschrijdend is nadat patiënt een trauma (niet) heeft doorstaan."

2.12.Bij brief van 6 juli 2010 bericht Allianz [verzoeker] - voor zover van belang - als volgt:

"Onze medisch adviseur geeft aan dat hij geen medische causaliteit kan vaststellen. Er is geen logische medische verklaring voor het extreme en inconsistente gedrag. Het expertiserapport is weinig kritisch en de stelligheid van de conclusies is in tegenspraak met de uitermate grote twijfel van psychiater van Ittersum bij diens onderzoek. Hij heeft geen reden aan te nemen dat dr. Jessurun een meer gekwalificeerde psychiater zou zijn dan dr. van Ittersum.
Mede gezien het feit dat betrokkene destijds op psychische gronden al niet geschikt werk geacht voor militaire dienst, moet worden aangenomen dat betrokkene op elk life event zo extreem had kunnen reageren. Met andere woorden, bij dit extreme gedrag en deze voorgeschiedenis, had niet mogen worden verwacht dat betrokkene tot zijn eindleeftijd probleemloos zou hebben gefunctioneerd.(...)"

2.13.In het op verzoek van Allianz op 17 december 2010 uitgebrachte rapport van prof. dr. R.J. van den Bosch (hierna: Van den Bosch) is, onder meer, het volgende opgenomen:

"Beschouwing
(...)
In juli 2006 wordt de derde psychiatrische expertise uitgevoerd, door de psychiater Jessurun.
(...)
Kortom: de onderzoek beschrijft een psychotisch beeld. Die diagnose stelt hij echter niet en overweegt hij zelfs niet. In plaats daarvan vertrekt hij voor zijn diagnose vanuit de meermalen beschreven nare dromen en de angst in het verkeer. Die kunnen wijzen op posttraumatische stress-symptomen, maar voor de diagnose posttraumatische stress-stoornis (PTSS) is méér vereist en de onderzoeker spant zich dan ook in om middels eigen interpretaties te gaan voldoen aan de criteria voor deze diagnose. Zo moet ik het verslag wel duiden, want betrokkene zelf doet kennelijk geen mededelingen die wijzen op PTSS symptomen. Als hij een angstige indruk maakt wordt dat bijvoorbeeld geïnterpreteerd als een herbeleving, maar dat is hoogstens een veronderstelling. Als hij op vragen over het ongeval reageert met een irrelevant antwoord, duidt de onderzoeker dat als vermijdingsgedrag, maar dit is niet meer dan een interpretatie en beschrijvingen van bij PTSS passend vermijdingsgedrag in het dagelijks leven ontbreken. Voor de diagnose is verder vereist dat er verschijnselen zijn van een verhoogd arousalnveau en die worden dan ook genoemd, maar dit zijn zeer aspecifieke veel voorkomende verschijnselen. Voor het traumacriterium is vereist dat het ongeval op dat moment 'intense angst, afschuw of hulpeloosheid' uitlokte. De onderzoeker maakt daar wel melding van (in geen enkel ander stuk wordt dit gemeld!), maar doelt kennelijk op latere reacties van betrokkene en zo mag dit criterium niet worden uitgelegd. Daarnaast spreekt hij over een depressieve stoornis en dat is eerder gebeurd, maar zelf beschrijft hij een wisselende en ook wel normale stemming en dat is dus onlogisch. In zijn beoordeling van het niveau van functioneren baseert hij zich op gestoord realiteitsbesef, formele denkstoornissen en communicatiestoornissen, kortom psychotische verschijnselen die hij waargenomen heeft (hij beschrijft er nog meer, zoals ontbrekend ziekte-inzicht en stemmen horen), maar dit brengt hem niet van de idee dat er sprake zou zijn van PTSS. Geen enkele andere arts, ook niet de behandelend psychiater, heeft deze diagnose gesteld of blijkens de stukken zelfs maar overwogen. Als we het geheel overzien, valt op dat betrokkene aanvankelijk het beeld heeft laten zien van een een 'hysteriform' reactiepatroon met inconsistent aanwezige ongeloofwaardige functiestoornisen van zowel somatische als psychische aard. Deze diagnostische overwegingen ontbreken geheel in de stukken. Het patroon heeft zeker vanaf begin 2003 meer bizare, psychotische kenmerken aangenomen. De behandelend psychiater sprak in 2007 over 'psychotische overschrijdingen' in het kader van een depressieve stoornis, maar geen enkele arts heeft expliciet als diagnose een psychotische stoornis vastgesteld.

Beantwoording van de vraagstelling
(...)
6. Hoe is uw oordeel over het expertiserapport d.d. 28-04-2006 van psychiater Jessurun? Voldoet dit rapport aan de daarvoor geldende richtlijnen (WMSR, richtlijnen Verenging voor Psychiatrie)? (...)

Ik meen dat de onderbouwing van de diagnose posttraumatische stress-stoornis tekort schiet. De toelichting treft u aan in mijn beschouwing. In aanvulling daarop: het rapport is overwegend gebaseerd op informatie die verstrekt werd door een zuster van betrokkene; dat dwingt dan wel tot terughoudendheid waar het gaat om zulke subjectieve angstbelevingen als die welke passen bij een posttraumatische stress-stoornis. Ik meen verder dat de stukken aannemelijk maken dat ten onrechte niet wordt geconcludeerd tot het bestaan van een psychotische stoornis. De veronderstelling dat daar sprake van is dwingt nog een extra tot terughoudendheid bij het vaststellen van posttraumatische stressverschijnselen, omdat de betrouwbaarheid van verkregen informatie onzeker is.
(...)
8.Heeft u nog opmerkingen over deze casus?

Dit is een complexe zaak en ik heb absoluut niet het gevoel dat ik voldoende informatie heb voor een afgewogen en zorgvuldig onderbouwd eigen oordeel. Dat geef ik dus ook niet. Ik wil benadrukken dat ik slechts overwegingen kan geven op basis van de stukken en voor de periode die bestreken wordt door de stukken, en dat ik niet meer zekerheid pretendeer dan de stukken toestaan.(...)"

3.Het geschil
3.1.De rechtbank begrijpt het verzoek van [verzoeker] aldus dat hij, na intrekking van een deel daarvan, op grond van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) de rechtbank verzoekt op basis van het psychiatrisch rapport van Jessurun en de stukken van het UWV vast te stellen dat [verzoeker] lijdt aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), dat deze PTSS is ontstaan als gevolg van het ongeval en dat het ongeval/de PTSS in causale relatie staat tot de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker]. Daarbij verzoekt [verzoeker] vast te stellen dat de kosten van deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 6:96 BW, met veroordeling van Allianz tot betaling van deze kosten.

3.2.Allianz voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling
Behandeling in een deelgeschilprocedure

4.1.Allianz stelt zich in de eerste plaats op het standpunt dat het verzoek zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in de artikelen 1019w-1019cc Rv. Zij voert daartoe aan dat er in deze zaak tussen partijen zo veel geschilpunten zijn dat de verzochte beslissing geen bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Bovendien hebben partijen, aangezien er tussen hen al veel is gebeurd en er al diverse procedures zijn gevoerd, een definitieve beslissing nodig en zal een oordeel van de rechtbank in deze procedure ook om die reden niet bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, aldus Allianz. Ten slotte betoogt Allianz dat wanneer er een nieuwe deskundige moet worden ingeschakeld, het verzoek van [verzoeker], gelet op de investering in tijd en kosten die dat met zich brengt, ook daarom niet geschikt is voor behandeling in een deelgeschilprocedure. Het verzoek dient volgens Allianz dan ook afgewezen te worden op grond van artikel 1019z Rv. De rechtbank overweegt als volgt.

4.2.De deelgeschilprocedure biedt volgens de memorie van toelichting bij de Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade betrokkenen bij een geschil over letsel- en overlijdensschade de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter in te schakelen. Zij krijgen hiermee een extra instrument ter doorbreking van een impasse in de buitengerechtelijke onderhandelingen (Kamerstukken II, 2007-2008, 31518, nr. 3, p. 2). Gezien de ratio van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient te rechtbank te toetsen of de verzochte beslissing voldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren (31518, nr. 3, p. 18).

4.3.Hetgeen door [verzoeker] ter beoordeling aan de rechtbank is voorgelegd draait voornamelijk om de vraag of het rapport van Jessurun door partijen tot uitgangspunt moet worden genomen bij de verdere afwikkeling van de zaak. Van het voorleggen van vele geschilpunten is dan ook geen sprake. De status van het rapport van Jessurun is in het minnelijke traject het struikelblok gebleken. Hierop zijn de onderhandelingen tussen partijen (uiteindelijk) stukgelopen. Een beslissing over dit geschilpunt stelt partijen in staat een stap in de goede richting, te weten naar de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst, te zetten. Dat er tussen partijen al veel is gebeurd en er al diverse procedures zijn gevoerd vormt, wat hiervan ook zij ([verzoeker] betwist dit), onvoldoende grond om hierover anders te oordelen. Nu uit het onderstaande zal blijken dat er geen opinie van een deskundige behoeft te worden ingewonnen om te beslissen op het onderhavige geschil, vraagt een oordeel van de rechtbank een beperkte investering in tijd, geld en moeite, terwijl de vastgelopen buitengerechtelijke onderhandelingen door deze beslissing weer vlot getrokken kunnen worden. Het onderhavige geschil leent zich dan ook voor behandeling in een deelgeschilprocedure, zodat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van het geschil.

Het rapport van Jessurun

4.4.Jessurun heeft gerapporteerd dat er bij [verzoeker] sprake is van een PTSS en dat hij geen klachten of afwijkingen heeft geconstateerd, die er ook zouden zijn geweest of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als het ongeval [verzoeker] niet was overkomen.

4.5.De rechtbank overweegt dat wanneer partijen gezamenlijk hebben besloten tot de opdracht aan een bepaalde deskundige om eveneens gezamenlijk vastgestelde vragen te beantwoorden, en dat is in casu het geval, zij zich daarmee in beginsel verbinden om de rapportage van deze deskundige als uitgangspunt te nemen bij de verdere schadeafwikkeling. Dit zou anders kunnen zijn indien zou komen vast te staan dat het rapport van de deskundige ontoereikend is om als uitgangspunt voor de verdere afwikkeling te kunnen dienen en/of het rapport inhoudelijk of voor wat betreft de wijze van totstandkoming niet voldoet aan de eisen die daaraan redelijkerwijs mogen worden gesteld.

4.6.Het rapport van Jessurun dateert van 28 juli 2006. De vragen die Allianz daarop bij brief van 28 september 2006 heeft gesteld zijn door Jessurun op 30 oktober 2006 beantwoord. Daarna hebben partijen geprobeerd minnelijk de zaak af te wikkelen, waarbij Allianz in september 2008 heeft besloten tot betaling van een geldbedrag naar eigen inzicht. Op 6 juli 2010 heeft Allianz [verzoeker] vervolgens bericht dat zij zich niet kan verenigen met de door Jessurun vastgestelde medische causaliteit. Thans, in het kader van deze procedure, uit Allianz kritiek op de persoon van Jessurun. Met verwijzing naar een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep stelt zij dat de rapportages van Jessurun ondermaats zijn in die zin dat hij zijn visie gemakkelijk aanpast aan die van de belanghebbende, dat zijn visie herhaaldelijk in contra-expertise wordt weerlegd, dat het niet duidelijk is waarop hij zijn diagnose baseert, enzovoorts. Met verwijzing naar het rapport van Van den Bosch stelt Allianz in het kader van deze procedure thans voorts dat Jessurun niet heeft kunnen en mogen vaststellen dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval een PTSS heeft opgelopen.

4.7.De kritiek die Allianz thans uit, had zij naar het oordeel van de rechtbank moeten uiten direct na de reactie van Jessurun op de door Allianz gestelde aanvullende vragen. Door dit thans pas te doen, ruim vier jaar na het verschijnen van het rapport van Jessurun, heeft zij niet gehandeld zoals van een redelijk handelend verzekeraar had mogen worden verwacht. Natuurlijk stond het Allianz vrij om, hoewel zij zich niet kon verenigen met (de conclusies van) het deskundigenrapport van Jessurun, met [verzoeker] te onderhandelen over een minnelijke regeling van het geschil, echter zij had daarbij ten minste aan [verzoeker] kenbaar moeten maken dat zij nog steeds bezwaren had tegen het deskundigenrapport of uitdrukkelijk het voorbehoud moeten maken dat zij nog op zou komen tegen dit rapport. Gesteld noch gebleken is dat Allianz dit heeft gedaan. [verzoeker] heeft er dan ook gerechtvaardigd op mogen vertrouwen dat ook Allianz zich bij de rapportage van Jessurun had neergelegd. Op grond hiervan gaat de rechtbank aan de thans geuite bezwaren van Allianz voorbij.

4.8.De rechtbank is van oordeel dat het rapport van Jessurun op een behoorlijke wijze tot stand is gekomen. Jessurun heeft [verzoeker] immers gesproken, hij heeft partijen in de gelegenheid gesteld op zijn (concept)rapport te reageren en heeft de naar aanleiding van het rapport door Allianz gestelde vragen duidelijk en uitgebreid beantwoord. Tot aanpassing van het rapport gaf dit Jessurun geen aanleiding. Nu het rapport bovendien logisch is opgebouwd en voldoende inzicht geeft in de methode die Jessurun heeft gebruikt om tot zijn oordeel te komen en in de informatie waarvan hij is uitgegaan, dient het rapport voor de verdere afwikkeling van de zaak tot uitgangspunt te worden genomen en bestaat er geen reden om de door Jessurun beantwoorde vragen voor te leggen aan een andere deskundige.

4.9.De verzoeken vast te stellen dat [verzoeker] lijdt aan een PTSS en dat deze PTSS is ontstaan als gevolg van het ongeval liggen, nu dit door Jessurun aldus is geconcludeerd, daarmee voor toewijzing gereed.

4.10.De rechtbank begrijpt het verzoek vast te stellen dat het ongeval/de PTSS in causale relatie staat tot de arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] aldus dat de rechtbank zou moeten concluderen dat [verzoeker] als gevolg van het ongeval/de PTSS arbeidsongeschikt is geraakt en dat hij dit zal blijven tot en met het moment waarop hij, in de hypothetische situatie zonder ongeval, zou zijn gestopt met werken. Voor een dergelijk verstrekkend oordeel vindt de rechtbank echter geen basis in de stukken. Voor zover [verzoeker] meent dat in het rapport van Jessurun ook steun kan worden gevonden voor zijn stelling dat hij als het gevolg van het ongeval niet meer in staat is om loonvormende arbeid te verrichten en dit niet meer zal veranderen, kan [verzoeker] hierin niet worden gevolgd. Dit is namelijk niet aan een psychiater om vast te stellen, maar dit is de taak van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige. Bovendien is niet vast komen te staan dat met betrekking tot de PTSS sprake is van een eindtoestand. De conclusie van Jessurun daaromtrent, "dat er sprake is van chroniciteit en dat er mogelijk zelfs sprake is van een eindtoestand", is daartoe onvoldoende. Tot slot heeft [verzoeker] zijn stelling verder enkel onderbouwd met rapporten van het UWV. Deze rapporten zijn, naast dat ze gedateerd zijn (het laatste rapport is uit 2006), niet voldoende duidelijk, aangezien in deze rapporten enerzijds wordt aangegeven dat niet of nauwelijks kans op verbetering van de belastbaarheid valt te verwachten, maar anderzijds wordt geconcludeerd dat de arbeidsbeperkingen van [verzoeker] niet duurzaam zijn. Het betreffende verzoek zal op grond van het bovenstaande aldus worden afgewezen.

Kosten

4.11.[verzoeker] verzoekt vast te stellen dat de kosten van deze procedure voor vergoeding in aanmerking komen op de voet van artikel 6:96 BW met veroordeling van Allianz tot betaling van deze kosten begroot op € 8.086,--, vermeerderd met € 255,-- griffierecht.

4.12.De rechtbank dient op grond van artikel 1019aa Rv de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te begroten en dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. De kosten dienen aldus te voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten dienen redelijk te zijn.

4.13.Naar het oordeel van de rechtbank is het redelijk dat [verzoeker] juridische en deskundige bijstand heeft ingeroepen. De redelijkheid van de hoogte van de kosten van juridische bijstand wordt door Allianz betwist omdat, zo stelt zij, er voor diverse handelingen te veel tijd in rekening is gebracht. Volgens Allianz moet op de in rekening gebrachte uren één uur in mindering worden gebracht. Nu [verzoeker] hier geen bezwaar tegen maakt, zullen de door de advocaat van [verzoeker] in rekening gebracht uren door de rechtbank met een uur worden verminderd. De in rekening gebrachte kantoorkosten zijn naar het oordeel van de rechtbank ook redelijk, aangezien het in rekening brengen van kantoorkosten gebruikelijk is en de hoogte van de opslag de rechtbank ook redelijk voorkomt. Dat de advocaat van Allianz geen kantoorkosten in rekening brengt, doet daar niets aan af.
Ten aanzien van de kosten van de medisch adviseur van [verzoeker] ter hoogte van € 1.174,14 (inclusief BTW) voert Allianz aan dat de kosten gematigd dienen te worden, aangezien de medisch adviseur alleen de persoon van Van den Bosch heeft beoordeeld en niet inhoudelijk op zijn rapport is ingegaan. De medisch adviseur is naar het oordeel van de rechtbank wel degelijk ingegaan op de inhoud van het betreffende rapport, zodat de kosten in de omvang als verzocht zullen worden begroot.

4.14.De rechtbank begroot de kosten die aan de zijde van [verzoeker] zijn gemaakt op grond van het bovenstaande dan ook op € 8.050,83, uitgaande van 22:43 uur aan juridische bijstand, het door mr. Van Benthem gehanteerde uurtarief van € 230,--, 6,5% kantoorkosten, 19% BTW, € 255,-- aan griffierecht en € 1.174,14 aan kosten van de medisch adviseur. Nu Allianz de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval heeft erkend, zal zij in deze kosten worden veroordeeld.
5.De beslissing
De rechtbank:

5.1.stelt op basis van het rapport van Jessurun vast dat [verzoeker] lijdt aan een PTSS;

5.2.stelt op basis van het rapport van Jessurun vast dat er een causale relatie bestaat tussen de PTSS en het ongeval;

5.3.begroot de kosten als bedoeld in artikel 1919aa Rv op € 8.050,83 en veroordeelt Allianz tot betaling van deze kosten;
5.4.wijst af het anders of meer verzochte. LJN BQ5998

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies