HR 220199 reclasseringsmedewerker wordt thuis bezocht door cliënt en incasseert 40 slagen met hamer; wg-er niet aansprakelijk
- Meer over dit onderwerp:
HR 220199 reclasseringsmedewerker wordt thuis bezocht door cliënt en incasseert 40 slagen met hamer; wg-er niet aansprakelijk
3. Beoordeling van de middelen in het principale en in het incidentele beroep
3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerder] is van 1 januari 1974 tot 1 september 1993 in dienst geweest van de rechtsvoorganger van de Stichting, aanvankelijk als maatschappelijk werker, en sinds 1985 als sociaal-psychiatrisch werker.
(ii) Op vrijdagavond 14 december 1990 om ongeveer elf uur is door een reclasseringscliënt op [verweerder] bij hem thuis een aanslag gepleegd, waarbij hij ongeveer veertig keer met een ijzeren hamer op het hoofd is
geslagen. Deze aanslag heeft plaatsgevonden in de deuropening van de woning van [verweerder] .
(iii) De dader heeft vervolgens een aanklacht wegens ontucht tegen [verweerder] ingediend, naar aanleiding waarvan [verweerder] op 18 februari 1991 is aangehouden. Hij is strafrechtelijk vervolgd en ten slotte door de Rechtbank te 's-Hertogenbosch vrijgesproken.
(iv) Op 20 december 1991 is [verweerder] per 6 januari 1992 arbeidsgeschikt verklaard. Met ingang van 1 maart 1992 is hij te werk gesteld in de halfopen gevangenis Maashegge te Stevensweert in de functie van penitentiair reclasseringsmedewerker.
(v) Na ongeveer drie maanden is [verweerder] arbeidsongeschikt geworden. Met ingang van 1 september 1993 is aan hem een invaliditeitspensioen toegekend naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 - 100%. De Stichting verstrekt uit eigen middelen een maandelijkse aanvulling van 18%.
3.2 In het onderhavige geding heeft [verweerder] gevorderd, voor zover in cassatie van belang, vergoeding van vermogensschade, bij wijze van provisionele voorziening tot een bedrag van f 39.837,69 en voor het overige op te maken bij staat, alsmede vergoeding van immateriële schade ten bedrage van f 150.000, --. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat de Stichting is tekortgeschoten in haar verplichtingen op grond van art. 7A:1638x (oud) BW, doordat zij, hoewel het haar bekend was dat haar medewerkers cliënten begeleiden die ook voor hun hulpverleners "gevaarlijk" zijn, niet de redelijkerwijs te vergen maatregelen heeft getroffen om de medewerkers, ook in hun privé-leven, te beschermen.
De Stichting heeft betwist dat zij in enige zorgplicht jegens [verweerder] is tekortgeschoten. De zorgplicht heeft primair betrekking op de werkplek, de werkmethoden en de werktuigen waarmee de arbeid wordt verricht. In dit geval heeft het ongeval plaatsgevonden buiten de werkplek, zonder gebruikmaking van werktuigen de van Stichting alsook buiten werktijd en het werkverband. Zelfs in de meest ruime opvatting omtrent art. 7A:1638x (oud) BW, respectievelijk art. 3 Arbowet, komt, aldus de Stichting, aan [verweerder] geen beroep op deze artikelen toe.
De Kantonrechter heeft dit verweer gegrond bevonden en de vordering afgewezen.
De Rechtbank heeft in appelgrief 3 van [verweerder] de klacht gelezen dat de Kantonrechter de maatstaf dat de schade de werknemer is overkomen "in de uitoefening van de dienstbetrekking" onjuist heeft toegepast, en zij heeft het standpunt van [verweerder] dat het onheil hem wel degelijk in de uitoefening van zijn dienstbetrekking is overkomen, juist bevonden. Zij is vervolgens op grond van hetgeen zij in rov. 3.18 - 3.25 van haar vonnis heeft overwogen, tot de slotsom gekomen dat de Stichting aansprakelijk is voor de door [verweerder] als gevolg van de aanslag geleden schade (rov. 3.26) . Hiertegen richt zich het middel in het principale beroep.
3.3 Blijkens rov. 3.15 van haar vonnis is de Rechtbank ervan uitgegaan dat, wanneer de aard van de werkzaamheden een verhoogd risico meebrengt dat iemand met wie de werknemer bij de uitvoering van die werkzaamheden contact heeft, hem in zijn privé-situatie schade toebrengt, moet worden aangenomen dat zodanige schade aan de werknemer is overkomen in de uitoefening van zijn dienstbetrekking, tenzij de werkgever bewijst dat het optreden van die derde in geen enkel verband is te brengen met de uitvoering van de werkzaamheden.
Onderdeel I.1, dat klaagt dat dit uitgangspunt onjuist is treft doel. De door de Rechtbank gehanteerde maatstaf is noch met de bewoordingen, noch met de strekking van art. 7A:1638x te verenigen. Naar zijn tekst gaat het in het eerste lid van dit artikel om een zorgplicht van de werkgever voor de veiligheid van de werkomgeving en de gebruikte werktuigen. Ook al dienen dit vereiste en het vereiste dat de schade de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden is overkomen, ruim te worden uitgelegd, er bestaat geen goede grond deze, ook in het huidige art. 7:658 vervatte vereisten geheel ter zijde te stellen en de werkgever ook aansprakelijk te achten voor ongevallen die de werknemer in zijn privé-situatie zijn overkomen. De in art. 7A:1638x neergelegde verplichting van de werkgever de werkzaamheden zodanig te organiseren dat de werknemer is beschermd aan tegen zijn arbeid verbonden veiligheidsrisico's vloeit niet slechts voort uit de sociaal-economische positie van de werkgever ten opzichte van zijn werknemer, maar houdt ook nauw verband met zijn zeggenschap over de werkplek en zijn bevoegdheid zijn werknemer aanwijzingen te geven ter zake van de (wijze van) uitoefening van diens werkzaamheden. In de regel ontbreken deze zeggenschap en bevoegdheid als het gaat om de privé-situatie van de werknemer. Dit brengt mee dat de vraag of de werkgever aansprakelijk is voor ongevallen die de werknemer, ofschoon samenhangend met zijn werkzaamheden, in zijn privé-situatie zijn overkomen, niet wordt beheerst door de bijzondere regeling van art. 7A:1638x, maar telkens naar de omstandigheden van het gegeven geval moet worden beantwoord aan de hand van wat voor dat geval de eis zich als een goed werkgever te gedragen meebrengt. Daarbij verdient opmerking dat voor een bevestigende beantwoording van deze vraag slechts plaats is onder bijzondere omstandigheden, waarbij voor gevallen als de onderhavige kan worden gedacht aan een, ook aan de werkgever bekend, specifiek en ernstig gevaar.
De gegrondbevinding van onderdeel I.1 brengt mee dat de overige klachten van onderdeel I en de subsidiair voorgestelde onderdelen II en III van het middel in het principale beroep geen behandeling behoeven.
3.4 Het middel in het incidentele beroep strekt ten betoge dat van een verplichting tot schadevergoeding op grond van art. 7A:1638x ook sprake kan zijn, indien de schade de werknemer niet is overkomen "in" of "tijdens" de uitoefening van de dienstbetrekking, maar wel op een wijze die in een voldoende verband staat met de uitoefening van de dienstbetrekking. Dit betoog kan [verweerder] niet baten, aangezien de Rechtbank blijkens rov. 3.15 van haar vonnis "in de uitoefening van de dienstbetrekking" in de door het middel bepleite ruime zin heeft uitgelegd, maar die uitleg op grond van het in 3.3 overwogene moet worden verworpen.
3.5 Uit hetgeen in 3.3 is overwogen volgt dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven. De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu appelgrief 3 van [verweerder] uitgaat van een onjuiste rechtsopvatting, faalt die grief, terwijl [verweerder] blijkens de stukken van het geding niet heeft gesteld dat in dit geval sprake is geweest van een bijzondere omstandigheid als hiervoor in 3.3, tweede alinea, bedoeld. Aangezien de overige grieven reeds, in cassatie onbestreden, door de Rechtbank zijn verworpen, moet derhalve het vonnis van de Kantonrechter worden bekrachtigd.Hoge Raad 22 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2825
Zie ook AG Strikwerda: Parket bij de Hoge Raad 22 januari 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AG2341
Waaruit:
9. De klacht acht ik gegrond. Het door de Rechtbank geformuleerde algemene uitgangspunt, dat erop neerkomt dat de veiligheidsverplichting van de werkgever zich ook uitstrekt tot de privé-situatie van de werknemer, als er maar enig verband (niet louter toeval) bestaat met de werkzaamheden, gaat te ver. Het is niet alleen in strijd met de bewoordingen, maar ook met de strekking van art. 7A:1638x (oud) BW.
10. Naar de letterlijke tekst van art. 7A:1638x (oud) BW betreft de zorgplicht van de werkgever ten aanzien van de veiligheid van de werknemer "de lokalen, werktuigen en gereedschappen, waarin of waarmede hij den arbeid doet verrichten". Bij schending van die zorgplicht, strekt de aansprakelijkheid van de werkgever zich uit tot "vergoeding der schade aan den arbeider in de uitoefening zijner dienstbetrekking overkomen". Het huidige art. 7:658 BW stelt in iets andere bewoordingen dezelfde beperkingen aan zorgplicht en aansprakelijkheid van de werkgever.
11. In de recente rechtspraak en literatuur wordt het door het eerste lid gestelde werkplek-vereiste en het door het tweede lid gestelde vereiste dat de schade de werknemer moet zijn overkomen in de uitoefening van zijn werkzaamheden, ruim uitgelegd. Zie met name HR 1 juli 1993, NJ 1993, 687, waarin werd geoordeeld dat de zorgplicht van de werkgever niet beperkt is tot de eigenlijke werkplek, maar zich in beginsel ook uitstrekt tot locaties waar door derden werkzaamheden worden verricht. Zie nader T. Hartlief, NTBR 1996, blz. 61-62; dez., in: S.C.J.J. Kortmann e.a. (red.), Onderneming en 5 jaar Nieuw Burgerlijk Recht (1997), blz. 594- 509; W.C.L. van der Grinten, Arbeidsovereenkomstenrecht, 18e dr. bew. door J.W.M. van der Grinten met medewerking van mr. W.A.H. C.M. Bouwens (1997), blz. 134-139; C.J.M. Klaassen, NTBR 1997, blz. 105-110; Arbeidsovereenkomst, losbl., Art. 7:658, aant. 3 (D. Christe). Het geheel weg-interpreteren van de genoemde beperkingen, wordt echter door niemand verdedigd. Dat zou ook niet stroken met het feit dat de wetgever in het huidige art. 7:658 BW uitdrukkelijk aan het werkplek-vereiste en het vereiste dat de schade toegebracht moet zijn in de uitoefening van de werkzaamheden heeft vastgehouden. Het door de Rechtbank geformuleerde uitgangspunt lijkt verwant aan het door Klaassen, a.w., blz. 109, voorgestelde criterium van de kansvergroting: de werkgever is aansprakelijk voor de door de werknemer geleden schade, indien de kans op deze schade door de aan de ondergeschikte opgedragen taak is vergroot. Het door de Rechtbank geformuleerde algemene uitgangspunt gaat echter beduidend verder dan het toch al ruime criterium van Klaassen. Het door Klaassen voorgestelde criterium van de kansvergroting komt immers pas aan de orde, indien vaststaat dat de werkgever tekort is geschoten in zijn zorgplicht (blz. 109 r.k.). Uit de door haar besproken gevallen blijkt dat Klaassen die zorgplicht beperkt acht tot plaatsen waar de werknemer zich in het kader van zijn functie bevindt. Geen van de gevallen speelt zich af in de privé-situatie van de werknemer. Ook de door Hartlief bepleite uitbreiding van de werkgeversaansprakelijkheid (door het oprekken van het werkplekbegrip) gaat niet zo ver dat de zorgplicht van de werkgever zich zou kunnen uitstrekken tot de privé-situatie van de werknemer. In de door hem genoemde gevallen gaat het steeds om werknemers die zich voor hun werk buiten de eigenlijke werkplek begeven. Zie NTBR 1996, blz. 62; Onderneming en 5 jaar nieuw burgerlijk recht, blz. 507/508.
12. Het voormalige art. 7A:1638x BW heeft, evenals het huidige art. 7:658 BW, de strekking de werknemer te beschermen tegen de aan het werk en de werkomgeving verbonden veiligheidsrisico's. Daartoe wordt op de werkgever de verplichting gelegd om zodanige veiligheidsmaatregelen te treffen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geen schade lijdt. Deze veiligheidsverplichting van de werkgever is niet gericht op alle risico's welke de werknemer in verband met de aard van zijn werkzaamheden waar dan ook loopt, maar is speciaal gericht op de aan het werk zelf en aan de werkomgeving verbonden risico's. De vraag of de werkgever aansprakelijk kan worden gehouden voor door de werknemer geleden schade die op enigerlei wijze verband houdt met de aard van zijn werkzaamheden, maar buiten het werkmilieu is toegebracht, zal beantwoord moeten worden aan de hand van de algemene regels inzake aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad; zij valt buiten het toepassingsgebied van de speciaal op de veiligheid van het werkmilieu gerichte regeling van art. 7A:1638x oud/art. 7:658 huidig BW. Vgl. de conclusie OM (A-G Hartkamp) onder 6 voor HR 16 oktober 1992, NJ 1993, 264 nt. PAS. Vgl. voorts Van Dijk, a.w., blz. 157. Daarbij komt nog het volgende. Volgens de regeling van art. 7A:1638x oud/7:658 huidig BW rust op de werkgever een inspanningsverplichting om de werknemer te beschermen tegen veiligheidsrisico's. Het ligt niet voor de hand dat deze verplichting zich ook uitstrekt tot situaties waarover de werkgever geen zeggenschap heeft en waar de werkgever zijn verantwoordelijkheid dus niet kan waarmaken. Aangezien de werkgever geen zeggenschap heeft over de privé-situatie van de werknemer, kan niet worden volgehouden dat de door art. 7A:1638x oud/7:658 huidig BW op hem gelegde veiligheidsverplichting zich ook tot die situatie dient uit te strekken. Vgl. de conclusie OM (A-G Koopmans) onder 7 voor HR 1 juli 1993, NJ 1993, 687 nt. PAS en Ma. Zie ook A.T. Bolt, Preadvies NJV 1996, blz. 88/89.
13. De centrale klacht van onderdeel I treft derhalve naar mijn oordeel doel. De overige klachten van het onderdeel behoeven dan geen behandeling. Dit geldt ook voor de subsidiair en meer subsidiair voorgestelde middelonderdelen II en III. Het bestreden vonnis zal niet in stand kunnen blijven. Na vernietiging kan de Hoge Raad de zaak zelf afdoen door op het bestaande hoger beroep grief 3 alsnog te verwerpen en het beroepen vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 26 oktober 1995 te bekrachtigen.
Het incidenteel beroep
14. Als het principaal beroep slaagt, is de voorwaarde waaronder het incidenteel beroep is ingesteld in vervulling gegaan en dient het in het incidenteel beroep voorgestelde cassatiemiddel behandeld te worden.
15. Het middel keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank in r.o. 3.13 van het bestreden vonnis. Het middel verwijt de Rechtbank te hebben miskend dat van een schadevergoedingsplicht op grond van het tweede lid van art. 7A:1638x (oud) BW ook sprake kan zijn als de schade niet aan de werknemer is overkomen "in" of "tijdens" de uitoefening van de dienstbetrekking, maar wel op een wijze die in een voldoende verband bestaat met de uitoefening van de dienstbetrekking.
16. Het middel zal reeds wegens gebrek aan belang moeten falen. Wat er ook zij van de strekking van de door het middel gewraakte r.o. 3.13, in het door de Rechtbank in r.o. 3.15 geformuleerde algemene uitgangspunt ligt besloten dat de Rechtbank de in het tweede lid van art. 7A:1638x (oud) BW gebezigde woorden "in de uitoefening zijner dienstbetrekking" in de door het middel gewenste ruime zin heeft opgevat. Parket bij de Hoge Raad 22 januari 1999, ECLI:NL:PHR:1999:AG2341