RBMNE 230326 KG; afwijzing aanvullend voorschot; onvoldoende duidelijkheid over financiële en medisch kant vd zaak;
- Meer over dit onderwerp:
RBMNE 230326 KG; afwijzing aanvullend voorschot; onvoldoende duidelijkheid over financiële en medische kant vd zaak;
compensatie proceskosten vanwege vertraging afwikkeling; verzekeraar dient (voortvarend) initiatief te nemen voor medisch onderzoek
2De kern van de zaak
2.1
Op 18 juli 2024 is [eiser] betrokken geraakt bij een verkeersongeval in Dronten. Univé heeft de aansprakelijkheid voor dit ongeval erkend. In de periode na het ongeval heeft Univé ongeveer € 14.000,00 aan voorschotten op schadevergoeding uitgekeerd, waaronder € 2.000,00 smartengeld. [eiser] vindt dat zijn schade substantieel hoger is dan deze voorschotten. Hij vordert daarom € 30.000,00 als aanvullend voorschot op de schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en de kosten (inclusief nakosten) van deze procedure. Univé betwist dat de schade van [eiser] de voorschotten overstijgt, en meent ook dat de gestelde schade niet het gevolg is van het ongeval. Zij vraagt de voorzieningenrechter daarom de vordering van [eiser] af te wijzen. Univé krijgt grotendeels gelijk.
3De beoordeling
Het toetsingskader
3.1
De voorzieningenrechter stelt voorop dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is. De voorzieningenrechter moet daarbij niet alleen onderzoeken of het bestaan van een geldvordering van [eiser] op Univé in hoge mate aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. In de te maken belangenafweging moet de voorzieningenrechter ook het eventuele restitutierisico betrekken, mocht de rechter in de bodemprocedure anders beslissen.
3.2
Partijen zijn het er over eens dat Univé aansprakelijk is voor de schade die [eiser] als gevolg van zijn ongeval lijdt. Univé is daarom in beginsel gehouden de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, te vergoeden. In dit kort geding staat de vraag centraal of Univé een aanvullend voorschot aan [eiser] moet voldoen. Hierbij is van belang om vast te stellen of voldoende aannemelijk is dat het bedrag aan reeds verschenen schade het reeds betaalde voorschotbedrag substantieel overstijgt en of voldoende aannemelijk is dat in de bodemprocedure een hoger bedrag aan uiteindelijke schadevergoeding aan [eiser] zal worden toegewezen dan tot nu toe aan voorschotten door Univé is betaald.
[eiser] heeft een spoedeisend belang bij de gevorderde voorziening
3.3
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat hij, als hij geen aanvullend voorschot ontvangt, verder in de financiële problemen zal komen en daardoor mogelijk zijn huurwoning zal moeten verlaten en medische behandelingen zal moeten staken.
Het standpunt van partijen
3.4
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. [eiser] meent dat zijn schade in maart 2026 in totaal € 62.000,00 bedraagt, waardoor hij € 48.000,00 te weinig aan voorschot heeft gekregen. Ten aanzien van de schadepost verlies aan verdienvermogen stelt [eiser] dat hij, als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden, per 2 september 2024 aan de slag zou zijn gegaan als [functie] bij zijn broer. Dan zou hij ongeveer 40 uur per week hebben gewerkt en ongeveer € 2.865,00 netto per maand hebben verdiend. [eiser] heeft zijn stelling onderbouwd met een e-mail van zijn broer van 28 juni 2024, dus een aantal weken voor het ongeval, waarin zijn broer dit bevestigt. Verder zou [eiser] in de periode vóór het ongeval niet alleen inkomen uit arbeid hebben gehad maar ook fiscaal niet verantwoorde inkomsten uit kluswerkzaamheden. Tot het verrichten van die kluswerkzaamheden is hij nu niet meer in staat.
3.5
Univé betwist de door [eiser] gevorderde schade en het causaal verband tussen het ongeval en deze schade. Zij meent dat er geen sprake is van beperkingen die het gevolg zijn van het ongeval. [eiser] had namelijk al last van verschillende medische klachten, waaronder lage rugpijn, schouderklachten en psychische klachten, als gevolg waarvan hij arbeidsongeschikt is geraakt in maart 2023. Ook de schade in het kader van het verlies van verdienvermogen wordt door Univé betwist. Zij wijst op een wat inkomen betreft niet noemenswaardig arbeidsverleden van 2003 t/m 2022 en voert ook aan dat het niet te verwachten was dat [eiser] per 2 september 2024 daadwerkelijk aan de slag zou zijn gegaan als [functie] omdat i) [eiser] ten tijde van het ongeval in een re-integratietraject zat onder begeleiding van het UWV waarbij nog geen concrete invulling was gegeven aan het voornemen van [eiser] om als [functie] te gaan werken, ii) [eiser] tijdens de huisbezoeken op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat er voor het ongeval nog niets concreets gepland was qua loonvormende werkzaamheden en iii) [eiser] pas op 11 maart 2025 naar voren bracht dat hij bij zijn broer in dienst zou zijn getreden als [functie] .
De vordering tot betaling van € 30.000,00 wordt afgewezen
3.6
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in deze procedure niet gebleken dat de schade die [eiser] als gevolg van het ongeval lijdt, de betaalde voorschotten substantieel overschrijdt. De vordering tot betaling van aanvullende voorschotten zal dus worden afgewezen. Hiertoe is het volgende redengevend.
3.7
Er bestaat onzekerheid over het verdienvermogen van [eiser] voorafgaand aan het ongeval en over zijn te verwachten verdienvermogen als het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden. Voorafgaand aan het ongeval was sprake van een weinig constant arbeidsverleden. De laatste arbeidsverhouding van [eiser] was meer dan een half jaar voor het ongeval beëindigd en heeft ongeveer 6 maanden geduurd. [eiser] heeft nog aangevoerd dat hij ook niet-fiscaal verantwoorde kluswerkzaamheden heeft verricht en daarmee ongeveer € 2.500,00 bruto per maand verdiende. De voorzieningenrechter gaat aan deze stelling voorbij, nu onvoldoende onderbouwd is dat [eiser] deze inkomsten daadwerkelijk ontving. De enkele foto’s van [eiser] ’s gereedschap en gestelde klussen zijn daartoe onvoldoende.
3.8
Ook het te verwachten verdienvermogen zonder ongeval kan momenteel niet voldoende worden vastgesteld. Weliswaar heeft [eiser] een mail overgelegd waarin zijn broer een concreet salaris voorstelt voor werkzaamheden als [functie] , maar dit is onvoldoende om ervan uit te gaan dat [eiser] deze werkzaamheden daadwerkelijk en duurzaam kon uitvoeren. Uit de verslagen van de huisbezoeken blijkt dat [eiser] op 24 oktober 2024 en 12 november 2024 heeft aangegeven dat hij overwoog als [functie] te werken, maar hij heeft daarbij niet de concrete plannen verteld die uit het mailbericht van zijn broer van 28 juni 2024 blijken. In de documentatie over de re-integratiebegeleiding door het UWV wordt wel vermeld dat [eiser] eventueel als [functie] wilde werken, maar over deze wens wordt niets geconcretiseerd vermeld waaruit zou kunnen blijken dat hij die werkzaamheden daadwerkelijk kon gaan doen. Daarom kan de voorzieningenrechter op dit moment niet vaststellen dat het de redelijke verwachting was dat [eiser] per 2 september 2024 aan het werk zou gaan als [functie] , voor het door hem gestelde aantal uren per week en gestelde salaris.
3.9
Alhoewel volgens de voorzieningenrechter geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de door [eiser] ervaren klachten, is op dit moment niet voldoende aannemelijk dat deze klachten, uitsluitend, zijn te herleiden tot het ongeval. In het kader van het re-integratietraject is vóór het ongeval op 11 juni 2024 en ná het ongeval op 14 februari 2025 een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) opgesteld door het UWV. Hieruit blijkt dat er sprake was van (aanzienlijke) pre-existente klachten, en dat de beperkingen na het ongeval zijn toegenomen. Dit roept de vraag op welke beperkingen het gevolg zijn het ongeval en welke al voor het ongeval bestonden. Ook deze vraag behoeft beantwoording voordat een reële analyse te maken valt van het verlies aan verdienvermogen als gevolg van het ongeval.
3.10
Concluderend heeft de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende informatie om vast te stellen dat de schade van [eiser] hetgeen aan voorschotten is betaald overschrijdt substantieel overschrijdt.
Belangenafweging
3.11
Een belangenafweging maakt dit oordeel niet anders. De voorzieningenrechter begrijpt dat de belangen aan de zijde van [eiser] groot zijn. Hij verkeert in een financieel penibele situatie en dit heeft ongetwijfeld een negatieve invloed op zijn welbevinden. Aan de andere kant speelt het restitutierisico ook een rol. Als Univé op basis van een voorlopige voorziening een aanvullend voorschot zou moeten betalen, dan is de kans aanzienlijk dat [eiser] dit bedrag niet meer kan terugbetalen mocht later anders geoordeeld worden in een bodemprocedure.
Medisch onderzoek en verantwoordelijkheid Univé
3.12
Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Om te beoordelen welke klachten het gevolg zijn van het ongeval en welke klachten reeds voor het ongeval bestonden, is nader medisch onderzoek nodig. Tijdens de mondelinge behandeling bleek dat partijen het hierover eens zijn. Van Univé mag verwacht worden dat zij hier een initiatief toe neemt en daar voortvarend werk van maakt, om te voorkomen dat de afwikkeling van de schade lang duurt en zoals thans het geval lijkt helemaal stil komt te liggen. Univé kan zich - anders dan zij doet - niet beroepen op het ontbreken van onafhankelijk deskundigenonderzoek omdat het vanwege de door haar erkende aansprakelijkheid ook aan haar is om dat de faciliteren. Hoewel zij heeft aangevoerd dat zij nog medische informatie mist, lijkt dat op het eerste gezicht slechts in beperkte mate het geval te zijn. En voor zover zij meent onvoldoende informatie van [eiser] te hebben, is het aan haar om hem daar duidelijk om te verzoeken. Het is niet gebleken dat zij dat heeft gedaan. Tegelijkertijd is niet gebleken dat Univé [eiser] volledig heeft geïnformeerd over de door haar ingewonnen medische adviezen. Univé heeft niet bestreden dat Rhamouni pas in het kader van dit kort geding op de hoogte is geraakt van het medisch advies van 17 oktober 2025. Uit het dossier blijkt dat de manier waarop [eiser] en zijn medisch adviseur zich in deze zaak opstellen constructief is en dat hij zich inspant om Univé in voldoende mate te informeren. Aldus bezien meent de voorzieningenrechter dat de lange duur van de afwikkeling van deze letselschadezaak en de gevolgen die dat voor Rhamouni heeft, in overwegende mate ook te wijten zijn aan Univé.
De proceskosten
3.13
Hoewel [eiser] in het ongelijk wordt gesteld zullen de proceskosten worden gecompenseerd vanwege hetgeen de voorzieningenrechter heeft overwogen over de verantwoordelijkheid van Univé voor de afwikkeling van deze letselschadezaak. Rechtbank Midden-Nederland 23 maart 2026, ECLI:NL:RBMNE:2026:1601
