Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 180614 waarborgfonds aansprakelijk voor achteropaanrijding; tegenbewijs tzv toedracht niet geslaagd

Rb Rotterdam 180614 waarborgfonds aansprakelijk voor achteropaanrijding; tegenbewijs tzv toedracht niet geslaagd;
- geen dekking kosten obv rechtsbijstandsverzekering, dus wel belang bij veroordeling; gevorderd en toegewezen 18 x € 205, totaal € 4.970,15;

locatie ongeval: www.google.nl/maps/

2 De vaststaande feiten

2.1.
Op 29 januari 2010 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden op rijksweg A16/A20 kort voor afrit 27, waarbij [betrokkene 1] (verder:[betrokkene 1]) met het door hem bestuurde motorrijtuig (kenteken [kenteken X]) tegen de achterzijde van het door [verzoeker] bestuurde motorrijtuig (kenteken [kenteken Y]) is gebotst (verder: het ongeval).

2.2.
Voor het ongeval kwamen [verzoeker] en[betrokkene 1] beiden vanaf de Brienenoordbrug. Komende uit die rijrichting bestaat de rijbaan van de Rijksweg A16 uit vijf rijstroken. Bij nadering van de kruising met de Rijksweg A20 (Terbregseplein) zijn de drie linker rijstroken bestemd voor het verkeer gaande in de richting van Hoek van Holland en twee rechter rijstroken voor het verkeer gaande in de richting van Gouda. Kort voor afrit 27 ligt tussen de rijstroken bestemd voor het verkeer gaande in de richting Hoek van Holland en die voor de richting Gouda een verdrijvingsvlak. Daarachter staat een stuk vangrail en vervolgens een betonnen afrastering, zodat het daar niet meer mogelijk is om van rijrichting (rijbaan/rijstrook) te veranderen.

2.3.
Ten tijde van het ongeval bevonden zich in het door[betrokkene 1] bestuurde voertuig twee passagiers, te weten [betrokkene 2](verder: [betrokkene 2]) en [betrokkene 3] (verder: [betrokkene 3]).

2.4.
Ten tijde van het ongeval was het door[betrokkene 1] bestuurde motorrijtuig onverzekerd. Het door [verzoeker] bestuurde motorrijtuig was verzekerd bij Allianz. Allianz heeft de autoschade van [verzoeker] vergoed en op[betrokkene 1] verhaald.

2.5.
In opdracht van het Waarborgfonds heeft Schade- en onderzoeksbureau Hoofddorp (verder: Hoofddorp) een onderzoek naar het ongeval ingesteld en [verzoeker] en[betrokkene 1], alsmede de door hen genoemde getuigen, waaronder [betrokkene 2] en [betrokkene 3], gehoord.

3 Het geschil

3.1.
Het verzoek luidt dat de rechtbank:
I. voor recht verklaart dat het Waarborgfonds aansprakelijk is te houden voor de aanrijding van 29 januari 2010 en de door [verzoeker] daaruit voortvloeiende gevolgen en deswege de daaruit door [verzoeker] voortvloeiende schade volledig dient te vergoeden;
II. de kosten begroot op € 4.688,15 en bepaalt dat het Waarborgfonds aan [verzoeker] de kosten van deze deelgeschilprocedure dient te vergoeden binnen 14 dagen na datum eindbeschikking, voor een bedrag (minstens) gelijk aan de kostenspecificatie van [verzoeker], althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag.

3.2.
Het Waarborgfonds voert verweer dat strekt tot afwijzing van het verzoek op beide onderdelen.

4 De beoordeling

4.1.
Het verzoek van [verzoeker] berust op artikel 1019w Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In dat artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. Deze procedure biedt zowel de persoon die schade lijdt door dood of letsel, als degene die daarvoor aansprakelijk wordt gehouden, de mogelijkheid in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase de rechter te adiëren. Doel van de deelgeschilprocedure is de vereenvoudiging en versnelling van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade. Gezien het bepaalde in artikel 1019z Rv wordt het verzoek afgewezen voor zover de verzochte beslissing onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De investering in tijd, geld en moeite moet aldus worden afgewogen tegen het belang van het verzoek en de bijdrage die een beslissing aan de totstandkoming van een minnelijke regeling kan leveren.

4.2.
[verzoeker] stelt dat hij ten gevolge van het ongeval lichamelijk letsel heeft opgelopen bijstaande uit nek- en schouderklachten. Niet ter discussie staat dat [verzoeker] jegens het Waarborgfonds een recht op schadevergoeding geldend kan maken indien[betrokkene 1] aansprakelijk is voor de gevolgen van het verkeersongeval. Dit recht berust op artikel 25 van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Over de aansprakelijkheid van[betrokkene 1] zijn partijen verdeeld. Hiermee is het belang van het verzoek gegeven.

De aansprakelijkheid

4.3.
[verzoeker] stelt dat[betrokkene 1] aansprakelijk is omdat hij bij hem achterop is gereden en niet het bepaalde in artikel 19 RVV 1990 in acht heeft genomen. Hij stelt daartoe dat hij op de linkerrijstrook van de A16/A20 richting Gouda/Utrecht reed en in verband met filevorming die was ontstaan na de splitsing van de A16 en voor afrit 27 tijdig remde en zijn snelheid aanpaste en dat[betrokkene 1] toen met zijn voertuig tegen de achterkant van de door [verzoeker] bestuurde auto botste. Het Waarborgfonds betwist dat en voert daartoe aan dat de aanrijding plaats vond doordat [verzoeker], kort voor[betrokkene 1], van rijstrook wisselde en vervolgens voor[betrokkene 1] ging rijden en fors snelheid minderde en aldus in strijd met artikel 54 RVV 1990 handelde.

4.4.
Op [verzoeker] rust de bewijslast van de feiten waaruit de aansprakelijkheid van[betrokkene 1] voor het ongeval volgt. De rechtbank acht [verzoeker] in het bewijs van de door hem gestelde toedracht van het ongeval geslaagd. Dit oordeel berust op de navolgende overwegingen.

4.4.1.
De door [verzoeker] tegenover H afgelegde en door hem ondertekende verklaring d.d. 9 december 2010 (productie 4 bij verzoekschrift), luidt – voor zover hier van belang -:
“[…]
Op vrijdag 29 januari 2010 was ik in de middag vrij. Mijn neef […] de heer [V], […] was die middag bij mij op bezoek […]. Omstreeks 14.30 uur zijn wij bij mijn woning vertrokken om te gaan naar de Mediamarkt te Rotterdam, nabij het Alexandrium. […] Vanaf mijn huis reed is als bestuurder van de voornoemde Volvo en mijn neef reed met zijn Volvo. […] Voor zover ik mij kan herinneren was het droog weer. Het wegdek was droog. Het was daglicht en het uitzicht was goed. Wij reden over de Rijksweg A16 en het was onze opzet om op het Terbregseplein rechtsaf te gaan, de Rijksweg A20, op in de richting Gouda. Op die weg zouden wij de eerste afslag nemen richting Alexandrium.
Op een bepaald moment reden wij op de A16, kort voor de afrit 27 [….]. Voor die afrit stremde het verkeerd en ontstond er een file. Ik reed op dat moment op de linker rijstrook en mijn neef op de rechter rijstrook. Ter plaatse zijn daar twee rijstroken. De snelheid ging geheel uit het verkeer en wij kwamen kort tot stilstand en direct daarna ging het verkeer weer langzaam rijden. Dat was met een snelheid van circa 10/15 kilometer per uur. […] Op een moment dat ik weer stilstond zag ik op het laatste moment een auto mij aan de achterzijde naderen. Deze kwam met een naar mijn mening hoge snelheid aan en botste met de voorzijde van deze auto tegen de achterzijde van mijn auto. […] Deze aanrijding vond plaats op de linker rijstrook, kort voor de afrit 27.
[…]”

4.4.2.
[verzoeker] heeft als productie 1 bij het verzoekschrift luchtfoto’s van de rijksweg A16/A20 ter hoogte van afrit 27 overgelegd. Op de foto met het opschrift foto 2 heeft hij de plaats van aanrijding ingetekend en wel tussen het begin van de betonnen afrastering en het begin van afrit 27.

4.4.3.
[verzoeker] en[betrokkene 1] hebben kort na het ongeval de voorzijde van een schade aanrijdingsformulier ingevuld en ondertekend (productie 3 bij verzoekschrift). Hierop is in de kolom toedracht voor het door[betrokkene 1] bestuurde voertuig (voertuig B) het vakje 8 aangekruist waarbij is vermeld: “botste op achterzijde vóórganger, in dezelfde richting en op dezelfde rijstrook rijdend” en is door hem bij opmerkingen ingevuld “klapte er bovenop”. In de kolom toedracht is voor het door [verzoeker] bestuurde voertuig noch het vakje 10 “veranderde van rijstrook” noch het vakje 11 “haalde in” aangekruist.

4.4.4.
De brief van het door Allianz ingeschakelde bureau ITEB Schadeservices d.d. 1 juli 2010 (productie 5 bij verzoekschrift), waarin verslag wordt gedaan van een gesprek met[betrokkene 1] op 29 juni 2010, vermeldt daaromtrent – voor zover hier van belang – :
“Hij verklaarde het navolgende:
“Het klopt dat ik op 29.01.2010 met een Renault Laguna, kenteken [kenteken X], op de A16 te Rotterdam bij een aanrijding betrokken ben geweest. Ik ben toen achterop een andere auto gebotst. Die andere auto was een Volvo […] u vertelt mij dat […] de verzekeraar Allianz, zijnde de verzekeringsmaatschappij van die Volvo, nu de schade, ad € 1539,51 op mij wil verhalen. Als ik inderdaad niet verzekerd was snap ik dat van Allianz. Ik ben bereid het bedrag te betalen […].”
De ondertekende verklaring bevindt zich in ons dossier.
[…]”

4.4.5.
De door[betrokkene 1] tegenover Hoofddorp afgelegde en door hem ondertekende verklaring d.d. 22 november 2010 (productie 6 bij verzoekschrift) luidt – voor zover hier van belang -:
“[…]
Wij reden van Puttershoek naar het Alexandrium en reden op de Rijksweg A16, komende uit de richting van Ridderkerk en gaande in de richting van Gouda.
Ik wilde de afslag naar het Alexandrium nemen en reed daartoe op de rechter rijstrook. […] Voor de afrit ging het verkeer remmen en ook op de afrit ging het verkeer langzaam rijden. […]
Op een bepaald moment reed ik nog afremmend op de rechter rijstrook, kort voor de afrit in een rij auto’s. Ik hield afstand ten opzichte van de auto voor mij. Ineens werd ik met hoge snelheid ingehaald door een andere personenauto en die auto dook in het gat voor mij en ging pal voor mij rijden. Die auto ging direct stevig remmen, waardoor ik ook moest remmen. Het wegdek was glad en ik botste daarom met de voorzijde van mijn auto tegen de achterzijde van die andere personenauto. Op het moment van de aanrijding was mijn snelheid hooguit 50 kilometer per uur, eerder lager. […] Ik schat dat de auto waar ik tegenaan botste hooguit 10 tot 20 kilometer langzamer reed dan ik, op het moment van de aanrijding. Deze aanrijding zou nooit hebben plaatsgevonden als die auto niet op het laatste moment in het gat voor mij was gedoken. […].
U toont mij een kopie van het schadeformulier. Daarvan heb ik alle gegevens onder voertuig B ingevuld en de bestuurder van de Volvo de rest. Wij hebben beiden dat formulier ondertekend. Ik kreeg mijn deel en ben daarop weggegaan.
[…]
Ik heb mijn deel van het schadeformulier niet meer.
[…]”

4.4.6.
De door [betrokkene 2] tegenover Hoofddorp afgelegde en door haar ondertekende verklaring d.d. 10 december 2010 (productie 11 bij verzoekschrift) luidt – voor zover hier van belang - :
“[…]
Ik zat die dag rechts voorin die auto, naast[betrokkene 1], en mijn vriendin [-] [betrokkene 3] zat achterin de auto, rechts.
[…]
Het was in de middag. […] Wij reden op de Rijksweg in noordelijke richting en ik weet dat die weg zich aan het einde splitst in een baan richting Gouda en een baan in de richting van Hoek van Holland. Voor die splitsing bevindt zich een afrit en wij zouden deze afrit nemen in de richting van het winkelcentrum. Wij reden, naar ik denk, op de linker rijstrook want[betrokkene 1] wilde naar rechts in de richting van de afrit. Het verkeer voor ons ging afremmen en[betrokkene 1] remde ook af.[betrokkene 1] hield ruimte tussen zijn auto en de voor hem rijdende auto. Op een bepaald moment keek hij naar rechts over zijn schouder om naar de rechter rijstrook te gaan. Op dat moment zag ik dat wij aan de linkerzijde werden ingehaald door een andere auto, die ineens pal voor[betrokkene 1] ging rijden, in de ruimte die[betrokkene 1] had vrijgelaten tussen zijn auto en de auto voor hem.
[betrokkene 1] had over zijn schouder gekeken en toen hij naar voren keek en ik hem tegelijkertijd waarschuwde was het te laat en botste[betrokkene 1] met de voorzijde van zijn Renault tegen de auto voor hem. Voor deze botsing heeft[betrokkene 1] nog hevig geremd, naar ik meen met de voetrem en de handrem. Dat was te laat.
[…]”

4.4.7.
Op verzoek van de rechtsbijstandsverzekeraar van [verzoeker] heeft [betrokkene 2] op 19 maart 2011 een situatieschets gemaakt en ondertekend (productie 12 bij het verzoekschrift). De op deze situatieschets aangegeven plaats waar het ongeval plaatsvond stemt ongeveer overeen met de door [verzoeker] aangegeven plaats van het ongeval zoals omschreven onder 4.4.2.

4.4.8.
De ondertekende verklaring van [betrokkene 3] d.d. 10 december 2010 opgenomen door Hoofddorp (productie 13 bij het verzoekschrift), inhoudende – voor zover hier van belang -:

“[...]
Wij reden op de snelweg en daar gebeurde de aanrijding. Ik weet niet op welke locatie, ik ben daar niet bekend. […]
Kort voor de aanrijding lette ik niet goed op. Ik weet niet wat ik aan het doen was. Ineens hoorde ik L hard roepen ‘[betrokkene 1]” en ik keek op. Ik bemerkte dat[betrokkene 1] hard remde, wij reden op de linker rijstrook. Ik weet niet meer precies hoeveel rijstroken daar waren. Er was rechts naast ons nog een rijstrook. Verder zag ik een auto voor ons rijden op enige afstand, ik weet niet meer hoeveel. Ik weet ook niet waar die auto vandaan kwam en of deze al lang voor ons reed. Wel weet ik dat het verkeer sterk afremde en dat[betrokkene 1] ook moest remmen. Het lukte hem niet meer om tijdig te remmen en hij botste met de voorzijde van zijn auto tegen de achterzijde van de auto voor hem. […]
Ik herinner mij dat de bestuurder van de andere auto uitstapte midden op de snelweg en naar ons kwam. […] Hij stelde voor om naar de vluchtstrook te gaan en dat deden wij. […]”

4.4.9.
De door [verzoeker] tegenover Hoofddorp afgelegde verklaring wordt ondersteund door de inhoud van de door[betrokkene 1] ondertekende voorzijde van het schade aanrijdingsformulier en de door[betrokkene 1] tegenover ITEB Schadeservices afgelegde verklaring.
Niet ter discussie staat dat[betrokkene 1] zelf op de voorzijde van het schade aanrijdingsformulier ‘klapte er bovenop’ heeft geschreven. Gelet hierop dient de door het Waarborgfonds ter zitting aangevoerde onduidelijkheid over de op de voorzijde van het schade aanrijdingsformulier bij vakje 8 geplaatste kruisje als onvoldoende gemotiveerd te worden gepasseerd.

4.4.10.
De voormelde inhoud van de onder 4.4.9 genoemde bescheiden leveren voldoende bewijs op van de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval.

4.4.11.
Aan de door van [betrokkene 3] tegenover Hoofddorp valt geen tegenbewijs te ontlenen. Haar verklaring biedt daarentegen impliciet steun voor de door [verzoeker] gestelde plaats van de aanrijding. Dat [verzoeker], zoals [betrokkene 3] heeft verklaard, midden op de snelweg uitstapte en naar hen toe kwam maakt immers aannemelijk dat het ongeval, zoals [verzoeker] stelt, naast de betonnen afrastering heeft plaatsgevonden hetgeen de door [betrokkene 2] gerelateerde wisseling van rijbaan door [verzoeker] onaannemelijk maakt.[betrokkene 1]

4.4.12.
[betrokkene 1] heeft als enige verklaard dat het ongeval op de rechter rijstrook heeft plaatsgevonden. De verklaringen van[betrokkene 1] en [betrokkene 2] stemmen in zoverre overeen dat zij beiden verklaren dat [verzoeker] hen inhaalde en pal voor hen ging rijden in de ruimte die door[betrokkene 1] tussen zijn auto en de voorliggende auto had vrijgelaten. [betrokkene 2] heeft echter tevens verklaard dat[betrokkene 1] niet naar de rijstrook voor hem, maar over zijn rechterschouder keek, waaruit volgt dat[betrokkene 1] op dat moment niet op het verkeer voor hem lette. Dit maakt aannemelijk dat hij keek of hij op de rechterbaan kon invoegen en daar dus nog niet reed, zoals hij zelf verklaart. [betrokkene 2] verklaart bovendien noch over het verdrijvingsvlak noch over de betonnen afrastering, alhoewel dat wel voor de hand lag indien de door haar gerelateerde manoeuvre van [verzoeker] op de door haar in haar situatieschets weergegeven plek van het ongeval heeft plaatsgevonden. Voorts ontbreekt enige verklaring voor het feit dat het door[betrokkene 1] en [betrokkene 2] omschreven rijgedrag van [verzoeker] niet op het schade aanrijdingsformulier is vermeld. Hetzelfde geldt voor het feit dat hij de autoschade van [verzoeker] heeft vergoed. Gelet op dit alles leveren de verklaringen van[betrokkene 1] en [betrokkene 2] tegenover het voormelde bewijs onvoldoende tegenbewijs op.

4.4.13.
Uit het vorenstaande volgt dat de door [verzoeker] bij het verzoekschrift overgelegde producties voldoende bewijs bieden voor de door hem gestelde toedracht van het ongeval en dat daarvoor, anders dan het Waarborgfonds meent, geen (voorlopig) getuigenverhoor nodig is. De overgelegde verklaringen van [-] [V] maken dat niet anders, zodat die onbesproken kunnen blijven.

4.5.
Uit de door [verzoeker] bewezen toedracht van het ongeval volgt dat[betrokkene 1] niet in staat is geweest zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was. Nu het voertuig van[betrokkene 1] ten tijde van het ongeval niet voor het risico van wettelijke aansprakelijkheid verzekerd was, is hiermee is de aansprakelijkheid van het Waarborgfonds voor de gevolgen van het ongeval gegeven. De verzochte verklaring voor recht zal derhalve worden toegewezen.

De kosten

4.6.
Artikel 1019aa Rv bepaalt dat de rechter de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt dient te begroten, ook als het verzoek wordt afgewezen. Uit de wetsgeschiedenis volgt echter ook dat wanneer de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen (zie Kamerstukken II 2007/08, 31 518 nr. 3, p.12).
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt reeds dat het verweer van het Waarborgfonds dat [verzoeker] het deelgeschil onterecht heeft opgestart faalt.

4.7.
Bij het verzoekschrift is een specificatie gevoegd van de gemaakte kosten aan de zijde van [verzoeker], die € 4.688,15 bedragen (18 uren x € 205,= vermeerderd met 5% kantoorkosten en BTW). Die kosten, tegen de hoogte waarvan door het Waarborgfonds geen (afzonderlijk) verweer is gevoerd, komen de rechtbank, gelet op de kenmerken van de onderhavige zaak, redelijk voor. De kosten van de deelgeschilprocedure worden derhalve aan de zijde van [verzoeker] begroot op € 4.688,15 (inclusief BTW), te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 282,00, derhalve in totaal € 4.970,15.

4.8.
De kosten van een deelgeschilprocedure op de voet van artikel 1019aa Rv hebben te gelden als buitengerechtelijke kosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW die in beginsel door de aansprakelijke partij dienen te worden vergoed. [verzoeker] betwist dat de polisvoorwaarden van zijn rechtsbijstandverzekering bij DAS Rechtsbijstand dekking bieden voor kosten die door een aansprakelijke wederpartij vergoed dienen te worden. Hier tegenover heeft het Waarborgfonds haar stelling dat die polisvoorwaarden dekking bieden voor de kosten van het deelgeschil niet onderbouwd. Haar verweer dat [verzoeker] vanwege die dekking geen belang heeft bij de gevraagde ‘kostenveroordeling’ dient te worden verworpen en het verzoek ter zake de kosten van het deelgeschil als na te melden kan worden toegewezen.

4.9.
[verzoeker] heeft naast een specificatie van de kosten van het deelgeschil ook een specificatie overgelegd van buitengerechtelijke werkzaamheden gedurende 31 uren over de periode 30 mei 2013 tot en met 20 december 2013 voor een totaalbedrag van € 6.355,-. Hieraan zal worden voorbij gegaan nu niet is gesteld dat al deze werkzaamheden in het kader van het deelgeschil zijn verricht en [verzoeker] bij het verzoekschrift geen voldoening van andere kosten dan de kosten van het deelgeschil heeft gevraagd en hij zijn verzoek ter zitting schriftelijk noch mondeling met het verzoek daarvan akte te verlenen daarmee heeft vermeerderd. ECLI:NL:RBROT:2014:4709

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies