Overslaan en naar de inhoud gaan

GHAMS 091225 passagier vult ballonnen met lachgas t.b.v. bestuurder, die botst op pijlwagen; 60% ES, mede vanwege niet dragen gordel, vergoedingsplicht van 40% t.z.v. kosten deelgeschil

GHAMS 091225 passagier vult ballonnen met lachgas t.b.v. bestuurder, die botst op pijlwagen; 60% ES, mede vanwege niet dragen gordel, vergoedingsplicht van 40% t.z.v. kosten deelgeschil
 


In vervolg op:
RBNHO 180123 Verwerping in pari delicto verweer; eigen schuld passagier 50% bij ongeval onder invloed van lachgas; geen billijkheidscorrectie;
Kosten verzocht € 9.705,50; matiging vanwege lengte verzoekschrift tot € 4.809,75, x 50% vanwege ES

1De zaak in het kort

1.1.

[geïntimeerde] is als passagier in een personenauto op 23 april 2020 betrokken geraakt bij een verkeersongeval en hij is daarbij gewond geraakt. ASR is de verzekeraar van de auto op grond van de Wet Aansprakelijkheid Motorrijtuigen (WAM). Zij heeft uitkering op grond van de WAM geweigerd, omdat [geïntimeerde] zelf in gelijke mate als de bestuurder zou hebben bijgedragen aan de veroorzaking van het ongeval.

1.2.

De rechtbank heeft de bestuurder van de auto, [naam 1] , aansprakelijk geacht voor het ongeval, maar 50% eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] aangenomen en ASR veroordeeld om met inachtneming van dat percentage de schade van [geïntimeerde] te vergoeden. Tegen die uitspraak is ASR in hoger beroep gekomen. In hoger beroep maakt zij ook nog een extra verwijt aan [geïntimeerde] : hij zou de autogordel niet hebben gedragen.

1.3.

Het hof zal, omdat het afdoende bewezen acht dat [geïntimeerde] zijn autogordel ten tijde van het ongeval inderdaad niet heeft gedragen, het vonnis van de rechtbank vernietigen voor zover het betreft het percentage van de schade die ASR aan [geïntimeerde] moet vergoeden. Dit percentage wordt van 50% naar 40% verlaagd. Hieronder wordt uitgelegd hoe het hof tot die uitspraak is gekomen.

2Het geding in hoger beroep

2.1.

ASR heeft hoger beroep ingesteld tegen de deelgeschilbeschikking die de rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Alkmaar, op 18 januari 2023 tussen partijen heeft gegeven. Bij vonnis van 10 januari 2024 is aan ASR verlof verleend om van die beschikking hoger beroep in te stellen. Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep

  • -

    de memorie van grieven

  • -

    de memorie van antwoord

  • -

    een akte van ASR

Op 22 september 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben de zaak laten toelichten door hun hiervoor genoemde advocaten die gebruik hebben gemaakt van zittingsaantekeningen.

2.2.

Ten slotte is arrest gevraagd.

3Feiten

3.1.

De rechtbank heeft in 2.1 tot en met 2.7 van de bestreden uitspraak de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. In hoger beroep is niet in geschil dat de feiten juist zijn weergegeven, zodat ook het hof van deze feiten uitgaat. Samengevat komen die op het volgende neer.

3.2.

[geïntimeerde] en [naam 1] hebben elkaar op 23 april 2020 ontmoet. Zij kennen elkaar van “de straat”. [geïntimeerde] was toen [jaar 2] ; [naam 1] was [jaar 1] . Bij een McDonalds/Carwash hebben zij samen met andere jongens ballonnen met lachgas gebruikt. [geïntimeerde] is vervolgens bij [naam 1] in de auto gestapt. [naam 1] was bestuurder; [geïntimeerde] was bijrijder en had geen rijbewijs. Op verzoek van [naam 1] heeft [geïntimeerde] tijdens het rijden ballonen met lachgas gevuld en aan [naam 1] gegeven, die deze vervolgens leegzoog. Toen zij op de N247 reden, is [naam 1] zonder te remmen op een vrijwel stilstaande pijlwagen gebotst. Daarbij is niet alleen grote materiële schade ontstaan, maar zijn ook meerdere personen gewond geraakt, waaronder [geïntimeerde] .

3.3.

De politie en het onderzoeksbureau I-Tec hebben onderzoek gedaan naar de toedracht van het ongeval. Van de door [naam 1] bestuurde auto zijn foto’s gemaakt. De hoofdagent [naam 2] heeft een proces-verbaal van bevindingen opgesteld, waarin onder meer is opgenomen:

“Na onderzoek bleek de bijrijder. Ik zag dat hij gewond was, handen bebloed, hoofd bebloed en ik hoorde hem schreeuwen dat hij pijn had aan zijn rechterbeen. Ik zag dat de gordels langs de stijl hingen en ik zag dat het voorruit versplinterd was met twee grote gaten in het voorruit Ik probeerde de rechtervoordeur open te krijgen. Dit lukte niet omdat deze geklemd zat. Ik keek vervolgens de auto in en zag een gasfles tussen de benen van de bijrijder op de vloer van de auto.(…) Mij is bekend dat dit soort flessen worden gevuld met lachgas Ik zag dat er een geelgekleurde restant ballon liggen op de middenconsole van de auto.”

3.4.

[naam 1] is door de strafrechter veroordeeld wegens roekeloos rijden door onder invloed van lachgas te rijden en een ongeval te veroorzaken.

3.5.

[geïntimeerde] heeft ASR als verzekeraar van de auto op grond van de WAM aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade. ASR heeft aansprakelijkheid van de hand gewezen. In de afwijzing van aansprakelijkheid is onder meer opgenomen:

“Uw cliënt heeft een gevaarlijke situatie in het leven geroepen, zelfs onrechtmatig gehandeld, door aan een bestuurder van een voertuig lachgas te geven. Het was voor uw cliënt voorzienbaar dat hierdoor een ongeval zou ontstaan. Dat behoeft geen nader betoog. Zijn eigen handelingen zijn aldus de oorzaak van zijn letsel, maar ook van de overige schade die door het ongeval ontstond. a.s. r. meent dat uw cliënt (zelf) aansprakelijk is voor alle schade die op 23 april 2020 ontstond. Onder deze omstandigheden erkent a.s.r. geen aansprakelijkheid jegens uw cliënte.”

4De procedure bij de rechtbank

4.1.

[geïntimeerde] heeft (samengevat) in een deelgeschilprocedure verzocht dat wordt bepaald dat ASR aansprakelijk is voor de door [geïntimeerde] geleden schade en verplicht is deze schade te vergoeden.

4.2.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking geoordeeld dat [naam 1] door de wijze waarop hij heeft gereden onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld en dat ASR als verzekeraar gehouden is tot vergoeding van deze schade, zij het dat de rechtbank de bijdrage van [geïntimeerde] aan de bij hem door het ongeval veroorzaakte schade stelt op 50%, met welk percentage de schadevergoedingsplicht is verminderd.

4.3.

ASR heeft vervolgens bij dagvaarding van 5 december 2023 een bodemprocedure ingeleid en de rechtbank verzocht om van de beschikking van 18 januari 2023, die op de voet van art. 1019cc Rv als tussenvonnis heeft te gelden in de bodemprocedure, hoger beroep te mogen instellen. Dat verlof is verleend bij vonnis van 10 januari 2024. Bij dagvaarding van 14 maart 2024 is ASR in hoger beroep gekomen. Het doel van het hoger beroep is (primair) dat de vordering van [geïntimeerde] alsnog wordt afgewezen.

5Het oordeel van het hof

Onrechtmatig gedrag van [geïntimeerde] ?

5.1.

Met de tweede grief voert ASR tegen de beschikking van de rechtbank aan dat [geïntimeerde] , door (1) bij [naam 1] in de auto te stappen terwijl die daaraan voorafgaand lachgas had gebruikt, (2) tijdens het rijden op verzoek van [naam 1] hem ballonnen met lachgas aan te reiken die door [naam 1] werden leeggezogen en (3) op geen enkele wijze te proberen om het rijgedrag van [naam 1] positief te beïnvloeden, zich onrechtmatig heeft gedragen tegenover de bestuurder van de auto (en ASR als WAM-verzekeraar) met als gevolg dat [geïntimeerde] de bescherming tegen het (eveneens) onrechtmatige gedrag van [naam 1] moet worden ontzegd.

5.2.

Vaststaat dat de auto waarin [geïntimeerde] zich bevond, bestuurd werd door [naam 1] . Op hem rustte dan ook primair de verplichting om zich te houden aan de verkeersregels die voor hem golden, waaronder het niet rijden onder invloed van middelen die de rijvaardigheid beïnvloeden en het zodanig rijden dat hij de auto tot stilstand kan brengen binnen de afstand die hij kan overzien. Eveneens staat vast dat [naam 1] zich niet aan die regels heeft gehouden. Daarmee is in beginsel zijn gedrag onrechtmatig tegenover derden, waaronder niet alleen zij die zich buiten de auto bevonden, maar ook tegenover de inzittenden. Die hebben vervolgens op grond van art. 6 WAM een rechtstreekse aanspraak op de verzekeraar van de auto. Verwijtbaar gedrag van [naam 1] , dat zou kunnen leiden tot verval van het recht op uitkering, kan aan hen niet worden tegengeworpen (art. 5 WAM).

5.3.

Het standpunt van ASR is dat het gedrag van [geïntimeerde] , zoals samengevat onder 5.1 van dit arrest, zodanig is geweest dat dit, samen met dat van [naam 1] , als onrechtmatig gedrag moet worden gezien en dat [geïntimeerde] om die reden de bescherming van de WAM moet ontberen. Volgens ASR heeft [geïntimeerde] zich zelf niet gedragen naar de norm waaraan hij in de procedure tegenover ASR bescherming wil ontlenen. [geïntimeerde] hielp [naam 1] actief om de veiligheidsnorm te schenden waarop [geïntimeerde] nu een beroep doet om schadevergoeding te verkrijgen. Door zijn eigen gedrag komt [geïntimeerde] volgens ASR de bescherming van de geschonden verkeersnorm niet toe.
Het hof volgt ASR hierin niet. Allereerst was sprake van verschillende “rollen” tijdens het rijden: [naam 1] was de enige bestuurder en [geïntimeerde] was passagier. [geïntimeerde] was aanmerkelijk jonger en hij was niet in het bezit van een rijbewijs. Voorts is niet gebleken dat [geïntimeerde] zich op enige wijze met het rijden van [naam 1] heeft bemoeid. Het vullen van de ballonnen met lachgas gebeurde op verzoek van [naam 1] . Het enkele feit dat [geïntimeerde] daaraan heeft toegegeven, betekent nog niet dat hij eveneens, in gelijke mate als [naam 1] , de norm heeft geschonden waarop [geïntimeerde] zich tegenover [naam 1] c.q. ASR beroept. De keuze om de ballonnen lachgas leeg te zuigen bleef bij [naam 1] rusten; niet gebleken is dat [geïntimeerde] hem daartoe aanzette of aanmoedigde. Dat [geïntimeerde] het gebruik van het lachgas door [naam 1] niet heeft verhinderd en hem de ballonnen heeft aangereikt, is niet voldoende om aan te nemen dat [geïntimeerde] zich zelf ook niet naar de geschonden norm heeft gedragen. Het rijgedrag van [naam 1] kenmerkte zich verder door een, gezien de omstandigheden, te hoge snelheid, resulterend in een botsing met de pijlwagen. Deze wijze van rijden en de controle over de auto lag geheel in de macht van [naam 1] en is reeds om die reden niet op zodanige wijze aan [geïntimeerde] toe te rekenen dat hij in dit opzicht gelijk moet worden gesteld met [naam 1] . [geïntimeerde] is als passagier bij een bestuurder in de auto gaan zitten, terwijl die (mogelijk) onder invloed van lachgas was, maar dat is in principe niet onrechtmatig. Ook die omstandigheid is geen toereikende reden om [geïntimeerde] als passagier geheel het recht te ontzeggen om van [naam 1] als bestuurder (en daarmee van ASR) schadevergoeding te vorderen.

5.4.

Van min of meer gelijkwaardige rollen tussen [geïntimeerde] en [naam 1] , waaruit dan zou volgen dat [geïntimeerde] zijn recht op bescherming tegen het onrechtmatige handelen van [naam 1] zou zijn verloren, zoals ASR betoogt, was dus geen sprake. Evenmin heeft [geïntimeerde] zich zodanig gedragen dat hij zich daarmee heeft onttrokken aan het beschermingsbereik van de norm waarop hij zich beroept. De door [naam 1] geschonden norm strekt onder de gegeven omstandigheden nog steeds ter bescherming van [geïntimeerde] als passagier. Dit betekent dat [geïntimeerde] zich terecht kan wenden tot ASR tot vergoeding van de door hem geleden schade. De aan [geïntimeerde] tegen te werpen gedragingen zijn wel van invloed op de mate waarin hij aanspraak kan maken op schadevergoeding en dit vertaalt zich in een oordeel over eigen schuld.

Eigen schuld van [geïntimeerde]

5.5.

ASR heeft zich op het standpunt gesteld dat het gedrag van [geïntimeerde] zodanig verwijtbaar was, dat er sprake was van volledige (eigen) schuld aan zijn zijde, waardoor de verplichting tot het vergoeden van schade geheel wordt opgeheven. Het hof volgt ASR daarin niet. De omstandigheden waaronder de schade is veroorzaakt zijn allereerst verwijtbaar aan [naam 1] , zoals hiervoor ook al is overwogen. De aan [geïntimeerde] tegen te werpen omstandigheden leiden wel tot eigen schuld aan zijn zijde, maar in de onderlinge relatie tussen [naam 1] en [geïntimeerde] zijn de aan [geïntimeerde] te verwijten gedragingen die tot het ongeval hebben geleid niet zwaarder dan de aan [naam 1] te verwijten gedragingen en ook niet kan worden gezegd - voor zover ASR dat lijkt te betogen - dat [geïntimeerde] het gedrag van [naam 1] min of meer heeft “uitgelokt”. Het hof komt bij afweging van de aard en ernst van deze wederzijdse gedragingen in zoverre niet tot een hoger percentage eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] dan het door de rechtbank vastgestelde percentage van 50%. De beoordeling van het beroep op eigen schuld zal hierna nader worden toegelicht, waarbij allereerst de voor het eerst in hoger beroep aangevoerde stelling van ASR wordt besproken dat [geïntimeerde] geen autogordel zou hebben gedragen (grief 1 en 3 zien daarop).

Geen gordel gedragen

5.6.

In hoger beroep heeft ASR zich aanvullend op het standpunt gesteld dat [geïntimeerde] ten tijde van het ongeval zijn autogordel niet heeft gedragen. Zij heeft daartoe gewezen op het proces-verbaal van bevindingen van de hoofdagent [naam 2] , zoals ook opgenomen onder 3.3 van dit arrest. Zij heeft foto’s overgelegd waarop een kapotte voorruit is te zien. Ook beroept zij zich op een (nader) advies van haar medisch adviseur, die een deel van het letsel, waaronder het hoofdletsel, toeschrijft aan het niet dragen van de autogordel. Op de SEH zijn volgens de medisch adviseur ook geen hematomen aangetroffen die duiden op inwerking van de autogordel bij de botsing. Tegenover deze gegevens staat een bericht van de SEH waarin staat dat [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij wel een autogordel droeg. Hij heeft dit ook tegenover de politie verklaard.

5.7.

In de rapportage van de SEH is vermeld dat sprake is van schaafwonden aan de kin en aangezicht. Ook is sprake van heupletsel. Door [geïntimeerde] is niet weersproken dat dit heupletsel kan ontstaan door het niet dragen van de autogordel, zoals weergegeven door de medisch adviseur van ASR. In het door [geïntimeerde] overgelegde medisch advies is geen alternatieve oorzaak genoemd voor het geconstateerde letsel. Het hof hecht waarde aan het proces-verbaal dat is opgemaakt door de hoofdagent [naam 2] . Hij is weliswaar wat later op de plaats van het ongeval aangekomen, maar hij heeft duidelijke bevindingen gedaan, waaronder het langs de deurstijl hangen van de autogordel en gaten in de voorruit ter hoogte van de plaats van de bijrijder. De verklaring van [geïntimeerde] dat hij de autogordel wel heeft gedragen is niet consistent geweest als dat in het licht wordt gezien van zijn relaas over het ongeval: tegenover de politie heeft hij verklaard dat hij zich eerst niets van het ongeval kon herinneren omdat hij op dat moment sliep, waarop hij later is teruggekomen. Hij heeft bij de politie als verklaring gegeven dat hij bij zijn eerste verklaring onder de pillen en verdoving zat en dus niet helder was, maar dit kan niet verklaren waarom hij in die toestand kennelijk wel kon verklaren dat hij sliep ten tijde van het ongeval. In een verklaring tegenover de onderzoeker van I-Tec heeft hij verklaard dat hij de lachgasballonnen niet aan [naam 1] heeft aangereikt, wat weer niet strookt met zijn verklaring tegenover de politie.

5.8.

Als het hof de objectieve gegevens afzet tegenover de wisselende verklaringen van [geïntimeerde] met betrekking tot het ongeval, is het verweer van [geïntimeerde] een onvoldoende betwisting van het standpunt van ASR dat hij ten tijde van het ongeval de gordel niet heeft gedragen. Zijn eigen verklaring legt wat dat betreft te weinig gewicht in de schaal. Verder heeft hij nauwelijks invulling gegeven aan de toedracht van het ongeval in relatie tot zijn letsel en de mogelijke oorzaken van de letsel. Dit had wel van hem mogen worden verwacht gezien de specifieke informatie die ASR hierover heeft gegeven. Het hof acht onder deze omstandigheden dan ook vaststaand dat [geïntimeerde] geen autogordel heeft gedragen ten tijde van het ongeval.

Schadevergoedingsplicht van ASR

5.9.

Het niet dragen van een autogordel levert eigen schuld op aan de zijde van [geïntimeerde] . Het dragen van een autogordel vermindert immers de kans op letselschade. Deze omstandigheid is door de rechtbank in de deelgeschilbeslissing niet meegenomen in de vaststelling van het percentage eigen schuld. Dat zal nu alsnog moeten gebeuren. Het hof moet daarbij als uitgangspunt nemen dat [geïntimeerde] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de schuldverdeling die de rechtbank heeft gemaakt. Daaraan is het hof dus gebonden. Het niet dragen van de autogordel is dan een extra omstandigheid die nog bovenop de eerder vastgestelde verdeling komt. ASR heeft gesteld dat dit percentage tussen de 10 tot 25% ligt. Zij heeft echter geen argumenten aangedragen voor de bepaling van een binnen die range liggend percentage. Ook [geïntimeerde] heeft hiervoor niets aangevoerd. Het hof komt dan tot de volgende schulddeling.

5.10.

Op grond van art. 6:101 BW moet de schade tussen de benadeelde en de vergoedingsplichtige worden verdeeld in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen, met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist. De rechtbank heeft een 50/50 verdeling vastgesteld en geen aanleiding gezien voor een billijkheidscorrectie ten gunste van [geïntimeerde] .

[geïntimeerde] heeft, zoals al is overwogen, geen hoger beroep ingesteld tegen dat oordeel, zodat 50% de ‘bovengrens’ is van de vergoedingsplicht van ASR. ASR bepleit in hoger beroep een hogere mate van eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] . Op grond van de omstandigheden die betrekking hebben op het ontstaan van het ongeval en die hiervoor in 5.1. tot en met 5.4. zijn besproken, ziet het hof daarvoor geen reden, zoals hierboven al is overwogen. Wel heeft de omstandigheid dat [geïntimeerde] geen autogordel droeg bijgedragen aan de omvang van zijn schade. Die omstandigheid is aan hem toe te rekenen. Het hof ziet daarin aanleiding de 50/50 verdeling ten nadele van [geïntimeerde] bij te stellen naar een 40/60 verdeling, waardoor de totale vergoedingsverplichting van ASR komt op 40% van de schade van [geïntimeerde] . De billijkheid eist geen correctie op deze 40/60 verdeling.

5.11.

ASR heeft nog een grief gericht tegen de nevenvorderingen van [geïntimeerde] . Het hof begrijpt dat deze grief zich richt tegen de veroordeling van ASR in de kosten van de deelgeschilprocedure. De rechtbank heeft ASR veroordeeld 50% van deze kosten te betalen, omdat zij voor 50% aansprakelijk wordt gehouden voor de gevolgen van het ongeval. De grief strekt tot vernietiging van deze veroordeling.

5.12.

Wanneer een schadevergoedingsplicht op grond van art. 6:101 BW wordt verminderd, geldt dat in beginsel in dezelfde mate voor de verplichting om de in art. 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten te vergoeden (HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7624). Dit uitgangspunt geldt daarmee ook voor de kosten van de behandeling van het deelgeschil, omdat deze kosten op grond van art. 1019aa lid 2 Rv hebben te gelden als kosten als bedoeld in art. 6:96 lid 2 BW. De beperking van de vergoedingsplicht van ASR vanwege eigen schuld van [geïntimeerde] brengt dus mee dat de vergoedingsplicht van buitengerechtelijk kosten in dezelfde mate moet worden verminderd, tenzij de billijkheidscorrectie van art. 6:101 lid 1 BW tot een andere verdeling aanleiding geeft. Het gedeeltelijk slagen van de grieven van ASR brengt mee dat zij is gehouden 40% van de kosten van het deelgeschil te betalen. Er zijn geen omstandigheden gebleken die een correctie op grond van de billijkheid kunnen rechtvaardigen. De grief slaagt daarmee gedeeltelijk. De rechtbank heeft de kosten van het deelgeschil - onbestreden - begroot op € 4.895,75. ASR dient daarvan 40%, dat is € 1.958,30, aan [geïntimeerde] te betalen. De restitutievordering is niet bestreden en zal worden toegewezen zoals hierna zal worden vermeld.

5.13.

Partijen hebben bewijs aangeboden, maar de bewijsaanbiedingen hebben geen betrekking op voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot andere beslissingen in deze zaak dienen te leiden. Aan bewijslevering wordt daarmee niet toegekomen.

Conclusie

5.14.

De grieven treffen gedeeltelijk doel. Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor zover het betreft het percentage eigen schuld aan de zijde van [geïntimeerde] en de hoogte van de kosten van het deelgeschil. Voor het overige zal het vonnis worden bekrachtigd.

5.15. Omdat partijen in hoger beroep elk voor een deel in het ongelijk zijn gesteld zal het hof de proceskostenveroordeling in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Gerechtshof Amsterdam 9 december 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:3765