Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof 's-Hertogenbosch 080916 poging moord; kosten voorlopig deskundigenonderzoek ook voor rekening aansprakelijke partij als causaal verband niet komt vast te staan

Hof 's-Hertogenbosch 080916 poging moord; kosten voorlopig deskundigenonderzoek ook voor rekening aansprakelijke partij als causaal verband niet komt vast te staan

2 De beoordeling

2.1.
In eerste aanleg is door [appellant] verzocht om een voorlopig deskundigenbericht te gelasten. Dit verzoek is toegewezen bij beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 25 juni 2013 waarbij aan [appellant] geen voorschot is opgelegd. Bij beschikking waarvan beroep heeft voornoemde rechtbank evenwel bepaald dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de kosten voor de deskundigen betaald dienen te worden door de verzoekende partij, in casu [appellant]. Hoewel in het deskundigenrapport is vastgesteld dat een aantal klachten en beperkingen voortvloeien uit de mishandeling van [appellant] door [geïntimeerde], is volgens de rechtbank het causaal verband tussen deze klachten en beperkingen en de mishandeling echter nog steeds in geschil. De rechtbank is daarom van oordeel dat er onvoldoende redenen zijn om af te wijken van het uitgangspunt dat de verzoeker de kosten van de deskundigen dient te betalen. [appellant] is derhalve veroordeeld tot het betalen van de kosten van de deskundigen, een bedrag van € 5.943,52 (inclusief BTW).

2.2.
Tegen dit laatste oordeel komt [appellant] thans in hoger beroep. [appellant] meent dat, nu het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde], aangezien laatstgenoemde voor als poging tot moord te kwalificeren handeling op 23 maart 2009 onherroepelijk is veroordeeld, vaststaat, [geïntimeerde] in beginsel aansprakelijk is voor alle schade die [appellant] als gevolg van deze poging tot moord heeft geleden. Het staat immers vast, gezien de door [appellant] genoemde jurisprudentie, dat iemand die een wanprestatie of onrechtmatige daad te kenschetsen gedraging heeft verricht op grond van artikel 6:98 BW in samenhang met artikel 6:96 BW in beginsel aansprakelijk is voor alle schade die de benadeelde als gevolg daarvan heeft geleden, aldus [appellant].

2.3.
[geïntimeerde] heeft in zijn verweerschrift gesteld dat niet in geschil is of zijn onrechtmatig handelen jegens [appellant] vaststaat, [geïntimeerde] is immers strafrechtelijk veroordeeld. Wel een punt van geschil is echter of [appellant] door het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] schade heeft geleden en in hoeverre [geïntimeerde] hiervoor aansprakelijk is. Het debat hierover is immers nog niet afgerond en de kwestie is ook nog niet aan de bodemrechter voorgelegd. Daar komt bij dat er bij [appellant] al sprake was van pre-existente beperkingen en klachten. Nu de aansprakelijkheid van [geïntimeerde] ook nog niet onomstotelijk vaststaat zijn er volgens [geïntimeerde] geen redenen om hem te veroordelen tot het voldoen van de kosten van de deskundigen.

2.4.
Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft mr. Hustings-Goes namens [appellant], zakelijk weergegeven, aangevoerd dat [geïntimeerde] onder punt 6 van het door hem overgelegde verweerschrift thans voor de eerste keer schriftelijk erkent dat zijn onrechtmatig handelen jegens [appellant] vaststaat. Nu voorts uit de deskundigenrapportage blijkt dat de bij [appellant] geconstateerde schade geheel dan wel grotendeels een gevolg is van het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde], acht [appellant] het meer dan redelijk dat de kosten van het deskundigenonderzoek ook door [geïntimeerde] dienen te worden voldaan. Desgevraagd geeft mr. Hustings-Goes aan nog niet te weten of zij [geïntimeerde] ten aanzien van zijn aansprakelijkheid voor de schade van [appellant] in rechte zal gaan betrekken door middel van een bodemprocedure. Wellicht zal er eerst een buitenrechtelijk traject worden betracht. Daarbij merkt Hustings-Goes op te beseffen dat zij, met het oog op de huidige procedure, in een eventuele bodemprocedure niet meer om een kostenveroordeling voor de deskundigenkosten kan verzoeken.

2.5.
Mr. Vos heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling aangegeven geen reden te zien waarom in deze zaak zou moeten worden afgeweken van de regel dat de kosten van een deskundigenonderzoek in beginsel door de verzoeker van een dergelijk onderzoek dienen te worden voldaan. Volgens hem staat immers vooralsnog niet vast dat de schade zoals die bij [appellant] is vastgesteld (volledig) is veroorzaakt door de mishandeling met de hamer. Er zou volgens de rapportage immers ook sprake zijn van reeds bestaande klachten bij [appellant]. Ook staat niet objectiveerbaar vast dat er vanwege de medische schade ook sprake zou zijn van een daaruit voortvloeiende schade uit inkomensverlies. Ten aanzien van de door hem gehanteerde hamer bij het toebrengen van het letsel waarvoor [geïntimeerde] is veroordeeld merkt [geïntimeerde] tot slot desgevraagd op dat het hier niet, zoals wel in de stukken staat, zou gaan om een klauwhamer, maar om een veel kleinere hamer, een zogenaamd “spijkertikkertje”, welke hamer bij [appellant] op tafel lag.

2.6.
Het hof is van oordeel dat uit de psychiatrische rapportage van psychiater [psychiater] van 25 november 2015 genoegzaam kan worden herleid dat de letselschade die thans bij [appellant] in de vorm van neurocognitieve klachten bestaat voor een groot deel kan worden toegeschreven aan het incident in 2008, te kwalificeren als poging tot moord, door [geïntimeerde]. Daarbij overweegt het hof dat uit voornoemde rapportage eveneens blijkt dat het waarschijnlijk is dat de problemen in het sociaal maatschappelijk verkeer van [appellant] die reeds voor het ‘ongeval’ bestonden door dit ongeval zijn verergerd. Dat de handelingen in 2008 van [geïntimeerde] dienen te worden aangemerkt als een onrechtmatige handeling staat daarbij vast. [geïntimeerde] is hiervoor immers strafrechtelijk vervolgd en onherroepelijk veroordeeld en daarbij heeft hij bovendien, zowel in zijn verweerschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep, het onrechtmatige karakter van zijn handelen nadrukkelijk en bij herhaling erkend.

2.7.
[geïntimeerde] stelt, verkort weergegeven, in het kader van de onderhavige procedure de vraag, of alle (letsel)schade die bij [appellant] door psychiater [psychiater] is geconstateerd wel een direct gevolg is van de handelingen zoals door [geïntimeerde] gepleegd op 30 januari 2008 en of [geïntimeerde], indien deze vraag positief moet worden beantwoord, verplicht is om, in dit geval, de kosten van het deskundigenonderzoek, te voldoen. [geïntimeerde] meent zelf dat deze vraag negatief moet worden beantwoord omdat zijn aansprakelijkheid voor de door [appellant] gestelde schade niet onomstotelijk vaststaat. Dit zou, in het kader van de onderhavige procedure, dus tot gevolg hebben dat, zoals door de rechtbank in de beschikking waarvan beroep ook is beslist, [appellant] als verzoekende partij de kosten van de deskundige dient te betalen.

2.8.1.
Het hof stelt voorop dat nu van een bodemprocedure geen sprake was ten tijde van toezending van de diverse rapportages door de deskundigen aan de rechtbank, en ook thans geen sprake is van een lopende bodemprocedure, de regel van artikel 205 lid 3 jo. lid 2 Rv zowel rechtstreeks als (mogelijk) analoog toepassing mist.

2.8.2.
Bij de beantwoording van de onder 2.7. weergeven vraag stelt het hof voorop dat art. 6:96 lid 2, aanhef en onder b, BW zelf geen grondslag biedt voor een verplichting tot vergoeding van kosten die worden gemaakt om vast te stellen of als gevolg van een gebeurtenis schade is geleden en, zo ja, of daarvoor iemand aansprakelijk kan worden gehouden. De bepaling veronderstelt, integendeel, juist dat een wettelijke verplichting tot schadevergoeding bestaat, in welk geval de bedoelde kosten mede, dat wil zeggen naast andere als gevolg van de gebeurtenis geleden schade, voor vergoeding in aanmerking komen.

2.9.
Omdat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van de door hem gepleegde handeling, strafrechtelijk gekwalificeerd als poging tot moord, is hij in beginsel binnen de grenzen van art. 6:98 BW aansprakelijk voor alle schade die de [appellant] als gevolg van die mishandeling heeft geleden. Gezien HR 11 juli 2003 (ECLI:NL:PHR:2003:AF7423) kunnen in beginsel de (redelijke) kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid dan ook voor vergoeding in aanmerking komen, zelfs wanneer uiteindelijk niet komt vast te staan dat door [appellant] enige schade is geleden. Dit klemt temeer nu de deskundigenkosten als gevolg van de handelingen van [geïntimeerde] zijn gemaakt (sine-qua-non-verband) en zij tevens in een zodanig verband met die handelingen staan dat zij aan [geïntimeerde], mede gezien de aard van de aansprakelijkheid - immers voortvloeiend uit opzettelijk handelen - en van de schade - zijnde letselschade en daaruit voortvloeiende mogelijke gevolgen -, als gevolg van deze mishandeling kunnen worden toegerekend. De uit artikel 6:96 BW en genoemde uitspraak van de Hoge Raad voortvloeiende aansprakelijkheid kan eveneens bij de onderhavige beoordeling in het kader van artikel 205 lid 2 Rv worden betrokken.

2.10.
Thans vordert [appellant] de kosten van de door hem ingeroepen bijstand van deskundigen in het kader van de door handelingen van [geïntimeerde] veroorzaakte schade, ongeacht of uiteindelijk komt vast te staan dat [geïntimeerde] aansprakelijk kan worden gehouden voor enige letselschade van [appellant]. Ook indien dat laatste uiteindelijk niet zou komen vast te staan - hetgeen het hof gezien het uit de stukken blijkende letsel van [appellant] in 2008 en gezien de overgelegde rapportages overigens zeer onwaarschijnlijk acht -, sluit zulks, gelet op het hiervóór overwogene, niet uit dat de kosten van deskundigenbijstand in het kader van de beantwoording van de vraag of [appellant] letsel heeft opgelopen door de onderhavige handelingen door [geïntimeerde] voor vergoeding door laatstgenoemde in aanmerking komen. Dat de gemaakte kosten redelijk zijn staat overigens tussen partijen niet ter discussie.
Het hof ziet in de gegeven omstandigheden geen enkele aanleiding enig deel van deze kosten voor rekening van [appellant] te laten. 
Het hof is, gezien het bovenstaande dan ook van oordeel dat [geïntimeerde] de kosten van het deskundigenonderzoek, in dit geval een bedrag van € 5.943,52 (inclusief BTW), thans reeds dient te voldoen.

2.11.
De beschikking waarvan beroep zal worden vernietigd. [geïntimeerde] zal in de kosten van de deskundigen worden veroordeeld. 
zal, nu het onderhavige geding als contradictoir van aard te duiden valt, voorts als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.
Het hof zal tenslotte op de voet van artikel 289 Rv ambtshalve de hierna uit te spreken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. ECLI:NL:GHSHE:2016:4066

Deze website maakt gebruik van cookies