RBGEL 170626 verkeersongeval in Oostenrijk; overlijdensschade kinderen; beoordeling schade en verjaring naar Oostenrijks recht
- Meer over dit onderwerp:
RBGEL 170626 verkeersongeval in Oostenrijk; overlijdensschade kinderen; beoordeling schade en verjaring naar Oostenrijks recht
2. De feiten
2.1.
Op 2 januari 2017 is [vader eisers] , bestuurder van Topparken Holding B.V en vader van [de eisers] , in Gerlos, Oostenrijk, op straat aangereden door een bij (een rechtsvoorgangster van) Generali verzekerde personenauto. [eiser 1] heeft het ongeval zien gebeuren, [eiser 2] niet. [vader eisers] is aan zijn verwondingen overleden.
[de eisers] waren destijds respectievelijk 17 en 13 jaar oud. [vader eisers] was tot de echtscheiding in 2016 gehuwd met [naam 1] .
2.2.
De begrafenis van [vader eisers] vond plaats op 19 januari 2017. De uitvaartondernemer heeft de erven daarvoor een rekening gestuurd van € 31.589,47. In verband met de uitvaart zijn aan Topparken Holding B.V. (verder: Topparken) bedragen van in totaal € 211.204,20 in rekening gebracht. Voor de kosten van het grafmonument is aan [naam 2] een factuur van € 5.993,00 gezonden.
2.3.
Bij e-mail van 19 juli 2017 heeft het Ausländerschadensbüro van het Verband der Versicherungsunternehmen Österreichs te Wenen (verder: het Verband) aan [de eisers] laten weten dat de belangen bij auto-ongevallen in Oostenrijk van de rechtsvoorgangster van Generali worden behartigd door Generali Versicherung AG, gevestigd in Wenen, Oostenrijk (verder: Generali Oostenrijk).
2.4.
Bij vonnis van 9 augustus 2017 heeft het Landesgericht Innsbruck de bestuurder van de personenauto veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens dood door grove nalatigheid (grob fahrlässige Tötung). Vastgesteld werd dat de bestuurder in het donker en met door sneeuwval verminderd zicht, zonder licht te voeren en in beschonken toestand reed en [vader eisers] , die zich op de rijbaan bevond, over het hoofd heeft gezien en heeft aangereden, waardoor hij traumatisch hersenletsel heeft opgelopen, als gevolg waarvan hij is overleden. De bestuurder is daarbij tevens veroordeeld om aan de benadeelde partijen (Privatbeteiligten) [eiser 1] en [eiser 2] (lees: [de eisers] , rb) ieder € 500,00 te betalen. Dit Oostenrijkse strafvonnis is onherroepelijk.
2.5.
Bij brief van 24 oktober 2017 heeft Generali Oostenrijk aan [de eisers] bericht “dass wir in den Schadenfall eintreten können”. Generali Oostenrijk heeft daarbij meegedeeld een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken te verwachten en ook een toelichting op de gezinssituatie.
2.6.
Bij e-mail van 18 oktober 2019 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 15 december 2020 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.
2.7.
Op 11 mei 2020 heeft Generali aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.000,00 betaald ter zake van smartengeld c.q. shockschade.
2.8.
Bij e-mail van 27 november 2020 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 31 december 2021 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.
2.9.
Bij e-mail van 7 december 2021 heeft de afdeling “Grüne Karte Kfz-Schaden Ausland” van Generali Oostenrijk namens het Verband aan [de eisers] laten weten tot 30 juni 2022 af te zien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.
2.10.
Bij e-mail van 26 mei 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat zij de verlangde bewijsstukken nog niet heeft ontvangen, dat de termijn van afzien van een beroep op verjaring al meerdere keren is verlengd, dat zij dit nu voor de laatste maal zal doen en tot 30 november 2023 geen verjaringsverweer zal tegenwerpen.
2.11.
Op 23 augustus 2023 heeft Generali betreffende smartengeld c.q. shockschade een aanvullend bedrag van € 10.000,00 betaald aan [eiser 1] onder de vermelding “Betreffend Trauerschmerzengeld/Schockschaden stellen wir lhrem Mandanten [eiser 1] , der diesen tragischen Unfall miterlebte, einen weiteren Betrag von 10.000,00 Euro zur Verfügung”. Ook heeft Generali toen de leges die [de eisers] als benadeelde partijen in de strafzaak hebben moeten betalen, in totaal een bedrag van € 1.761,42, aan hen betaald.
2.12.
Bij e-mail van 16 november 2023 heeft de afdeling “SVL-KFZ Ost” van Generali Oostenrijk aan [de eisers] laten weten dat na ruggenspraak met haar contactpersoon tot 31 december 2023 wordt afgezien van een beroep op verjaring van hun vorderingen.
3Het geschil
3.1.
[de eisers] vorderen, na wijziging van eis, dat de rechtbank, zo veel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor alle door [de eisers] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 2 januari 2017,
2) Generali zal veroordelen om wegens geleden schade tot en met 2020 te betalen, aan [eiser 1] een bedrag van € 369.425,05 en aan [eiser 2] een bedrag van € 366.871,63, althans in goede justitie vast te stellen schadevergoedingen, te vermeerderen met rente,
3) voor recht zal verklaren dat Generali aan [eiser 1] en [eiser 2] met ingang van 1 januari 2021, althans een in goede justitie vast te stellen begindatum, ieder een jaarlijkse vergoeding voor gemiste onderhoudsbijdrage, gemiste bijdragen aan huishoudelijke taken en gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene verschuldigd is, op te maken bij staat,
4) voor recht zal verklaren dat Generali aansprakelijk is voor de door [de eisers] te lijden belastingschade c.q. het belastingnadeel over de door hen te ontvangen schadevergoeding(en),
met veroordeling van Generali in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met rente.
3.2.
[de eisers] baseren hun vorderingen kort gezegd erop dat zij als nabestaanden naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder aanspraak hebben op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade, van de begrafeniskosten, van gemist levensonderhoud, van de gemiste bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding en aan het onderhoud van de gezinswoning en van de belasting die zij over de te ontvangen schadevergoeding zullen moeten afdragen. Zij kunnen deze aanspraken rechtstreeks te gelde maken tegen Generali, bij wie de door de bestuurder bestuurde auto ten tijde van het ongeval tegen aansprakelijkheid was verzekerd, aldus [de eisers] .
3.3.
De aanspraak op vergoeding van smartengeld c.q. shockschade hebben [de eisers] becijferd op respectievelijk € 30.000,00 en € 15.000,00, waarvan Generali reeds respectievelijk € 25.000,00 en € 15.000,00 heeft betaald, zodat in dit verband nog een aanspraak van [eiser 1] resteert van € 5.000,00.
De aanspraak op vergoeding van de kosten van de begrafenis hebben [de eisers] geraamd op € 248.786,67, het totaal van de in 2.2. genoemde bedragen. Voor zover deze kosten door Topparken Holding B.V,. zijn voldaan, heeft deze vennootschap haar vordering op de bestuurder c.q. Generali aan [de eisers] overgedragen. [de eisers] vorderen ieder de helft van de begrafeniskosten.
De aanspraak op gemiste onderhoudsbijdrage, waaronder opleidingskosten en ten behoeve van dit onderhoud door de overledene opgebouwd vermogen van € 100.000,00 per kind, en gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] tot en met 2020 becijferd op respectievelijk € 240.531,71 en € 242.978,29. Hun aanspraken op wezenpensioen en uit een lijfrente hebben zij daarin verdisconteerd.
Op hun aanspraak hebben [de eisers] ieder de € 500,00 in mindering gebracht die zij op basis van het Oostenrijkse strafvonnis van de bestuurder hebben ontvangen.
3.4.
Generali voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [de eisers] , dan wel tot afwijzing van hun vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [de eisers] in de (na)kosten van deze procedure, vermeerderd met rente.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Geen nadere akte
4.1.
De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om [de eisers] nog bij akte op productie 8 van Generali te laten reageren. Zij hebben zich over dit juridisch advies van dr. [adviseur] genoegzaam kunnen uitlaten, in aanmerking genomen dat de strekking ervan al grotendeels in de conclusie van antwoord was vervat, zij mede worden bijgestaan door een Oostenrijkse advocaat en zij zich vervolgens ook daadwerkelijk ter zitting hebben uitgelaten. Een nadere akte is dan, met het oog op hoor en wederhoor of een goede instructie van de zaak, niet noodzakelijk.
IPR
4.2.
In deze zaak met internationale aspecten heeft deze rechtbank rechtsmacht op grond van art. 11 lid 1 sub b j° art. 13 lid 2 en art. 26 lid 1 van de Brussel I bis-Verordening (nr. 1215/2012). Het betreft hier een vordering die door getroffenen rechtstreeks tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar wordt en kan worden ingesteld, Generali heeft woonplaats op het grondgebied van een lidstaat van de EU en [de eisers] wonen in het rechtsgebied van deze rechtbank. Generali is bovendien verschenen zonder de bevoegdheid van de rechtbank te betwisten.
4.3.
Het ongeval heeft plaatsgevonden op het grondgebied van Oostenrijk. Uit art. 3 van het Verdrag inzake de wet die van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971/118), welk Verdrag gelet op art. 10:158 BW en art. 28 van de Rome II-Verordening (nr. 864/2007) voor gaat op die Verordening en bij welk Verdrag Nederland en Oostenrijk partij zijn, volgt dan dat Oostenrijks recht van toepassing is. Ingevolge art. 8 van dit Verdrag bepaalt Oostenrijks recht onder meer welke personen recht hebben op vergoeding van persoonlijk door hen geleden schade, alsmede de termijn voor de verjaring of het verval van een aanspraak op schadevergoeding, alsmede het tijdstip van aanvang van die termijn en van zijn stuiting of schorsing. [de eisers] en ook Topparken, die haar vordering aan hen heeft overgedragen, hebben krachtens Oostenrijks recht een rechtstreekse vordering tot schadevergoeding op Generali, de verzekeraar van de aansprakelijke partij, in de zin van art. 9 lid 1 van het hiervoor bedoelde Verdrag.
Cessies
4.4.
[de eisers] hebben bij akte van 1 juli 2025, vlak voordat de zaak opnieuw werd opgebracht, hun vorderingen op Generali overgedragen aan Topparken. Generali heeft bij antwoord opgeworpen dat [de eisers] daarom niets meer van haar te vorderen te hebben, zodat het gevorderde moet worden afgewezen. Bij akte van 10 februari 2026, vlak voor de mondelinge behandeling, heeft Topparken haar vorderingen op Generali overgedragen aan [de eisers] , zoals klaarblijkelijk van aanvang af de bedoeling was. Het verweer van Generali slaagt daarom niet.
Verjaring
4.5.
Generali beroept zich erop dat de vorderingen die [de eisers] hebben ingesteld zijn verjaard, in de eerste plaats omdat de verklaringen dat dit verweer niet zal worden gevoerd, niet namens Generali zijn gedaan en dus jegens haar geen werking hebben. De verjaringstermijn, naar Oostenrijks recht drie jaar nadat de benadeelde bekend is geworden met de schade en de aansprakelijke partij (§ 1489 Allgemeines bürgerliches Gesetzbuch, verder: ABGB), is daarom verstreken zodat de vorderingen zijn verjaard, aldus Generali.
4.6.
Dit verweer slaagt niet. Generali leidt uit de verklaringen van Generali Oostenrijk af dat Generali Oostenrijk uitsluitend namens het Verband tijdelijk afstand heeft gedaan van een beroep op verjaring en niet namens Generali. De rechtbank verwerpt dat standpunt.
4.7.
Zoals [de eisers] in de dagvaarding onbetwist hebben gesteld en ter zitting met een citaat uit de betreffende e-mail hebben onderbouwd, heeft het Verband op 19 juli 2017 aan [de eisers] laten weten dat de belangen van de rechtsvoorgangster van Generali bij ongevallen met motorrijtuigen in Oostenrijk worden behartigd door Generali Oostenrijk, als de bevoegde contactpersoon. Daarbij is hun gevraagd zich voor de verdere correspondentie over de schadeafwikkeling tot Generali Oostenrijk te wenden. Generali Oostenrijk heeft zich vervolgens ook als zodanig gemanifesteerd, bijvoorbeeld door [de eisers] op 24 oktober 2017 te berichten “dass wir in den Schadenfall eintreten können” met het verzoek om een becijfering van de vordering met bijbehorende bewijsstukken en een toelichting op de gezinssituatie. Op 26 mei 2023 heeft Generali Oostenrijk nog gerappelleerd over ontbrekende bewijsstukken. De contacten van [de eisers] met Generali Oostenrijk hebben bovendien geleid tot betalingen door Generali.
4.8.
Generali Oostenrijk is aldus opgetreden als schaderegelaar (Schadenregulierungs-beauftragte) van Generali, in de zin van art. 21 van Richtlijn 2009/103/EG betreffende de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid waartoe de deelneming aan het verkeer van motorrijtuigen aanleiding kan geven en de controle op de verzekering tegen deze aansprakelijkheid (verder: Richtlijn 2009/103/EG). Zie voor de verplichting van Generali om in Oostenrijk een schaderegelaar aan te wijzen § 163 van het huidige Duitse Versicherungsaufsichtsgesetz. Een dergelijke schadebehandelaar moet, gelet op lid 1 van dit art. 21 en lid 1 van deze § 163, geacht worden de verzekeraar ter zake van de behandeling en afwikkeling van een vordering als de onderhavige bevoegd te vertegenwoordigen. De verklaringen van Generali Oostenrijk over het afzien van een beroep op verjaring binden Generali dus wel degelijk, nog daargelaten dat Generali Oostenrijk in de e-mailberichten van 26 mei 2023 en 16 november 2023 niet heeft verklaard dat zij namens het Verband afziet van een beroep op verjaring. Dit betekent dat de vorderingen van [de eisers] in ieder geval tot 31 december 2023 niet zijn verjaard.
4.9.
Dit geldt niet voor de aan [de eisers] overgedragen vordering van Topparken ter zake van de aan haar in rekening gebrachte kosten van de uitvaart. Zoals [de eisers] aanvoeren en Generali onderschrijft, heeft Topparken naar Oostenrijks recht jegens de bestuurder en Generali een eigen recht op vergoeding van kosten die zij in verband met het ongeval heeft gemaakt, althans tot op zekere hoogte. Gesteld noch gebleken is echter dat Topparken tegenover de bestuurder, Generali, het Verband of Generali Oostenrijk op enigerlei wijze de verjaring heeft gestuit. Dat er door of namens Topparken enige communicatie is geweest in de richting van een van deze partijen totdat in 2025 mededeling werd gedaan van de eerste cessie, is niet gesteld en blijkt ook nergens uit. Haar aanspraak op vergoeding van deze kosten is dan verjaard. Dit betreft het totaal van de rekeningen die ter zake van het overlijden en de uitvaart aan Topparken zijn gezonden, ter hoogte van het in 2.2. bedoelde bedrag van € 211.204,20. Dat Topparken haar vordering aan [de eisers] heeft overgedragen maakt het voorgaande niet anders. Die vordering was toen al verjaard.
4.10.
Generali beroept zich in de tweede plaats erop dat de vorderingen van [de eisers] zijn verjaard, omdat zij de onderhavige procedure, die voor 31 december 2023 werd ingeleid, onvoldoende voortvarend hebben voortgezet.
4.11.
Volgens § 1497 ABGB wordt de verjaring gestuit door de schuldenaar in rechte aan te spreken en die procedure behoorlijk voort te zetten (Die Verjährung wird unterbrochen wenn er (degene die zich op verjaring wil beroepen, rb) von dem Berechtigten belangt, und die Klage gehörig fortgesetzt wird). Wordt een procedure gestart, maar niet behoorlijk vervolgd, dan verjaart dus alsnog de vordering. Volgens vaste Oostenrijkse rechtspraak is pas sprake van onbehoorlijke voortzetting als de eiser een ongebruikelijke inactiviteit aan de dag legt, waaruit kan worden afgeleid dat hij niet langer belang hecht aan het bereiken van het procesdoel. (… wenn der Kläger eine ungewöhnliche Untätigkeit an den Tag legt, die darauf schließen lässt, dass ihm an der Erreichung des Prozesszieles nicht mehr gelegen ist.1)
4.12.
Generali wijst in dit verband erop dat [de eisers] , na doorhaling van de zaak op de rol bij beslissing van 16 april 2024, totdat zij op 1 juli 2025 aankondigden dat de zaak opnieuw zou worden opgebracht, niet van zich hebben laten horen. Deze inactieve periode van 14½ maand betekent dat [de eisers] de procedure niet behoorlijk hebben vervolgd. Daarom is de vordering verjaard, aldus Generali.
4.13.
Dit verweer slaagt niet. Naar Oostenrijks recht is inactiviteit slechts relevant voor zover deze inactiviteit valt in de periode na het vollopen van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn. (Die Untätigkeit ist nur soweit relevant, als sie in die Zeit nach Ablauf der (ursprünglichen) Verjährungsfrist fällt.2)
4.14.
Uit § 1497 ABGB volgt dat de verjaring ook wordt gestuit als degene die zich op verjaring wil beroepen vóór het vollopen van de verjaringstermijn het recht van de ander uitdrukkelijk of stilzwijgend erkent. (Die Verjährung wird unterbrochen wenn derjenige, welcher sich auf dieselbe berufen will, vor dem Verlaufe der Verjährungszeit entweder ausdrücklich oder stillschweigend das Recht des Andern anerkannt hat.) De erkenning hoeft niet uitdrukkelijk te geschieden; gedrag waaruit kan worden afgeleid dat de schuldenaar zich ervan bewust is tot betaling verplicht te zijn, is voldoende. De verjaring wordt onderbroken door elke handeling van de schuldenaar die op enigerlei wijze uitdrukking geeft aan zijn besef dat hij uit hoofde van de betreffende schuldverhouding verplicht is jegens de schuldeiser, waarbij de objectieve verklarende waarde van de wilsuiting doorslaggevend is. Door deelbetalingen wordt de verjaring onderbroken wanneer er geen twijfel over bestaat dat de schuldenaar daarmee slechts een deel van zijn schuld wilde dekken. (Die Anerkennung muss nicht ausdrücklich erfolgen; ein Verhalten, aus dem sich entnehmen lässt, dass der Schuldner das Bewusstsein hat, zur Zahlung verpflichtet zu sein, ist ausreichend. Die Unterbrechung der Verjährung bewirkt jede Handlung des Schuldners, die in irgendeiner Weise sein Bewusstsein, aus dem betreffenden Schuldverhältnis dem Gläubiger verpflichtet zu sein, zum Ausdruck bringt, wobei es auf den objektiven Erklärungswert der Willensäußerung ankommt. Durch Teilzahlungen wird die Verjährung dann unterbrochen, wenn zweifelsfrei ist, dass der Schuldner mit ihnen nur einen Teil seiner Schuld abdecken wollte.3)
4.15.
Uit de door [de eisers] gestelde feiten volgt dat Generali laatstelijk op 23 augustus 2023 ter zake van smartengeld c.q. shockschade en ter vergoeding van leges, betalingen heeft gedaan aan [de eisers] , zonder twijfel ter delging van slechts een deel van haar schuld aan hen. Die schuld bestond immers uit meer dan smartengeld c.q. shockschade, zoals Generali, getuige de herhaalde verzoeken om bewijsstukken ten aanzien van gederfd levensonderhoud, ook wist. Uit voormelde deelbetalingen van Generali aan [de eisers] kan worden afgeleid dat Generali zich bewust was tot betaling verplicht te zijn. De betalingen geven immers objectief beschouwd blijk van haar besef van de aanspraken van [de eisers] jegens haar uit hoofde van het ongeval. De verjaring is dan ook wegens erkenning gestuit op 23 augustus 2023. Op dat moment is de verjaringstermijn van drie jaar uit § 1489 ABGB opnieuw aangevangen. Volgens Oostenrijks recht wordt door de erkenning de lopende verjaringstermijn gestuit; deze begint volledig opnieuw te lopen zodra de reden voor de stuiting is weggevallen. (Durch die Anerkennung wird die laufende Verjährung unterbrochen; sie beginnt nach Wegfall des Unterbrechungsgrundes völlig neu zu laufen.4) Sinds 23 augustus 2023 zijn nog geen drie jaar verstreken. Talmen van [de eisers] tijdens de onderhavige procedure kan dan naar Oostenrijks recht hun vorderingen niet doen verjaren, wat daarvan verder zij.
Aansprakelijkheid
4.16.
Niet in geschil is dat de bestuurder en houder van de bij Generali verzekerde personenauto jegens [de eisers] aansprakelijk is uit hoofde van § 1 en § 5 van het Eisenbahn- und Kraftfahrzeughaftpflichtgesetz (verder: EKHG). Onbetwist is ook dat [de eisers] op basis van § 26 van het Kraftfahrzeug-Haftpflichtversicherungsgesetz 1994 deze schadevergoedingsaanspraak rechtstreeks jegens Generali geldend kunnen maken. Over de schade waarvan [de eisers] vergoeding vorderen, wordt, uitgesplitst per schadepost, het volgende overwogen.
Begrafeniskosten
4.17.
In § 12 van het EKHG, dat de inhoud van de schadeloosstelling betreft, is in lid 1 aanhef en onder 5 bepaald dat, in geval van overlijden, degene die de kosten van de begrafenis moet dragen of deze kosten daadwerkelijk heeft gedragen, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten van een passende begrafenis. Niet in geschil is dat [de eisers] jegens Generali recht hebben op vergoeding van de kosten van de begrafenis die zij hebben gemaakt, voor zover deze passend was.
4.18.
Ter zake van de begrafenis is, zoals gezegd, aan de erven een bedrag van € 31.589,47 in rekening gebracht, van welk bedrag [de eisers] in deze procedure vergoeding vorderen. Generali betwist dat [de eisers] deze kosten hebben voldaan. Omdat (vrijwel) alle andere facturen ter zake van de begrafenis door Topparken zijn betaald acht Generali aannemelijk dat ook de factuur van de uitvaartondernemer door Topparken is voldaan en niet door [de eisers] . Daarbij heeft Generali gewezen op de eerste cessieakte, waarin staat dat Topparken een belangrijk deel van de kosten van de uitvaart heeft voldaan. De kosten van de uitvaart hebben volgens [de eisers] in totaal € 248.786,67 bedragen, waarvan een bedrag van € 211.204,20 door Topparken is voldaan, zoals hiervoor in 4.9. is aangenomen. Dit sluit aan bij de tekst van de cessieakte waarin staat dat de kosten slechts voor een belangrijk deel en dus niet (bijna) volledig door Topparken zijn voldaan. De cessieakte lijkt dan juist het standpunt van [de eisers] te ondersteunen dan zij het verhoudingsgewijs geringe bedrag van € 31.589,47 wel zelf hebben voldaan. In ieder geval heeft Generali dit aldus onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat zonder bewijslevering wordt vastgesteld dat [de eisers] zelf voor een bedrag van € 31.589,47 de kosten van de begrafenis hebben moeten dragen, zoals Generali uiteindelijk ook ‘hooguit’ wel wil aannemen. [eiser 1] heeft in de dagvaarding vergoeding van dit volledige bedrag gevorderd. Na wijziging van eis vorderen [de eisers] ieder de helft van deze kosten. In het juridisch advies van dr. [adviseur] dat Generali in het geding heeft gebracht worden aan deze eiswijziging verjaringsgevolgen verbonden, maar dat is niet concreet gebeurd in de processtukken of ter zitting, zodat de rechtbank hieraan voorbij gaat.
4.19.
De kosten van het grafmonument ad € 5.993,00 zijn bij [naam 2] in rekening zijn gebracht. [de eisers] hebben niet toegelicht dat en hoe deze kosten toch voor hun rekening zijn gekomen. In zoverre is het gevorderde daarom niet toewijsbaar.
4.20.
Ter zake van de hoogte van het gevorderde bedrag is het volgende van belang. Niet in geschil is dat de factuur van de begrafenisondernemer diensten en zaken betreft die naar Oostenrijks recht als kosten van de begrafenis hebben te gelden. De vraag is vervolgens wat de kosten van een passende begrafenis in dit geval zijn, omdat slechts in zoverre een vergoedingsplicht bestaat. Volgens Generali is het gevorderde bedrag onredelijk hoog. Volgens haar wordt in Oostenrijk doorgaans een bedrag van tussen € 10.000,00 en € 20.000,00 als redelijk beschouwd, waaraan in het advies van [adviseur] is toegevoegd dat zelfs als rekening wordt gehouden met de hoge beroepsstatus van [vader eisers] de gevorderde kosten ad € 248.000,00 onredelijk hoog zijn.
4.21.
Zoals [de eisers] aanvoeren moet voor de uitleg van het begrip ‘passende begrafenis’ in § 12 lid 1 aanhef en onder 5 EKHG § 549 ABGB analoog worden toegepast, waarin is bepaald dat de gewoonten van de plaats, alsmede de stand en het vermogen van de overledene doorslaggevend zijn.5 Niet in geschil is dat de stand en het vermogen van [vader eisers] aanzienlijk bovengemiddeld waren. Dan kan een bedrag dat iets hoger ligt dan anderhalf keer een kennelijk doorgaans nog passend bedrag, niet bovenmatig worden beschouwd. Gelet hierop is aan [de eisers] ieder een bedrag van € 15.794,74 voor begrafeniskosten toewijsbaar. Zoals gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag en wel vanaf 28 juli 2023. Generali heeft onweersproken opgeworpen dat naar Oostenrijks recht de wettelijke rente pas gaat lopen vanaf het moment waarop een concreet bedrag aan schadevergoeding wordt gevorderd. Dit is volgens [de eisers] gebeurd door bij brief van 29 juni 2023 uiterlijk op 28 juli 2023 betaling te verlangen. [de eisers] hebben er dan geen belang meer bij dat voor recht wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.
Smartengeld [eiser 1]
4.22.
Niet in geschil is dat [eiser 1] , nu de bestuurder grove schuld heeft aan het ongeval, aanspraak heeft op vergoeding van het verdriet om het verlies van zijn vader (zogenoemd Trauerschmerzengeld6). Generali heeft hem in dit verband buiten rechte al een vergoeding betaald van in totaal € 25.000,00. [eiser 1] vordert nu € 5.000,00 meer. Daartoe wijst hij erop dat hij destijds als minderjarige in gezinsverband samenleefde met zijn vader met wie hij de gebruikelijke intensieve emotionele band had, dat hij persoonlijk getuige was van het ongeval en heeft moeten zien hoe zijn stervende vader met zware hoofdwonden op de grond was gevallen en dat hij nog steeds lijdt aan slaap- en concentratiestoornissen, onevenwichtigheid en depressie. Hij heeft daarbij verwezen naar § 273 Zivilprozessordnung (ZPO), waarin een algemene regeling voor bewijsnood in gevallen van schadevergoeding is gegeven. Omdat in deze zaak Nederlands procesrecht moet worden toegepast7 gaat de rechtbank hieraan voorbij, met dien verstande dat het in dit geval, gelet op het hierna volgende, niet op bewijslevering aankomt.
4.23.
Generali heeft de door [eiser 1] aangevoerde omstandigheden niet betwist, maar meent dat de reeds uitgekeerde vergoeding meer dan redelijk is.
4.24.
In de door [de eisers] aangehaalde uitspraak van het Oberste Gerichtshof werd de € 20.000,00 die in eerste aanleg werd toegewezen aan ieder van de ouders van een kind van zes jaar dat op 31 maart 2004 bij een verkeersongeval om het leven kwam, door het Oberste Gerichtshof in stand gelaten.8 Die € 20.000,00 bedroeg, rekening houdend met de geldontwaarding in Oostenrijk tussen 31 maart 2004 en 2 januari 2017, op laatstgenoemde datum ongeveer € 25.000,00. De benadeelden hadden in dat geval, anders dan [eiser 1] in de onderhavige zaak, het ongeval niet zien gebeuren. Zoals ook volgt uit de nabetaling door Generali op 23 augustus 2023 en de reden die zij daarvoor toen heeft opgegeven, is het feit dat de benadeelde getuige was van het verongelukken, een wezenlijk verhogende omstandigheid voor het verschuldigde Trauerschmerzengeld. Generali heeft niet concreet betwist dat de overige omstandigheden van de door het Oberste Gerichtshof berechte geval vergelijkbaar zijn met die van de onderhavige zaak. In het licht hiervan overvraagt [eiser 1] niet door in totaal € 30.000,00 aan smartengeld c.q. shockschade te verlangen. De nog niet vergoede € 5.000,00 zal dus aan hem worden toegewezen. Zoals onbetwist gevorderd zal dit bedrag worden vermeerderd met de wettelijke rente (in de zin van § 1000 lid 1 en § 1333 lid 1 ABGB) over dit bedrag vanaf 28 juli 2023, op de hiervoor genoemde gronden. Het belang van een verklaring voor recht dat wordt verklaard dat Generali aansprakelijk is voor deze schade komt daarmee te ontvallen. In zoverre zal het gevorderde worden afgewezen.
Gemist levensonderhoud en gemiste zelfwerkzaamheid
4.25.
Ingevolge § 12 lid 2 j° § 19 EKHG en § 1327 ABGB moeten in een geval als dit, waarin lichamelijk letsel de dood tot gevolg heeft, de nabestaanden, voor wier onderhoud de overledene volgens de wet moest zorgen, schadeloos worden gesteld voor hetgeen hun daardoor ontgaat. Niet in geschil is dat tot dit gemiste onderhoud ook behoort de gemiste zelfwerkzaamheid van de overledene in het huishouden en aan de gezinswoning. De sub 1 en sub 3 gevorderde verklaringen voor recht zijn dan ook toewijsbaar in die zin dat voor recht verklaard zal worden dat Generali aansprakelijk is voor het levensonderhoud en de zelfwerkzaamheid in het huishouden en aan de gezinswoning die [de eisers] moeten missen als gevolg van het overlijden van [vader eisers] . Ter zitting hebben [de eisers] verklaard dat met de eiswijziging na hervatting van de procedure bedoeld is de term ‘levenslang’ in het petitum van de dagvaarding sub 3 te laten vervallen en dat de rechtbank het zo moet begrijpen dat het gaat om de periode totdat de kinderen in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. Ook volgens Generali is dat zo. De toe te wijzen verklaring voor recht zal in deze zin worden aangevuld.
4.26.
[de eisers] hebben sub 2 een veroordeling gevorderd tot betaling van de volgens hen tot en met 2020 in dit verband concreet verschenen schade. Voor nadien in dit verband verschenen en te verschijnen schade vorderen zij sub 3 klaarblijkelijk een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat.
4.27.
Ter zake van de tot en met 2020 verschenen schade geldt het volgende. Niet in geschil is dat [de eisers] aanspraak (kunnen) hebben op enig bedrag als compensatie voor het missen van onderhoud. Het is aan hen om in dit verband het nodige te stellen en te bewijzen. Om dit schadebedrag te kunnen becijferen is inzicht nodig in het gezinsinkomen, in het bijzonder het vrij besteedbare gezinsinkomen en het aandeel van de afzonderlijke gezinsleden daarin, de zogenoemde Konsumquote.9 Ook is hiervoor van belang of en zo ja in welke mate de moeder van [de eisers] in hun onderhoud voorzag of (volgens het echtscheidingsconvenant) moest voorzien. Verder moet daarvoor in kaart worden gebracht op welke bedragen [de eisers] vanwege het overlijden jegens derden aanspraak konden maken, zoals bijvoorbeeld uit wezenpensioen en lijfrente. Als [de eisers] zelf inkomsten genereerden is dat ook van belang.
4.28.
[de eisers] hebben in dit verband stellingen betrokken en hebben op basis van deze stellingen de schade laten berekenen. Zij hebben echter nagelaten om hun stellingen behoorlijk met stukken concreet toe te lichten en te onderbouwen, hoewel van de zijde van Generali vanaf 24 oktober 2017 bij herhaling om dergelijke stukken is verzocht. Als bewijs voor studiekosten wordt bijvoorbeeld verwezen naar een simpel staatje, zonder onderliggende bewijsstukken te delen. De basis voor de Konsumquote, een bedrag van € 49.717,00 in 2016, hebben zij als feit gepresenteerd, zonder concrete onderbouwing. Over de inkomsten van de overledene en hun eigen inkomsten hebben [de eisers] geen concrete, met stukken onderbouwde informatie verschaft. Bovendien hebben [de eisers] , hoewel zij onderkennen dat hun aanspraken door het Oostenrijkse recht worden bepaald, hun berekening van de schade gebaseerd op Nederlands recht, omdat het rekenprogramma van hun actuaris daarop is ingericht.
4.29.
Het rapport met deze berekening bevat, behalve jaaropgaven van een pensioenfonds en een offerte voor een lijfrente, geen bewijsstukken van de uitgangspunten die aan de berekening ten grondslag zijn gelegd. Deze uitgangspunten zijn volgens het rapport aangedragen door dr. Wijnkamp en een accountant, waarnaar [de eisers] vervolgens in hun dagvaarding weer verwijzen ten bewijze van hun stellingen. Dit is een cirkelredenering. Ter zake van bewijs voor gemiste zelfwerkzaamheid hebben [de eisers] in de dagvaarding nog verwezen naar een berekening met bijlagen van [expertisekantoor] B.V. van 6 november 2014, zonder deze stukken, die overigens gelet op het jaartal dateren van voor het ongeval, in het geding te brengen. Bij akte na hervatting hebben zij deze verwijzing weer teruggenomen.
4.30.
Generali heeft in haar conclusie van antwoord aandacht gevraagd voor deze voortdurende gebrekkige onderbouwing van stellingen. In reactie daarop hebben [de eisers] 14 dagen voor de zitting een groot aantal bewijsstukken overgelegd. Zij hebben echter nagelaten de rechtbank en Generali wegwijs te maken in die stukken, in die zin dat niet duidelijk is gemaakt hoe deze stukken hun vorderingen concreet onderbouwen. Ter zitting hebben [de eisers] over deze stukken in de eerste plaats opgemerkt dat ze vooral van belang zijn voor zover concrete beslissingen nodig zijn over een andere berekeningsmethode dan hun actuaris heeft toegepast of als na bewijslevering over de omvang van de schade moet worden geconcludeerd. Onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld. Verder is ter zitting door [de eisers] over de stukken opgemerkt dat het te ver voert om die allemaal in detail te bespreken, maar dat daarmee de vordering ter zake van gemist onderhoud is onderbouwd. Aldus is de concrete relevantie van de stukken voor de vorderingen niet inzichtelijk gemaakt. [de eisers] refereren in dit verband nog aan de gang van zaken in een Oostenrijkse schadevergoedingsprocedure, waarin een deskundige het voortouw neemt. Reeds omdat deze zaak naar Nederlands procesrecht moet worden behandeld, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Naar Nederlands procesrecht kan weliswaar een deskundige worden benoemd om de schade te berekenen, maar het begint ermee dat vorderingen deugdelijk worden toegelicht en onderbouwd, ook om verweer daartegen en bespreking ervan mogelijk te maken.
4.31.
Het voorgaande leidt ertoe dat tot op heden geen inhoudelijk partijdebat over de omvang van deze schadepost heeft kunnen plaatsvinden. Dit brengt mee dat weliswaar vastgesteld kan worden dat Generali aansprakelijk is en dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is, maar dat de rechtbank niet in staat is het beloop van de schade in dit vonnis te bepalen. [de eisers] hebben daarover bovendien zoveel onduidelijk gelaten dat de rechtbank geen nader onderzoek in de hoofdzaak zal gelasten, maar een veroordeling tot schadevergoeding op te maken bij staat zal uitspreken.10
4.32.
Van de na 2020 verschenen en nog te verschijnen schade vorderen [de eisers] , naast de in 4.25. bedoelde verklaring voor recht, klaarblijkelijk een veroordeling tot vergoeding op te maken bij staat. De mogelijkheid van deze schade is ook voldoende aannemelijk. De vordering zal worden toegewezen.
4.33.
Het verweer van Generali dat de vordering tot vergoeding van schade die is verschenen vanaf 2021 tot de dag van dagvaarding niet toewijsbaar is, wordt verworpen. Generali heeft haar verweer erop gebaseerd dat het naar Oostenrijks recht niet mogelijk is om ter zake van deze verschenen schade alleen een verklaring voor recht te vorderen. [de eisers] hadden deze schade concreet moeten vorderen en dat hebben zij niet gedaan, aldus Generali. Dit betreft klaarblijkelijk een regel van Oostenrijks procesrecht. Het Nederlandse procesrecht, dat hier geldt, kent een dergelijke regel niet. Voor zover Generali zich in dit verband op verjaring beroept slaagt ook dat verweer niet, omdat, zoals gezegd, de verjaring reeds door erkenning is gestuit.
Fiscaliteit
4.34.
Generali heeft niet betwist dat zij gehouden is op te komen voor door [de eisers] eventueel te lijden schade in de vorm van belasting die zij verschuldigd zijn over te ontvangen schadevergoedingen. De daartoe strekkende verklaring voor recht is toewijsbaar.
Proceskosten
4.35.
Omdat beide partijen gedeeltelijk ongelijk krijgen, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
1Zie bijvoorbeeld OGH 21 februari 2023, 2Ob12/23p, ECLI:AT:OGH0002:2023:0020OB00012.23P.0221.000 en Rechtssatznummer RS0034765.
2Zie OGH 23 maart 2011, 4Ob191/10g, ECLI:AT:OGH0002:2011:0040OB00191.10G.0323.000, r.o. 2.2., onder verwijzing naar OGH 17 november 2009, 1Ob165/09k, ECLI:AT:OGH0002:2009:0010OB00165.09K.1117.000.
3OGH 28 april 2015, 8Ob10/15a, ECLI:AT:OGH0002:2015:0080OB00010.15A.0428.000.
4Zie OGH 21 april 1995, 2Ob26/94, ECLI:AT:OGH0002:1995:0020OB00026.94.0421.000.
5Zie OGH 26 november 1998, 6Ob297/98i, ECLI:AT:OGH0002:1998:0060OB00297.98I.1126.000.
6Zie OGH 6 mei 2001, 2Ob84/01v, ECLI:AT:OGH0002:2001:0020OB00084.01V.0516.000.
7Zie art. 1 lid 3 Verordening (EG) nr. 864/2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen en art. 10:3 BW.
8Zie OGH 12 juli 2007, 2Ob263/06z, ECLI:AT:OGH0002:2007:0020OB00263.06Z.0712.000.
9Zie bijvoorbeeld OGH 28 januari 2021, 8Ob98/20z, ECLI:AT:OGH0002:2022:E130646, r.o. 65 e.v.
10Vergelijk bijvoorbeeld HR 21 december 1984, NJ 1985/904.