Overslaan en naar de inhoud gaan

TGZRAMS 240426 klacht tegen MA bij second opinion; geen gebruik frauduleus medisch dossier, verdraaiing van feiten, onjuist medisch advies of onjuiste conclusie

TGZRAMS 240426 klacht tegen MA bij second opinion; geen gebruik frauduleus medisch dossier, verdraaiing van feiten, onjuist medisch advies of onjuiste conclusie

in vervolg op:
TGZRAMS 240426 klacht tegen MA; geen gebruik frauduleus medisch dossier en verdraaiing van feiten of onjuist medisch advies met onjuiste conclusie 
 

3. Wat is er gebeurd?
3.1 In december 2017 is klaagster thuis gevallen, waarbij zij een wervelbreuk heeft opgelopen. Hiervoor is zij in december 2017 in een ziekenhuis behandeld en geopereerd.

3.2 Klaagster is van mening dat in het ziekenhuis sprake is geweest van een onzorgvuldige behandeling en heeft daarop een beroep gedaan op haar rechtsbijstandsverzekeraar (hierna ook: de verzekeraar) in het kader van een aansprakelijkstelling. De verzekeraar heeft op 18 juni 2018 aan het medisch adviesbureau waar de verzekeringsarts werkzaam is, gevraagd een medisch advies uit te brengen over de vraag of medisch gezien sprake geweest zou kunnen zijn van een verwijtbare fout in het ziekenhuis. Twee collega’s van de verzekeringsarts (een AIOS verzekeringsgeneeskunde en haar supervisor, verweerders in zaken A2025/8687 en A2025/8689) hebben in 2019, 2020 en 2021 medische adviezen uitgebracht, nadat zij onder meer een orthopedisch chirurg als vakinhoudelijk deskundig expertiseur hadden geraadpleegd.

3.3 De conclusie van de twee collega’s van de verzekeringsarts in hun laatste definitieve medisch advies van 18 februari 2021 luidde: “Er is een uitgebreid en zorgvuldig expertiserapport opgesteld, waarbij de expertiseur tot de conclusie komt dat er geen sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen in het [ziekenhuis]. Cliënte en haar echtgenoot kunnen zich niet vinden in deze conclusie. Bij nadere bestudering van hun op- en aanmerkingen en het volledige beschikbare dossier kom ik tot de conclusie dat er geen sprake is geweest van objectiveerbaar onzorgvuldig medisch handelen.”

3.4 Klaagster en haar gemachtigde waren het niet eens met deze conclusie en hebben hierop hun ontevredenheid over het expertiserapport en over het medisch advies geuit. Zij stelden onder meer dat sprake was van een grote discrepantie tussen wat in het ziekenhuis in het medisch dossier stond opgetekend en hetgeen daar daadwerkelijk gebeurd en besproken was. Het ging daarbij met name om het moment waarop de klachten van klaagster inzake doofheid van buik en lies in het medisch dossier waren opgetekend. Vervolgens hebben klaagster en haar gemachtigde klachten ingediend tegen zowel hun rechtsbijstandsverzekeraar, de expertiseur, de artsen uit het ziekenhuis als het medisch adviesbureau. Met de verzekeraar is gebruik gemaakt van een geschillenregeling. Daarin is in een juridische second opinion namens klaagster naar voren gebracht dat de verzekeraar nog niet de conclusie uit het medisch advies had mogen volgen dat geen sprake was van onzorgvuldig medisch handelen in het ziekenhuis. De verzekeraar heeft daarop het medisch adviesbureau gevraagd verder onderzoek te verrichten. Omdat de klacht van klaagster (van 1 maart 2021) tegen het medisch adviesbureau het medisch advies van de twee collega’s van de verzekeringsarts betrof, heeft de verzekeraar de verwerend verzekeringsarts verzocht de medische advisering over te nemen.

3.5 De verzekeraar heeft de verzekeringsarts gevraagd of hij aanvullende vragen kon formuleren die aan de geraadpleegde expertiseur zouden kunnen worden gesteld ter verdere beoordeling van het beleid en handelen in het ziekenhuis, als uitgegaan zou worden van het door klaagster beschreven feitencomplex. Nadat de verzekeringsarts op 24 augustus 2021 een aanvullende vraag had geformuleerd, en deze via de verzekeraar aan klaagster en haar gemachtigde had voorgelegd, stuurden klaagster en haar gemachtigde op- en aanmerkingen hierop. Zij waren het niet eens met de vraagstelling en met het feit dat dezelfde expertiseur zou worden geraadpleegd. De verzekeringsarts heeft hierop op 19 oktober 2021 gereageerd door zijn rol uit te leggen en klaagster te verzoeken informatie te verstrekken waarover hij en de expertiseur mogelijk niet beschikten. Vervolgens heeft klaagster het volledige EPD toegestuurd.

3.6 Nadat de verzekeringsarts het EPD had bestudeerd, concludeerde hij in een conceptadvies van 8 november 2021 dat het EPD geen aanknopingspunten gaf voor nieuwe medische feiten die niet eerder door de expertiseur waren meegewogen. Op 16 november 2021 heeft de verzekeringsarts een nieuwe versie van de aanvullende vraagstelling aan de expertiseur opgesteld. Hij formuleerde de volgende hoofdvraag: “Cliënte stelt helder dat de klachten van doofheid aan de buik en lies er op 18-12-2017 onverminderd waren en dit ten onrechte niet in het dossier is opgenomen. Mijn verzoek is dan ook of u de volgende vraagstelling zou willen beantwoorden: 1. Kunt u aangeven hoe het beleid en beloop zouden zijn geweest als ervan wordt uitgegaan dat de klachten van ‘doofheid in de lies en buik” er wel waren en aan de artsen gecommuniceerd vanaf 14-12-2017 (in plaats van op 19-12-2017)?” Daarnaast heeft de verzekeringsarts zeven vragen geformuleerd die klaagster graag opgehelderd zou zien.

3.7 Klaagster en haar gemachtigde waren het niet eens met dit conceptadvies. Er heeft hierover eind november 2021 enige correspondentie over en weer met de verzekeringsarts plaatsgevonden, maar klaagster is uiteindelijk niet akkoord gegaan met het conceptadvies. Ook was zij ontevreden over haar verzekeraar, omdat deze opnieuw hetzelfde medisch adviesbureau en dezelfde expertiseur had ingeschakeld. Dit resulteerde er uiteindelijk in dat klaagster en haar gemachtigde in januari 2022 akkoord zijn gegaan met een afkoopbedrag dat hun verzekeraar hen bood.

3.8 Hierdoor zijn de vragen die de verzekeringsdeskundige had geformuleerd uiteindelijk niet meer ter beoordeling aan de expertiseur voorgelegd. Er is geen definitief medisch advies meer verschenen.

4. De klacht en de reactie van de verzekeringsarts
4.1 Klaagster verwijt de verzekeringsarts – en dat heeft zij in het mondeling vooronderzoek bevestigd – dat hij: a) bij het opstellen van het medisch advies gebruik heeft gemaakt van een frauduleus medisch dossier en daarbij ook zelf feiten heeft verdraaid; b) een onjuist medisch advies heeft gegeven. Op basis van de stukken in het medisch dossier had de verzekeringsarts moeten concluderen dat in het ziekenhuis sprake was geweest van verwijtbaar medisch handelen.

4.2 De verzekeringsarts heeft het college verzocht de klacht ongegrond te verklaren.

4.3 Het college gaat hierna verder in op de standpunten van partijen.

5. De overwegingen van het college
Welke criteria gelden bij de beoordeling?

5.1 De vraag is of de verzekeringsarts heeft gehandeld zoals van hem verwacht mocht worden. De norm daarvoor is een redelijk bekwame en redelijk handelende verzekeringsarts. Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met de voor de verzekeringsarts geldende beroepsnormen en andere professionele standaarden. Het college stelt hierbij voorop dat het de taak van een medisch adviseur is om een medisch advies op te stellen, op grond van de vraag die hieraan ten grondslag ligt.

Bij de beoordeling van de vraag of een advies van een arts voldoet aan de daaraan te stellen eisen dienen volgens vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg de volgende criteria, die gelden voor deskundigenrapporten, in aanmerking te worden genomen: 
1. Het rapport vermeldt de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het berust; 
2. Het rapport geeft blijk van een geschikte methode van onderzoek om de voorgelegde vraagstelling te beantwoorden; 
3. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusies van het rapport steunen; 
4. Het rapport vermeldt de bronnen waarop het berust, daaronder begrepen de gebruikte literatuur en de geconsulteerde personen; 
5. De rapporteur blijft binnen de grenzen van zijn deskundigheid.

Het college toetst ten volle of het onderzoek door de arts uit het oogpunt van vakkundigheid en zorgvuldigheid de tuchtrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. De conclusie van de rapportage toetst het college terughoudend, dat wil zeggen dat beoordeeld wordt of de deskundige in redelijkheid tot zijn conclusie heeft kunnen komen. Daarbij overweegt het Centraal Tuchtcollege dat een medisch advies beperkter is van opzet, strekking en inhoud dan een deskundigenrapport. Dit neemt niet weg dat de hiervoor genoemde criteria geschikt zijn als toetsingskader, omdat deze criteria, afhankelijk van de aard en omvang van de te toetsen adviezen, meer of minder stringent kunnen worden ingevuld.

5.2 Het college benadrukt dat het op grond van bovenstaande criteria dus niet tot taak heeft om de uitkomst van een advies te beoordelen. Het college beoordeelt alleen of de verzekeringsarts zijn advies zorgvuldig tot stand heeft gebracht en of hij in redelijkheid tot zijn conclusies heeft kunnen komen. De rechtsbijstandsverzekeraar van klaagster had de verzekeringsarts gevraagd aanvullende vragen te formuleren voor de expertiseur die eerder ook al ingeschakeld was geweest, in het kader van een haalbaarheidsonderzoek naar een eventuele aansprakelijkstelling tegen het ziekenhuis waarin klaagster was behandeld voor haar wervelbreuk. De verzekeringsarts had tot taak deze aanvullende vragen aan de expertiseur te stellen en met diens antwoorden de vraag of er medische fouten zouden kunnen zijn gemaakt door de artsen in het ziekenhuis, beargumenteerd te beantwoorden. Zover is het echter niet gekomen doordat klaagster een afkoopsom van haar verzekeraar accepteerde. Daarom liggen slechts de conceptadviezen van de verzekeringsarts, met de aanvullende vragen aan de expertiseur, ter beoordeling voor aan het college.

5.3 Het college oordeelt dat de verzekeringsarts niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige wijze zijn medisch advies in concept heeft opgesteld, en dat hij in redelijkheid tot zijn (deel)conclusie heeft kunnen komen. Het college licht dit hieronder toe.

Klachtonderdeel a) en b) gezamenlijk besproken: gebruik frauduleus medisch dossier, verdraaiing van feiten, onjuist medisch advies en onjuiste conclusie.

5.4 Klaagster stelt onder meer dat er in het ziekenhuis in haar medisch dossier ten onrechte niet was opgenomen dat de klachten van doofheid aan haar buik en lies er op 18 december 2017 onverminderd waren, en dat de verzekeringsarts uitgaat van deze verkeerde voorstelling van zaken vanuit het medisch dossier. In het EPD staat vermeld dat deze doofheidsklachten al op 14 december 2017 aanwezig waren, maar de verzekeringsarts ontkent dat en komt tot de conclusie dat er geen discrepantie is tussen medisch dossier en EPD, volgens klaagster.

5.5 De verzekeringsarts heeft aangevoerd dat hij in beginsel uit mag gaan van de juistheid en betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er concrete aanwijzingen bestaan van het tegendeel. Van dit laatste was geen sprake volgens de verzekeringsarts. Vervolgens heeft de verzekeringsarts het EPD van klaagster bestudeerd. Hierbij was het niet zijn taak het hele medisch dossier van klaagster door te nemen, maar om een vergelijking te maken van de informatie uit het EPD en de informatie uit het andere dossier waarover het medisch adviesbureau beschikte voor het eerdere advies (van de andere twee verzekeringsartsen). Hij heeft zich hierbij gefocust op de periode van 14 december 2017 tot en met 20 december 2017. Op basis van de vergelijking tussen de nieuwe aanvullende informatie (uit het EPD) en de eerder beschikbare informatie kon hij niet vaststellen dat er een verschil in documentatie was of dat er in het EPD wel zou staan dat al op 14 december 2017 sprake was van de klachten die klaagster noemt. Ook is de verzekeringsarts van mening dat hij veel tijd en aandacht heeft besteed aan de opmerkingen van (de gemachtigde van) klaagster op zijn eerste conceptadvies en aan het bestuderen van de informatie uit het door de gemachtigde van klaagster verstrekte EPD, en dat hij dit alles heeft verwerkt in zijn conceptadvies met de aanvullende vragen voor de expertiseur.

5.6 Het is vaste rechtspraak van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dat zorgverleners, maar ook het college zelf, mogen vertrouwen op de juistheid en betrouwbaarheid van een medisch dossier, tenzij er redenen zijn om aan de juistheid daarvan te twijfelen. Uit de stukken blijkt echter niet dat sprake is van een ‘frauduleus dossier’. Het college is daarom van oordeel dat de verzekeringsarts zich in beginsel op de juistheid en betrouwbaarheid van het medisch dossier mocht baseren. Ook is het college niets van door de verzekeringsarts verdraaide feiten gebleken. Het college is daarom van oordeel dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond is.

5.7 De verzekeringsarts heeft verder naar het oordeel van het college voldoende duidelijk gemaakt dat hij het EPD en het medisch dossier uitgebreid heeft vergeleken inzake de door klaagster veronderstelde discrepantie. Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts in zijn conceptadvies van 8 november 2017 uitgebreid en duidelijk heeft beargumenteerd hoe hij tot het oordeel is gekomen dat er geen discrepantie is tussen de twee verschillende dossiers. De verzekeringsarts heeft daarbij meer waarde gehecht aan de vermelding in het dossier van de datum waarop de doofheid in de liezen is genoteerd, dan aan de vermelding van die bevinding in een later opgestelde brief aan de rechtsbijstandverzekeraar. Gelet op de taak en opdracht van de medisch adviseur in deze zaak acht het college die beoordeling niet onjuist.

5.8 Het college is van oordeel dat de verzekeringsarts op zorgvuldige en deskundige wijze zijn medisch advies (in concept) heeft opgesteld. Zijn adviezen vermelden de feiten en omstandigheden en bevindingen waarop zij berusten, en geven blijk van een geschikte methode van onderzoek - namelijk het bestuderen van het medisch dossier en het EPD van klaagster - om relevante vragen voor de expertiseur te formuleren. De adviezen vermelden de bronnen die gebruikt zijn, en ook legt de verzekeringsarts gemotiveerd uit op welke wijze hij tot zijn (deel)conclusie is gekomen. Hierbij betrekt hij de op- en aanmerkingen die door klaagster en haar gemachtigde steeds zijn aangevoerd. Gezien verweerders hoedanigheid van verzekeringsarts dient er verder in beginsel vanuit te worden gegaan dat hij de deskundigheid bezit een dergelijk medisch advies uit te brengen en het college is van oordeel dat er in dit geval geen redenen zijn van dit beginsel af te wijken.

5.9 Op grond van de overwegingen in 5.7 en 5.8 is het voor het college volstrekt navolgbaar hoe de verzekeringsarts tot zijn vragen aan de expertiseur en zijn (deel)conclusie is gekomen. Het college oordeelt dan ook dat de verzekeringsarts in redelijkheid tot de conclusie en vragen heeft kunnen komen zoals hij die in zijn verschillende conceptadviezen heeft geschreven. Daarom is ook klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond.

Slotsom
5.10 Uit de overwegingen hiervoor volgt dat beide onderdelen van de klacht kennelijk ongegrond zijn.

6. De beslissing
De klacht is in al haar onderdelen kennelijk ongegrond. ECLI:NL:TGZRAMS:2026:96