Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 120213 huishoudelijke hulp obv indicatiestelling gemeente ihkv WMO, looptijd tot 75-jarige leeftijd

Hof 's-Hertogenbosch 120213 npo: geen geobjectiveerde cognitieve stoornissen; wel plausibele beperkingen 
- huishoudelijke hulp obv indicatiestelling gemeente ihkv WMO, looptijd tot 75-jarige leeftijd

vervolg op: hof-s-hertogenbosch-111011-ogv-rapporten-neurochirurgneuroloog-reumatoloog-en-psychiater-staat-causaal-verband-tussen-nek-en-hoofdpijnklachten-vast-tav-concentratie-nader-onderzoek-nodig

26 De verdere beoordeling 

in principaal en incidenteel appel 

rapport Bruins 

26.1. Bruins heeft [appellante] op 8 en 15 maart 2012 onderzocht en brengt daarvan in haar rapport verslag uit. In de inleidende opmerkingen (p. 1-3) merkt Bruins over de medische gegevens op dat zij het volledige dossier – naar het hof begrijpt: het volledige medische dossier – heeft gelezen en dat zij alleen de voor haar beeldvorming belangrijkste gegevens in het rapport heeft opgenomen. Het rapport bevat een anamnese (p. 4-6), vermeldt de gebruikte onderzoeksmethoden en vragenlijsten (p. 6), beschrijft uitgebreid de onderzoeksresultaten (p. 6-10), waarna een samenvatting en conclusie volgt. Vervolgens beantwoordt Bruins de gestelde vragen, waarbij zij deels verwijst naar de anamnese en de onderzoeksresultaten. Hieruit blijkt dat Bruins het onderzoek zorgvuldig heeft verricht. 

26.2. Uit het rapport blijkt voorts dat Bruins in het kader van het inzage- en blokkeringsrecht het conceptrapport eerst aan [appellante] heeft toegestuurd. [appellante] is daarbij tevens in de gelegenheid gesteld feitelijke onjuistheden te corrigeren. Naar het hof begrijpt, heeft [appellante] van het blokkeringsrecht geen gebruik gemaakt. In het rapport heeft Bruins nader aangegeven hoe zij de correcties van [appellante] heeft verwerkt. 
Daarna zijn beide advocaten in de gelegenheid gesteld bij het concept-rapport opmerkingen te maken. Alleen de advocaat van [appellante] heeft daarvan gebruik gemaakt. In het rapport zijn diens opmerkingen vermeld evenals de reactie daarop van Bruins (p. 16-17). Aldus voldoet het rapport aan de vereisten van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. 

26.3. Bruins concludeert in haar rapport, voor zover van belang, als volgt: 

“Uit het dossier blijkt dat er geen evidentie is voor afwijkingen bij beeldvormend onderzoek. 
(…) 
Bij het huidige neuropsychologisch onderzoek wordt op twee onderzoeksdagen een wisselende uitslag geconstateerd op symptoomvaliditeitstests. Het is moeilijk een verklaring aan te wijzen voor een verminderde prestatie-motivatie op de 2e onderzoeksdag. Slaaptekort in combinatie met de medicatie (van analgetica is bekend dat het cognitieve functies negatief beïnvloedt) is niet uitgesloten, maar geen aannemelijke verklaring. Immers, betrokkene heeft altijd slaapproblemen en voelt zich altijd vermoeid. (…). Desalsniettemin heeft zij de 1e onderzoeksdag goed gepresteerd op een test die gevoelig is voor onderpresteren, de zogenaamde symptoomvaliditeitstest. 
Er dient te worden benadrukt dat het testprofiel op de 2e onderzoeksdag ook goede prestaties toont: zij heeft bij voorbeeld een goede prestatie op de planningstest en een gemiddelde prestatie op een visueel associatieve geheugen test (met plaatjes) en logisch redeneertest. Behalve het testprofiel in acht nemend, is de klinische indruk van ondergetekende positief: er bestaat geen vermoeden dat betrokkene zich bewust niet heeft ingezet (geen aanwijzing voor malingering). 

Haar niveau van algemeen intellectueel functioneren wordt met behulp van de verkorte Groninger Intelligentie test (versie II) op ruim benedengemiddeld niveau geschat, hetgeen wordt toegeschreven aan twee subtest onder tijdsdruk waarop zij zwak scoort door traagheid. Rekening houdend met een gemiddelde prestatie voor logisch redeneren, kan worden aangenomen dat betrokkene tenminste over een gemiddelde intelligentie beschikt. Er is geen aanwijzing van een achteruitgang in het intellectueel functioneren, bovendien is dit alleen te verwachten bij ernstige hersentrauma’s. 

Uit het neuropsychologisch onderzoek kunnen de volgende afwijkingen worden geconstateerd: 
- Er is een verminderde prestatie op een test voor selectieve auditieve aandacht; 
- Er is een zeer traag werktempo op een test voor volgehouden visuele aandacht, bovendien fluctueren de regeltijden enorm; zij werkt zeer onnauwkeurig; 
- Er is een verminderde reproductie op een werkgeheugentest met woorden waarbij haar aandacht verdeeld dient te worden over twee rijtjes woorden. 

De eerste twee afwijkende resultaten behaalde betrokkene op de 2e onderzoeksdag, toen zij een wisselende prestatie had op de symptoomvaliditeitstest en dus onderpresteerde. Op de selectieve aandachtstest is er weinig verschil tussen de trage testperiode en de snelle testperiode, dat wil zeggen dat zij op de relatief eenvoudige, trage test ook beneden verwachting presenteerde. De grote variatie in regeltijden op de visuele aandachtstest is verklaarbaar doordat betrokkene de stippenpatroontjes telde, in plaats van ‘ herkende’ door oefening. Het tellen van patronen kost veel tijd en verklaart de zeer trage regeltijden. 

Uitsluitend de laatstgenoemde werkgeheugentest werd in combinatie met een goede uitslag op symptoomvaliditeit behaald op de 1e onderzoeksdag. Echter een afwijkende uitslag op een test geeft geen aanwijzing voor een stoornis. Betrokkene presteerde op overige tests voor verdeelde aandacht en werkgeheugen normaal. 

Dit betekent concreet dat de hier boven afwijkende prestaties niet geïnterpreteerd kunnen worden als afwijkend: niet vanwege het onderpresteren: al zou de symptoomvaliditeitstest goed zijn gemaakt, dan nog zouden bovenstaande resultaten niet duiden op hersenfunctiestoornissen, rekening houdend met het testprofiel van betrokkene. 

Haar prestatie op de verbale geheugenleertest is niet afwijkend: het leervermogen is weliswaar traag, maar niet afwijkend. Wel bestaat een aanwijzing voor aandachtfluctuaties gezien de wisselende leercurve. Het herinneren van de ingeprente informatie is ook niet dermate afwijkend dat sprake is van een stoornis (benedengemiddelde prestaties). 
Er is geen sprake van mentale traagheid, algehele vertraagde snelheid van informatieverwerking en/of (inherent) traag werktempo. 
Er zijn geen beperkingen of stoornissen geobjectiveerd in het executieve functioneren (gedragsregulatie, plannen); visuoconstructieve functies (ruimtelijk inzicht, constructieve functies) en taalfuncties. 

Bij het onderzoek naar het psychisch functioneren blijken verhoogde distress- en depressieve gevoelens aanwezig, maar geen duidelijke psychopathologie. Er zijn veel somatische klachten aanwezig, een aantal kunnen psychosomatisch van aard zijn, maar zij kunnen ook gerelateerd zijn aan de medicatie die betrokkene gebruikt (bijwerkingen). Het is niet mijn vakgebied hierover een oordeel te geven. 

Conclusie: uit de neuropsychologische onderzoeksresultaten kan duidelijk worden geobjectiveerd dat de afwijkende prestaties niet kunnen worden toegeschreven aan functionele beperkingen. Dit is in overeenstemming met de aard van het ongeval en het ontbreken van evidentie voor cerebraal letsel. Dit wil niet zeggen dat de klachten van betrokkene niet bestaan of verzonnen zijn. Het betekent dat op mijn vakgebied geen cognitieve stoornissen objectiveerbaar zijn.(…). 

26.4. Het hof is van oordeel dat de conclusie van Bruins volgt uit haar bevindingen en ook deugdelijk is gemotiveerd. Daarom wordt hierna bij de verdere beoordeling van deze conclusie uitgegaan. Derhalve staat op grond van dit rapport niet vast dat de cognitieve stoornissen van [appellante] voortvloeien uit cerebraal letsel. Om die reden zijn de cognitieve stoornissen neuropsychologisch niet objectiveerbaar. 

26.5. Zoals [appellante] terecht in haar memorie na deskundigenbericht opmerkt, betekent dit niet dat de cognitieve klachten niet bestaan, dus niet reëel en niet consistent zijn. Zo merkt Bruins in haar rapport expliciet op dat het ontbreken van evidentie voor cerebraal letsel nog niet wil zeggen dat de klachten niet bestaan of verzonnen zijn. Bruins vermeldt weliswaar op p. 7 dat de uitslag van de twee symptoom-validiteitstests wisselend is, met een aanwijzing voor onderpresteren op de 2e onderzoeksdag, maar nu zij op p. 11 van haar rapport uitdrukkelijk aangeeft dat er geen vermoeden bestaat dat [appellante] zich bewust niet heeft ingezet (geen aanwijzing voor malingering), leidt het hof uit het rapport af dat er bij [appellante], wel klachten bestaan, te weten verminderde concentratie, geheugenproblemen en traagheid. 

26.6. Uit het onderzoek van Bruins blijkt het volgende: 
[appellante] maakt bij het onderzoek een heldere indruk, er zijn geen bewustzijnsdalingen en het niveau van intellectueel functioneren wordt op een benedengemiddeld niveau geschat (GIT2 (hof: int. Test) IQ 83; p.7). 
Er is een aanwijzing voor een lichte concentratiestoornis op dag 2; het langdurig visueel vasthouden van aandacht verloopt zeer traag; zeer veel omissies bij test; geen stoornis in de uitvoerende controlefuncties; het onthouden van visuele informatie op korte termijn verloopt ruim benedengemiddeld (p. 8). 
De verbale geheugenleertest is laaggemiddeld en de inprenting is op basis van leeftijd en opleiding benedengemiddeld (p. 9). 
Het niveau van algemeen intellectueel functioneren wordt op ruim benedengemiddeld geschat, met name door traagheid; uit het neuropsychologisch onderzoek blijken de volgende afwijkingen: 
- een verminderde prestatie op een test voor selectieve aandacht; 
- een zeer traag werktempo op een test voor volgehouden visuele aandacht, zij werkt zeer onnauwkeurig; 
- een verminderde reproductie op een werkgeheugentest (p. 11); 
Er bestaat een aanwijzing voor aandachtfluctuaties (p. 11). 
Er is sprake van een wisselende prestatiemotivatie (p. 14). 
De geheugenproblemen zijn veel meer gerelateerd aan de lichamelijke ongemakken/beperkingen; bij een disbalans in het lichamelijk functioneren wordt de psyche en het cognitief functioneren ook negatief beïnvloed; met name vermoeidheid en pijn spelen daarbij een rol; het ongeval is de trigger geweest die [appellante] (verder) uit het evenwicht heeft gehaald met alle psychosomatische gevolgen van dien (p. 15); 
Het is niet aannemelijk dat sprake is van intellectuele deterioratie, omdat dit slechts bij ernstig hersenletsel voorkomt, wel is aannemelijk dat [appellante] dit als zodanig ervaart, echter andere factoren zijn hierop van invloed waarvan het meest waarschijnlijke het medicatiegebruik is (p. 17). 

26.7. Gelet op het feit dat [appellante] een Mavo en Meao-opleiding heeft afgerond en voorafgaande aan het ongeval een fulltime-baan had en daarnaast in de avonduren als nagelstyliste werkzaam was, kan er redelijkerwijs van uit worden gegaan dat zij de hiervoor vermelde klachten, namelijk verminderde concentratie, geheugenproblemen en traagheid, voor het ongeval niet had. Het is alleszins aannemelijk dat hoofdpijn- en nekklachten leiden tot verminderd intellectueel functioneren. Dat de klachten mogelijk (mede) worden veroorzaakt door het medicijngebruik, doet er niet aan af dat ook deze klachten moeten worden toegerekend aan het ongeval. Uit het rapport van Bruins blijkt voldoende dat [appellante] door deze klachten gezien haar leeftijd en opleiding in cognitief opzicht verminderd, want gezien haar leeftijd en opleiding benedengemiddeld, functioneert. Dat de klachten niet hun oorzaak vinden in hersenletsel en mogelijk mede zijn te wijten aan het medicatiegebruik doet er niet aan af dat het cognitief verminderd presteren aan het ongeval moet worden toegerekend. 

26.8. Dit leidt ertoe dat het hof ervan uitgaat dat bij [appellante] sprake is van verminderd cognitief functioneren, dat vooral tot gevolg heeft dat sprake is van een verminderde concentratie, verminderde geheugenfunctie en enorme traagheid van handelen. 
Dit betekent dat bij de verdere beoordeling van de schade van [appellante] naast de hoofdpijn- en nekklachten, blijkende uit het rapport van neuroloog Bernsen en de door de reumatoloog geconstateerde slaapstoornissen, ook uitgegaan dient te worden van genoemde cognitieve klachten bij [appellante]. Op grond van de uitgebrachte deskundigenrapporten is het causaal verband tussen de genoemde klachten en het ongeval komen vast te staan. 

26.9. Het hof ziet, anders dan in het tussenarrest van 11 oktober 2011 aangegeven, geen aanleiding voor een onderzoek door een arbeidsdeskundige om vast te stellen of en zo ja, in welke mate de uit deze klachten voortvloeiende beperkingen tot arbeidsongeschiktheid leiden en dus evenmin voor een daaraan voorafgaand onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige. Thans is komen vast te staan dat de substraatloze klachten van [appellante] plausibel zijn. Gelet op de context van de klachten is het evenzeer plausibel dat de klachten, meer in het bijzonder vanwege de aard en intensiteit daarvan zoals blijkende uit de deskundigenrapporten, tot beperkingen leiden. Het enkele feit dat sprake is van substraatloze klachten staat aan het aannemen van beperkingen immers niet in de weg. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat [appellante] door het UWV op basis van dezelfde klachten na het ongeval voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard, waarbij het UWV tot de conclusie is gekomen dat er voor [appellante] geen bemiddelbare arbeid meer is te duiden. 
Dit alles leidt ertoe dat in deze procedure ervan moet worden uitgegaan dat [appellante] ten gevolge van het ongeval volledig arbeidsongeschikt is geraakt, zowel ten aanzien van haar baan bij het ABP als ten aanzien van het uitoefenen van haar nevenwerkzaamheden als nagelstyliste. Dit betekent dat London voor de daardoor geleden schade van [appellante] aansprakelijk is, in dit geval voor 80% vanwege het percentage eigen schuld van [appellante]. 

26.11. Dit betekent dat het hof thans toekomt aan de beoordeling van de diverse schadeposten. 

verlies zelfwerkzaamheid 

26.12. De post verlies zelfwerkzaamheid is door de rechtbank bij gebreke van een voldoende onderbouwing afgewezen. Grief 9 van [appellante] richt zich tegen dit oordeel. 
[appellante] heeft naar het oordeel van het hof ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd dat zij dan wel haar man voor het ongeval zelf de werkzaamheden in de tuin en onderhoudswerkzaamheden aan het huis verrichtte. Om die reden ontbreekt ten aanzien van deze kosten het causaal verband. Derhalve faalt grief 9. 

kosten huishoudelijke hulp 

26.13. [appellante] stelt dat zij behoefte heeft aan 3 uur huishoudelijke hulp per week en vordert vergoeding van de kosten van € 7,50 per uur respectievelijk € 10,00 per uur. Deze kosten acht het hof in ieder geval redelijk. Gelet op de klachten en beperkingen van [appellante] acht het hof het ook aannemelijk en redelijk dat [appellante] 3 uur huishoudelijke hulp per week nodig heeft. Rekening moet worden gehouden met de aan [appellante] door de gemeente verstrekte voorzieningen. [appellante] heeft in dat verband thans, zoals gevraagd in r.o. 8.6.1 van het arrest van 13 juli 2010, een beschikking (met onleesbare datum) van de gemeente Heerlen overgelegd. Bij deze beschikking heeft de gemeente beslist op de door [appellante] op 6 februari 2012 ingediende aanvraag tot uitbreiding van de hulp bij het huishouden. Aan [appellante] is in plaats van de eerder toegekende 1,5 uur bij het huishouden 3 uur hulp per week toegekend voor de periode van 12 maart 2012 tot en met 12 maart 2017. Vast staat dus dat [appellante] van 30 april 2009 tot 12 maart 2012 voor 1,5 uur hulp in huishouding heeft gekregen en vanaf 12 maart 2012 voor 3 uur. Het hof zal van dit aantal uren uitgaan. 
Het hof is van oordeel dat het redelijk is ervan uit te gaan dat [appellante] in de situatie zonder ongeval zelf vanaf 75-jarige leeftijd hulp in de huishouding zou hebben ingeschakeld, zodat zij tot die leeftijd recht heeft op een vergoeding van de door haar gemaakte kosten (waaronder eigen bijdrage Wmo) door London. 

stallingskosten, telefoonkosten, kosten neksteun en steunzolen, hogere ziektekosten 

26.14. Nu het causaal verband vaststaat, komen deze kosten voor vergoeding in aanmerking. Dit betekent dat grief 10 van London faalt. Ten aanzien van de stallingskosten ad € 37,50 geldt dat deze zoals door de rechtbank terecht is overwogen voor volledige vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de andere posten geldt dat deze vanwege het percentage eigen schuld voor 80% door London dienen te worden vergoed. 

arbeidsvermogensschade 

26.15. Deze schade wordt vastgesteld door de feitelijke inkomenssituatie met ongeval en de hypothetische situatie zonder ongeval met elkaar te vergelijken en een financiële schadebegroting op grond van het verschil te maken. Bij deze vergelijking dient een redelijke verwachting omtrent toekomstige ontwikkelingen te worden gemaakt. 
Beide partijen hebben in hoger beroep een rekenkundig rapport, gebaseerd op de hiervoor genoemde vergelijking, opgesteld. London heeft bij memorie van antwoord een rapport van het NRL van 17 september 2008 (prod. 5) overgelegd en [appellante] heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel (wederom) een aangepaste schadestaat, opgesteld door haar eigen advocaat, overgelegd (prod. 71). Partijen hebben elkaars uitgangspunten (deels) betwist. Aangezien het debat in hoger beroep zich tot nu toe vooral heeft toegespitst op het causaal verband tussen het ongeval en de klachten, is het hof aan de beoordeling van daarbij te hanteren uitgangspunten nog niet toegekomen. Nu er voorts sinds het uitbrengen van de memories en de rekenkundige rapporten de nodige tijd is verstreken, ziet het hof aanleiding partijen in de gelegenheid te stellen hun uitgangspunten nader toe te lichten en te actualiseren. Vanzelfsprekend dient daarbij rekening te worden gehouden met relevante gewijzigde wetgeving, zoals de wetgeving ten aanzien van de pensioenleeftijd. Het hof is van oordeel dat bij de berekening van de arbeidsvermogensschade de uit die wetgeving voor [appellante] voortvloeiende pensioenleeftijd uitgangspunt dient te zijn. Het hof zal op grond van de nadere toelichting van partijen de overige uitgangspunten formuleren op grond waarvan vervolgens een geactualiseerde schadeberekening door het NRL kan worden gemaakt. 
Het hof begrijpt uit een opmerking van [appellante] dat ook haar voorkeur uitgaat naar een schadeberekening door het NRL. 

26.16. Het hof sluit niet uit dat, gelet op het feit dat in deze zaak al de nodige beslissingen zijn genomen - zoals ten aanzien van het causaal verband en het percentage eigen schuld – partijen er de voorkeur aangeven om tijdens een meervoudige comparitie te bezien of een minnelijke regeling van het geschil mogelijk is, dan wel te bezien of zij ten overstaan van het hof tot overeenstemming kunnen komen over de daarbij te hanteren uitgangspunten. Partijen dienen in dat geval daartoe gezamenlijk een verzoek bij het hof in te dienen, waarna het hof een meervoudige comparitie zal gelasten. 

buitengerechtelijke kosten 

26.17. [appellante] heeft wederom verzuimd nadere informatie over de buitengerechtelijke kosten over te leggen (zie r.o. 8.6.2 van het arrest van 13 juli 2010). [appellante] wordt alsnog, maar nu voor de laatste keer, in de gelegenheid gesteld die informatie over te leggen. LJN BZ2030

Deze website maakt gebruik van cookies