Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Amsterdam 120411 neuroloog stelt, de richtlijnen van de beroepsvereniging volgend, geen beperkingen. Hof: inkomensschade door ongeval niet aannemelijk

Hof Amsterdam 120411 neuroloog stelt, de richtlijnen van de beroepsvereniging volgend, geen beperkingen. Hof: inkomensschade door ongeval niet aannemelijk

2. De verdere beoordeling
2.1 Het hof blijft bij en bouwt hierna voort op hetgeen in de eerdere tussenarresten is overwogen en beslist.

2.3 In het eerste tussenarrest van 5 april 2007 is de vermeerderde eis van [Appellant] tot veroordeling van London tot betaling aan hem van het geheel (in plaats van de helft) van de schade als gevolg van de bij hem vastgestelde medische beperkingen (alsnog) toegelaten, is overwogen dat de eisen van een goede procesorde meebrengen dat, nu [Appellant] zijn aanvankelijke uitgangspunt heeft verlaten, London niet kan worden gehouden aan haar eerdere instemming met de bevindingen van Vuurmans en is het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigd en is een comparitie van partijen gelast teneinde, kort gezegd en voor zover van belang, partijen in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over het verdere verloop van de procedure,

2.3 Bij gelegenheid van de daarop gevolgde comparitie van partijen van 21 juni 2007 zijn partijen het eens geworden over de persoon van een nieuw te benoemen deskundige (J.H.J. Wokke, hoogleraar neurologie) en is de zaak verwezen naar de rol voor het fourneren van stukken en het vragen van arrest. Bij de voorbereiding van dat arrest is het hof gebleken dat Wokke niet beschikbaar was voor de verlangde deskundigenbenoeming. In het daarop gevolgde tweede tussenarrest van 10 april 2008 is op verzoek van partijen een nieuwe comparitie van partijen gelast. De comparitie heeft plaatsgehad op 17 juni 2008 en heeft geresulteerd in een verwijzing naar de rol voor uitlating door partijen over de persoon van een andere nieuw te benoemen deskundige en de aan deze voor te leggen vraagstelling.

2.4 Partijen hebben daaraan voldaan door elk een memorie na tussenarrest met producties te nemen en hebben wederom gevraagd om arrest. Vooruitlopend op dat arrest hebben partijen overeen stemming bereikt over de persoon van een andere deskundige (E.Ch. Wolters neuroloog) en de aan deze voor te leggen vraagstelling.
Partijen hebben eenparig verzocht om in afwachting van diens rapport de zaak op de parkeerrol te plaatsen. Het hof heeft aan dat verzoek gehoor gegeven door bij het derde tussenarrest van 24 maart 2009 de zaak te verwijzen naar de rol voor beraad door partijen.

2.5 Vervolgens heeft [Appellant] bij zijn hiervoor onder 1 bedoelde akte (onder meer) een rapport van Wolters d.d. 25 september 2009 in het geding gebracht. Volgens London in zijn hiervoor onder 1 bedoelde antwoordakte zou het daarbij om een conceptrapport gaan. Dat is echter door [Appellant] betwist en volgt niet uit het rapport zelf of de begeleidende brief bij dat rapport van dezelfde datum. Los daarvan zijn beide partijen in hun verdere debat uitgegaan van de door [Appellant] in het geding gebrachte versie van het rapport van Wolters, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan.

2.6 Wolters heeft [Appellant] op 14 juli 2009 medisch onderzocht en kennisgenomen van zijn medische gegevens uit de behandelende sector.

2.7 Wolters schrijft in het rapport voor zover van belang:

Conclusie en beantwoording van de vraagstelling:
(...)
Vraag 1 De situatie na ongeval.

Vraag A.
(...)
Op grond van de mij ter beschikking staande gegevens duid ik betrokkene's tot op heden persisterende (hier is een deel van de uitspraak weggevallen; EJD)

Vraag D.
Bij oriënterend lichamelijk en uitgebreid neurologisch onderzoek thans vond ik een behoedzaam en klaarblijkelijk wat pijnlijk bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom, waarbij formeel neurologisch onderzoek naar de beweeglijkheid overigens geen significante beperking van de verschillende bewegingsexcursies opleverde.

Vraag E.
Bij uitvoerig neurologisch onderzoek werden geen aanknopingspunten gevonden voor een aan betrokkene's klachten ten gronde liggende afwijking van het centrale en/of perifere zenuwstelsel.
Naar alle waarschijnlijkheid kunnen de klachten van betrokkene geduid worden in het kader van een, overigens buiten mijn vakgebied gelegen,:
• Posttraumatisch pijnsyndroom.

Vraag F.
Genoemd pijnsyndroom werd door mij min of meer geobjectiveerd door vaststelling van een behoedzaam bewegingspatroon over de cervicale wervelkolom. Differentiaal diagnostische overwegingen zoals een op degeneratieve wervellichaam afwijkingen berustend cervicaal syndroom, cervicaal wortelprikkingsyndroom, traumatische myelopathie en ook een postcontusioneel klachtenpatroon, konden door mij uitgesloten worden.

Vraag G.
De richtlijnen van de American Medical Association, laatste [6e] druk, volgend lijkt er bij onderhavig posttraumatisch pijnsyndroom sprake van een functieverlies (impairment) van 1% van de gehele mens.
(...)
Vraag H.
Aangezien er van uit mijn vakgebied geen diagnose gesteld kan worden zijn er naar mijn oordeel, de richtlijnen van mijn beroepsvereniging volgend, vanuit mijn vakgebied ook geen beperkingen te stellen voor wat betreft de verrichtingen van het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding, het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en het verrichten van loonvormende arbeid.
(...)
Vraag 3. Algemeen.

Vraag A.
In het kader van de beoordeling van het geschil tussen partijen acht ik het niet geïndiceerd dat alsnog vanuit een andere expertise nader onderzoek hoeft te worden verricht ter beantwoording van de vraagstellingen.

Vraag B.
Gezien mijn bevindingen tijdens het onderzoek van betrokkene, zowel bij het afnemen van de anamnese als het doen van een lichamelijk neurologisch onderzoek, waarbij ik een behoedzaam bewegingspatroon over cervicale wervelkolom kon vaststellen, acht ik de door betrokkene geventileerde klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Betrokkene heeft zich bovendien in verband met de behandeling van de na onderhavig ongeval opgetreden klachten steeds bijzonder coöperatief opgesteld en zich nimmer aan enige behandeling onttrokken."

[Appellant] heeft in de memorie na deskundigenbericht de bevindingen van Wolters niet betwist.

2.8 Uit het rapport van Wolters volgt dat hij bij uitvoerig neurologische onderzoek van [Appellant] geen aanknopingspunten heeft gevonden voor een ongevalgerelateerd organisch neurologisch letsel en/of een functiestoornis van het centrale en/of perifere zenuwstelsel. Wolters concludeert dat er geen sprake is van een neurologisch functieverlies maar van een pijngerelateerd functieverlies van 1% van de gehele mens, op basis van de richtlijnen van de American Medical Association , zesde druk. De richtlijnen van zijn beroepsvereniging van november 2007 volgend, zijn er naar het oordeel van Wolters geen beperkingen te stellen voor wat betreft de verrichtingen van het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding, het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en het verrichten van loonvormende arbeid.

2.9 De vermeerderde vordering van [Appellant] in hoger beroep strekt thans (naar het hof begrijpt) tot vergoeding van alle schade die het gevolg is van de medische beperkingen die Wolters in zijn onder 2.5 genoemde rapport bij [Appellant] heeft vastgesteld, op te maken bij staat. London bestrijdt niet dat de medische beperkingen die Wolters bij [Appellant] heeft vastgesteld volledig moeten worden toegeschreven aan het ongeval. Daarmee is het (alleen nog) de vraag of de mogelijkheid van schade als gevolg van de medische beperkingen die Wolters bij [Appellant] heeft vastgesteld voldoende aannemelijk is geworden. Wolters heeft echter in antwoord op vraag H vastgesteld, hetgeen door [Appellant] niet is bestreden, dat er geen beperkingen te stellen zijn voor wat betreft de verrichtingen van het dagelijkse leven, de vrijetijdsbesteding, het verrichten van huishoudelijke werkzaamheden en het verrichten van loonvormende arbeid. Dit betekent dat uit het rapport van Wolters niet kan worden afgeleid dat de mogelijkheid dat als gevolg van het ongeval inkomens- en pensioenschade of schade wegens afgenomen zelfredzaamheid is of zal worden geleden aannemelijk is. Hetgeen [Appellant] in dat verband nog aanvoert, maakt het vorenstaande niet anders.
Bij het opstellen van het belastbaarheidsprofiel in januari 2004 is de geneeskundig adviseur R.M. Wiersma uitgegaan van het rapport van Vuurmans. In het licht van het feit dat Wolters het niet nodig vindt dat vanuit een andere expertise nog nader onderzoek wordt verricht ter beantwoording van de vraagstellingen en geen feiten zijn gesteld waaruit de noodzaak daartoe niettemin blijkt, is er geen grond om een nieuw belastbaarheidprofiel te doen opstellen. Het hof volgt [Appellant] niet in zijn stelling dat het rapport van Wolters volledig aansluit bij het rapport van Vuurmans. Vuurmans komt in zijn rapport, ervan uitgaande dat 50% van de subjectieve verschijnselen het gevolg zijn van de in juni 1996 opgetreden virale infectie, op een functieverlies als gevolg van het ongeval van 7% van de gehele mens en Wolters, ervan uitgaande dat alle klachten en beperkingen het gevolg zijn van het ongeval, op een functieverlies van 1%. Daaruit volgt dat het profiel van Wiersma, anders dan [Appellant] stelt, niet langer maatgevend kan zijn.

2.10 [Appellant] heeft als voorschotten in totaal een bedrag van € 63.613,- aan schadevergoeding van London ontvangen. Het hof oordeelt met toepassing van artikel 6:97 BW dat genoemd bedrag een toereikende vergoeding is voor de schade, zoals immateriële schade en de door [Appellant] gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, die [Appellant] als gevolg van het ongeval heeft geleden. Uit het onder 2.9 overwogene volgt dat de mogelijkheid van inkomens- en/of pensioenschade en/of schade wegens afgenomen zelfredzaamheid niet aannemelijk is geworden. Een en ander betekent dat naast de reeds door [Appellant] ontvangen voorschotten voor toewijzing van de vordering strekkende tot schadevergoeding op te maken bij staat geen grond bestaat.

2.11 Bij de in hoger beroep gevorderde benoeming van Wolters dan wel een andere neuroloog tot deskundige heeft [Appellant] geen belang meer.

3. Slotsom en kosten

Het hierboven overwogene leidt tot de slotsom dat de vorderingen van [Appellant] zoals veranderd in hoger beroep moeten worden afgewezen. Het hof vindt in de uitkomst van dit geding grond om de kosten van het geding in beide instanties te compenseren in dier voege dat ieder der patijen de eigen kosten draagt. PIV-site

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies