RBROT 300725 bedrijfsongeval; tussenvonnis in incident; provisionele vordering smartengeld gebaseerd op directe actie; eiser wordt in gelegenheid gesteld om ook verzekerde in geding te roepen
- Meer over dit onderwerp:
RBROT 300725 bedrijfsongeval; tussenvonnis in incident; provisionele vordering smartengeld gebaseerd op directe actie; eiser wordt in gelegenheid gesteld om ook verzekerde in geding te roepen
1 De zaak in het kort
1.1.
De hoofdzaak gaat over de schade die [eiser] lijdt als gevolg van een bedrijfsongeval en de vraag of AIG als de aansprakelijkheidsverzekeraar van zijn (voormalige) werkgever daarvoor nog een schadevergoeding aan hem moet uitkeren. In het incident vordert [eiser] dat de verzekeraar hem als voorlopige voorziening een voorschot op die schadevergoeding zal betalen. AIG voert daar verweer tegen.
1.2.
De rechtbank wijst een tussenvonnis in het incident. Zij oordeelt namelijk dat [eiser] de gelegenheid moet krijgen om de verzekerde (zijn voormalige werkgever) in het geding te roepen voordat de rechtbank enige verdere beslissing neemt.
2 De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding tevens houdende provisionele eis met 20 producties,
- de conclusie van antwoord in incident vordering tot provisionele voorziening met 6 producties.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
3 De feiten, voor zover van belang in het incident
3.1.
In de nacht van 9 op 10 februari 2012 is [eiser] een bedrijfsongeval overkomen (verder: het bedrijfsongeval). Hij was toen in dienst van [bedrijf] B.V. (verder: [bedrijf] ).
3.2.
Bij het bedrijfsongeval liep [eiser] letsel op.
3.3.
AIG is de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf] en heeft de aansprakelijkheid van [bedrijf] voor het ontstaan van het bedrijfsongeval erkend.
4 Het geschil in de hoofdzaak
4.1.
Naar de rechtbank begrijpt vordert [eiser] in de hoofdzaak bij vonnis:
1. voor recht te verklaren dat [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval lichamelijke en geestelijke klachten en beperkingen heeft die maken dat hij 100% arbeidsongeschikt is en een IVA-uitkering heeft en dat deze gevolgen aan dat bedrijfsongeval en het gedrag van de werkgever moeten worden toegerekend en daarmee volledig in causaal verband staan ex art. 6:98 BW;
2. AIG te veroordelen om aan [eiser] te betalen alle, als gevolg van dat ongeval en door hem geleden en te lijden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met wettelijke rente;
3. te bepalen dat de arbeidsvermogensverliesschade van [eiser] die hij sedert 2012 lijdt en nog zal lijden wordt uitgerekend door een rekenbureau op basis van alle loongegevens met CAO verhogingen etc. vanaf de datum van het bedrijfsongeval;
4. te bepalen dat een arbeidsdeskundige en een verzekeringsarts worden aangesteld als deskundigen die de schadeposten: behoefte huishoudelijke arbeid en het verlies aan zelfwerkzaamheid in kaart gaan brengen;
5. te bepalen dat over de gehele uitgekeerde schade een belastinggarantie door AIG wordt verstrekt ter meerdere zekerheid van het slachtoffer voor eventuele fiscale navorderingen;
6. AIG te veroordelen tot betaling van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
7. AIG te veroordelen in de proceskosten;
8. te bepalen dat het vonnis voor zover mogelijk geheel of gedeeltelijk uitvoerbaar bij voorraad is.
4.2.
[eiser] baseert deze vorderingen op de aansprakelijkheid van [bedrijf] als zijn werkgever voor de schade die hij door het ongeval lijdt en de directe actie die hij jegens AIG als de aansprakelijkheidsverzekeraar van [bedrijf] heeft (als bedoeld in artikel 7:954 BW).
5 Het geschil in het incident
5.1.
[eiser] heeft een provisionele vordering ingesteld. Daarin vordert [eiser] bij tussenvonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
AIG te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schade en smartengeld van € 100.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling.
5.2.
Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat een voorschot van € 100.000 op de schade die hij door het bedrijfsongeval lijdt redelijk is. Sinds het bedrijfsongeval heeft hij pijnklachten aan (de wond aan) zijn linkerhand/pols, zijn nek en zijn hoofd, last van oorsuizen (tinnitus) en rugklachten met uitstraling naar zijn rechterbeen, psychische klachten en niet aangeboren hersenletsel. Ook is in het re-integratieproces bij zijn werkgever te veel druk op [eiser] uitgeoefend en heeft hij als gevolg daarvan bijkomende psychische klachten. Hierdoor is [eiser] volledig arbeidsongeschikt geraakt en lijdt hij sinds augustus 2014 een netto inkomensverlies van € 15.000 tot € 20.000 per jaar. Zijn immateriële schade begroot [eiser] op € 100.000, waarvan € 75.000 voor het opgelopen letsel en € 25.000 voor de stress die hij ervaart door gedraai en getouwtrek van AIG (secundaire victimisatie).
5.3.
AIG voert verweer. Ten eerste beroept zij zich op niet-ontvankelijkheid van [eiser] , omdat hij in strijd met artikel 7:954 lid 6 BW [bedrijf] niet in deze procedure heeft betrokken. Ten tweede voert AIG aan dat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat de hoofdzaak niet kan worden afgewacht, dat er sprake is van een restitutierisico en dat onvoldoende vast staat dat hij een vordering tot het bedrag van € 100.000 heeft. In dat verband spreekt AIG tegen dat de gestelde klachten, op tijdelijke klachten aan zijn linkerhand na, het gevolg zijn van het bedrijfsongeval en dat in het re-intergratieproces te veel druk op [eiser] is uitgeoefend.
6 De beoordeling in het incident
6.1.
De rechtbank stelt [eiser] ambtshalve in de gelegenheid om [bedrijf] in dit geding op te roepen en houdt iedere verdere beslissing aan. Zij licht dit toe als volgt.
6.2.
Uitgangspunt in de rechtspraak is dat in het geval dat de rechter van oordeel is dat er meer partijen in het geding moeten worden betrokken dan zijn gedagvaard, de rechter zo nodig ambtshalve gelegenheid behoort te geven tot het alsnog oproepen van die partijen. Die situatie doet zich hier voor.
6.3.
[eiser] baseert zijn vordering namelijk (mede) op artikel 7:954 BW. Dit artikel handelt over de uitkering, die de verzekeringmaatschappij onder de met haar afgesloten aansprakelijkheidsverzekering aan de verzekerde verschuldigd is. Onder omstandigheden kan de benadeelde, die niet de verzekerde is, rechtstreekse betaling van deze uitkering verlangen. In het zesde lid van dit wetsartikel staat dat de benadeelde alleen bevoegd is om een rechtsvordering tegen de verzekeraar in te stellen indien hij er zorg voor draagt dat de verzekerde tijdig in het geding wordt geroepen. De reden daarvoor is dat het onpraktisch zou zijn als de verzekerde niet aan de uitspraak van de rechtbank zou zijn gebonden omdat hij geen partij in de procedure was. Ook is de uitkomst van de procedure bepalend voor de rechten en plichten van de verzekerde en kan de verzekerde op deze wijze voor zijn belangen waken.
6.4.
De rechtbank moet ervan uitgaan dat [eiser] [bedrijf] nog niet in het geding heeft geroepen. [bedrijf] is namelijk niet mede gedagvaard en [eiser] heeft geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij [bedrijf] op een andere wijze in het geding heeft geroepen.
6.5.
De stand van de procedure brengt mee dat [eiser] alsnog [bedrijf] tijdig in het geding kan roepen. De in artikel 7:954 lid 6 BW opgenomen eis van tijdigheid strekt namelijk ertoe dat de verzekerde in een zodanig stadium wordt opgeroepen dat hij behoorlijke gelegenheid heeft om zijn belangen in de procedure waarin hij wordt opgeroepen, te behartigen. Dat is in dit stadium van de procedure nog het geval omdat de rechtbank in dit incident nog geen oordeel heeft gegeven en er in de hoofdzaak nog voor antwoord moet worden geconcludeerd.
6.6.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
7 De beslissing
De rechtbank
in het incident en in de hoofdzaak
7.1.
stelt [eiser] in de gelegenheid om [bedrijf] overeenkomstig artikel 118 Rv in het geding te roepen tegen de hierna vermelde roldatum;
7.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 27 augustus 2025 voor de onder 7.1 bedoelde oproeping;
7.3.
bepaalt dat indien [bedrijf] in rechte verschijnt zij een termijn van twee weken zal krijgen voor conclusie van antwoord in het incident;
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan. ECLI:NL:RBROT:2025:9283