Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 071112 verzoek psychiatrische expertsierapporten bindend te verklaren afgewezen; gezichtspunten

Rb Rotterdam 071112 verzoek psychiatrische expertsierapporten bindend te verklaren afgewezen; gezichtspunten 
- kosten gevorderd, begroot en toegewezen; 15,4 uur x EUR 240,00 + 6% + 19% + griffierecht

2.  De vaststaande feiten 
2.1.  Op 5 januari 1997 is aan [verzoeker 1] c.s. een ongeval overkomen. Daarbij is ’s nachts een personenauto met hoge snelheid de woning van [verzoeker 1] c.s. binnen gereden. 

2.2.  De onder 2.1. bedoelde personenauto was ten tijde van het ongeval op grond van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) verzekerd bij de naamloze vennootschap UAP Nieuw Rotterdam Schade N.V. (hierna: UAP). Rechtsopvolger van UAP is Axa Schade N.V. (hierna: Axa). Rechtsopvolger van AXA is Reaal. 

2.3.  Aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is door (één van de rechtsvoorgangers van) Reaal erkend. 

2.4.  In het kader van de afwikkeling van de schade is [verzoeker 1] c.s. – in opdracht van beide partijen gezamenlijk – op 29 november 2001 door [pe[persoon 1] (hierna: [persoon 1]), psychiater, onderzocht. 

2.4.1.  In het op 17 januari 2002 met betrekking tot [verzoeker 1] uitgebrachte rapport komt [persoon 1] – de hem gestelde vragen beantwoordend – onder meer tot de volgende conclusie: 

“1. Dhr. [verzoeker 1] komt hier naar voren als een sensitieve, bescheiden, ambitieuze man, die juist in een fase van heroriëntatie in zijn leven getroffen werd door een ernstig ongeval, potentieel levensbedreigend, waardoor zijn huis zodanig beschadigd werd dat hij daar vijf maanden niet kon wonen. Enige tijd van het ongeval ontstaat een klachtensyndroom, te plaatsen in het kader van een posttraumatische stress-stoornis, waarmee het hem niet lukt zijn werkzaamheden weer op te vatten. 
Volgens de D.S.M. IV T.R. is de diagnose dan als volgt te coderen: 
- Axis I    : 309.81 posttraumatische stress-stoornis 
- Axis II    : V7109 geen karakterpathologie, wel sensitieve kenmerken 
- Axis III    : geen diagnose 
- Axis IV  : psychostressor: bijna instorting van zijn huis ten gevolge van een binnenrijdende auto 
- Axis V  : niveau van functioneren: aanzienlijk ingeperkt activiteitenpatroon, gepreoccupeerd met de gevolgen van de beschadiging, moedeloos ten aanzien van de toekomst. 
2a. De huidige klachten zijn te plaatsen in het kader van een dysthyme stoornis met slaapstoornissen, verlies aan energie, geschonden zelfbeeld. 
2b. Er is geen reden om aan te nemen dat deze klachten al vóór het ongeval aanwezig waren. 
2c. Er is geen reden om aan te nemen dat zich bij betrokkene een dysthyme stoornis ontwikkeld zou hebben als het ongeval niet had plaatsgevonden. 
2d. Het dysthyme klachtensyndroom is te zien als het gevolg van een escalatie van problemen die ontstaan zijn door en mogelijk ook na het ongeval. Daarbij is met name de gebroken carrière uiteraard de belangrijkste bijkomende factor. 
3. Ten aanzien van de prognose moet worden opgemerkt dat betrokkene qua carrière inmiddels gekomen is in de dalende levenslijn, zodat feitelijk geen verbetering meer te verwachten is. Het stemmingsbeeld kan echter wel verbeteren als het hem lukt zijn taken weer in harmonie te brengen en hij daaraan ook enige prestige en voldoening kan ontlenen. 
4. Als beperkingen noemt betrokkene zelf zijn vergrote vermoeibaarheid, zijn verminderde weerbaarheid, zijn prikkelbaarheid en een verminderd vermogen ingewikkelde problemen op te lossen of langdurige taken af te maken. Deze beperkingen kunnen passen bij het aan het ongeval te relateren dysthyme klachtensyndroom. 
5a. De ten gevolge van de dysthyme stoornis te verwachten beperkingen liggen niet op het gebied van de algemene dagelijkse levensverrichtingen. 
5b. Recreatief mist hij voor zijn belangrijkste hobby, het zeilen, de vitaliteit en naar zijn zeggen de kracht, “ik kan de schoten niet meer aanhalen”. Wel wandelt hij veel met de hond. Voor het muziek maken (saxofoon en fluit) is hij te lusteloos. 
6a. Volgens de AMA Guides is er ten aanzien van de A.D.L. geen impaiment (klasse I), ten aanzien van het sociaal functioneren een “moderate impairment” ten gevolge van zijn prikkelbaarheid, zijn conflictgevoeligheid, zijn lusteloosheid en zijn gebrek aan energie (klasse III). Ten aanzien van zijn concentratievermogen is er een beperking ten gevolg van zijn gebrek aan doorzettingsvermogen, zijn verminderde “task completion”(klasse III). Ten aanzien van het aanpassingsvermogen zijn er enige beperkingen, waarin ook een leeftijdsfactor meespeelt (klasse II). 
De precieze definiëring c.q. kwantificering en kwalificering van de beperkingen wordt bemoeilijkt doordat levensfase problematiek meespeelt, terwijl er ook enige inductie kan zijn van de kant van zijn echtgenote, die eveneens klachten heeft welke echter wel te relateren zijn aan hetzelfde ongeval. (…) 
7. In de toekomst, als betrokkene weer wat meer met zichzelf in balans komt en ook zijn vrouw haar evenwicht heeft hervonden, kan zeker het stemmingsbeeld verbeteren. Daarmee zouden zowel de functionele invaliditeit als de mogelijkheid tot loonvormende arbeid kunnen verbeteren.” 

2.4.2.  In het op 17 januari 2002 met betrekking tot [verzoeker 2] uitgebrachte rapport komt [persoon 1] – de hem gestelde vragen beantwoordend – onder meer tot de volgende conclusie: 

“1. Mevr. [verzoeker 2] leek in relatieve harmonie met zichzelf en haar levensverwachting te zijn na een avond waarop ze nog piano gespeeld had, toen ze, net naar bed, opgeschrikt werd door een donderend geweld dat ze in eerste instantie interpreteerde als een ontploffing vanuit het Botlekgebied. Naar beneden gesneld werd ze geconfronteerd met een ravage en het duurde enige tijd voordat ze de ware oorzaak, de binnenrijdende auto, kon begrijpen. Zij probeert dan vrij snel regelend op te treden, waarin ze gefrustreerd wordt door ontbrekende middelen en een min of meer geparalyseerde echtgenoot. Uiteindelijk weet ze toch enige orde op zaken te stellen, maar dan dringen ook de gevolgen van het ongeval tot haar door en het feit dat ze door het oog van de naald is gekropen. Na enige tijd ontwikkelen zich tal van klachten, ze kan het ongeval niet loslaten, is daardoor geobsedeerd, herbeleeft het in haar dromen, voelt zich voortdurend angstig, vervreemdt min of meer van haar normale leven en leeft in een voortdurend hoog spanningsniveau. Het beeld aansluitend en in reactie op het ongeval kan volgens de D.S.M. IV T.R. als volgt gecodeerd worden: 
- Axis I    : 309.81 posttraumatische stress-stoornis 
- Axis II  : V7109 geen karakterpathologie, wel een grote controlebehoefte, ook in emotionele zin 
- Axis III    : hypertone myalgieën 
- Axis IV  : psychostressor: per acute, bijna catastrofale beschadiging van haar huis ten gevolge van een binnenrijdende auto 
- Axis V    : niveau van functioneren: geremd door fobische angsten 
      - psychologisch: angstig, gedeprimeerd 
      - sociaal: onthutst en ontheemd 
      - beroepsmatig: geblokkeerd 
2a. De huidige klachten betreffen een verhoogd spanningsniveau, vergrote vermoeibaarheid, verminderd aanpassingsvermogen, geschonden zelfvertrouwen, een vrij sterke preoccupatie met het ongeval. Deze klachten kunnen nog wel gezien worden als restsymptomatologie van de doorgemaakte posttraumatische stress-stoornis, maar niet meer in volle hevigheid. 
2b. Deze klachten bestonden niet voor het ongeval. 
2c. De huidige klachten zouden niet ontstaan zijn als er geen sprake was geweest van een ongeval. 
2d. Het hele syndroom van klachten is mijns inziens te zien als een ongevalsgevolg, van de hypertone myalgieën is dat niet helemaal zeker. 
3. Aangezien er reeds sprake is van een vrij aanzienlijke verbetering, terwijl ze haar bedrijf heeft hervat, lijkt verdere verbetering nog wel te verwachten. 
4. In de A.D.L. is betrokkene niet beperkt, hoewel 10 uur huishoudelijke hulp per week wel noodzakelijk is gebleken. Voor de vrijetijdsbesteding heeft ze minder energie beschikbaar evenals voor de beroepsuitoefening, waarbij ze nog niet in staat is tot een volledige werkdag. Deze beperkingen zullen het gevolg zijn van een verhoogd spanningsniveau en de aantasting van het self esteem en het toekomstbeeld, dat minder uitbundig is dan ze aanvankelijk had gehoopt. Als zodanig zijn deze beperkingen te zien als ongevalsgevolg. 
5. Op medische gronden bestaan er geen belemmeringen voor de A.D.L. recreatief is betrokkene nog wel ingeperkt door een gebrek aan vrij beschikbare energie ten gevolge van het verhoogde spanningsniveau. 
6. Bij betrokkene is sprake van functionele beperkingen die volgens de AMA-criteria (vierde editie) als volgt kunnen worden geklasseerd: 
- A.D.L. klasse I, geen beperkingen. 
- Sociaal functioneren: enige beperking door verminderde weerbaarheid en vergrote vermoeibaarheid, klasse II. 
- Concentratie, taakvervulling en doorzettingsvermogen: beperkt door vergrote vermoeibaarheid, slecht alleen kunnen zijn, verhoogd spanningsniveau. Hierin speelt misschien mee een zekere rolwisseling met haar echtgenoot, die haar nu het voortouw laat nemen, klasse III. 
- Aanpassingsvermogen: minder resistentie tegen concurrentie, veranderende certificeringseisen. Het aanpassingsvermogen is extra belast door verandering van werkzaamheden, klasse II à III. Verdere verbetering is nog wel te verwachten, zeker als de huidige werksituatie stabiliseert en ze wat meer hulp van haar echtgenoot kan krijgen. 
7. In de toekomst is nog wel verbetering te verwachten in haar functioneren op alle gebieden. Dit betreft ook loonvormende arbeid in het algemeen en de mate van blijvende functionele invaliditeit. Waarschijnlijk is dit na een periode van één à twee jaar beter te beoordelen.” 

2.5.  Op 10 juli 2011 heeft [persoon 1] – naar aanleiding van nadere / aanvullende vragen van beide partijen – wederom over [verzoeker 1] c.s. gerapporteerd. 

2.5.1.  Het rapport houdt met betrekking tot [verzoeker 1] onder meer het volgende in: 

“Diagnostisch in psychiatrische zin is er in de eerste instantie sprake geweest van een PTTS op basis van schrikachtigheid, de regelmatige opdringende herbelevingen, intrusies, die ook associatief heel makkelijk opgewekt worden tot op heden. De locatie waar het ongeval is gebeurd, is nog steeds een plaats die hem boos kan maken en dat is ook de reden dat zij daar weg zijn gegaan. De stemming nu imponeert vooral als depressief, meer dan als angstig en als boos, met ingehouden agressie als zegt hij zelf ook nauwelijks een levensmotivatie te hebben. Gebrek aan weerbaarheid suggereert een verlies van zelfvertrouwen. Evenals het feit dat hij al zijn problemen uit de weg gaat en de oplossing meestal aan zijn vrouw overlaat die daar ook niet meer mee om kan gaan. Het slechte slapen, de concentratiezwakte en zijn preoccupatie met de negatieve dingen des levens zijn ook te relateren aan de depressie. Volgens de DSM IV T.R. is het beeld als volgt te coderen: 
Axis I:  296.25 Majore depressieve stoornis chronisch in partiële remissie; 
  309.81 Posttraumatische stress-stoornis, chronisch 
Axis II:   V 71.09 Geen karakterpathologie, wel sensitieve kenmerken; 
Axis III:  Geen evidente somatische klachten; 
Axis IV:  Lopende verzekeringsproblematiek en verloren levensverwachting; 
Axis V:  Gafscore: 60 

CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN 

Beantwoording van de vragen van medisch adviseur, [perso[persoon 2]] 
1. Aangezien de huisarts de voorgaande gegevens niet meer in het bezit heeft terwijl betrokken al gewisseld is van huisarts lijkt het niet zinvol deze alsnog te verwachten. De wel beschikbare gegevens blijken ons voldoende om een inzicht te geven over de situatie na het ongeval. 
De gegevens voor het ongeval kunnen hoogstens een zekere kwetsbaarheid suggereren waardoor het ongeval een groter effect heeft gehad dan gemiddeld te verwachten zou zijn. Maar dit betreft wel de feitelijkheid ten aanzien van betrokkene. 
2a. De PTTS kan zeer gevarieerd verlopen ook qua tijdsduur, chronisch beloop is niet exceptioneel maar komt inderdaad minder voor. In het onderhavige geval lijkt het geprotraheerde beloop onder andere te wijten aan de extreem lang lopende afwikkeling van de schadeclaim. 
2b. De paniekaanval die hij kreeg toen hij naar zijn werkgever ging, heeft te maken met een associatie en past in het kader van de PTSS. De depressie is versterkt door het falen van zijn re-integratie mogelijkheden. 
2c. Zowel de depressie als de angststoornis kunnen in principe ook zijn ontstaan zonder het ongeval maar daarvoor is geen aanleiding geweest, althans ons niet bekend. Zolang geen andere oorzaak manifest is, is er geen reden voor een andere diagnose. Feit is dat betrokkene goed functioneerde tot zijn 42e levensjaar. 
3. Een heronderzoek lijkt ons niet noodzakelijk en zal mogelijk herstel vermoedelijk tegenwerken. 
4. Indien uitgegaan mag worden van het feit dat het onderhavige onderzoek het gevraagde hernieuwde psychiatrische onderzoek betreft dan geeft de ontvangen informatie geen aanleiding de rapportage met betrekking tot klachten en diagnose te herzien met dien verstande dat door de tijdsduur met inmiddels meer dan 14 jaar de PTSS, zij het chronisch, wel aanzienlijk is afgezwakt qua klachten en beperkingen maar is overgegaan in een majore depressie die slechts gedeeltelijk in remissie is gegaan en eveneens een chronisch karakter heeft gekregen. Opvallend is dat er geen specifieke PTSS behandeling heeft plaatsgevonden en wordt, zij het in overleg met zijn behandelaar, deze depressie op dit moment niet behandeld. Dat kan ook te maken hebben met de motivatie van betrokkene hiervoor. 
5. Grote veranderingen zijn niet te verwachten zolang de verzekeringskwestie niet is afgehandeld. 
6. Gebruik makend van de 6e editie van de AMA-guide kunnen de aanwezige klachten van betrokkene gewaardeerd worden met een percentage van 10% (BPRS = 15%; GAF score: 60 = 10%; PIRS = 10%). 

Beantwoording van de vragen van de heer [persoon 3], Assuraad Advocaten: 
1. Aangezien de huisarts de voorgaande gegevens niet meer in het bezit heeft terwijl betrokken al gewisseld is van huisarts lijkt het niet zinvol deze alsnog te verwachten. De wel beschikbare gegevens blijken ons voldoende om een inzicht te geven over de situatie na het ongeval. De gegevens voor het ongeval kunnen hoogstens een zekere kwetsbaarheid suggereren waardoor het ongeval een groter effect heeft gehad dan gemiddeld te verwachten zou zijn. Maar dit betreft wel de feitelijkheid ten aanzien van betrokkene. 
2a. De PTTS kan zeer gevarieerd verlopen ook qua tijdsduur, chronisch beloop is niet exceptioneel maar komt inderdaad minder voor. In het onderhavige geval lijkt het geprotraheerde beloop onder andere te wijten aan de extreem lang lopende afwikkeling van de schadeclaim. 
2b. De paniekaanval die hij kreeg toen hij naar zijn werkgever ging, heeft te maken met een associatie en past in het kader van de PTSS. De depressie is versterkt door het falen van zijn re-integratie mogelijkheden. 
2c. Zowel de depressie als de angststoornis kunnen in principe ook zijn ontstaan zonder het ongeval maar daarvoor is geen aanleiding geweest, althans ons niet bekend. Zolang geen andere oorzaak manifest is, is er geen reden voor een andere diagnose. Feit is dat betrokkene goed functioneerde tot zijn 42e levensjaar. 
3. De door het ongeval noodzakelijke verhuizing heeft veel energie van hen gevraagd meer dan zij beschikbaar hadden. De depressiviteit kan daarbij uiteraard een negatieve factor geweest zijn. De beelden van de verbouwing hebben wel geïnterfereerd met de herinneringen aan de chaos na het ongeval. Met name de bouwstof deed hem regelmatig herinneren aan het ongeval. 
4. Een heronderzoek lijkt ons niet noodzakelijk en zal mogelijk herstel vermoedelijk tegenwerken.” 

2.5.2.  Het rapport houdt met betrekking tot [verzoeker 2] onder meer het volgende in: 

“Diagnostisch in psychiatrische zin lijkt momenteel de depressie op de voorgrond te staan met het onder controle krijgen van de PTSS symptomatologie. Uiteraard is er nog wel veel verdriet en teleurstelling en vooral ’s nachts is er ook nog sprake van dromen en herinneringen aan het incident die haar angstig kunnen maken met name in de weekenden slaapt zij slecht vanwege het uitgaansverkeer. Verder zijn er indrukken (film, reclame, Koninginnedag) die de beelden en het gevoel van het ongeluk terugroepen. 
De hoofddiagnose is nu toch een depressie. De moeheid, het slechte slapen, de concentratiezwakte en het verlies van zelfvertrouwen, haar creativiteit en ook het vertrouwen in de toekomst passen in dit kader. Daarnaast is de stemming uitgesproken gedeprimeerd. Volgens de DSM IV T.R. is het beeld als volgt te coderen: 
Axis I:  296.22 Matig ernstige depressieve stoornis met chronisch karakter; 
  309.81 Posttraumatische stress-stoornis, partiële remissie; 
Axis II:  V 71.09 Geen karakterpathologie evident; 
Axis III:  Hoofdpijn, hypertone myalgieën en vasculaire klachten, M. Raynaud (mogelijk?) 
Axis IV:  Lopende verzekeringsproblematiek en teleurstellende levenssituatie 
Axis V:  Gafscore: 60 

CONCLUSIE EN BEANTWOORDING VAN DE VRAGEN 

Beantwoording van de vragen van de heer [persoon 2], medisch adviseur 
1a. De PTTS kan zeer gevarieerd verlopen ook qua tijdsduur, chronisch beloop is niet exceptioneel maar komt inderdaad minder voor. In het onderhavige geval lijkt het geprotraheerde beloop onder andere aan de extreem lang lopende afwikkeling van de schadeclaim te wijten. 
1b. Van psychotische verschijnselen is in het onderhavige onderzoek niets gebleken en bij specifiek navragen werd dit door haar niet bevestigd. Wel heeft zij korte tijd anti-psychotica gekregen maar dit meer in verband met haar extreme onrust waarbij zij soms gedepersonaliseerd leek (zie [persoon 4] d.d. 30-06-2008). 
1c. De depressie kan in principe ook zijn ontstaan zonder het ongeval maar daarvoor is geen aanleiding geweest, althans ons niet bekend. Zolang geen andere oorzaak manifest is, is er geen reden voor een andere diagnose. Feit is dat betrokkene goed functioneerde tot haar 41e levensjaar. 
2. Een heronderzoek lijkt ons niet noodzakelijk en zal mogelijk herstel vermoedelijk tegenwerken. 
3. Indien uitgegaan mag worden van het feit dat het onderhavige onderzoek het gevraagde hernieuwde psychiatrische onderzoek betreft dan geeft de ontvangen informatie geen aanleiding de rapportage met betrekking tot klachten en diagnose te herzien, met dien verstande dat door de tijdsduur met inmiddels meer dan 14 jaar de PTSS, zij het chronisch, wel aanzienlijk is afgezwakt qua klachten en beperkingen maar is overgegaan in een matig ernstige depressie die eveneens een chronisch karakter heeft gekregen. Opvallend is dat er geen specifieke PTSS behandeling heeft plaatsgevonden en dat, zij het in overleg met haar behandelaar, de depressie op dit moment niet wordt behandeld. Dat kan ook te maken hebben met de ontbrekende motivatie van betrokkene hiervoor. 
4. Grote veranderingen zijn niet te verwachten gezien de leeftijd van betrokkene, het feit dat het ongeval al veertien jaar geleden plaatsvond en zolang de verzekeringskwestie niet is afgehandeld. 
5. Gebruik makend van de 6e editie van de AMA-guide kunnen de aanwezige klachten van betrokkene gewaardeerd worden met een percentage van 10% (BPRS = 15%; GAF score: 60 = 10%; PIRS = 10%). 

Beantwoording van de vragen van de heer H. [persoon 3], Assuraad Advocaten 
1. Aangezien de huisarts de voorgaande gegevens niet meer in het bezit heeft terwijl betrokken al gewisseld is van huisarts lijkt het niet zinvol deze alsnog te verwachten. De wel beschikbare gegevens blijken ons voldoende om een inzicht te geven over de situatie na het ongeval. De gegevens voor het ongeval kunnen hoogstens een zekere kwetsbaarheid suggereren waardoor het ongeval een groter effect heeft gehad dan gemiddeld te verwachten zou zijn. Maar dit betreft wel de feitelijkheid ten aanzien van betrokkene. 
2a. De PTTS kan zeer gevarieerd verlopen ook qua tijdsduur, chronisch beloop is niet exceptioneel maar komt inderdaad minder voor. In het onderhavige geval lijkt het geprotraheerde beloop onder andere aan de extreem lang lopende afwikkeling van de schadeclaim te wijten. 
2b. Van psychotische verschijnselen is in het onderhavige onderzoek niets gebleken en bij specifiek navragen werd dit door haar niet bevestigd. 
2c. De depressie kan in principe ook zijn ontstaan zonder het ongeval maar daarvoor is geen aanleiding geweest, althans ons niet bekend. Zolang geen andere oorzaak manifest is, is er geen reden voor een andere diagnose. Feit is dat betrokkene goed functioneerde tot haar 41e levensjaar. 
3. De door het ongeval noodzakelijke verhuizing heeft veel energie van hen gevraagd, meer dan zij beschikbaar hadden. De depressiviteit kan daarbij uiteraard een negatieve factor geweest zijn. De beelden van de verbouwing hebben wel geïnterfereerd met de herinneringen aan de chaos na het ongeval. 
4. Nee, een heronderzoek lijkt ons niet noodzakelijk en zal mogelijk herstel vermoedelijk tegenwerken.” 

3.  Het geschil 
3.1.  Het verzoek, zoals weergegeven in het verzoekschrift en ter zitting toegelicht, luidt – verkort en zakelijk weergegeven – om voor recht te verklaren dat de rapporten van [persoon 1] tussen partijen bindend zijn en dat er op basis van deze rapportages een medisch causale relatie bestaat tussen de klachten en daaruit voortvloeiende beperkingen van [verzoeker 1] c.s. en het ongeval, zulks onder begroting van en veroordeling van Reaal in de kosten van het onderhavige geschil. 

3.2.  Reaal voert verweer, dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker 1] c.s. in het verzoek, althans afwijzing daarvan. 

3.3.  Op de stellingen van partijen wordt hierna – voor zover van belang – ingegaan. 

4.  De beoordeling 
4.1.  [verzoeker 1] c.s. heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In genoemd artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade 

4.2.  Reaal heeft aangevoerd dat [verzoeker 1] c.s. in beginsel niet ontvankelijk is in het verzoek, nu het verzoekschrift ten onrechte is gericht tegen ‘Reaal Verzekeringen N.V.’, volgens het verzoekschrift gevestigd te Utrecht, terwijl de rechtsopvolger van UAP en AXA ‘Reaal Schadeverzekeringen N.V.’ is, gevestigd te Zoetermeer. Reaal heeft zich echter bereid verklaard vrijwillig in de procedure te verschijnen op voorwaarde dat een beschikking in deze zaak uitsluitend tegen haar zal worden gewezen. Uit het verzoekschrift en de toelichting daarop ter zitting volgt dat bedoeld was de rechtsopvolger van UAP en AXA in deze deelgeschilprocedure te betrekken. Gelet op dit alles zal de rechtbank het verzoekschrift als gericht tegen Reaal beschouwen, zoals ook uit de kop van deze beschikking blijkt, en behoeft het beroep op niet-ontvankelijkheid niet verder te worden besproken. 

4.3.  Het verzoek strekt er in essentie toe te bepalen dat de rapporten van [persoon 1] als bindend uitgangspunt voor [verzoeker 1] c.s. en Reaal dienen te gelden voor de (verdere) schadeafwikkeling. [verzoeker 1] c.s. heeft daaraan – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Partijen kunnen het niet eens worden over de vraag of de huidige klachten van [verzoeker 1] c.s. een gevolg van het ongeval zijn. De rapporten van [persoon 1] geven antwoord op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechter aan de hand daarvan een oordeel kan vellen over de juridische causaliteit. Ook overigens voldoen de rapporten aan de daaraan te stellen eisen. De rechtbank dient de rapporten van [persoon 1] dan ook te volgen, aldus [verzoeker 1] c.s. 

4.4.  Reaal heeft betoogd dat de rechtbank de inhoud en conclusies van de rapporten van [persoon 1] naast zich neer dient te leggen. Volgens Reaal is onder meer van de navolgende klemmende bezwaren sprake: 
- gelet op het feit dat de klachten met de tijd niet verminderen, hetgeen wel in de lijn der verwachting lag, bestaan vraagtekens bij de juistheid van de oorspronkelijke diagnose; 
- de diagnose is gebaseerd op onvoldoende en onvolledig onderzoek; 
- er zijn geen testen uitgevoerd voor gesimuleerde PTSS; 
- de rapporten geven geen duidelijkheid over de vraagtekens die door de medisch adviseur van Reaal bij de rapporten worden gesteld; 
- er is sprake van ‘belief perseverance’, zodat fouten in een deskundigenonderzoek eigenlijk alleen kunnen worden hersteld door een geheel nieuw deskundigenonderzoek. 

4.5.  Gegeven het doel van de deelgeschilprocedure om de buitengerechtelijke onderhandelingen te bevorderen, dient de rechter te beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en, indien dat niet het geval is, het verzoek tot beslechting van een deelgeschil af te wijzen (artikel 1019z Rv). In het onderhavige geval twisten partijen over de vraag welke waarde aan de rapportages van [persoon 1] moet worden toegekend. Ofschoon duidelijk is dat nog de nodige stappen gezet moet worden, ziet de rechtbank voldoende mogelijkheden voor partijen om na haar beslissing het buitengerechtelijke onderhandelingstraject voort te zetten. Dat dit wellicht niet direct tot een vaststellingsovereenkomst zal leiden, is niet doorslaggevend. Van belang is immers dat de verzochte beslissing een voldoende bijdrage kan leveren aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst en daarmee aan de verdere schadeafwikkeling en dat is naar het oordeel van de rechtbank hier het geval. 

4.6.  Een en ander neemt niet weg dat de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren moet opwegen tegen de kosten en het tijdsverloop van de deelgeschilprocedure. De investering in tijd, geld en moeite moeten aldus worden afgewogen tegen het belang van de vordering en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren. 

4.7.  Als uitgangspunt geldt dat de stelplicht en – in voorkomend geval – de bewijslast betreffende het bestaan van klachten en het causaal verband tussen die klachten en het ongeval in beginsel op [verzoeker 1] c.s. rust, met dien verstande dat aan het te leveren bewijs geen al te hoge eisen mogen worden gesteld, in die zin dat het ontbreken van een specifieke medische aantoonbare verklaring voor de klachten niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband geleverd is. Tot op zekere hoogte komt het immers voor risico van de aansprakelijke partij dat het slachtoffer van een verkeersongeval daardoor ook klachten kan ondervinden die zich slechts in beperkte mate lenen voor objectivering. 
Het gaat niet om medische maar om juridische causaliteit. De vraag naar het (juridisch) causaal verband tussen het ongeval en de klachten is, nu het een juridisch oordeel betreft, voorbehouden aan de rechter. Voor het aanwezig zijn van dat laatste gaat het erom of de klachten als zodanig daadwerkelijk bestaan en dat die klachten mede gelet op de toedracht van het ongeval daaraan redelijkerwijs kunnen worden toegeschreven. Indien komt vast te staan dat het slachtoffer voor het ongeval deze klachten niet had, de klachten op zich door het ongeval veroorzaakt kunnen worden en een alternatieve verklaring voor de klachten ontbreekt, zal het bewijs van het oorzakelijk verband daarmee veelal geleverd zijn. 

4.8.  Als (voldoende) “bewijs” van de gestelde klachten en het causaal verband tussen die klachten en het ongeval zou eventueel kunnen worden aangemerkt een deugdelijk gemotiveerd rapport van een onafhankelijk medisch deskundige waarin wordt gerapporteerd dat de gestelde klachten in (medisch) causaal verband staan met het ongeval. In de visie van [verzoeker 1] c.s. voldoen de rapporten van [persoon 1] aan deze criteria. De rechtbank stelt ten aanzien van de waardering van de rapporten van [persoon 1] het volgende voorop. 

4.9.  De rapporten van [persoon 1] (en het daarin aangenomen medisch causaal verband tussen het ongeval en de klachten van [verzoeker 1] c.s.) zullen als uitgangspunt kunnen dienen voor de buitengerechtelijke afwikkeling van de schade van [verzoeker 1] c.s., indien partijen er naar het oordeel van de deelgeschilrechter ernstig rekening mee moeten houden dat een bodemrechter, indien deze over het geschil over het causaal verband zou moeten oordelen, het causaal verband bewezen zou achten op grond van de betreffende deskundigenberichten. De waarde die in een eventuele bodemprocedure aan een deskundigenbericht zal worden toegekend, staat ter discretie van de feitenrechter. De bodemrechter zal dan met name acht slaan op het volgende. Het rapport dient antwoord te geven op de vraag naar de medische causaliteit op een zodanig begrijpelijke wijze, dat de rechter aan de hand daarvan een oordeel kan vellen over de juridische causaliteit. De deskundige is vrij in de wijze waarop hij zijn onderzoek inricht. Zijn rapport dient evenwel deugdelijk gemotiveerd te zijn, hetgeen onder meer inhoudt dat de deskundige inzichtelijk maakt hoe hij tot zijn oordeel is gekomen en hoe zijn oordeel zich verhoudt tot de gebruikelijke zienswijzen en richtlijnen binnen zijn beroepsgroep, alsmede dat hij een eventuele afwijking daarvan deugdelijk motiveert. 

4.10.  Partijen zijn het indertijd eens geworden over de inschakeling van [persoon 1] als deskundige, alsmede over de aan hem te stellen vragen. Indien partijen in het kader van een onderzoek naar de schadeafwikkeling in verband met de aansprakelijkheid van één van hen, overeenkomen om gezamenlijk een medisch deskundige aan te zoeken die gezamenlijk geformuleerde vragen dient te beantwoorden, verbinden zij zich daarmee om het rapport van die ingeschakelde deskundige in beginsel als uitgangspunt voor de verdere schadeafwikkeling te nemen. Een andere opvatting zou de bestaande – wenselijke – praktijk, waarin het overgrote deel van de letselschadezaken buiten rechte wordt afgewikkeld, ook ernstig bemoeilijken. Een partij kan naar het oordeel van de rechtbank slechts dan niet worden gehouden aan de uitkomsten van een op deze wijze tot stand gekomen rapport, indien sprake is van zwaarwegende bezwaren ten aanzien van de wijze waarop de deskundige zijn werkzaamheden heeft verricht of de inhoud van het rapport niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen van onpartijdigheid, consistentie, inzichtelijkheid en logica. 

4.11.  De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak aan Reaal niet de mogelijkheid behoort te worden onthouden om de rapporten van [persoon 1] door een ander onafhankelijk psychiater te doen beoordelen voordat een oordeel wordt geveld over de vraag of de rapporten van [persoon 1] tot uitgangspunt moeten strekken bij de verdere beoordeling – in of buiten rechte – van de schadeclaims van [verzoeker 1] c.s. Hiervoor zijn onder meer de volgende omstandigheden redengevend: 
-  de gerapporteerde bevindingen inzake [verzoeker 1] en [verzoeker 2] zijn zowel voor wat betreft de voorgeschiedenis, de initiële klachten/verschijnselen, het beloop daarvan alsmede de actuele symptomatologie welhaast gelijk, zonder schijnbare individuele verschillen. 
-  de antwoorden op de vragen zijn voor het grootste deel identiek; 
-  de rapporten bevatten geen duidelijke separate anamnese van de actuele situatie; 
-  er bestaan opvallende verschillen tussen de voorgeschiedenis zoals door [persoon 1] beschreven en de door de behandelend psychiater [persoon 4] verstrekte informatie over de voorgeschiedenis; 
-  over de periode voor het ongeval is nauwelijks medische informatie beschikbaar; 
-  de klachten verminderen niet, noch bij [verzoeker 1], noch bij [verzoeker 2], integendeel, terwijl dit wel in de lijn der verwachting lag gezien de aangegeven problematiek en de mogelijkheden tot therapie. 

4.12.  Dat de rapporten van [persoon 1] op een zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen in die zin dat partijen en hun adviseurs opmerkingen hebben kunnen maken bij de deskundige naar aanleiding van zijn concept-rapportages en [persoon 1] hierop -in voorkomend geval- heeft gereageerd, kan aan dit oordeel niet afdoen. Dit geldt tevens voor de omstandigheid dat Reaal de eerste rapportages van [persoon 1] eerst geruime tijd na het verschijnen daarvan heeft bekritiseerd. In ieder geval maakt die omstandigheid niet dat Reaal haar recht heeft verwerkt om thans de inhoud van dat rapport en de gebodenheid daaraan ter discussie te stellen. 

4.13.  Hoezeer de rechtbank ook begrijpt dat dossierbeoordeling en verdere toetsing van de kwalitatieve aspecten van de rapporten van [persoon 1] door een andere psychiater dan [persoon 1] voor [verzoeker 1] c.s. bezwaarlijk is, gelet op de onder 4.11. vermelde omstandigheden en indachtig het financiële belang in deze zaak valt daar in dit geval niet aan te ontkomen. Afhankelijk van de uitkomst van het betreffende onderzoek zal daarna beoordeeld moeten worden hoe de verdere behandeling van de zaak zal dienen te zijn. 
Gelet op het feit dat tussen partijen reeds in goed onderling overleg twee deskundigenrapporten tot stand zijn gekomen, geeft de rechtbank partijen in overweging zelf een nieuwe psychiater aan te zoeken, waarbij de rechtbank als suggestie prof. Koerselman noemt. 

4.14.  Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het verzoek van [verzoeker 1] c.s. dient te worden afgewezen. 

4.15.  [verzoeker 1] c.s. heeft verzocht zijn kosten te begroten in de zin van artikel 1019aa lid 1 Rv. De rechtbank dient daarbij de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking te nemen. Of het redelijke kosten zijn, hangt af van de vragen of het redelijk is dat die kosten zijn gemaakt én of de hoogte van deze kosten redelijk is. 

4.16.  Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de rechtbank de kosten van de procedure dient te begroten en dat dit alleen anders is indien de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld. Van deze laatste situatie is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval echter geen sprake. Dat het verzoek wordt afgewezen betekent niet dat het indienen van het verzoekschrift en het maken van de daarmee gepaard gaande kosten onredelijk was. Het door [verzoeker 1] c.s. ingediende verzoekschrift kan niet bij voorbaat als volstrekt onnodig of kansloos worden beschouwd. 

4.17.  Bij het verzoekschrift heeft mr. Van der Meulen een urenstaat overgelegd, waaruit blijkt dat in totaal 15.40 uren aan de zaak zijn besteed. In de urenstaat is voldoende gespecificeerd hoeveel tijd aan welke verrichtingen zijn besteed. Uit de urenstaat kan de rechtbank niet afleiden dat aan de zaak onevenredig veel tijd is besteed. Er is een uurtarief gehanteerd van EUR 240,00. De rechtbank acht dit uurtarief, gelet op het financiële belang, de complexiteit van de zaak en de ervaring en het specialisme van de advocaat, redelijk. De rechtbank begroot de kosten mitsdien op EUR 4.662,13 (15.4 uur x EUR 240,00 vermeerderd met 6% kantoorkosten en vermeerderd met -zoals gevorderd- 19% BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker 1] c.s. betaalde griffierecht van EUR 258,00, in totaal dus EUR 4.920,13. 

4.18.  Door [verzoeker 1] c.s. is tevens veroordeling van Reaal in de kosten van deze procedure verzocht. Nu noch juridische noch praktische redenen zich tegen toewijzing van een dergelijk verzoek verzetten, zal het hiervoor onder 4.17. begrote bedrag als kostenveroordeling worden uitgesproken in het dictum van deze beschikking. LJN BY2564

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies