Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 060716 rapportage neuropsycholoog onvoldoende onderbouwd mbt symptoomvaliditeitstesten; nieuw neuropsychologisch onderzoek; daarna heroverweging rapportage neuroloog

Rb Rotterdam 060716 rapportage neuropsycholoog onvoldoende onderbouwd mbt symptoomvaliditeitstesten; nieuw neuropsychologisch onderzoek; daarna heroverweging rapportage neuroloog

De feiten
2.1. [benadeelde] (geboren 1975) was op 3 mei 2007 betrokken bij een aanrijding op de rijksweg A4. Hierbij heeft een uitvoegende vrachtwagen de auto van de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder]) geraakt, welke daardoor dwars terechtkwam op de rijbaan waar [benadeelde] reed. [benadeelde] is tegen het voertuig van [bestuurder] aangereden. Na het ongeval had [benadeelde] last van onder meer hoofdpijn, nekpijn en moeite om zich te concentreren. Kort na het ongeval is hij volledig uitgevallen voor zijn werk. Het voertuig van [bestuurder] was op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij Allianz. Allianz heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2. Op 9 januari 2009 is [benadeelde] opnieuw een ongeval overkomen. Er vond een aanrijding plaats doordat een op een kruising links afslaande auto het voertuig waarin [benadeelde] reed geen voorrang verleende. De afslaande auto was op grond van de WAM bij Reaal verzekerd. Reaal heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend. Reaal heeft ermee ingestemd dat Allianz als regelend verzekeraar optreedt voor beide aanrijdingen.

2.3. Tot op heden is in verband met de onder 2.1 en 2.2 bedoelde ongevallen € 114.000,00 aan voorschotten aan [benadeelde] betaald en € 10.908,14 aan buitengerechtelijke kosten.

2.4. [benadeelde] is van 5 juni 2009 tot 15 oktober 2010 in behandeling geweest bij Vesalius, centrum voor neuropsychologie. In de brief van 25 november 2010 aan de revalidatiearts beschrijft de GZ psycholoog dat naar de mening van de behandelaren sprake was van een “berustende houding van patiënt en een ogenschijnlijk gebrek aan motivatie om tot verbetering van het toestandsbeeld te komen” en dat [benadeelde] in het geheel niet open stond voor “eventuele (secundaire) psychische redenen” voor zijn klachten.

2.5. In het kader van de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid is [benadeelde] onderzocht door psychiater dr. J.J. van Egmond (hierna: Van Egmond). In zijn rapportage van 30 december 2012 duidt Van Egmond de mentale stoornis van [benadeelde] als een hysterische conversie. Hij stelt dat er sprake is van een gestoord cognitief functioneren in de zin de zin van een dissociatieve (conversie) stoornis, waarbij hij opmerkt dat onderzoek door een neuroloog noodzakelijk is om een neurologische aandoening uit te sluiten.

2.6. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft neuroloog dr.[neuroloog] (hierna: [neuroloog]) een medisch specialistische expertise verricht. [neuroloog] heeft hierbij gebruik gemaakt van een hulponderzoek door neuropsycholoog dr. [neuropsycholoog] (hierna: [neuropsycholoog]). De bevindingen van [neuropsycholoog] zijn neergelegd in haar rapport 12 oktober 2012, waarin onder meer het volgende vermeld:

‘Symptoom-validiteit:

In dit onderzoek worden tests afgenomen die gevoelig zijn voor het detecteren van onderpresteren. Dergelijke tests mogen in een neuropsychologische expertise niet ontbreken, met name niet bij het objectiveren van letselschade. Immers, om cognitieve functies zo objectief mogelijk te meten, dienen factoren zoals een verminderde inzet, uitgesloten te worden als mogelijke oorzaak van het cognitieve disfunctioneren.

Een positieve uitslag betekent dat de cognitieve functies niet betrouwbaar zijn te meten. Hierdoor is het voor de neuropsycholoog in kwestie niet mogelijk om de resultaten betrouwbaar (reële capaciteit) te interpreteren. Er bestaan op basis van een positieve uitslag namelijk aanwijzingen voor een verminderde prestatie-motivatie, waardoor testprestaties onder het werkelijke niveau (capaciteiten) van betrokkene liggen. Onderpresteren wil niet zeggen dat er geen sprake is van een (cognitieve) beperking. Het betekent wel dat – als er beperkingen zijn – deze niet betrouwbaar geobjectiveerd kunnen worden.

(…)

De uitslag op twee symptoom-validiteitstests is wisselend, zodat er een aanwijzing bestaat voor een wisselende prestatie-motivatie en onderpresteren. De uitslag op symptoomvaliditeit is positief op de 1e onderzoeksdag, terwijl hij de 2e onderzoeksdag een betere prestatiemotivatie toont op basis van betere uitslagen op dezelfde- en een andere SVT. Echter, tegelijkertijd presteert hij de 2e onderzoeksdag slechter op een aantal tests die ook zijn afgenomen op de 1e onderzoeksdag (parallelversies). Deze tests meten snelheid van informatieverwerking; leestempo, reproduceren van cijferreeksen en selectieve aandachtsprocessen, inprenting en herinneren.

Dit betekent dal de inconsistentie tussen de afwijkende resultaten op de l/2e onderzoeksdag niet betrouwbaar geïnterpreteerd kunnen worden. Hiermee wordt bedoeld, dat niet zeker is of deze prestaties een reële afspiegeling vormen van zijn cognitieve capaciteiten (‘zie conclusie). (…)

Vergelijking met eerder neuropsychologisch onderzoek:

In eerder onderzoek werd geconstateerd dat betrokkene onderpresteerde. In dit onderzoek is dezelfde symptoomvaliditeittest (AKTG) afgenomen op twee verschillende onderzoeksdagen, inclusief twee andere SVT-tests. Betrokkene presteert de 1e afname onder, maar de 2e afname niet. Bij deze T afname hoefde hij geen rekensommen op te lossen, slechts de som voor te lezen tussen de rijtjes woorden. Hij had dus duidelijk baat bij het vereenvoudigen van de taak. Zijn prestatie op de andere SVT is wisselend. Onder meer is de TOSSA, een selectieve aandachtstest, twee keer afgenomen. Geconstateerd is dat zijn prestatie praktisch vergelijkbaar is, hetgeen onderpresteren (in ieder geval op deze test) niet aannemelijk maakt.

Samenvatting en conclusie:

(…) Er zijn bij onderzoek evidente cognitieve functiestoornissen in combinatie met een wisselende prestatie-motvatie die vermoedelijk gerelateerd is aan frontale hersenfunctiestoornissen. Meest opvallend zijn de inprentingstoornissen en retrievalstoornissen, c.q. de beperkingen in het opdiepen van geleerde informatie uit het geheugen. Opmerkelijk is dat de executieve functies ongestoord zijn, terwijl wel pycho- sociale (gedrag) beperkingen aanwezig lijken.

Onderpresteren kan voorkomen bij hersenfunctiestoornissen en betekent dat er cognitieve functiestoornissen bestaan in combinatie met een verminderde inzet, drive, waardoor het moeilijk is een zuivere meting van de cognitieve vermogens te verkrijgen. Er bestaat zeker geen aanwijzing voor malingering ofwel opzettelijk onderpresteren. Enerzijds zou het onderpresteren kunnen duiden op frontaal letsel, anderzijds zou psychiatrische problematiek tengevolge van hersenletsel mede een rol kunnen spelen. In hoeverre de verbroken relatie voor het ongeval en de verstoorde relatie met zijn werkgever een rol spelen is onduidelijk. Betrokkene toont geen emoties en zegt er weinig over. Het onderpresteren kan echter niet worden toegeschreven aan bewuste processen en geeft geen afdoende verklaring voor de geobjectiveerde afwijkingen. Betrokkene is op twee dagdelen onderzocht zodat een goed beeld is ontstaan waarbij min of meer dezelfde stoornissen geobjectiveerd konden worden.

Beperkingen, c.q. stoornissen (in combinatie met onderpresteren) betreffen:

de informatieverwerking en het werktempo: sterk vertraagd
het intellectueel vermogen ligt onder premorbide niveau
de capaciteit van het werkgeheugen: sterk beperkt
selectieve, verdeelde en volgehouden aandacht

Ongestoord zijn:

executieve functies
begrip en expressieve taal (m. it. v. fluency, hetgeen meer een retrievalstoornis is)
auditieve en visuele perceptie
visuoconstructieve vaardigheden

Bij psychologisch onderzoek blijkt geen psychopathologie. Echter, mogelijk heeft betrokkene het te rooskleurig ingevuld door zijn laissez faire houding. Er is geen lijdensdruk voelbaar, hij maakt een gelaten indruk.

De gehanteerde manier van algemene coping is gericht op ontspanning en sociale steun. In de praktijk betekent het dat hij steun zoekt bij zijn ouders. Een normaal sociaal leven heeft hij niet meer.

Beantwoording van de vraagstellingen:
Zijn er stoornissen in het mentale functioneren, hel taalgebruik, de regulatie van emoties en gedrag of in de helderheid van het bewustzijn?

Antwoord: Voor stoornissen in het mentale functioneren, zie conclusie. Er is geen stoornis in de helderheid van het bewustzijn. Er is geen taalstoornis, of afasie. De regulatie van emoties en gedrag is gestoord: er lijkt sprake van weinig initiatiefname en sterke afhankelijkheid van ouders. Van lijdensdruk lijkt geen sprake, betrokkene maakt een gelaten indruk met weinig emoties.

Is het aannemelijk dat de aangetoonde stoornissen veroorzaakt worden door een hersenbeschadiging als gevolg van een bepaalde (nader te omschrijven) gebeurtenis of aandoening?
Antwoord: alles in ogenschouw nemend, acht ik het zeker aannemelijk.

Zijn er wellicht andere oorzaken dan die bepaalde gebeurtenis of aandoening (al dan niet ermee samenhangend), die de verklaring kunnen vormen voor de aangetoonde stoornissen?
Antwoord: ermee samenhangende verklaringen voor de geobjectiveerde stoornissen is onderpresteren tengevolge van psychiatrische problematiek (niet mijn vakgebied) dan wel tengevolge van frontale functiestoornissen. De prestatiemotivatie, de besluitvorming, initiatiefname worden in defrontaalkwabben gereguleerd.

Indien de aangetoonde stoornissen kunnen worden toegeschreven aan een tengevolge van de genoemde gebeurtenis of aandoening ontstane hersenbeschadiging, welke zijn dan de beperkingen in het functioneren die daardoor zijn ontstaan?
Antwoord: In het dagelijks leven en een arbeidssituatie zal de mentale traagheid en daardoor problemen met het opnemen van informatie en het combineren van verschillende informatiestromen en dubbeltaken hem problemen op leveren. Er zijn forse inprentingstoornissen en vergeetachtigheid, alsook aandachtstoornissen met name m.b.t. selectieve- en volgehouden aandacht. Verder zijn er psycho-sociale beperkingen, waarbij opvalt dat betrokkene sterk leunt op zijn ouders. ”

2.7. Op 20 januari 2013 heeft [neuroloog] een conceptrapport uitgebracht. Hierin is bij de beantwoording van de vragen onder meer het volgende vermeld:

“1. DE SITUATIE MET ONGEVAL

Anamnese: (…)
(…) Hij geeft aan alleen aan het 1e ongeval klachten te hebben overgehouden. Het betreft overgevoeligheid voor licht, geluid en drukte. De ondertiteling op de TV gaat hem te snel en films zijn hem snel te druk. Ook met mensen ervaart hij snel drukte met moeheid en hoofdpijn. Hij heeft veel meer uitleg nodig dan voor hel ongeval. De vanuit revalidatiesetting toegepaste behandelingen lijken niet veel te hebben uitgehaald. Zijn leefsituatie is uiterst beperkt (…)

Medische gegevens: (…)
Uil de medische voorgeschiedenis is van belang dat betrokkene de 3e en 5e klas van de lagere school heeft gedoubleerd.

Met het ongeval 2007 heeft betrokkene een dyslorsie van de cervicale wervelkolom met vegetatieve klachten en schedelhersenletsel opgelopen. Onder regie van revalidatieartsen wordt met de bestaande tendomyalgene pijnklachten van de nek, hoofdpijn en concentratiestoornissen gewerkt aan pijnbestrijding en aan het stapsgewijs opbouwen van het activiteitenpatroon.

Medisch onderzoek: Wilt u een beschrijving geven van uw bevindingen bij lichamelijk en eventueel hulponderzoek?
Bij neurologisch onderzoek zijn er geen afwijkingen. Bij psychiatrisch onderzoek blijken alle klachten te liggen op het gebied van cognitie (licht verstandelijk beperkt, snel vermoeibaar) en persoonlijkheid (passief en zich afhankelijk opstellend van zijn ouders en zijn broer). Het NPO [neuropsychologisch onderzoek van [neuropsycholoog], toevoeging rechtbank] brengt evidente cognitieve functiestoornissen aan het licht (informatieverwerking werktempo, intellectueel vermogen onder premorbide niveau, werkgeheugen, aandacht, inprenting en retrieval) in combinatie met een vermoedelijk aan frontale hersenfunctiestoornissen gerelateerde wisselende prestatie-motivatie.

Consistentie: Is naar uw oordeel sprake van een onderlinge samenhang als het gaat om de informatie die is verkregen van cliënt zelf, de feiten zoals die uil het medisch dossier naar voren komen en uw bevindingen bij onderzoek en eventueel hulponderzoek? Ja.
(…)

Diagnose: (…)
Er zijn stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren, ontstaan met het ongeval in 2007.

Percentage invaliditeit: (…)
Er is functieverlies door stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren (AMA-6 J3.3d). Om hier functieverlies te mogen aanmerken, is steun nodig van een NPO. Die steun is er. De mate waarin de stoornissen interfereren met algemene dagelijkse levensverrichtingen is bepalend voor het percentage functieverlies in tabel 13-8 blz. 331. Mede aan de hand van het op blz. 331 gegeven voorbeeld (class 3) scoor ik betrokkene wel in klasse 3 (ernstige afwijkingen bij NPO, veranderingen in geïntegreerd mentaal functioneren die in belangrijke mate interfereren met ADL), maar niet zo hoog als het voorbeeld. Ik kom uit op een percentage functieverlies van 28%.

Beperkingen: Welke beperkingen op uw vakgebied beslaan naar uw oordeel bij cliënt in zijn huidige toestand, ongeacht of de beperkingen voortvloeien uit het ongeval? (…)
Als gevolg van zijn stoornissen en daarmee samenhangende passieve en afhankelijke opstelling zijn sociale situaties hem snel te veel en leidt hij een zeer beperkt bestaan zoals beschreven op blz. 3. De samenvatting van de met NPO gevonden beperkingen staat in het NPO op blz. 11.

Medische eindsituatie: (…)
Eindtoestand. De laatste jaren treedt er geen verbetering of verslechtering meer op in het beeld.

(…)

DE SITUATIE ZONDER ONGEVAL
Klachten, afwijkingen en beperkingen voor ongeval: Bestonden voor het ongeval bij cliënt reeds klachten en afwijkingen op uw vakgebied die cliënt thans nog steeds heeft? Mogelijk.
Zo ja, kunt u dan aangeven hoeveel procent functionele invaliditeit en welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen voortvloeien?

Betrokkene heeft de 3e en de 5e klas van de lagere school gedoubleerd, na een technische opleiding heeft hij echter werk gevonden op MBO-niveau. Psycholoog Oosterhuis stelt in 2009 dat sprake is van onderprestatie en mogelijk van intelligentieverval. Ook in het huidige NPO onderpresteert betrokkene, Mw. [neuropsycholoog] concludeert dat het intellectueel vermogen onder het premorbide niveau ligt.

Klachten, afwijkingen en beperkingen zonder ongeval: (…)
Nee, zulke klachten en afwijkingen zijn er niet. De aanrijding van 9-1-2009 heeft geen medische gevolgen gehad. (…) “

2.8. Naar aanleiding van de expertiserapporten heeft de medisch adviseur van Allianz bij brief van nadere vragen gesteld aan [neuroloog]. [neuroloog] heeft hierop, onder meer na raadpleging van [neuropsycholoog], gereageerd. De correspondentie met de medisch adviseur van Allianz was voor [neuroloog] geen aanleiding om zijn conceptrapport aan te passen. Het definitieve rapport is 4 november 2013 uitgebracht.

2.9. Allianz en Reaal hebben – zonder overleg met (de vertegenwoordigers van) [benadeelde] – neuroloog dr. E.M.H. van den Doel (hierna: Van den Doel) en neuropsycholoog prof. dr. R.W.H.M. Ponds (hierna: Ponds) gevraagd de rapportages van [neuroloog] en [neuropsycholoog] te beoordelen. De rapporten van Van den Doel en Ponds zijn aan [benadeelde] ter beschikking gesteld. [neuropsycholoog] en [neuroloog] hebben hierop een reactie gegeven aan de medisch adviseur van [benadeelde].

2.10. De vertegenwoordiger van [benadeelde] en de schadebehandelaar van Allianz hebben op 6 januari 2014 gezamenlijk Het Rekenbureau B.V. (hierna: het Rekenbureau) de opdracht gegeven de schade van [benadeelde] te berekenen. In het conceptrapport van 23 april 2014 heeft het Rekenbureau negen varianten uitgewerkt. Daarnaast is aan het Rekenbureau een aanvullende opdracht gegeven voor het berekenen van de schade als gevolg van het gemis van een leaseauto. Deze berekening van deze schade is in een afzonderlijk rapport (eveneens van 23 april 2014) neergelegd.

Het geschil in conventie
3.1. Allianz en Reaal hebben gevorderd (verkort weergeven):

Primair
te verklaren voor recht dat Allianz en Reaal niet gebonden zijn aan de expertiserapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog];
te verklaren voor recht dat Allianz en Reaal met de betaalde voorschotten van € 114.000,00) [benadeelde] volledig schadeloos hebben gesteld, omdat een medisch causaal verband ontbreekt tussen de ongevallen en de gestelde schade;

Subsidiair, in het geval geoordeeld wordt dat Allianz en Reaal wel gebonden zijn aan de expertiserapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog],
te verklaren voor recht dat [benadeelde] met de betaalde voorschotten volledig schadeloos is gesteld, omdat ondanks de expertiserapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog] een causaal verband tussen de ongevallen en de gestelde schade ontbreekt;

Meer subsidiair, in het geval geoordeeld wordt dat Allianz en Reaal wel gebonden zijn aan de expertiserapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog] én vast komt te staan dat het medisch causaal verband vast staat,
te verklaren voor recht dat bij de vaststelling van de totale schade uitgegaan moet worden van scenario lc uit het rekenrapport van het Rekenbureau.

In alle gevallen met veroordeling van [benadeelde] in de proceskosten.

3.2. Allianz en Reaal hebben ter onderbouwing van hun vorderingen – kort weergegeven – gesteld dat zij zwaarwegende en steekhoudende bezwaren hebben tegen de expertiserapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog], zodat zij daar niet aan gebonden zijn. [benadeelde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen in conventie. Op de stellingen van partijen in conventie wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.3. [benadeelde] heeft gevorderd (verkort weergegeven):

Met betrekking tot de klachten en beperkingen:

Primair
te verklaren voor recht dat de uitkomsten van de expertiseberichten van [neuroloog] en [neuropsycholoog] als bindend uitgangspunt hebben te gelden bij de verdere schadeafwikkeling; te verklaren voor recht dat uit het rapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog] volgt dat er sprake is van causaal verband tussen het ongeval/de ongevallen en de klachten en beperkingen van [benadeelde] en dat [benadeelde] als gevolg daarvan volledig arbeidsongeschikt is;

Subsidair
te verklaren voor recht dat er bij [benadeelde] sprake is van ernstige gezondheidsklachten, van (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de gezondheidsklachten en dat de klachten van [benadeelde] leiden tot beperkingen, waardoor hij onder meer volledig arbeidsongeschikt is geraakt, terwijl hij in de situatie zonder ongeval inkomen had kunnen verwerven;

Meer subsidiair
nieuwe onafhankelijke deskundigen te benoemen teneinde in kaart te brengen welke klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval/de ongevallen van [benadeelde];

Met betrekking tot verlies aan verdienvermogen:

Primair
te verklaren voor recht dat voor wat betreft de schadepost verlies aan verdienvermogen dient te worden uitgegaan van scenario 3b van het rapport van Het Rekenbureau van 23 april 2014, althans dient te worden uitgegaan van een van de andere varianten uit het rekenrapport van 23 april 2014, met daarbij opgeteld het verlies aan verdienvermogen wegens de leaseauto in de situatie zonder ongeval;

Subsidiair
een arbeidsdeskundige te benoemen teneinde het verlies aan verdienvermogen van [benadeelde] zonder ongeval in kaart te brengen en aansluitend de heer ing. E.J. Bakker van het Rekenbureau, althans een ander bureau gespecialiseerd in berekeningen ex artikel 6:107 BW, te benoemen teneinde met inachtneming van de uitkomst van het onderzoek van de arbeidsdeskundige c.q. de eventuele getuigenverhoren het verlies aan verdienvermogen van [benadeelde] in kaart te brengen;

Overige:

Allianz en Reaal te veroordelen tot vergoeding van de immateriële schade en de overige materiële schade, nader op te maken bij staat;

Allianz en Reaal te veroordelen in de kosten van het geding en de kosten te begroten conform de regeling van het deelgeschil (artikel 1019aa Rv), althans de kosten te begroten op de daadwerkelijke proceskosten aan de zijde van [benadeelde], althans een kostenveroordeling op basis van het normale liquidatietarief.

3.4. [benadeelde] heeft ter onderbouwing van zijn vordering gesteld – kort weergegeven – dat de deskundigenrapporten voldoen aan de daaraan te stellen eisen, zodat Allianz en Reaal gebonden zijn aan de gezamenlijk gevraagde rapporten. Subsidiair stelt [benadeelde] dat – wanneer de rapporten niet bindend worden geacht – een juridisch causaal verband aangenomen kan worden. Allianz en Reaal voeren verweer en concluderen tot afwijzing van de vorderingen in reconventie. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling in conventie en in reconventie
4.1. De rechtbank ziet aanleiding om de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk te behandelen, nu deze grotendeels elkaars spiegelbeeld vormen: Allianz en Reaal vorderen in conventie primair te verklaren voor recht dat zij niet gebonden zijn aan de deskundigenrapporten van [neuroloog] en [neuropsycholoog], terwijl [benadeelde] in reconventie primair vordert te verklaren voor recht dat deze rapporten partijen wel binden.

4.2. Als uitgangspunt geldt dat partijen in beginsel gebonden zijn aan een deskundigenbericht dat op hun gezamenlijk verzoek is uitgebracht, tenzij er zwaarwegende en steekhoudende bezwaren bestaan tegen dit bericht. Hiervan is onder meer sprake wanneer het deskundigenbericht niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica.

4.3. De kritiek van Allianz en Reaal op de deskundigenrapporten is vooral gelegen in het feit dat [neuroloog] zijn antwoorden voor een belangrijk deel heeft gebaseerd op de bevindingen van [neuropsycholoog], terwijl de resultaten van het door [neuropsycholoog] uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek volgens Allianz en Reaal onjuist geïnterpreteerd worden en/of niet betrouwbaar zijn.

De rechtbank kan niet beoordelen of de conclusies van [neuroloog] en [neuropsycholoog] op neurologisch respectievelijk neuropsychologisch terrein juist zijn. Zij kan wel beoordelen of de deskundigen in hun rapporten voldoende inzichtelijk hebben gemaakt waarom zij tot deze conclusies zijn gekomen. De rechtbank overweegt daarover als volgt.

4.4. [neuroloog] heeft geen neurologische afwijking vastgesteld. Zijn diagnose (“stoornissen van het geïntegreerde mentale functioneren”) rust daardoor vooral op het hulponderzoek van [neuropsycholoog]. Het door [neuropsycholoog] uitgevoerde neuropsychologisch onderzoek had tot doel inzicht te verschaffen in het cognitief functioneren van [benadeelde]. Dit functioneren is gemeten door [benadeelde] verschillende tests te laten maken. De uitslagen van het op twee verschillende dagen uitgevoerde onderzoek duiden op aanzienlijke cognitieve beperkingen bij [benadeelde]. Allianz en Reaal hebben geen bezwaren tegen de wijze waarop de verschillende tests zijn uitgevoerd. De resultaten van deze tests zeggen echter slechts iets over de daadwerkelijke capaciteiten van iemand, wanneer hij deze test naar zijn beste kunnen heeft gemaakt. Om te controleren of dit het geval is – en dus om uit te sluiten dat er sprake is van zogeheten ‘ onderpresteren ’ – zijn in het onderzoek enkele symptoomvaliditeitstests opgenomen. Dit zijn tests waarbij, ondanks de aanwezigheid van vermoeidheid of aanzienlijke stoornissen, doorgaans goede scores behaald worden. [benadeelde] scoort op een aantal van de symptoomvaliditeitstests (aanzienlijk) onder het gemiddelde. Er is dus sprake van onderpresteren. Dit wordt door [neuropsycholoog] in haar rapportage onderkend en staat tussen partijen niet ter discussie. Het bezwaar Allianz en Reaal richt zich op conclusies die [neuropsycholoog] aan het geconstateerde onderpresteren verbindt.

4.5. De symptoomvaliditeitstests zijn bedoeld om te verifiëren of de overige testresultaten een betrouwbaar beeld geven. Wanneer bij de symptoomvaliditeitstest onderpresteren wordt geconstateerd, is de logische conclusie dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn en daaruit dus geen of hoogstens in zeer beperkte mate gevolgtrekkingen kunnen worden gemaakt. Dit wordt door [neuropsycholoog] zelf in haar rapport zo omschreven op pagina 5, onder “Symptoomvaliditeit” (hierboven geciteerd onder 2.5). Ook Van den Doel en Ponds wijzen erop dat onbetrouwbaarheid van de testresultaten de voor de hand liggende conclusie is, wanneer onderpresteren wordt vastgesteld. Omdat [neuropsycholoog] wel conclusies trekt (er is volgens haar sprake van “evidente cognitieve functiestoornissen”), is zij kennelijk van mening dat de onderliggende testresultaten, ondanks het geconstateerde onderpresteren, voldoende betrouwbaar zijn. [neuropsycholoog] vermeldt in dat verband echter slechts dat [benadeelde] baat had bij vereenvoudiging van een bepaalde test en dat hij bij een andere test op twee verschillende dagen vrijwel gelijke scores behaalde. De rechtbank acht deze motivering onvoldoende duidelijk, gelet op het grote belang van de tests (validatie van de overige testresultaten), het feit dat [neuropsycholoog] niet inhoudelijk is ingegaan op de omstandigheid dat ook bij eerdere onderzoeken sprake was van onderpresteren en de opmerkingen van Ponds over de onwaarschijnlijk lage scores bij de reguliere neuropsychologische tests die bovendien niet overeenkomen met de mate van zelfredzaamheid van [benadeelde] (hetgeen volgens Ponds ook op onderpresteren kan duiden).

4.6. [neuropsycholoog] stelt vervolgens op basis van de testresultaten “evidente cognitieve functiestoornissen in combinatie met wisselende prestatie-motivatie” vast en vermeldt daarbij dat deze vermoedelijk gerelateerd zijn aan “frontale hersenfunctiestoornissen”. Zij schrijft voorts dat er “zeker geen aanwijzing voor malingering of opzettelijk onderpresteren” bestaat en dat “het onderpresteren zou kunnen duiden op frontaal hersenletsel” dan wel “psychiatrische problematiek als gevolg van hersenletsel”. Bij de motivering van deze conclusies moeten enkele kanttekeningen worden geplaatst.

4.7. In de eerste plaats wordt de stelling dat onderpresteren kan duiden op frontaal hersenletsel weersproken in het rapport van Ponds. Volgens hem kan frontaal hersenletsel weliswaar leiden tot een wisselende (prestatie)motivatie, maar is er geen wetenschappelijke basis voor de stelling dat dergelijk letsel ook onderpresteren kan veroorzaken. In haar reactie van 13 januari 2015 op het rapport van Ponds is [neuropsycholoog] niet op deze opmerking van Ponds ingegaan. Ook de van de zijde van [benadeelde] overgelegde brief van dr. E. Matser- welke overigens betrekking heeft op een ander dossier – waarin wordt gesteld dat onderpresteren het gevolg kan zijn van een neurologische stoornis, biedt deze onderbouwing niet. In de rapportage van [neuropsycholoog] wordt het verband dan wel verschil tussen onderpresteren en wisselende (prestatie)motivatie onvoldoende duidelijk gemaakt. Uit het rapport lijkt te volgen dat [neuropsycholoog] het voor de duiding van de testresultaten van belang acht dat er geen aanwijzingen zijn dat [benadeelde] opzettelijk onderpresteert. In het rapport is echter niet toegelicht waarom [neuropsycholoog] geen opzet aanwezig acht. De mogelijkheid van onopzettelijk (onbewust) onderpresteren – zonder dat dit aan hersenletsel te wijten is – blijft onbesproken. In dat verband valt op dat [neuropsycholoog] wel de psychiatrische problematiek (zie in dit verband ook 2.3 en 2.4) als mogelijke oorzaak van het onderpresteren noemt, maar, hoewel dit buiten haar vakgebied valt, toch stelt dat deze psychiatrische problematiek het gevolg moet zijn van hersenletsel. Uit het rapport wordt dan ook niet duidelijk waarom het onderpresteren niet verklaard zou kunnen worden door psychiatrische klachten die niet het gevolg zijn van hersenletsel.

4.8. In de tweede plaats wordt opgemerkt dat de conclusie van [neuropsycholoog] dat sprake is van frontaal hersenletsel blijkens het rapport vooral wordt gedragen door (a) de aanwezigheid van cognitieve stoornissen en (b) de verminderde prestatiemotivatie. Afgezien van het feit dat de vaststelling van cognitieve stoornissen mogelijk berust op onbetrouwbare testresultaten, valt op dat enerzijds het onderpresteren/de verminderde prestatiemotivatie van [benadeelde] wordt gebruikt ter onderbouwing van de diagnose frontaal hersenletsel, terwijl anderzijds het aangenomen frontaal hersenletsel gebruikt wordt als argument om het onderpresteren/de verminderde prestatiemotivatie van [benadeelde] te verklaren. Dit lijkt op een cirkelredenering, zoals ook door Van den Doel en Ponds is opgemerkt. [neuropsycholoog] heeft daartegenin gebracht dat zij haar diagnose behalve op de hiervoor genoemde gronden tevens heeft gebaseerd op haar observatie van [benadeelde] en diens gedrag en emoties (Ponds en Van den Doel hebben slechts het rapport beoordeeld), tegen de achtergrond van haar ruime ervaring met patiënten met frontaal hersenletsel.

Van de overige argumenten die -kennelijk, volgens [neuropsycholoog]- pleiten vóór de diagnose frontaal hersenletsel is door [neuropsycholoog] echter onvoldoende blijk gegeven in haar rapportage.

Een uitgebreidere motivering daarvan was wel op zijn plaats, nu een dergelijke diagnose in de voorafgaande vijfjaar geen enkele keer door welke deskundige dan ook is gesteld in de behandelend sector (ook Ponds acht deze bijvoorbeeld niet voor de hand liggend) en objectiveerbare aanwijzingen voor frontaal hersenletsel (bijvoorbeeld een MRI-scan) ontbreken. In een dergelijk geval is het neuropsychologisch onderzoek dus cruciaal voor de conclusies van de neuroloog (zoals ook [neuroloog] opmerkt naar aanleiding van de vragen van de medisch adviseur van Allianz), waardoor een deugdelijke onderbouwing van groot belang is. Voor zover [neuropsycholoog] met ‘frontale hersenfunctie stoornissen’ iets anders heeft bedoeld dan (de gevolgen van) ‘frontaal hersenletsel’ (zie overweging 4.6), blijft dat zonder toelichting onduidelijk.

4.9. Samenvattend acht de rechtbank het ter zijde leggen van de positieve uitslag van de symptoomvaliditeitstesten, die normaliter meebrengt dat de overige testresultaten niet betrouwbaar zijn, een in het oog springende eigenaardigheid, die in het rapport onvoldoende is onderbouwd. Bij de argumentatie, begrijpelijkheid en logica van de stelling dat het onderpresteren van [benadeelde] werd veroorzaakt door frontaal hersenletsel kunnen verschillende kanttekeningen worden geplaatst. Hierdoor is sprake van zodanig zwaarwegende en steekhoudende bezwaren tegen het rapport van [neuropsycholoog], dat Allianz en Reaal hieraan niet gebonden kunnen worden.

4.10. De beslissing dat Allianz en Reaal niet gebonden zijn aan het rapport van [neuropsycholoog], heeft gevolgen voor het rapport van [neuroloog], nu dit in belangrijke mate op bevindingen van [neuropsycholoog] is gebaseerd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom een nieuw onderzoek naar de cognitief functioneren van [benadeelde] noodzakelijk. Hiertoe zal dan ook een andere neuropsycholoog als deskundige dienen te worden benoemd. Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige en de aan deze deskundige voor te leggen vragen. Partijen dienen daarbij aan te geven over welke deskundige(n) zij het eens zijn, dan wel tegen wie zij gemotiveerd bezwaar hebben. De rechtbank zal de zaak hiertoe naar de rol verwijzen. De rechtbank is voorlopig van oordeel dat dezelfde vragen kunnen worden gebruikt als eerder aan [neuropsycholoog] zijn voorgelegd.

4.11. Nadat de definitieve versie van het deskundigenbericht is uitgebracht, zal [neuroloog] worden verzocht om zijn rapport naar aanleiding van het nieuwe neuropsychologisch onderzoek te heroverwegen. Het is mogelijk dat het nieuwe rapport voor [neuroloog] aanleiding is het percentage blijvende invaliditeit opnieuw vast te stellen. De beoordeling van de opmerkingen van Allianz en Reaal op dit onderdeel van het rapport zal daarom voorlopig achterwege blijven. Hetzelfde geldt voor de invloed van eventuele (psychische) pre-existente klachten.

4.12. Met betrekking tot de overige door Allianz en Reaal naar voren gebrachte bezwaren tegen het rapport van [neuroloog] overweegt de rechtbank dat de anamnese voldoende inzichtelijk is. Hoewel de toedracht van het ongeval in 2007 op meerdere plekken in het dossier onjuist is weergegeven, staat deze thans tussen partijen vast. Deze lijkt bovendien niet van groot belang voor het oordeel van [neuroloog], zodat er geen reden bestaat het rapport om deze reden buiten beschouwing te laten. Voorts is de rechtbank van oordeel dat [neuroloog] de vragen van de medisch adviseur van Allianz voldoende heeft beantwoord. Tevens heeft hij een reactie gegeven op de opmerkingen van Van den Doel op zijn rapportage. Het onderzoek voldoet op dit punt dan ook aan de daaraan te stellen eisen, zodat partijen hieraan – met uitzondering van de onderdelen die heroverwogen zullen worden – aan gebonden zijn.

4.13. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt van de wet, dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Dit voorschot zal daarom door Allianz en Reaal moeten worden betaald.

4.14. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. www.stichtingpiv.nl

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies