Overslaan en naar de inhoud gaan

TADRARL 040526 voorzittersbeslissing; klachten over optreden eigen advocaat in letselschadezaak kennelijk ongegrond

TADRARL 040526 voorzittersbeslissing; klachten over optreden eigen advocaat in letselschadezaak kennelijk ongegrond
 

1    FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Op 12 augustus 2023 is klager betrokken geraakt bij een verkeersongeval.

1.2    Op 3 oktober 2023 is klager betrokken geraakt bij een tweede verkeersongeval, waaraan hij rugklachten heeft overgehouden. Klager heeft het advocatenkantoor waar verweerster aan verbonden is ingeschakeld om hem bij te staan bij het opstarten van een letselschadeprocedure. Op 18 oktober 2023 heeft hij de overeenkomst van opdracht ondertekend. 

1.3    Op 24 oktober 2023 heeft een kantoorgenoot van verweerster een aansprakelijkstelling verstuurd naar de verzekeraar van degene die het verkeersongeval heeft veroorzaakt. Op 20 november 2024 heeft de verzekeraar de aansprakelijkheid erkend. Ook is een voorschot van € 500,- verleend voor fysiotherapie.

1.4    Verweerster heeft het dossier vanaf 26 maart 2024 overgenomen en contact opgenomen met klager. Verweerster heeft stukken over klagers inkomen opgevraagd en hem medegedeeld een aanvullend voorschot te zullen vragen aan de verzekeraar.

1.5    Op 3 april 2024 heeft klager stukken over zijn inkomen overgelegd.

1.6    Op 18 mei 2024 heeft klager een derde verkeersongeluk gehad. 

1.7    Op 24 oktober 2024 heeft verweerster contact opgenomen met klager naar aanleiding van ontvangen medische informatie. Verweerster heeft klager daarbij geadviseerd om de zaak pragmatisch op te lossen, omdat zij het lastig acht een forse schadevergoeding te bereiken vanwege de complexiteit van de zaak doordat klager eerder op 12 augustus 2023 en later op 18 mei 2024 nogmaals betrokken is geraakt bij verkeersongevallen waaraan klachten gerelateerd zouden kunnen worden.

1.8    Op 20 november 2024 heeft klager aan verweerster medegedeeld dat de rekening van zijn psycholoog niet volledig vergoed wordt door zijn zorgverzekering en dat dit hem in een moeilijke financiële situatie heeft gebracht. Klager heeft verweerster verzocht of er mogelijkheden zijn om dit op te lossen.

1.9    Op 15 januari 2025 heeft klager aan verweerster gevraagd of hij zijn dossier door een andere advocaat kan laten behandelen. Op 24 januari 2025 heeft klager zich gewend tot een andere advocaat om de zaak over te nemen. Deze advocaat heeft telefonisch contact opgenomen met verweerster. Op 27 januari 2025 heeft de advocaat aan klager laten weten zijn zaak door persoonlijke omstandigheden niet over te kunnen nemen en heeft zij hem verwezen naar een andere advocaat. Diezelfde dag heeft klager aan verweerster verzocht om de zaak verder te behandelen.

1.10    Op 11 april 2025 heeft klager verweerster gevraagd om de verzekeraar om een voorschot te vragen, vanwege zijn financiële situatie en kosten voor onder meer medische behandelingen en vervoer. Verweerster heeft op 14 april 2025 om een voorschot van € 2.500,- gevraagd aan de verzekeraar.

1.11    Op 8 mei 2025 heeft verweerster het advies van de door haar ingeschakelde medisch adviseur doorgezonden aan klager. De medisch adviseur concludeert daarin dat, ook met een zeer welwillende beoordeling, een rechtstreeks oorzakelijk verband tussen het verkeersongeval van 23 oktober 2023 en klagers lichamelijke en mentale klachten niet is te onderbouwen. Verweerster acht daarom dat een vergaande letselschadeclaim op basis van de beschikbare medische informatie niet is te onderbouwen. Zij heeft klager voorgesteld dat mogelijk een intensief multidisciplinair revalidatietraject gevolgd kan worden en dat zij anders opnieuw adviseert om de zaak op een pragmatische manier af te ronden. 

1.12    Op 9 mei 2025 heeft klager aangegeven het niet eens te zijn met de conclusie van de medisch adviseur dat er geen causaal verband bestaat tussen zijn klachten en het verkeersongeval van 23 oktober 2023. Hij heeft daarbij verzocht om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen.

1.13    Op 19 mei 2025 en 20 mei 2025 heeft verweerster haar advies voor een pragmatische oplossing herhaald, omdat een schadeclaim volgens haar niet haalbaar zou zijn. Klager heeft vervolgens ingestemd met een voorstel van verweerster om het advies van de medisch adviseur aan de verzekeraar te sturen en aan te dringen op een multidisciplinair traject.

1.14    Op 20 mei 2025 heeft verweerster de verzekeraar verzocht om een voorschot van € 2.000,- over te maken aan klager.

1.15    Op 1 juni 2025 heeft verweerster een bericht van de verzekeraar doorgestuurd aan klager, waarin de verzekeraar verzoekt om tot een minnelijke regeling te komen. Verweerster heeft klager opnieuw geadviseerd om voor een pragmatische oplossing te kiezen, maar dat zij wel zal aandringen op het starten van een multidisciplinair traject.

1.16    Op 11 juli 2025 heeft klager een voorschot van € 2.000,- ontvangen van de verzekeraar.

1.17    Op 31 juli 2025 heeft klager de contactgegevens van zijn psycholoog en fysiotherapeut aan verweerster gestuurd, waarbij hij heeft aangegeven te denken dat het van grote meerwaarde kan zijn als verweerder verslagen bij hen opvraagt ter onderbouwing van zijn klachten. Op 7 augustus 2025 heeft klager een herinnering gestuurd. Verweerster heeft diezelfde dag gereageerd dat zij haar medisch adviseur dit pas op zal laten vragen nadat er een reactie van de verzekeraar is gekomen.

1.18    Op 21 augustus 2025 heeft verweerster aan klager bericht dat de verzekeraar niet wil instemmen met het starten van een multidisciplinair traject. Verweerster heeft klager opnieuw geadviseerd om in te stemmen met het voorstel om tot een minnelijke regeling te komen. Zo niet, dan heeft verweerster klager verzocht om financieel in te staan voor de kosten van haar werkzaamheden in het geval de verzekeraar niet meer bereid is die te vergoeden. 

1.19    Op 22 augustus 2025 heeft klager een klacht ingediend over verweerster op grond van de kantoorklachtregeling en verzocht om binnen zeven dagen een kopie van het dossier te ontvangen.

1.20    Op 25 augustus 2025 heeft verweerster de ontvangst van de klacht bevestigd, die zij ook heeft beschouwd als een opzegging van de overeenkomst van opdracht. Op 27 augustus 2025 heeft verweerster het dossier digitaal aan klager toegezonden.

1.21    Op 28 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster.

2    KLACHT

2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:

a)    Verweerster heeft nagelaten om belangrijke stukken in het dossier op te nemen, zoals rapporten en verklaringen van klagers (medisch) hulpverleners en correspondentie over maandelijkse voorschotvergoedingen;

b)    Verweerster heeft klager onder druk gezet om akkoord te gaan met een minnelijke regeling en aangegeven dat zij genoodzaakt zou zijn haar kosten op klager te verhalen;

c)    Verweerster heeft het dossier niet tijdig aan klager verstrekt;

d)    Verweerster heeft informatie verstrekt aan potentiële opvolgend advocaten, waardoor deze advocaten afzagen van het aannemen van klagers zaak;

e)    Verweerster heeft haar zorgplicht geschonden door na te laten om aan de verzekeraar te vragen een maandelijks voorschot aan klager uit te betalen terwijl klager zonder inkomen zat en daar herhaaldelijk om heeft verzocht.

3    VERWEER

3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING

Toetsingskader

4.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdeel a)

4.2    Niet gebleken is dat belangrijke informatie ontbreekt in het dossier. Klager verwijt verweerster op dit punt met name geen informatie te hebben opgevraagd bij zijn psycholoog en fysiotherapeut, maar verweerster was niet gehouden om die informatie op te vragen. Als dominus litis komt aan haar de vrijheid toe om te bepalen hoe zij de zaak wil behandelen. Daarbij heeft verweerster aan klager toegelicht waarom zij nog niet overging tot het opvragen van informatie bij de psycholoog en fysiotherapeut. Verweerster heeft hiermee gehandeld als een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel b)

4.3    Uit het dossier volgt niet dat verweerster klager onder druk heeft gezet om in te stemmen met een minnelijke regeling. Verweerster heeft wel herhaald geadviseerd om daarmee in te stemmen, maar het behoort juist tot haar taak als advocaat om klager van advies te voorzien over de beste oplossing van het geschil. Als verweerster weinig kansen zag in een procedure, dan was zij gehouden om klager te adviseren om te kijken of een minnelijke regeling wel mogelijk was. Dat is niet klachtwaardig. Ook is niet klachtwaardig dat verweerster klager heeft gewezen op de kosten die haar rechtsbijstand met zich bracht, wanneer klager toch voor een procedure zou willen gaan en de verzekeraar deze kosten mogelijk niet meer zou willen vergoeden. Als advocaat dient zij immers transparante en duidelijke afspraken te maken over haar honorarium (zie gedragsregel 17). Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel c)

4.4    Verweerster heeft het dossier op 27 augustus 2025 aan klager verstrekt, nadat hij daarom op 22 augustus verzocht. Dat acht de voorzitter tijdig en is ook binnen de termijn van zeven dagen die klager zelf had gegeven aan verweerster. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel d)

4.5    Verweerster heeft toegelicht dat zij in januari 2025 is benaderd door de potentiële opvolgend advocaat. Daarbij heeft verweerster de opvolgend advocaat ingelicht over de stand van zaken. Dat is, mede gelet op gedragsregel 28, niet klachtwaardig. De opvolgend advocaat heeft vervolgens laten weten de zaak toch niet over te kunnen nemen om persoonlijke redenen. Dat kan verweerster niet worden verweten. Klachtonderdeel d) is kennelijk ongegrond.

Klachtonderdeel e)

4.6    De voorzitter maakt uit het dossier op dat verweerster wel degelijk om meerdere voorschotten heeft gevraagd aan de verzekeraar voor de medische kosten die klager heeft moeten maken na het verkeersongeluk. Dat zij daarbovenop niet ook om een maandelijks voorschot heeft gevraagd omdat klager zonder inkomen zou zitten, acht de voorzitter niet klachtwaardig. Niet gebleken is namelijk dat klager hierom heeft verzocht. Verweerster heeft bovendien toegelicht dat het haar niet bekend was dat klager in het geheel niet kon werken. Uit zijn inkomensgegevens zou volgens haar blijken dat hij per 1 maart 2024 fulltime werkzaam was. Verweerster heeft dan ook gehandeld zoals van een redelijk handelend en redelijk bekwaam advocaat kon worden verwacht in de gegeven omstandigheid. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.

Conclusie

4.7    De voorzitter zal de klacht in het geheel kennelijk ongegrond verklaren.     ECLI:NL:TADRARL:2026:111