Overslaan en naar de inhoud gaan

RBOBR 060319 bestrijding voorlopig deskundigenberichten slaagt niet; na afwijzing in deelgeschil volgt ook in bodemzaak afwijzing mentaal belastbaarheidsonderzoek

RBOBR 060319 bestrijding voorlopig deskundigenberichten slaagt niet; na afwijzing in deelgeschil volgt ook in bodemzaak afwijzing mentaal belastbaarheidsonderzoek 

Het geschil

2.1.
Het geschil betreft de afwikkeling van de schade die [eiser] stelt te hebben geleden en nog steeds te lijden als gevolg van een verkeersongeval op 20 april 1999, waarbij [eiser] letsel heeft opgelopen. De rechtsvoorgangster van Achmea heeft jegens [eiser] de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

2.2.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
- voor recht verklaart dat de bij [eiser] vastgestelde klachten volledig, althans grotendeels, in causaal verband staan in de zin van artikel 6:98 BW met het hem op 20 april 1999 overkomen ongeval zodat Achmea aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade ten gevolge van het ongeval;
- bepaalt dat in de schadestaat geldt dat [eiser] arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid althans dat er beperkingen van de duurbelastbaarheid zijn zijdens [eiser] , zowel fysiek als mentaal, en na belasting er sprake is van een relatief hoge recuperatiebehoefte en dat de belastbaarheid en passende werkzaamheden per dag worden geschat op 4 tot 6 uur hetgeen uitgangspunt dient te zijn bij de te berekenen verlies arbeidsvermogensschade en dat deze schade uitsluitend ongevalsgevolg is en dat het verlies aan arbeidsvermogen en daarmee de door schadeverzekerings-maatschappij Interpolis (gedaagde ten deze) te vergoeden schade in ieder geval bestaat uit het verschil tussen de inkomsten van [eiser] welke hij door niet fulltime te kunnen werken gemist heeft en dat de klachten die hij na het ongeval heeft ondervonden door dit ongeval heeft opgelopen en dat zijn arbeidsongeschiktheid is veroorzaakt door de uit het opgelopen letsel voortvloeiende klachten,
- schadeverzekeringsmaatschappij Interpolis (gedaagde ten deze) veroordeelt tot het betalen van schadevergoeding ter zake het voor omschreven ongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente over het uiteindelijke schadebedrag vanaf 1 januari 2001 tot aan de dag der algehele voldoening alsmede gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding alsmede de nakosten.

2.3.
[eiser] legt aan de vorderingen ten grondslag dat hij als gevolg van het ongeval zodanig beperkt belastbaar is dat sprake is van een verdienvermogen van twee tot vier uur per dag. Ter onderbouwing heeft [eiser] een rapport overgelegd van Heliomare van 3 april 2018 van een arbeidsonderzoek naar zijn mentale en fysieke belastbaarheid.

2.4.
Achmea betwist de vordering van [eiser] . Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover relevant voor de beoordeling van het geschil, nader ingegaan.

De beoordeling

3.1.
Op verzoek van [eiser] heeft de rechtbank bij beschikking van 8 april 2008 een voorlopig deskundigenonderzoek gelast door neuroloog [naam neuroloog] . [naam neuroloog] heeft op 9 februari 2009 gerapporteerd. Op gezamenlijk verzoek van partijen heeft een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden door verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] . [naam verzekeringsarts] heeft op 28 maart 2011 zijn rapport uitgebracht, gevolgd door een aanvullende rapportage op 24 december 2011.

3.2.
[eiser] is daarna een deelgeschilprocedure gestart tegen Achmea omdat partijen van mening verschilden over (met name) de arbeidsongeschiktheid van [eiser] als gevolg van het ongeval. [eiser] verzocht in het deelgeschil primair een verklaring voor recht dat hij als gevolg van het ongeval slechts beperkt kan werken en dienovereenkomstig een urenbeperking vast te stellen. De subsidiaire en meer subsidiaire verzoeken strekten ertoe dat er een (voorlopig) deskundigenonderzoek zou komen naar de belastbaarheid dan wel urenbeperking van [eiser] .

[eiser] stelde in de deelgeschilprocedure, net als in deze procedure, dat hij vanwege de lichamelijke klachten die hij ondervindt sinds het ongeval niet in staat is om meer dan twintig uur per week te werken, wil hij daarnaast nog energie overhouden voor werk in de huishouding en sociale activiteiten. [eiser] werkte ten tijde van de deelgeschilprocedure 32 uur per week, vier dagen van acht uur, met als gevolg dat hij daarna geen energie meer had voor andere activiteiten. Dat een urenbeperking kon worden aangenomen volgde volgens [eiser] uit de deskundigenonderzoeken die zijn verricht. De rechtbank heeft in de deelgeschilprocedure geoordeeld dat de rapporten van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] geen aanknopingspunten bieden voor het oordeel dat sprake is van enige beperking als gevolg van het ongeval in het aantal uren dat [eiser] arbeid kan verrichten, laat staan dat [eiser] niet meer dan de door hem gestelde limiet van twintig uren per week kan werken. Ook de aanvullende rapportage van [naam verzekeringsarts] bood volgens de rechtbank geen steun voor de stelling van [eiser] omtrent zijn verminderde belastbaarheid. Ook voor het overige was in de processtukken – anders dan telkens de eigen verklaring van [eiser] – geen steun te vinden voor zijn stelling. Vast stond dat [eiser] sinds begin 2008 32 uur per week werkte, zonder dat daarbij sprake is geweest van ziekteverzuim als gevolg van de door hem gestelde klachten.

3.3.
De rechtbank heeft het verzoek om een urenbeperking vast te stellen afgewezen. Het subsidiaire verzoek tot het gelasten van een mentaal en fysiek belastbaarheidsonderzoek is afgewezen omdat dit neerkomt op een verzoek tot het gelasten van een voorlopig deskundigenbericht, waarvoor geen plaats is in een deelgeschilprocedure. Ook het verzoek om Achmea te gelasten mee te werken aan een belastbaarheidsonderzoek bij Heliomare is afgewezen, omdat de rechtbank gelet op met name de rapporten van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] geen grond zag voor toewijzing van dat verzoek. Tot slot heeft de rechtbank het meer subsidiaire verzoek om Achmea te gelasten medewerking te verlenen aan een neuropsychologische expertise afgewezen, onder verwijzing naar het rapport van [naam neuroloog] . Volgens [naam neuroloog] was een neuropsychologisch onderzoek niet geïndiceerd.

3.4.
[eiser] heeft vervolgens een verzoekschrift ingediend voor het houden van een voorlopig deskundigenonderzoek naar zijn fysieke en mentale belastbaarheid. Dit verzoek is door de rechtbank afgewezen bij beschikking van 25 november 2013. (geen publicatie bekend, red. LSA LM) De rechtbank heeft het volgende overwogen:

( ... )

5.1.
De rechtbank stelt voorop dat vast staat dat tussen partijen onafhankelijke expertises heeft plaatsgevonden, uitgevoerd door neuroloog [naam neuroloog] en verzekeringsgeneeskundige [naam verzekeringsarts] . Partijen hebben met deze expertises beoogd de discussie te beslechten omtrent de vraag welke schade gerelateerd kan worden aan het ongeval in 1999.

5.2.
Nu de deskundigenonderzoeken zijn afgerond en op het voorliggende geschil reeds in de deelgeschillenprocedure is beslist, valt niet in te zien waarom thans nog nadere deskundigen moeten worden benoemd. Daarvoor zijn onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht.

5.3.
In aanmerking genomen dat er reeds met voldoende waarborgen omklede onderzoeken hebben plaatsgevonden, er geen gronden naar voren zijn gebracht om te twijfelen aan de deskundigheid van de daartoe ingeschakelde deskundigen en er onvoldoende is gesteld om aan de deugdelijkheid van de rapportages te twijfelen, zou honoreren van het onderhavige verzoek naar het oordeel van de rechtbank strijd met de goede procesorde opleveren.

5.4.
Op basis van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat verzoeker onvoldoende belang heeft bij zijn verzoek. Het verzoek zal derhalve worden afgewezen. ( ... 
)”

3.5.
[eiser] is in hoger beroep gegaan tegen de afwijzende beschikking van de rechtbank. Het Gerechtshof heeft het verzoek van [eiser] tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank afgewezen: (geen vindplaats bekend, red LSA LM)

( ... )

3.8.2.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat er een (aanvullend) onderzoek moet
 worden gedaan naar het energetisch vermogen in de vorm van een mentaal belastbaarheidsonderzoek. De daartoe aangevoerde gronden zijn dat [eiser] stelt niet meer dan 20 uur per week te kunnen werken zonder dat hij na een werkdag nog energie heeft voor sport of een sociaal leven. Deze stelling wordt echter niet gestaafd door enige door [naam neuroloog] of [naam verzekeringsarts] vastgesteld onderzoeksresultaat. [naam neuroloog] overweegt expliciet de mogelijkheid van een neuropsychologisch onderzoek, maar stelt dat een dergelijk onderzoek bij [eiser] niet nodig is omdat er weliswaar klachten op cognitief gebied zijn, maar deze vrij mild en niet anders of erger zijn dan wat doorgaans in het kader van een postwhiplashsyndroom wordt aangetroffen. [naam verzekeringsarts] stelt in zijn “aanvulling” – nadat de vraag hem namens [eiser] expliciet is voorgelegd – ook onvoldoende aanleiding te zien om bij inachtneming van de beperkingen ten aanzien van activiteiten die pijnklachten veroorzaken, uit te gaan van beperkingen in het persoonlijk en sociaal functioneren. [naam verzekeringsarts] heeft geen cognitieve stoornissen waargenomen. Derhalve liggen er twee deskundigenrapporten waarin geen of slechts een milde aantasting van de concentratie- en energetisch vermogen is vastgesteld. Dit biedt derhalve naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunt om nog ander onderzoek te gelasten. Het argument dat een mentaal belastbaarheidsonderzoek niet is verricht en dat de onderzoeken derhalve niet volledig zijn geweest (grief 3) gaat er ten onrechte aan voorbij dat beide deskundigen wel aandacht hebben besteed aan het concentratie- en energetisch vermogen, en ook conclusies hebben getrokken. Een extra onderzoek is derhalve niet nodig om de door [eiser] geleden schade vast te stellen; dit zou slechts “voortborduren” op iets dat reeds is onderzocht.

3.8.3.
Het hof merkt hiertoe nog op dat [eiser] op dit moment werkt gedurende 32 uur per week en hiertoe dus in staat is, terwijl de door de deskundigen aangetroffen lichamelijke klachten in mindere mate een rol spelen omdat [eiser] een kantoorbaan heeft en dus geen fysiek zware arbeid verricht.

3.8.4.
Daar komt nog bij dat [eiser] geen inhoudelijke argumenten heeft ingebracht tegen de deskundigheid van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] , noch tegen de door hen verrichte onderzoeken. De enige argumenten die [eiser] heeft aangevoerd is dat hij het niet eens is met de conclusie van [naam verzekeringsarts] ten aanzien van de geestelijke belastbaarheid en dat hij aanvoert dat een onderzoeksperiode van 45 minuten te kort is om goed onderzoek te kunnen doen naar het concentratie- en het energetisch vermogen. Het hof volgt dit argument niet. Onvoldoende is onderbouwd waarom 45 minuten niet genoeg zou zijn voor een deskundige op dit vlak om zijn onderzoek te verrichten en daaruit conclusies te trekken. Daar komt nog bij dat partijen voorafgaand aan het onderzoek van [naam verzekeringsarts] overleg hebben gepleegd over dit onderzoek en de te stellen vragen. Op dat moment was - kennelijk - niet overeengekomen om een onderzoek te houden waarbij gedurende een hele dag de situatie van [eiser] gemonitord zou worden. Het thans door [eiser] aangevoerde argument komt het hof dan ook enigszins gekunsteld voor. Het hof kan zich niet aan de indruk onttrekken dat [eiser] een nieuw onderzoek wil laten verrichten, omdat de uitkomsten van de vorige onderzoeken niet geheel overeenkomen met de door hem gewenste uitkomst.

3.8.5.
Tot slot overweegt het hof dat in een deelgeschilprocedure reeds primair is verzocht om voor recht te verklaren dat [eiser] ten gevolge van het ongeval slechts beperkt kan werken en dienovereenkomstig een urenbeperking van 20 uur dient te worden aangenomen. Subsidiair is verzocht en fysiek en mentaal belastbaarheidsonderzoek te gelasten c.q. voor recht te verklaren dat Achmea medewerking dient te verlenen aan een belastbaarheidsonderzoek bij HelioMare. De rechtbank heeft deze verzoeken bij beschikking van 9 april 2013 afgewezen. Hoewel het [eiser] vrij staat om op grond van artikel 202 lid 1 Rv een verzoek tot een voorlopig deskundigenbericht te doen en tegen een afwijzende beschikking van de rechtbank hoger beroep in te stellen, komt dit het hof - nu hierover in een deelgeschil reeds is beslist - toch over als een verkapt hoger beroep tegen de beschikking in het deelgeschil, tegen welke beschikking geen hoger beroep openstaat.

3.8.6.
Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat het verzoek van [eiser]
 moet worden afgewezen omdat het afstuit op de hierboven genoemde andere, door het hof zwaarwichtig geoordeelde bezwaren. Het hof zal het verzoek dan ook afwijzen. ( ... )

3.6.
Het draait in deze procedure (weer) om de vraag of [eiser] als gevolg van het ongeval beperkt is in zijn fysieke en mentale belastbaarheid. [eiser] beantwoordt die vraag bevestigend, onder verwijzing naar het rapport dat Heliomare in zijn opdracht heeft opgesteld. Het komt erop neer dat [eiser] wil dat de rechtbank nu in andere zin zal beslissen dan zij heeft gedaan in de beschikking van 9 april 2013 in de deelgeschilprocedure. In die beschikking, waaruit de rechtbank hiervoor heeft geciteerd, heeft de rechtbank het verzoek tot het vaststellen van een urenbeperking afgewezen.

3.7.
Achmea wijst er terecht op dat de beslissing in de deelgeschilprocedure geldt als een bindende eindbeslissing. Op grond van artikel 1019cc Rv, eerste lid, is de rechtbank, voor zover in de beschikking in het deelgeschil uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is beslist op een of meer geschilpunten tussen partijen betreffende hun materiële rechtsverhouding, daaraan in de procedure ten principale op dezelfde wijze gebonden als wanneer de beslissing zou zijn opgenomen in een tussenvonnis in die procedure. Met andere woorden, de rechtbank is in deze procedure gebonden aan wat de rechtbank in de deelgeschilprocedure heeft beslist over de urenbeperking. Het is echter mogelijk om terug te komen op een bindende eindbeslissing wanneer die berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag.

3.8.
[eiser] heeft destijds in het kader van de onderzoeken door [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] aangegeven welke lichamelijke en cognitieve klachten hij had. [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] hebben de klachten van [eiser] onderzocht en hun bevindingen gerapporteerd. De rapporten van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] hebben, zoals al aangegeven, er niet toe geleid dat de rechtbank een urenbeperking bij [eiser] heeft vastgesteld.

3.9.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechtbank aan [eiser] de vraag gesteld of het onderzoek door Heliomare een nieuw onderzoek is naar dezelfde klachten. De raadsman van [eiser] heeft dit bevestigd. Dat betekent dat er geen sprake is van nieuwe feiten, of dat de destijds verrichte onderzoeken – en daarop voortbordurend de beschikking in het deelgeschil – op onjuiste feiten zijn gebaseerd. Het in deze procedure overgelegde rapport van Heliomare komt neer op een nadere betwisting van de eerdere rapporten van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] . Dat levert echter geen nieuwe feiten of omstandigheden op in de hier bedoelde zin, namelijk dat er sprake zou zijn van een onjuiste feitelijke grondslag van de bindende eindbeslissing.

3.10.
De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn standpunt dat artikel 6 EVRM is geschonden omdat hij in de eerdere procedures niet in de gelegenheid is gesteld om zijn beperkingen middels nadere onderzoeken te objectiveren. [eiser] is destijds in de gelegenheid gesteld om op de concept-rapportages van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] te reageren. Uit het rapport van [naam neuroloog] blijkt dat [eiser] geen reden zag om op het concept-rapport van [naam neuroloog] te reageren. Op het concept-rapport van [naam verzekeringsarts] heeft [eiser] wel gereageerd, via zijn medisch adviseur, [naam intermediair/adviseur] Intermediair. Dit heeft uiteindelijk ook geleid tot een aanvullende rapportage van [naam verzekeringsarts] . Het uiteindelijke oordeel van beide deskundigen was dat er geen sprake was van – kort gezegd – significante beperkingen in de belastbaarheid van [eiser] . Er was dus eenvoudigweg geen grond voor nader onderzoek naar beperkingen, iets wat is bevestigd in de afwijzende beschikking van de rechtbank op het verzoek om het houden van een voorlopig getuigenverhoor en de beschikking van het hof in hoger beroep, zoals hiervoor weergegeven. Dat de uitkomst van de rapportages voor [eiser] niet overeenstemde met de door hem gewenste uitkomst maakt dat niet anders.

3.11.
Een juridisch onjuiste grondslag van de bindende eindbeslissing is niet gesteld door [eiser] . Concluderend ziet de rechtbank daarom geen grond om terug te komen op de bindende eindbeslissing. Dat betekent dat de vordering om te bepalen dat in de schadestaat – samengevat – zal gelden [eiser] arbeidsongeschikt is voor zijn arbeid, althans dat er sprake is van een beperkte duurbelastbaarheid, zal worden afgewezen.

3.12.
[eiser] vordert ook dat voor recht wordt verklaard dat zijn klachten volledig, althans grotendeels in causaal verband staan met het ongeval en dat Achmea aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en te lijden schade. Deze vordering zal worden afgewezen wegens gebrek aan belang. Achmea heeft de aansprakelijkheid al erkend. Op grond van de rapporten van [naam neuroloog] en [naam verzekeringsarts] staat vast dat de door hen onderzochte klachten ongevalsgevolg zijn. De schade die [eiser] stelt als gevolg daarvan te hebben geleden en nog te lijden bestaat uit verlies van verdienvermogen vanwege de gestelde beperkte belastbaarheid. Omdat in het deelgeschil bij bindende eindbeslissing is geoordeeld dat geen urenbeperking kan worden vastgesteld, is er ook geen schade op dat punt. Er zijn geen aanwijzingen voor andere schade als gevolg van de door [eiser] ondervonden klachten, althans zijn er geen aanwijzingen dat deze schade hoger is dan het al door Achmea als voorschot op de schadevergoeding betaalde bedrag van in totaal € 100.000,00. De gevorderde verwijzing naar de schadestaat zal daarom eveneens worden afgewezen. ECLI:NL:RBOBR:2019:1268