Overslaan en naar de inhoud gaan

Rb Midden-Nederland 140318 8 clienten tegen ASR terzake van BGK, alles afgewezen; geen concreet verweer tegen PIV-staffel

Rb Midden-Nederland 140318 8 clienten tegen ASR terzake van BGK, alles afgewezen; geen concreet verweer tegen PIV-staffel 

De feiten
2.1. Eisers zijn cliënten van X Letselschade (hierna: X) te Y, een bureau dat zich bezig houdt met de behandeling en regeling van personenschade. X is de belangenbehartiger van eisers. ASR heeft in de zaken van eisers geheel of gedeeltelijk aansprakelijkheid erkend voor de door eisers geleden schade.

2.2. X heeft facturen gestuurd naar ASR betreffende de door haar ten behoeve van eisers verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. ASR heeft deze facturen deels onbetaald gelaten.

Het geschil en de beoordeling daarvan
3.1. Elk van de eisers vordert veroordeling van ASR bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad om aan hen een geldsom te betalen. De geldvorderingen bestaan in hoofdsom uit een bedrag aan onbetaalde buitengerechtelijke kosten als beschreven in 2.2. Voorts vorderen eisers daarover berekende buitengerechtelijke incassokosten en rente, steeds met veroordeling van ASR in de proceskosten.

3.2. ASR heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.3. De stellingen van partijen komen hierna voor zover nodig aan de orde.

algemeen

3.4. De kantonrechter overweegt als volgt. De gevorderde hoofdsommen bestaan uit buitengerechtelijke kosten. Tussen partijen is niet in geschil dat deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking komen als wordt voldaan aan de eisen neergelegd in art. 6:96 lid 2 BW. Dit artikel behelst de zogenaamde dubbele redelijkheidstoets. Bij die toets wordt beoordeeld of de uitgevoerde werkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren en of de gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn; alle omstandigheden van het geval worden bij die beoordeling betrokken. Bij de onderhavige vorderingen kan daarbij bijvoorbeeld gedacht worden aan de aard van de schade (letselschade), de omvang van de schade, het al dan niet gevoerde verweer, de moeilijkheidsgraad van de zaak de daadwerkelijk verrichte werkzaamheden en de deskundigheid van degene die de werkzaamheden heeft verricht. Bij de beoordeling van de redelijkheid van de omvang van de kosten bestaat een duidelijke samenhang met een uiteindelijk vast te stellen hoogte van de hoofdsom van de geleden eisers schade. Tussen de hoogte van de schade en de kosten die zijn gemoeid met het vaststellen van de hoogte ervan dient in beginsel een redelijke verhouding te bestaan. Het is aan degene die de schade stelt te hebben geleden, in dit geval dus aan eisers, om alle relevante omstandigheden (gemotiveerd) te stellen. Ook een factor als eigen schuld kan in de beoordeling van de redelijkheid van de omvang van de buitengerechtelijke kosten worden betrokken.

eisers 1 tot en met 7

3.5. Bij de eisers genoemd onder 1 tot en met 7 is de hoogte van de uit te keren schadevergoeding nog niet vastgesteld. Voor die personen staat dus nog niet vast aan de hand van welk bedrag de redelijkheid van de gemaakte buitengerechtelijke kosten beoordeeld kan worden. Volgens ASR heeft zij wat betreft eisers 1 tot en met 7 voldaan aan haar verplichtingen door het betalen van de voorschotten aan hen. Daaraan voegt ASR toe dat het in de praktijk niet werkbaar is om op voorhand al maximaal te bevoorschotten. Als achteraf wordt vastgesteld dat de inmiddels al betaalde bevoorschotting te hoog is om redelijk te zijn, is het niet waarschijnlijk dat de belangenbehartiger bereid zal zijn om tot terugbetaling over te gaan. Die stelling is door (de belangenbehartiger van) eisers niet weersproken. Weliswaar noemen eisers de aanduiding als voorschot onjuist, maar wel wordt erkend dat pas op het moment dat de hoogte van de schadevergoeding is vastgesteld de toetsing van de redelijkheid van de kosten kan plaatsvinden. Niet in geschil is dus dat op dit moment voor eisers 1 tot en met 7 nog geen definitieve redelijkheidstoets kan plaatsvinden. Wel kan beoordeeld worden of de bedragen die ASR heeft voldaan in redelijke verhouding staan tot de verwachte definitieve vaststelling van de schade. Van belang is dat geen van deze eisers heeft gesteld, en dat evenmin is gebleken, dat het systeem van de betaling van de voorschotten in praktisch opzicht leidt tot problemen met het verkrijgen of continueren van een toereikende rechtshulpverlening, De door ASR gehanteerde terughoudendheid bij uitbetaling voorafgaand aan de definitieve vaststelling van de schade acht de kantonrechter in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd.

3.6. Eisers 1 tot en met 7 voeren aan dat ASR ten onrechte niet is overgedaan tot een verdere vergoeding van gemaakte buitengerechtelijke kosten. Steeds heeft ASR facturen niet of niet volledig aan hen voldaan.

Ter onderbouwing van de redelijkheid van reeds betaalde vergoedingen heeft ASR gewezen op de staffel zoals gehanteerd door het Personenschade Instituut voor Verzekeraar (PIV).

De staffel is opgesteld om belangenbehartigers en verzekeraars een uitgangspunt te bieden in hun discussie over buitengerechtelijke kosten. ASR stelt dat zij in de zaken van eisers 2 tot en met 7 ruimschoots meer heeft betaald dan zij op grond van die staffel verschuldigd zou zijn. ASR stelt dat zij bij eiser 1 vrijwel heeft vergoed wat volgens de PTV-staffel betaald zou moeten worden.

3.7. Tussen partijen staat vast dat tussen hen geen gebondenheid aan deze staffel bestaat. De staffel kan niettemin een element zijn dat wordt betrokken bij de dubbele redelijkheidstoets van 6:96 lid 2 BW. Bij dat oordeel speelt een rol dat eisers geen concreet verweer hebben gevoerd tegen het betrekken van deze staffel bij de beoordeling. Het is aan eisers om alle volgens hen relevante omstandigheden aan te dragen. Eisers 1 tot en met 7 hebben echter onvoldoende aanknopingspunten geboden om reeds op dat moment een nadere toetsing uit te voeren. Daarbij geldt dat het uitsluitend verwijzen naar een bijgevoegde productie onvoldoende is. Uit de processtukken moet blijken welke stelling een partij met het overleggen van een productie beoogt te onderbouwen en welk deel van de productie daarvoor relevant is. Dit heeft tot gevolg dat de kantonrechter op dit moment geen nadere inschatting kan maken van de redelijkheid van de gevorderde kosten, anders dan aan de hand van de PIV-staffel. Zoals gezegd is voldoende gemotiveerd gesteld en niet weersproken, dat wat betreft de uitbetalingen tot nu toe de staffel (vrijwel) is nageleefd. Slechts in de zaak van [EISER1], heeft ASR niet het volledige bedrag uitgekeerd dat aan de hand van de PIV-staffel geïndiceerd zou zijn. Gelet op het karakter van de bevoorschotting en het ontbreken van concrete aanwijzingen dat [EISER1] hierdoor problemen ondervindt met het verkrijgen van rechtshulpverlening ziet de kantonrechter geen aanleiding om het relatief beperkte verschil van € 150,00 (tussen de uitbetaalde € 4.250,00 en het volgens de staffel verschuldigde € 4.400,00) toe te wijzen. Wat betreft [EISER3], heeft ASR bij de bepaling van het voorschot terecht betrokken dat zij de aansprakelijkheid slechts voor 50% heeft erkend en dat dit percentage ook een rol speelt bij de te vergoeden buitengerechtelijke kosten.

conclusie hoofd- en nevenvorderingen eisers 1 tot en met 7

3.8. Concluderend: de gevorderde hoofdsommen van eisers 1 tot en met 7 worden afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.

Wat betreft de vordering van [EISER4], is in overweging genomen dat ASR pas na dagvaarding is overgegaan tot uitbetaling van € 2.500,00. Zoals gezegd is met die betaling (ruimschoots) voldaan aan de norm van de staffel. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten zal – mede gelet op de door de kantonrechter gevolgde aanbevelingen van het Rapport BGK-integraal – niettemin worden afgewezen. [EISER4] heeft niet gesteld dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan [EISER4] vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

eiseres 8

3.9. Wat betreft de procedure van [EISER8] is een andere situatie aan de orde, ASR heeft aan haar een definitieve schade-uitkering gedaan. ASR heeft gesteld en [EISER8] heeft erkend dat overeengekomen is dat ASR daarnaast een slotuitkering voor buitengerechtelijke kosten zou doen ter hoogte van € 25.000,00. Volgens [EISER8] zijn partijen er daarbij van uitgegaan dat ASR daarnaast ook de nog onbetaalde facturen zou voldoen, waaronder de factuur die onderwerp is van deze procedure. ASR betwist dat en voert aan dat een afspraak over het doen van een slotuitkering voor buitengerechtelijke kosten logischerwijs is gemaakt onder de voorwaarde van algehele en finale kwijting.

De kantonrechter overweegt dat het onder de gegeven omstandigheden, waarin tot een einduitkering is overgegaan en een afspraak is gemaakt over de kosten waarbij de bijbehorende betaling door beide partijen als “slotuitkering’’ wordt aangeduid, niet aannemelijk is dat onderdeel is van de afspraak dat verdere betalingen zullen worden gedaan dan die € 25.000,00. [EISER8] heeft ter onderbouwing van haar standpunt geen nadere stukken overgelegd of een nadere toelichting verstrekt. Haar vordering is in het licht van net verweer van ASR onvoldoende onderbouwd en wordt daarom afgewezen. De nevenvorderingen worden daarom eveneens afgewezen.
proceskosten

3.10. ASR zal, gelet op de betaling aan [EISER4] na de dagvaarding, als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [EISER4] worden begroot op:

– dagvaarding € 97,31

– griffierecht € 223,00

– salaris gemachtigde € 300,00 (2 punten x tarief € 150,00)

Totaal € 620,31

3.11. Ten aanzien van de eisers 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 8 zal de gevorderde proceskostenveroordeling worden afgewezen. Deze eisers zullen ieder voor zich als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ASR bestaan uit salaris gemachtigde. Dit salaris wordt begroot op 2 punten x het toepasselijke tarief x 0.5; een en ander als hierna vermeld. De toepassing van deze factor 0,5 wordt redelijk geacht, omdat ASR voor alle eisers heeft kunnen volstaan met gezamenlijke processtukken. PIV-site