TADRARL 050126 waarschuwing advocaat; cliënt onvoldoende meegenomen in de te volgen strategie en te volgen route
- Meer over dit onderwerp:
TADRARL 050126 waarschuwing advocaat; cliënt onvoldoende meegenomen in de te volgen strategie en te volgen route
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 In 2020 heeft klaagster een arbeidsongeval gehad. Het bedrijf waar klaagster destijds aan het werk was heeft de aansprakelijkheid erkend.
2.2 Klaagster heeft in het begin zelf gecommuniceerd met de schaderegelaar. Na bijna een half jaar zijn zij echter niet tot een akkoord gekomen over de hoogte van het inkomensverlies.
2.3 Op 6 juli 2023 heeft klaagster zich tot verweerder gewend voor bijstand.
2.4 Bij brief van 7 juli 2023 heeft verweerder namens klaagster aan de schaderegelaar het verzoek gedaan om een aanvullend voorschot aan klaagster beschikbaar te stellen. Bij brief van 26 juli 2023 heeft de schaderegelaar zich gemeld.
2.5 Bij brief van 28 juli 2023 heeft verweerder nogmaals verzocht om aanvullende bevoorschotting.
2.6 Bij brief van 2 augustus 2023 heeft de schaderegelaar dat verzoek afgewezen.
2.7 Op 17 augustus 2023 heeft klaagster verweerder laten weten dat zij met hem wil overleggen over onder meer een mogelijk kort-geding als de bevoorschotting weer wordt afgewezen.
2.8 Op 24 augustus 2023 heeft verweerder een e-mailbericht aan de schaderegelaar gezonden, vooruitlopend op een gepland gesprek met de schaderegelaar op 30 augustus 2023. Dat gesprek heeft niet plaatsgevonden.
2.9 Per e-mail van 27 september 2023 heeft verweerder klaagster geadviseerd de looptijd van de schade te beperken tot 2023 en in reactie daarop heeft klaagster laten weten dat zij de schade wil laten doorlopen tot 1 oktober 2023.
2.10 Bij brief van 31 oktober 2023 heeft de verzekeraar het aanbod gedaan om de zaak te regelen tegen een slotbetaling van € 12.500.
2.11 Per e-mail van 8 november 2023 heeft verweerder klaagster geadviseerd om een tegenvoorstel te doen met de looptijd van de schade tot 1 januari 2023. In reactie daarop heeft klaagster dat advies afgewezen.
2.12 Per e-mail van 14 november 2023 heeft klaagster het aanbod van de verzekeraar afgewezen.
2.13 Op 20 december 2023 heeft verweerder van de advocaat van de verzekeraar vernomen dat klaagster een directieklacht tegen de verzekeraar heeft ingediend. Nu deze klacht niet via verweerder is verlopen, zijn verdere beslissingen in het dossier ‘on hold’ gezet. Ook door de advocaat van de verzekeraar is op 4 januari 2024 bevestigd dat de behandeling van het dossier stil ligt tot de directieklacht is afgehandeld.
2.14 Per e-mail van 12 februari 2024 heeft verweerder namens klaagster aan de verzekeraar het voorstel gedaan van een slotbetaling van € 40.000. Dit voorstel is door de verzekeraar op 15 februari 2024 afgewezen.
2.15 Per e-mail van 6 maart 2024 heeft verweerder in overleg met klaagster een bedrag van € 35.000 aan de verzekeraar voorgelegd, welk bedrag diezelfde dag door de verzekeraar is afgewezen.
2.16 Na meerdere afwijzingen op verschillende voorstellen en regelingen, zoals inschakeling van een arbeidsdeskundige of mediation, heeft verweerder in april 2024 per e-mail de optie van de Kamer Langlopende Letselschadezaken aan de verzekeraar voorgelegd. Op 12 april 2024 heeft verweerder deze optie ook aan klaagster voorgelegd.
2.17 Op 30 april 2024 heeft klaagster de opdracht aan verweerder beëindigd en op 2 mei 2024 is de verzekeraar hiervan op de hoogte gebracht.
2.18 Een paar weken later heeft klaagster besloten om de zaak toch aan de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken voor te leggen. Zij heeft dit opnieuw aan de verzekeraar voorgelegd, die hiermee akkoord is gegaan.
2.19 In juli 2024 heeft aldaar een zitting plaatsgevonden en binnen een maand volgde de beslissing. Uiteindelijk is er bij de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken een bedrag van € 15.000 aan klaagster toegekend.
2.20 Per e-mail van 13 oktober 2024 heeft klaagster verweerder verzocht om haar meerdere schade te vergoeden. Per e-mail van 18 oktober 2024 heeft verweerder dat verzoek afgewezen.
2.21 Daarna is door klaagster een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder en op 18 maart 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
a) onvoldoende zorgvuldig en voortvarend de zaak van klaagster te behandelen door
i) zonder overleg met klaagster brieven aan de wederpartij te sturen met onjuistheden en in een onnodig dreigende en escalerende toon;
ii) klaagster onvoldoende, dan wel onjuist te informeren;
Toelichting : De zaak is onnodig enorm gerekt. Tijdens het eerste gesprek van 6 juli 2023 heeft klaagster verweerder uitdrukkelijk gevraagd om zo snel mogelijk in gesprek te gaan en te onderhandelen. Ook heeft zij aangegeven geen interesse te hebben in langlopende trajecten als die bij de rechtbank. Tijdens dat eerste gesprek heeft verweerder medegedeeld dat het inkomensverlies tot het einde van 2023 gehanteerd kon worden en dat dit boven de € 50.000 zou uitkomen. Verweerder heeft klaagster toen geadviseerd om een bedrag van € 50.000 te vorderen tegen finale kwijting. De eerste brief van verweerder aan de wederpartij is niet eerst in concept aan klaagster gezonden en ook de brieven die verweerder daarna heeft verzonden zijn nooit in concept aan klaagster voorgelegd. Het eerste (telefoon)gesprek tussen verweerder en de schaderegelaar stond gepland op 30 augustus 2023. Op 24 augustus 2023 heeft verweerder echter een bericht aan de schaderegelaar gezonden met daarin een aparte toon en vol van dreigementen. Volgens klaagster heeft de zaak door dat bericht een voor haar slechte wending gekregen, wat erin heeft geresulteerd dat klaagster enorm is benadeeld. Op de dag van het geplande gesprek, 30 augustus 2023, vernam klaagster van verweerder dat de schaderegelaar hem niet ging bellen. Ook zou de verzekeraar, waarschijnlijk naar aanleiding van het bericht van 24 augustus, een advocatenkantoor hebben ingeschakeld. Vanaf toen zijn weken verloren gegaan en werden alsmaar lagere of verlaagde bedragen voorgesteld door verweerder aan de verzekeraar, die allemaal werden afgewezen.
b) klaagster onvoldoende (schriftelijk) op de hoogte te brengen van belangrijke informatie, geen duidelijkheid te scheppen omtrent de kansen en risico’s van zijn optreden en zonder overleg met klaagster een andere route te kiezen;
Toelichting : Verweerder heeft de optie van Kamer voor Langlopende Letselschadezaken aan de advocaat van de verzekeraar voorgesteld zonder dit eerst met klaagster besproken te hebben en zonder haar akkoord. Verweerder heeft klaagster ook niet over de risico’s van dit traject geïnformeerd. Verweerder had klaagster bovendien al in 2023 kunnen en moeten informeren over deze mogelijke optie. Als verweerder zich vanaf het begin had gericht op een goed gesprek en onderhandelingen dan had klaagster niet een groot gedeelte van haar inkomensverlies gemist.
3.2 Klaagster heeft haar klacht op de mondelinge behandeling nader toegelicht.
4 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 Naar vaste jurisprudentie van het Hof van Discipline dient de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, onder andere inhoudende dat advocaten zich dienen te onthouden van enig handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Artikel 10a van de Advocatenwet bevat de kernwaarden onafhankelijkheid, partijdigheid, deskundigheid, (financiële) integriteit en vertrouwelijkheid die advocaten bij de uitoefening van hun beroep in acht dienen te nemen. Daarbij geldt dat een advocaat een bijzondere positie in de rechtsbedeling vervult. Een advocaat dient zich te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. De gedragsregels beogen invulling te geven aan de eisen die mogen worden gesteld aan een goede taakuitoefening door een behoorlijk advocaat. De tuchtrechter toetst aan de norm van artikel 46 van de Advocatenwet en niet aan de gedragsregels, waarbij de gedragsregels overigens zo nodig wel van betekenis kunnen zijn bij bedoelde toets.
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 De raad zal de afzonderlijke klachtonderdelen gezamenlijk behandelen. Deze komen er in de kern op neer dat verweerder zonder overleg met klaagster handelingen verrichte, haar onvoldoende informeerde en haar onvoldoende op de hoogte hield.
5.4 Het eerste gesprek tussen klaagster en verweerder vond plaats op 6 juli 2023. Vast is komen te staan dat naar aanleiding van dat gesprek door verweerder geen advies of plan van aanpak met klaagster is besproken of opgesteld, met daarin de te volgen route en mogelijke scenario’s. Vast is ook komen te staan dat verweerder aan klaagster geen concepten van door hem aan de wederpartij te verzenden brieven heeft gezonden en deze ook niet vooraf met klaagster heeft besproken. De werkwijze van verweerder is naar zijn zeggen om wel altijd direct een kopie van de verzonden stukken aan zijn cliënt(en) te doen toekomen.
5.5 Hoewel de raad zich er iets bij kan voorstellen dat niet ieder te versturen bericht met de cliënt vooraf wordt besproken, ligt dit naar het oordeel van de raad toch wel anders bij voor de zaak inhoudelijk relevante stukken. In deze zaak gaat het dan in het bijzonder om het bericht dat verweerder op 24 augustus 2023 per e-mail aan de verzekeraar heeft gezonden. Daarin worden de verzekeraar diverse verwijten gemaakt en wordt gedreigd met het indienen van directieklachten. Een dergelijk bericht had naar het oordeel van de raad vooraf met klaagster besproken dienen te worden.
5.6 Ook het bericht van verweerder van 7 juli 2023 aan de verzekeraar is niet eerst in concept aan klaagster voorgelegd, terwijl ook dit bericht inhoudelijk relevant was. Bovendien bevat die brief volgens klaagster een onjuistheid die zij bij toezending van een concept had kunnen corrigeren. Relevant was ook de mogelijkheid van de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken die met klaagster is besproken, echter eerst nadat dit door verweerder al aan de verzekeraar was voorgelegd.
5.7 Het ontbreken van een voor klaagster duidelijk plan van aanpak en mogelijke scenario’s, gecombineerd met de werkwijze van verweerder om klaagster weliswaar een kopie van alle stukken te doen toekomen, maar inhoudelijk relevante stukken en stappen niet eerst met klaagster te bespreken, hebben geleid tot de onderhavige klacht. De raad is van oordeel dat verweerder op dit onderdeel een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt en zal de klacht op dit onderdeel daarom gegrond verklaren.
5.8 Niet is komen vast te staan dat verweerder de zaak onvoldoende voortvarend heeft aangepakt, eerder nog zou het tegendeel het geval zijn. Voor zover de klacht daarop ziet, zal de raad de klacht ongegrond verklaren. Dat geldt ook voor zover verweerder klaagster onjuist zou hebben geïnformeerd, ook dat is de raad niet gebleken.
5.9 Concluderend is de raad van oordeel dat verweerder klaagster onvoldoende heeft meegenomen in de te volgen strategie en te volgen route. Verder heeft verweerder klaagster eerst achteraf op de hoogte gebracht van belangrijke informatie, zoals de te sturen brieven en het voorleggen aan de Kamer voor Langlopende Letselschadezaken. Dat heeft geleid tot onduidelijkheid en onbegrip bij klaagster en uiteindelijk tot de onderhavige klacht en dat kan verweerder verweten worden.
6 MAATREGEL
6.1 Nu de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart rijst de vraag of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke.
6.2 De raad neemt daarbij in overweging dat uit de gedragsregels volgt dat een advocaat zijn cliënt op de hoogte dient te brengen van belangrijke informatie, feiten en afspraken. Ter voorkoming van misverstand, onzekerheid of geschil, dient hij belangrijke informatie en afspraken schriftelijk aan zijn cliënt te bevestigen. Een duidelijk plan van aanpak kan hierin al veel schelen. Dat plan ontbrak. De raad is van oordeel dat in de onderhavige zaak de maatregel waarschuwing passend en geboden is.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50 aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.
7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 50 aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
b) € 750 kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500 kosten van de Staat. ECLI_NL_TADRARL_2026_3
