Overslaan en naar de inhoud gaan

TADRSHE 270726 berisping vanwege onjuistheden en onvolledigheden, o.m. ontoereikende kennis en ervaring en gebruik van AI-tool

TADRSHE 270726 berisping vanwege onjuistheden en onvolledigheden, o.m. ontoereikende kennis en ervaring en gebruik van AI-tool 

5  BEOORDELING

5.1  Toetsingskader

De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan die advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn vanwege het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet.

5.2 Bij de beantwoording van de vraag of een advocaat zich betamelijk heeft gedragen als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet hanteert de raad als uitgangspunt dat de tuchtrechter mede tot taak heeft de kwaliteit van de dienstverlening te beoordelen als daarover wordt geklaagd. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

5.3  Kwaliteit van de door verweerster verleende rechtsbijstand en wijze van procederen

Als uitdrukkelijk door verweerster erkend staat vast dat zij in de conclusie van antwoord die zij namens M heeft ingediend alsook in de conclusie van antwoord die zij namens A heeft ingediend verwijzingen naar rechtelijke uitspraken heeft opgenomen. Voor een deel van genoemde verwijzingen gold dat het ECLI-nummer helemaal niet bestond. Voor een ander deel gold dat het ECLI-nummer verwees naar andere uitspraken dan die werden omschreven in de conclusie van antwoord. Verweerster heeft toegelicht dat de oorzaak van de fouten in de conclusie was gelegen in het gebruik van AI-tool. Verweerster heeft naar eigen zeggen rechtspraak gezocht in een of meerdere AI-tools en de rechtspraak die werd gegenereerd in haar processtukken overgenomen.

5.4 Verweerster heeft aangevoerd dat zij AI-tools destijds beschouwde als een soort zoekmachines en dat zij niet bedacht was op het risico dat AI-tools zelf niet bestaande rechtspraak of anderszins onjuiste informatie genereren. Toen verweerster de gemaakte fouten ontdekte, heeft zij deze direct hersteld door in beide zaken een “akte rectificatie” in te dienen, waarmee de foutieve verwijzingen werd ingetrokken en geen deel meer uit maakten van de rechtsstrijd, aldus nog steeds verweerster.

5.5 Hetgeen verweerster heeft aangevoerd neemt niet weg dat uit de overgelegde stukken en hetgeen verweerster zelf heeft verklaard over de wijze waarop zij haar rechtsbijstand heeft vorm gegeven, naar het oordeel van de raad genoegzaam blijkt dat verweerster haar werkzaamheden in de beide dossiers niet met inachtneming van de op haar rustende zorgplicht heeft verricht. Verweerster heeft gelijk waar zij stelt dat niet iedere fout, zoals een enkele onjuiste verwijzing naar rechtspraak, een schending van de kernwaarde deskundigheid oplevert. De raad is echter van oordeel dat verweerster met haar wijze van procesvoering de kernwaarde deskundigheid wel heeft geschonden.

5.6     In de eerste plaats heeft verweerster de door de door haar gebruikte AI-tool gegenereerde rechtspraak klakkeloos overgenomen in de conclusie van antwoord in zaak M, zonder de verwijzingen op juistheid te controleren of de uitspraken ook maar te lezen. Door op deze wijze gebruik te maken van een hulpmiddel, in dit geval een AI-tool, heeft verweerster de op haar rustende verantwoordelijkheid miskend. Dit handelen is uiterst onzorgvuldig en tuchtrechtelijk verwijtbaar, omdat dit niet alleen de belangen van de cliënt schaadt, maar ook die van de overige bij de gerechtelijke procedure betrokkenen. De kantonrechter heeft aan de onjuiste verwijzingen de conclusie verbonden dat artikel 21 Rv was geschonden. De raad overweegt dat alle bij de gerechtelijke procedure betrokken partijen erop moeten kunnen vertrouwen dat door een advocaat in een processtuk genoemde rechtspraak daadwerkelijk bestaat en dat verwijzingen kloppen. Verweerster heeft dit vertrouwen met haar wijze van procederen geschaad en heeft daarmee niet alleen de kernwaarde deskundigheid, maar ook de kernwaarde integriteit en gedragsregel 8 (verstrekken van informatie waarvan de advocaat weet of behoort te weten dat deze onjuist is) geschonden.

5.7 Verder staat als niet weersproken vast staat dat verweerster in randnummer 1 van de conclusie van antwoord in zaak M een onjuiste stelling heeft geponeerd over de inhoud van het van toepassing zijnde Landelijk Procesreglement, door ten onrechte te stellen dat daarin is bepaald dat processtukken maximaal vijftien pagina’s mogen beslaan.

5.8 Voorts heeft verweerster in randnummer 22 van de conclusie van antwoord in de zaak M  ten onrechte gesteld dat in artikel 7:274 lid 1 onder c BW is bepaald dat de rechter de huurovereenkomst kan beëindigen indien de huurder zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft opgegeven. Artikel 7:274 lid 1 sub c BW luidt echter: “De rechter kan de vordering slechts toewijzen (…) (c)  indien de verhuurder aannemelijk maakt dat hij het verhuurde zo dringend nodig heeft voor eigen gebruik, vervreemding van de gehuurde woonruimte niet daaronder begrepen, dat van hem, de belangen van beide partijen en van onderhuurders naar billijkheid in aanmerking genomen, niet kan worden gevergd dat de huurovereenkomst wordt verlengd, en tevens blijkt dat de huurder, met uitzondering van de huurder, bedoeld in lid 4, andere passende woonruimte kan verkrijgen”. Verweerster heeft in de randnummers 22 en verder namens M verweer gevoerd tegen de grondslag van de primaire vordering, die volgens de verhuurder samengevat was gelegen in ernstige tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst, doordat de heer M (a) niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde zou hebben (gehad), (b) het gehuurde onbeheerd zou hebben achtergelaten en (c) zonder toestemming het gehuurde zou hebben onderverhuurd. In het debat over de grondslag van die primaire vordering is het bepaalde van artikel 7:274 lid 1 sub c BW geenszins van toepassing, zodat niet valt in te zien waarom verweerster deze wettelijke bepaling in het verweer tegen de primaire vordering heeft betrokken.

5.9 Overigens heeft verweerster in de door haar namens M ingediende conclusie van antwoord met geen woord gerept over de subsidiaire vordering op grond van dringend eigen gebruik en dus tegen die subsidiaire vordering geen enkel verweer gevoerd. Ook op dat punt heeft verweerster steken laten vallen. Over de reden waarom verweerster tegen de subsidiaire vordering geen verweer heeft gevoerd heeft zijn geen duidelijkheid geschept. Dat M zijn standpunten ten aanzien van de subsidiaire vordering uiteindelijk wel in de procedure kenbaar heeft kunnen maken is louter het gevolg van het feit dat de kantonrechter hem daartoe uitdrukkelijk in het tussenvonnis van 12 februari 2026 heeft uitgenodigd.

5.10 De raad stelt constateert voorts dat verweerster, nadat zij in de akte rectificatie de verwijzingen naar ter onderbouwing van het verweer genoemde rechtspraak integraal had ingetrokken, geen andere rechtspraak ter onderbouwing van het verweer heeft genoemd. Verweerster is zowel in de zaak M als in de zaak A niet ter zitting verschenen. Verweerster heeft gesteld dat zij bij aanvang van haar bijstand aan M en A met hen beiden had afgesproken dat zij wegens kostenoverwegingen de zitting niet zou bijwonen. Wat daar ook van zij, toen verweerster de door haar gemaakte fouten ontdekte was er naar het oordeel van de raad alle aanleiding om (kosteloos) haar cliënten alsnog ter zitting bij te staan, het verweer ter zitting handen en voeten te geven en vragen van de kantonrechter te beantwoorden. Verweerster heeft dit nagelaten en ook daarmee heeft zij niet de zorg betracht die van haar had kunnen worden verwacht.

5.11 De raad komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat verweerster met de wijze waarop zij haar bijstand in de zaken M en A heeft vormgegeven, heeft  gehandeld in strijd met de in artikel 10a van de Advocatenwet genoemde kernwaarden integriteit en deskundigheid en gedragsregel 8. In zoverre is het dekenbezwaar dan ook gegrond.

5.12 De deken verwijt verweerster tot slot schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid. Verweerster heeft desgevraagd, op de vraag welke AI-tools zij bij het vervaardigen van de processtukken in de zaken M en A heeft gebruikt, geen antwoord gegeven, ook niet ter zitting van de raad. Verweerster heeft wel uitdrukkelijk verklaard dat zij bij het gebruik van de AI-tools geen vertrouwelijke gegevens betreffende de zaken M en A heeft ingevoerd. Dat dit anders zou zijn heeft de raad op grond van de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen. Het enkele door de deken geuite vermoeden dat verweerster bij de gebruikmaking van de AI-tools in strijd met haar geheimhoudingsplicht heeft gehandeld, is onvoldoende om schending van de kernwaarde vertrouwelijkheid aan te nemen. In zoverre is het dekenbezwaar dan ook ongegrond.

6 MAATREGEL

6.1 Vast staat dat verweerster in een tweetal zaken is tekortgeschoten in haar bijstand en dat zij in strijd heeft gehandeld met de kernwaarden deskundigheid en integriteit. Verweerster heeft ten opzichte van haar cliënten en de overige bij de gerechtelijke procedure betrokkenen niet die zorg in acht genomen, die van een behoorlijk handelend advocaat mag worden verwacht. Het handelen van verweerster is in strijd met de in artikel 10a Advocatenwet vastgelegde kernwaarden deskundigheid en integriteit en met gedragsregel 8. De raad is daarom van oordeel dat niet kan worden volstaan met oplegging van een waarschuwing, zoals betoogd door verweersters gemachtigde.

6.2 Voor wat betreft de aard van de op te leggen maatregel weegt de raad in het voordeel van verweerster mee dat zij niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld. Ten tijde van het opstellen van de gewraakte processtukken (juli 2025) was AI-geletterdheid nog geen gemeengoed en de aanbevelingen van de Orde ten aanzien van AI-gebruik zijn eveneens van latere datum. Ook die omstandigheden laat de raad in verweersters voordeel meewegen. Alles afwegend is de raad van oordeel dat een berisping passend en geboden is. ECLI:NL:TADRSHE:2026:93