Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Den Bosch 111207 ass moet huish. hulp vergoeden, ook zonder feitelijke betaling kosten

Hof Den Bosch 111207 ass moet huish. hulp vergoeden, ook wanneer betrokkene die kosten feitelijk niet heeft behoeven te betalen
4.20. De rechtbank heeft de behoefte van [geïntimeerde] aan huishoudelijke hulp bepaald op
a. 3,7 uren per week
(vonnis 13-10-2004 rov. 2.13);
b. tegen € 7,50 per uur in de periode 17 maart 1995 tot 1 januari 2005 (vonnis 26-03-2003 rov. 2.9 en 2.12.) en voor deze
periode berekend op totaal € 12.987,- (vonnis 13-10-2004 rov. 2.15); en voorts
c. tegen € 15,- per uur in de periode 1 januari 2005 tot 6 april 2039 (vonnis 13-10-2004 rov. 2.13 en vonnis 254-08-2005 rov. 2.15). Het bedrag van € 7,50 stelt de rechtbank gelijk met f 15,- per uur (vonnis 26-03-2003, rov. 2.9.).
4.20.1. Daarbij heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de mogelijkheid voor [geïntimeerde] tot het verkrijgen van een persoonsgebonden budget (PGB)(vonnis 10 juli 2002 rov. 4.17).

4.21. In de principale grief 10 stelt Winterthur dat er onvoldoende bewijs is dat [geïntimeerde] f 15,- per uur heeft betaald voor huishoudelijke hulp, verleend door haar moeder in de periode 17 maart 1995 tot 1 januari 2005.

4.22. Op dit punt faalt de grief. De overweging van de rechtbank waartegen dit bezwaar van Winterthur is gericht (vonnis 26-03-2003 rov. 2.9.), acht het hof juist. In het midden kan blijven of [geïntimeerde] het bedrag van f 15,- per uur feitelijk betaald heeft aan haar moeder, aangezien Winterthur, indien [geïntimeerde] wegens arbeidsongeschiktheid aanspraak kan maken op vergoeding van kosten voor huishoudelijke hulp, als aansprakelijke partij verplicht is de redelijkerwijs daarvoor te maken kosten te vergoeden, ook indien [geïntimeerde] die kosten feitelijk niet heeft behoeven te betalen aan haar moeder.

4.23. In de principale grief 10 stelt Winterthur voorts dat bedrag van € 7,50 per uur te hoog is, nu in de negentiger jaren de eigen bijdrage voor de (gesubsidieerde) huishoudelijke hulp door de gezinszorg nooit meer dan
f 10,- bedroeg.
Deze stelling verwerpt het hof. De (gesubsidieerde) huis-houdelijke hulp door de gezinszorg betreft een minimale behoeftevoorziening van in het algemeen kwalitatief beperkt niveau (zie mr. J.M. Tromp, Personenschade in de praktijk, 1998, pag. 74 en 74). [geïntimeerde] kan echter jegens Winterthur aanspraak maken op een op haar persoon afgestemde voorziening van kwalitatief redelijk niveau, zodat het hof f 15,- per uur niet bovenmatig acht.
4.23.1. Voorts stelt Winterthur dat het door de rechtbank genoemde uurbedrag van € 15,- voor de periode vanaf 1 januari 2005 op een kennelijke vergissing berust, althans bovenmatig is (mvg punt 35 en 36).
4.23.2. Op dit punt is grief 10 gegrond. Nu de rechtbank in het geheel niet motiveert hoe zij aan het bedrag van
€ 15,- per uur komt, gaat het hof ervan uit dat hier sprake is van een vergissing en dat de rechtbank ook voor deze periode heeft bedoeld een uurbedrag van f 15,- aan te houden, welk bedrag de rechtbank gelijk stelt met € 7,50.

4.24. In haar verweer tegen grief 10 stelt [geïntimeerde] dat een uurbedrag van € 15,- dient te worden aangehouden. Hantering van een uurbedrag van f 15,- acht [geïntimeerde] in strijd met de goede zeden, omdat daarmee feitelijk wordt uitgelokt om huishoudelijke hulp "zwart" in te schakelen.
4.24.1. Het hof vindt in het betoog van [geïntimeerde] geen aanleiding het uurbedrag te stellen op € 15,- per uur, aangezien [geïntimeerde] feitelijk niet heeft onderbouwd dat zij in haar situatie slechts huishoudelijke hulp kan krijgen voor € 7,50 per uur indien deze hulp "zwart" werkt. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat bij het heffen van inkomstenbelasting kortingen worden toegepast die meebrengen dat bij een (zeer) laag jaarinkomen feitelijk niet of nauwelijks belasting wordt geheven.

4.25. De rechtbank heeft overwogen dat met ingang van 1 januari 1997 krachtens artikel 65a van de AWBZ aanspraak op huishoudelijke hulp (thuiszorg) op grond van die wet kan worden gemaakt en dat daarmee rekening moet worden gehouden (vonnis 10-07-2002 rov. 4.17 en vonnis 26-03-2003 rov. 2.10).
De rechtbank heeft tevens overwogen dat zij daarmee in het onderhavige geval geen rekening houdt omdat
a. [geïntimeerde] al vóór 1 januari 1997 op andere wijze had voorzien in haar behoefte aan huishoudelijke hulp, namelijk door inschakeling van haar moeder voor 5 uur per week, en
b. deze aldus ingeschakelde alternatieve vorm van hulpverlening redelijkerwijs als passend is aan te merken, gelet op de door [geïntimeerde] geschetste nadelen die verbonden zijn de voorziening in hulp via de thuiszorginstelling krachtens de AWBZ (vonnis 26-03-2003 rov. 2.11 en 2.12.)

4.26. In haar principale grief 10 stelt Winterthur dat deze oordelen van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig, althans onbegrijpelijk zijn, zodat zij bezwaar maakt tegen de schadeberekening (mvg punt 37).

4.27. Op dit punt is deze grief ongegrond omdat de rechtbank duidelijk heeft gemotiveerd waarom zij in dit geval afwijkt van de regel dat rekening moet worden gehouden de aanspraak op thuiszorg krachtens art. 65a van de AWBZ. De oordelen van de rechtbank zijn ook niet tegenstrijdig.

4.28. De rechtbank heeft geen grond aanwezig geacht het aantal uren huishoudelijke hulp lager te stellen dan de arbeidsdeskundige Van Hek heeft voorgesteld, te weten 3,7 uren per week. Volgens Winterthur kan echter de echtgenoot van [geïntimeerde] (zwaardere) huishoudelijke taken overnemen. Bovendien, aldus Winterthur, zou [geïntimeerde] zonder ongeval bij een full-time baan ook hulp ingehuurd hebben zo-dat zij op dit punt geen schade lijdt als gevolg van het ongeval(vonnis 13-10-2004 rov. 2.12. en 2.13.).
4.28.1. Winterthur handhaaft haar verweer op dit punt (mvg punt 34: principale grief 10).
4.28.2. Deze twee punten zal de te benoemen nieuwe arbeidsdeskundige in zijn onderzoek moeten betrekken. Het hof houdt in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek zijn oordeel hieromtrent aan.

4.29. De rechtbank heeft ook geen grond aanwezig geacht het aantal uren huishoudelijke hulp hoger te stellen dan de arbeidsdeskundige Van Hek voorstelt (vonnis 13-10-2004 rov. 2.11. en 2.13.). Volgens [geïntimeerde] heeft zij echter 4 uren per week hulp nodig, gelet op haar woonsituatie en de huishouding (zie hierboven rov. 2.14.1. sub b).
4.29.1. Ook dit punt zal de te benoemen nieuwe arbeidsdeskundige in zijn onderzoek moeten betrekken. Het hof houdt in afwachting van de uitkomst van dit onderzoek zijn oordeel hieromtrent aan.
LJN BC1116

Deze website maakt gebruik van cookies