Overslaan en naar de inhoud gaan

RBAMS 040724 kosten niet bestreden, begroot, niet toegewezen, cf verzoek: 13,5 u x € 225 + 2 u x € 112,50 + 21% = € 3.947,63

RBAMS 040724 motor rijdt rechtdoor; tegemoetkomende auto linksaf; tegenstrijdige verklaringen; niet geschikt voor deelgeschil
kosten niet bestreden, begroot, niet toegewezen, cf verzoek: 13,5 u x € 225 + 2 u x € 112,50 + 21% = € 3.947,63 
 

locatie ongeval maps.app.goo.gl
 

2De feiten

2.1.

Op 13 mei 2021 heeft op de kruising van de Marnixstaat met de Rozengracht in Amsterdam een ongeval plaatsgevonden. Daarbij waren [verzoeker] als bestuurder van een motor en [verweerder] als bestuurder van een auto betrokken. [verzoeker] is daarbij ten val gekomen. [verzoeker] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

2.2.

[verweerder] heeft een motorrijtuigenverzekering lopen bij AG Insurance. AG Insurance wordt in Nederland vertegenwoordigd door Dekra.

2.3.

De Politie eenheid Amsterdam Amstelland heeft een registratie van het ongeval opgemaakt. In het proces-verbaal staat over de toedracht van het ongeval het volgende weergegeven:

“De bestuurder van de motor bereed de rijbaan van de Rozengracht, komende uit de righting van de Lijnbaansgracht, gaande in de righting van de Nassaukade te Amsterdam.

Ongeveer 150 meter van de kruising zag de bestuurder van de motor, dat het verkeerslicht op groen stond. Hij reed met ongeveer 45 a 50 km/uur. Hij zag dat de weg voor hem vrij was. Op het moment dat genoemde bestuurder zich ongeveer 50 meter voor de kruising bevond, kruiste de auto voor hem langs. De bestuurder is vervolgens gaan remmen en uitwijken, met als gevolg dat hij ten val kwam.

De bestuurder van de auto bereed de rijbaan van de Rozengracht, komende uit de righting van de Nassaukade, gaande in de righting van de Marnixstraat te Amsterdam.

Bij de kruising van de Marnixstraat met de Rozengracht wilde genoemde bestuurder links afslaan de Marnixstraat in.”

2.4.

[verweerder] heeft op 12 juli 2021 over de toedracht van het ongeval het volgende verklaard (Nederlandse vertaling van Franse tekst):

“Ja, ik was niet als eerste in de fout, het volgende heeft zich voorgedaan,

Ik stond bij het stoplicht, en toen dat op groen sprong, sloeg ik af en opeens komt er een motor op volle snelheid aan vanuit de andere richting en die komt tot bij de achterkant van mijn auto en terwijl hij remt verliest hij zijn evenwicht en komt met zijn motor ten val. Ik ben gestopt en heb met de politie en het slachtoffer gepraat, waarbij het slachtoffer aan de politie toegaf dat het zijn fout was, dat hij te snel reed en toen hebben ze me laten vertrekken, ik heb de motor in mijn achteruitkijkspiegel kunnen zien omdat hij van achter kwam, ik heb geen botsing met mijn auto gehad.”

2.5.

Per e-mailbericht van 23 september 2021 heeft Dekra aan (de advocaat van) [verzoeker] medegedeeld dat niet is gebleken dat [verweerder] aansprakelijk is.

3Het verzoek

3.1.

Het verzoek strekt ertoe – samengevat – dat de rechtbank bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

I. voor recht verklaart dat [verweerders] hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval heeft geleden;

subsidiair

II. voor recht verklaart dat geen sprake is van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] dan wel dat er in mindere mate sprake is van eigen schuld dan volgens [verweerders] het geval is, en dat de rechtbank in dat geval de eigen mate van schuld vaststelt met toepassing van de billijkheidscorrectie;

primair en subsidiair

III. [verweerders] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van dit deelgeschil, begroot op € 3.947,62 en het griffierecht;

IV. bepaalt dat de kosten binnen veertien dagen na het wijzen van de beschikking moeten zijn voldaan en dat de wettelijke rente zonder aanzegging verschuldigd is als de kosten niet binnen de hiervoor genoemde termijn zijn voldaan;

V. een datum bepaalt waarop het verzoekschrift wordt behandeld en de daarop te geven beslissing aan [verweerders] dient te worden toegezonden.

3.2.

[verweerders] voert verweer.

4De beoordeling

Bevoegdheid rechtbank en toepasselijk recht

4.1.

In deze zaak met internationale aspecten moet de rechtbank allereerst (ambtshalve) de vragen beantwoorden of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het geschil en welk recht van toepassing is.

4.2.

De rechtbank heeft op grond van het bepaalde in artikel 13 lid 2 in verbinding met artikel 11 lid 1 sub b van de Herschikte EEX-Vo1 rechtsmacht, omdat [verzoeker] een rechtstreekse vordering heeft op AG Insurance, die is gevestigd in een lidstaat2.

4.3.

Gelet op artikel 3 van het Haags Verkeersongevallenverdrag3 is Nederlands recht van toepassing omdat het ongeval in Nederland heeft plaatsgevonden.

Leent de zaak zich voor een deelgeschilprocedure?

4.4.

Vervolgens dient te worden beoordeeld of het verzoek zich leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure als bedoeld in artikel 1019w-1019cc Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv). De rechtbank stelt voorop dat de aansprakelijkheidsvraag in een deelgeschil aan de orde kan komen. Een oordeel hierover kan de weg vrij maken voor verdere schikkingsonderhandelingen en bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst tussen partijen.

4.5.

[verzoeker] stelt zich op het standpunt dat de toedracht voldoende vaststaat en verwijst daarvoor naar de toedrachtsomschrijving in het proces-verbaal (zie 2.3). [verweerder] is linksaf geslagen, terwijl [verzoeker] met zijn motor rechtdoor wilde rijden. Volgens [verzoeker] had [verweerder] aan hem dus voorrang moeten verlenen. Omdat [verzoeker] de auto niet wilde raken, stuurde hij naar links met zijn motor, waarna hij ten val kwam. [verweerders] betwist de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval. [verweerders] brengt naar voren dat [verweerder] voldoende tijd had om met de auto af te slaan en dat [verzoeker] te hard kwam aanrijden. Ter onderbouwing wordt verwezen naar zijn verklaring (zie 2.4).

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak zich niet leent voor een beoordeling in het deelgeschil. De lezingen van partijen over de toedracht wijken van elkaar af. De rechtbank kan op dit moment niet vaststellen dat [verweerder] aan [verzoeker] ten onrechte geen voorrang heeft verleend, zoals [verzoeker] stelt. Het enkele gegeven dat [verweerder] linksaf is geslagen terwijl [verzoeker] met zijn motor rechtdoor wilde rijden is weliswaar belangrijk maar onvoldoende voor het oordeel dat hij aansprakelijk is. Van belang is ook waar partijen zich ten opzichte van elkaar op de weg bevonden op het moment dat [verweerder] wilde afslaan en met welke snelheid partijen reden. Het proces-verbaal is in dit geval niet van doorslaggevende betekenis. In het proces-verbaal staat onder de toedracht slechts opgetekend wat [verzoeker] aan de politie heeft verklaard. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat [verweerder] en zijn partner, die ten tijde van het ongeval als bijrijder in de auto aanwezig was, door de politie zijn gehoord en dat zij beiden een verklaring hebben afgelegd. Deze verklaringen bevinden zich om onduidelijke redenen niet in het politiedossier. [verzoeker] heeft ook niet kunnen achterhalen waarom [verweerder] als verdachte staat aangemerkt in het proces-verbaal. Gelet daarop hebben de aanduidingen in het proces-verbaal van [verweerder] als “verdachte” en [verzoeker] als “slachtoffer” onvoldoende gewicht.

4.7.

De rechtbank kan zonder nadere bewijslevering niet vaststellen of de door [verzoeker] gestelde toedracht als vaststaand kan worden aangenomen. De toedracht van het ongeval is niet alleen van belang voor de aansprakelijkheidsvraag, maar ook – indien aansprakelijkheid wordt aangenomen – voor de vraag naar eigen schuld. Het vaststellen van de toedracht van het ongeval zal naar valt te verwachten gepaard gaan met (overwegend) getuigenbewijs, met alle tijd, kosten en moeite van dien. Die tijd en kosten zijn dusdanig dat de rechtbank van oordeel is dat deze beslissing onvoldoende bijdraagt aan een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 1019z Rv.

4.8.

Op grond van artikel 1019z Rv worden de verzoeken onder I en II van [verzoeker] dan ook afgewezen.

4.9.

Op het verzoek V behoeft geen beslissing te worden gegeven, zodat dit verzoek geen behandeling behoeft.

Kosten deelgeschil

4.10.

Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 1019aa Rv volgt dat ook als het verzoek op grond van artikel 1019z Rv wordt afgewezen, de kosten van de procedure dienen te worden begroot. Bij de begroting van de kosten dient de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets te hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.11.

[verzoeker] maakt aanspraak op een bedrag van € 3.947,62 (13,5 uren x € 225,00 + 2 uur x € 112,50 + 21% btw), te vermeerderen met het griffierecht dat [verzoeker] is verschuldigd. [verweerders] heeft zich op het standpunt gesteld dat hij de verzochte kosten redelijk acht.

4.12.

De rechtbank begroot de kosten van dit deelgeschil dan ook volgens het verzoek van [verzoeker] op een bedrag van (€ 3.947,62 + € 86,00 aan griffierecht =) € 4.033,62. Deze kosten hebben op grond van artikel 1019aa lid 2 Rv te gelden als kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek. Omdat de aansprakelijkheid van [verweerder] niet vaststaat, zal de rechtbank de kosten slechts begroten en niet een veroordeling tot betaling daarvan uitspreken. Dit betekent dat het verzoek onder IV wordt afgewezen.

4.13.

De rechtbank zal ook de verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring afwijzen. De kosten worden alleen begroot en tegen de beschikking staat op grond van artikel 1019bb Rv geen hogere voorziening open. 
 

1Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken

2Vgl. HvJ EG 13 december 2007, C-463/06, ECLI:EU:C:2007:792

3Haagse Verdrag van 4 mei 1971 inzake de wet welke van toepassing is op verkeersongevallen op de weg (Trb. 1971, 118)

 

Rechtbank Amsterdam 4 juli 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:9038