RBDHA 030626 cognitieve klachten na aanrijding; verlof tussentijds HB t.z.v. afwijzing gebondenheid aan NPO
RBDHA 030626 cognitieve klachten na aanrijding; verlof tussentijds HB t.z.v. afwijzing gebondenheid aan NPO
in vervolg op:
RBDHA 120326 gebondenheid aan NPO afgewezen vanwege onvoldoende SVT en strijd met conclusies neuroloog; geen rechtsverwerking of afstand van recht terzake
ass. dient mee te werken aan nieuw NPO en schaderegelingstraject voort te zetten
- vordering tot voortzetting onderhandelingen met medewerker van Constans niet ontvankelijk in deelgeschil;
- verzocht 40 uur x € 275 en 3.5 uur x € 137,50 + 21%; toegewezen 30 uur x 275 + 21% = € 9.982,50
De beoordeling
inleiding
2.1.
In 2016 is [eiseres] door een auto aangereden terwijl zij via een zebrapad de straat overstak. Schadeverzekeraar NN heeft vervolgens aansprakelijkheid jegens [eiseres] erkend. In de periode daarna hebben diverse expertises plaatsgevonden. De uitkomst daarvan is niet eensluidend. Partijen twisten onder meer over de vraag welk expertiserapport leidend is bij de vaststelling van de schade en of er causaal verband bestaat tussen het ongeval en de (cognitieve) klachten van [eiseres] .
deelgeschil
2.2.
In 2025 is [eiseres] een deelgeschilprocedure gestart waarin zij de rechtbank onder meer heeft verzocht om voor recht te verklaren dat één van de expertiserapporten bindend is bij de begroting van de schade en dat sprake is van causaal verband tussen het ongeval en haar (cognitieve) klachten, dan wel dat NN moet meewerken aan een nieuwe neuropsychologische expertise op gezamenlijk verzoek van partijen. Bij beschikking van 12 maart 2026 heeft de rechtbank deze verzoeken van [eiseres] afgewezen, behoudens het verzoek om NN te veroordelen om mee te werken aan een nieuwe gezamenlijke neuropsychologische expertise. In het verlengde daarvan heeft de rechtbank bepaald dat NN het schaderegelingstraject met [eiseres] moet voortzetten. De rechtbank heeft NN ook veroordeeld in de kosten van het deelgeschil.
verzoek tussentijds hoger beroep
2.3.
[eiseres] is het niet eens met de beschikking van 12 maart 2026 en wenst hoger beroep in te stellen tegen die uitspraak. Op 23 april 2026 is [eiseres] een bodemprocedure gestart en bij brief van 4 mei 2026 heeft [eiseres] verlof gevraagd voor het instellen van tussentijds hoger beroep tegen de beschikking van 12 maart 2026. [eiseres] is van mening dat een beslissing is gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zodat tussentijds hoger beroep volgens haar mogelijk is tegen de beschikking, althans tegen de beslissingen in de beschikking dat het rapport van [naam] niet bindend is voor partijen bij de begroting van de schade van [eiseres] als gevolg van het ongeval en dat er (nog) geen causaal verband kan worden aangenomen tussen het ongeval en de (cognitieve) klachten van [eiseres] .
geen bezwaar
2.4.
NN heeft geen bezwaar gemaakt tegen het verzoek om tussentijds hoger beroep toe te staan.
toetsingskader verlof tussentijds hoger beroep
2.5.
Bij de beoordeling van het verzoek tussentijds hoger beroep toe te staan stelt de rechtbank het volgende voorop. Tegen de beslissing op een verzoek in de deelgeschilprocedure staat op grond van artikel 1019bb van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) geen hogere voorziening open. In artikel 1019cc lid 1 Rv wordt de deelgeschilbeschikking voor de bindende kracht van daarin opgenomen beslissingen over geschilpunten die de materiële rechtsverhouding betreffen, gelijkgesteld met (eind)beslissingen in een tussenvonnis. Op grond van het derde lid van artikel 1019cc Rv kan in de bodemprocedure bij het gerechtshof hoger beroep worden ingesteld tegen de beschikking in het deelgeschil, althans tegen de daarin opgenomen bindende eindbeslissingen over de materiële rechtsverhouding van partijen, als van een tussenvonnis, dus nadat de bodemrechter die mogelijkheid heeft geopend door daarvoor verlof te verlenen. Ook is in artikel 1019cc lid 3 en onder a Rv de wettelijke appeltermijn voor het hoger beroep van deelgeschilbeschikkingen geregeld: hoger beroep moet worden ingesteld binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de eerstdienende dag in de bodemprocedure of, als de beschikking in de deelgeschilprocedure later dan die eerste roldatum is gegeven, te rekenen vanaf de uitspraakdatum in het deelgeschil. Uit de wetsgeschiedenis bij artikel 1019cc Rv (zie TK 2007-2008, 31 518, nr. 3, p. 23) volgt dat voor de regeling van tussentijds hoger beroep tegen deelgeschilbeschikkingen aansluiting is gezocht bij de jurisprudentie over artikel 337 Rv, waarbij is verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 23 januari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AL7051). In het arrest van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) is de Hoge Raad gedeeltelijk van (onder andere) dit arrest van 23 januari 2004 teruggekomen. De Hoge Raad heeft beslist dat de appeltermijn gaat lopen vanaf de datum van het vonnis waarbij het verlof voor tussentijds hoger beroep is verleend (en niet meer vanaf de datum van het tussenvonnis waartegen men wil opkomen). Omdat een deelgeschilbeschikking in een bodemprocedure de status krijgt van tussenvonnis zal de rechtbank, in afwijking van dat wat in artikel 1019cc lid 3 onder a Rv is bepaald over het aanvangsmoment van de appeltermijn (zie hiervoor), voor wat betreft de start van de appeltermijn aansluiten bij dit arrest. Bij de beoordeling voor het verlenen van verlof moet ook worden betrokken of het openstellen van hoger beroep leidt tot onredelijke vertraging van de procedure (zie rechtsoverweging 3.2.4 van het arrest van 17 december 2021).
2.6.
Door het hiervoor aangehaalde arrest van 17 december 2021 van de Hoge Raad moet voor de vraag of een verlofverzoek op tijd is ingediend niet langer worden aangesloten bij de eerste roldag of de datum van de beschikking waartegen men op wil komen, maar bij de datum van het vonnis waarin de mogelijkheid van hoger beroep wordt opengesteld. Daarmee is het verzoek op tijd gedaan. Tot slot leidt het openstellen van hoger beroep in dit geval niet tot onredelijke vertraging van de procedure. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat NN geen bezwaar heeft tegen de nu open te stellen mogelijkheid voor hoger beroep.
2.7.
Vervolgens moet worden beoordeeld of de deelgeschilrechter een beslissing heeft genomen over de materiële rechtsverhouding: alleen dan is hoger beroep mogelijk van de deelgeschilbeschikking. In de beschikking van 12 maart 2026 is onder meer beslist dat het expertiserapport van [naam] niet bindend is bij de begroting van de schade. Daarmee is een beslissing gegeven over de materiële rechtsverhouding tussen partijen, zoals bedoeld in artikel 1019cc lid 1 Rv.
2.8.
Gelet op het voorgaande wordt verlof verleend om tussentijds hoger beroep in te stellen.
roldatum over zes maanden
2.9.
In verband met het te verlenen verlof voor het instellen van tussentijds hoger beroep zal de rechtbank de zaak op grond van artikel 8.2.4 van het ‘Landelijk procesreglement voor
civiele dagvaardingszaken bij de rechtbanken handel en kanton’ verwijzen naar de parkeerrol die wordt behandeld op de eerste roldatum van oktober 2026. Partijen dienen de rechtbank uiterlijk vier werkdagen voorafgaande aan de roldatum waarop de parkeerrol wordt behandeld, gemotiveerd te berichten of zij de zaak wensen te hervatten, te laten doorhalen of dat zij verwijzing naar een volgende parkeerrol wensen.
tot slot
2.10.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Den Haag 3 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30040
