RBLIM 210526 KG; AOV; deskundigenonderzoek naar AO-percentage nodig; niet spoedeisend; aanzienlijk restitutierisico; bodemprocedure aangewezen
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 210526 KG; AOV; deskundigenonderzoek naar AO-percentage nodig; niet spoedeisend; aanzienlijk restitutierisico; bodemprocedure aangewezen
2De feiten
2.1.
[eisende partij] heeft ongeveer 30 jaar in de kledingbranche gewerkt, waarvan 20 jaar lang als zelfstandig ondernemer in zijn eigen kledingzaak te [plaats] .
2.2.
Op 13 juni 2019 heeft [eisende partij] een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor ondernemers afgesloten bij De Goudse. Het verzekerde bedrag is € 24.000,-, de eigen risico termijn bedraagt 30 dagen en er geldt een indexering van 2%. De verzekering eindigt op het moment dat [eisende partij] de leeftijd van 67 jaar zal hebben bereikt, te weten op 1 november 2028.
2.3.
De ouders van [eisende partij] komen uit Indonesië. Beide ouders zijn – onafhankelijk van elkaar – als kinderen terecht gekomen in Japanse interneringskampen (ook wel Jappenkampen genaamd). De ouders van [eisende partij] hebben aldaar vreselijke dingen meegemaakt. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de ouders van [eisende partij] beiden naar Nederland. In Nederland hebben zij een relatie gekregen, zijn getrouwd en hebben vier kinderen gekregen.
2.4.
De ouders van [eisende partij] zijn door de Nederlandse overheid erkend als oorlogsslachtoffer. De vader van [eisende partij] was gericht op discipline, streng voor zijn kinderen en mishandelde hen. [eisende partij] heeft mede als gevolg hiervan gezondheidsklachten ontwikkeld.
2.5.
Als gevolg van deze gezondheidsklachten heeft [eisende partij] per 14 oktober 2019 een beroep gedaan op zijn arbeidsongeschiktheidsverzekering en zijn werkzaamheden (grotendeels) gestaakt. Uiteindelijk is [eisende partij] bij vonnis van 17 december 2019 door de rechtbank failliet verklaard. Bij beschikking van 21 september 2021 is het faillissement opgeheven en is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [eisende partij] uitgesproken.
2.6.
[eisende partij] is door verschillende deskundigen van De Goudse onderzocht en zijn klachten en arbeidsongeschiktheid zijn beoordeeld. De arbeidsdeskundige van de Goudse heeft op
28 november 2019, 20 mei 2020 en 24 februari 2021 een rapport uitgebracht over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] . Op basis hiervan is de mate van arbeidsongeschiktheid in de periode 14 oktober 2019 tot 1 januari 2022 door De Goudse als volgt vastgesteld:
14-10-2019 80-100%
01-06-2020 75 %
01-07-2020 50 %
01-08-2020 50 %
01-10-2020 50%
01-01-2022 40 %
Op basis hiervan is een uitkering voldaan.
2.7.
Op verzoek van [eisende partij] is de mate van arbeidsongeschiktheid in 2024 opnieuw beoordeeld. Conform de bevindingen van dit nieuwe onderzoek van de arbeidsdeskundige is de arbeidsongeschiktheid met terugwerkende kracht per 6 maart 2024 aangepast naar een uitkeringsklasse 80-100% met een uitkering ter hoogte van 100% van de verzekerde som. Daarnaast is [eisende partij] volledig vrijgesteld van het betalen van premie.
3Het geschil
3.1.
[eisende partij] vordert – samengevat – om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, binnen 24 na dit vonnis:
De Goudse te veroordelen om met terugwerkende kracht en met ingang van 13 juni 2019 de 100 procent AOV-uitkering uit te keren voor het bedrag waarvoor [eisende partij] is verzekerd wegens arbeidsongeschiktheid volgens de voorwaarden van de afgesloten verzekeringspolis bij De Goudse met polisnummer [nummer] met daarbij verhoging van de wettelijke renten vanaf deze datum.
De Goudse te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 2.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat De Goudse na betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan de verplichtingen uit het vonnis te voldoen, tot een maximum van € 50.000,- is bereikt.
De Goudse te veroordelen tot de kosten van het geding, te vermeerderen met de wettelijke rente indien betaling niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis plaatsvindt.
3.2.
In de dagvaarding is onder het petitum nog het volgende opgenomen:
“Dit alles op voorwaarde van een verbeurdverklaring van € 25.000,- na betekening van dit vonnis en De Goudse te veroordelen in de kosten van de procedure.”
De advocaat van [eisende partij] heeft desgevraagd ter zitting toegelicht dat dit per abuis is opgenomen en geen onderdeel van de vordering is. De rechtbank zal dit deel als niet geschreven beschouwen.
3.3.
De Goudse voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4De beoordeling
Bevoegdheid
4.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze procedure een zaak betreft als bedoeld in artikel 101 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), zijnde een zaak betreffende een overeenkomst die is gesloten door een partij die handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf en een natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, kort gezegd: een consument. Dat betekent dat de rechtbank van de woonplaats van de consument mede bevoegd is. [eisende partij] woont in [plaats] , zodat de rechtbank [plaats] bevoegd is. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van de rechtbank [plaats] eveneens bevoegd om van onderhavig geschil kennis te nemen.
Gedaagde partij
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft De Goudse aangegeven dat de partijnaam op de dagvaarding onjuist is. De juiste aanduiding is Goudse Schadeverzekeringen NV.
4.3.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Wanneer een partij in de procedure niet op de juiste wijze is geduid kan een dergelijke vergissing naar vaste rechtspraak lopende de procedure worden hersteld als (i) de vergissing voor de gedaagde kenbaar was, (ii) de gedaagde niet wordt benadeeld of in zijn verdediging geschaad en (iii) rectificatie tijdig plaatsvindt (ECLI:NL:HR:1998:ZC2798). De ratio van de deformaliseringstendens die hieraan ten grondslag ligt, is dat fouten en vergissingen niet tot fatale gevolgen behoren te leiden als de wederpartij door het herstel hiervan niet onredelijk in haar belangen wordt geschaad. Voorts dient zoveel mogelijk te worden beslist tussen de werkelijk belanghebbende partijen bij de rechtsbetrekking in een geschil (ECLI:NL:HR:2013:1881). Voorwaarde is steeds dat sprake is van een vergissing en dat de wederpartij heeft begrepen of redelijkerwijs heeft moeten begrijpen ten verzoeke van wie de dagvaarding is uitgebracht (ECLI:NL:HR:2009:BI4198). Het herstel dient er steeds toe om te voorkomen dat er een uitspraak wordt gedaan die is gesteld op naam van een verkeerde (rechts)persoon. Herstel van een onjuiste of onvolledige naamsvermelding kan ook plaatsvinden door middel van een verzoek tot wijziging van de naamsaanduiding na aanbrengen van de zaak (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1881). De rechtbank stelt in dat kader vast dat dit verzoek tot rectificatie reeds onmiddellijk na ontdekking van de vergissing is ingediend en daarmee tijdig is gedaan. Aangezien de juiste partij, Goudse Schadeverzekeringen NV, reeds in de procedure is verschenen, is het uitbrengen van een herstelexploot overbodig en volstaat de rectificatie van de partijnaam (vgl. ECLI:NL:HR:2013:13991). De voorzieningenrechter zal het verzoek tot rectificatie toestaan in die zin dat de dagvaarding wordt geacht te zijn uitgebracht aan Goudse Schadeverzekeringen NV.
4.4.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Goudse Schadeverzekeringen N.V. als gedaagde in deze kortgedingprocedure geldt.
Spoedeisend belang
4.5.
[eisende partij] vordert om de Goudse te veroordelen tot uitkering van het bedrag waarvoor [eisende partij] is verzekerd wegens arbeidsongeschiktheid. [eisende partij] stelt een spoedeisend belang te hebben, omdat De Goudse volgens [eisende partij] op onrechtmatige en onacceptabele gronden herhaaldelijk niet is overgegaan tot de volledige uitkering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering. Daarnaast stelt [eisende partij] dat hij van zijn familieleden geld heeft moeten lenen om zijn lasten te kunnen betalen gedurende de periode dat De Goudse geen volledige uitkering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft betaald. Met die familieleden is [eisende partij] overeengekomen dat wanneer hij een hoger percentage van de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangt, hij ook het volledige bedrag dient terug te betalen. De verwachting is dat hij nu een hogere uitkering zal krijgen, zodat hij ook tot terugbetaling van de geleende gelden moet overgaan.
4.6.
De Goudse betwist dat [eisende partij] een spoedeisend belang heeft. De Goudse voert hiertoe aan dat van onrechtmatige daad geen sprake kan zijn, omdat partijen een verzekeringsovereenkomst hebben gesloten. Volgens De Goudse kan dan hooguit sprake zijn van wanprestatie. Verder betwist De Goudse dat er sprake is van financiële nood aan de zijde van [eisende partij] . Daarnaast wijst De Goudse op het restitutierisico, nu [eisende partij] in de schuldsanering zat en onduidelijk is of deze inmiddels is opgeheven.
4.7.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden gezien als een geldvordering. Immers, [eisende partij] vraagt uitkering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering door De Goudse aan hem. Die uitkering zou bij een toewijzend vonnis gebeuren door betaling van een zeker bedrag door De Goudse aan [eisende partij] . De gevorderde veroordeling is dan ook in feite een vordering tot betaling van een nader te bepalen bedrag. Dat is dus een geldvordering in kort geding. In de jurisprudentie bestaat ook algemene overeenstemming over het feit dat de vordering tot uitkering op basis van een verzekering een geldvordering is (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:GHDHA:2026:161 en ECLI:NL:GHAMS:2015:3616).
4.8.
Voor toewijzing van een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is slechts dan plaats, als het bestaan en de omvang van de vordering in hoge mate aannemelijk zijn, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling (het restitutierisico) bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.
4.9.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aan deze vereisten niet voldaan. De vordering is in onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk geworden. Daarvoor is van belang dat partijen van mening verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid van [eisende partij] . [eisende partij] heeft gesteld dat bij zijn klachten een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage hoort, namelijk 100%. De Goudse heeft dit gemotiveerd betwist. De stellingen van partijen zijn op dit punt in evenwicht en er is nader onderzoek nodig naar de vraag tot welk percentage arbeidsongeschiktheid de klachten van [eisende partij] leiden, bijvoorbeeld door het inschakelen van een deskundige. Een kort geding procedure leent zich hier niet voor. Daar komt bij dat [eisende partij] niet heeft gesteld dat hij in een financiële noodsituatie is gekomen. Van belang is hierbij ook dat De Goudse sinds maart 2024 wel de volledige 100%-uitkering betaalt. Voorshands geoordeeld is geen sprake van een zodanige spoedeisendheid dat een voorlopig oordeel in kort geding over de uitkering van de arbeidsongeschiktheidsverzekering over een periode in het verleden noodzakelijk is. Daarvoor is een bodemprocedure de geëigende weg, alwaar plaats is voor nader onderzoek met mogelijk bewijslevering en voor het benoemen van (een) deskundige(n).
4.10.
Bovendien is hier sprake van een aanzienlijk restitutierisico. [eisende partij] heeft aangevoerd dat hij de te ontvangen uitkering wil gebruiken om geldleningen af te lossen die hij met familieleden gesloten heeft. Dat betekent dat het geld vrijwel meteen verdwijnt uit het vermogen van [eisende partij] . Wanneer in een eventuele bodemprocedure zou worden geoordeeld dat [eisende partij] de te ontvangen uitkering zou moeten terugbetalen, is het risico aanwezig dat hij over onvoldoende middelen beschikt om hieraan te voldoen. Dit is temeer reden om de vordering van [eisende partij] in kort geding af te wijzen. Rechtbank Limburg 21 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:5011