RBAMS 090426 voorschot schadevergoeding afgewezen; verzocht 14,2 uur x € 250, toegewezen 14,2 uur x € 230,00 + 21% = € 3.951,86; x 60 % vanwege ES
- Meer over dit onderwerp:
RBAMS 090426 hersenletsel voetganger na aanrijding met politiemotor; 00:15 uur op 1 januari; geen overmacht agent; ES voetganger 40%, geen bill. corr.
- voorschot schadevergoeding afgewezen;
- verzocht 14,2 uur x € 250, toegewezen 14,2 uur x € 230,00 + 21% = € 3.951,86; x 60 % vanwege ES
2De feiten
2.1.
Tijdens de jaarwisseling, op 1 januari 2025, vond omstreeks 00:16 een aanrijding plaats tussen een motorfiets, bestuurd door een politieagent (hierna: de motoragent) en een voetganger, [verzoeker] . Het ongeval gebeurde ter hoogte van [locatie] .
2.2.
Euro Insurances is de WAM-verzekeraar van de motorfiets. Accident Management Services B.V. (hierna: AMS) wikkelt voor Euro Insurances de schade in Nederland af.
2.3.
In de nacht van 31 december 2024 op 1 januari 2025 was de motoragent belast met het toezicht op de festiviteiten rondom oud en nieuw. Omstreeks 00:00 reed hij op een fietspad langs de spoorlijn richting de [straat 1] . Op dat moment zag hij een scooter zonder kenteken en verlichting voorbijrijden. De bestuurder van de scooter droeg geen helm. De motoragent besloot achter de scooter aan te gaan. Het resulteerde in een achtervolging van de scooter door de motoragent.
2.4.
De motoragent volgde de scooter door de [straat 2] , waar hij besloot zijn optische en geluidssignalen aan te zetten. Op een gegeven moment sloeg de scooter linksaf de [straat 3] in. De scooter maakte vervolgens in die straat een noodstop, waardoor de scooter tussen de benen van de bestuurder viel. De motoragent reed door en keerde verderop in de straat. Terwijl hij terugreed in de richting van de scooter, is [verzoeker] , die op de rijbaan aanwezig was, door de motor aangereden.
2.5.
Na het ongeval hebben verschillende getuigen op het politiebureau over de toedracht verklaard. Voor zover relevant wordt dat hieronder weergegeven:
Getuige 1:
“(...)De motorrijder van de politie had nog snelheid en reed door. Hij reed iets door, ik denk iets minder dan 10 minder, en draaide toen om. En toen sjeesde hij echt met volle vaart door de straat heen in de richting van waar de jongen die eerst de scooter bestuurder wegrende. Op dat moment raakt hij 1 van de twee jongens die van de overkant kwam om te helpen. Dit was dus 1 van de jongens die als laatste kwam aanlopen(...).”
Getuige 2:
“(...) De scooterrijder probeerde zijn scooter weer op te pakken en verder te rijden. Dat lukte niet, dus toen ging hij er rennend vandoor, in de richting van waar ze vandaan kwamen. Twee andere jongens, die kwamen van de overkant van de straat, pakten de scooter op.
De motoragent maakte weer snelheid in de richting van de wegrennende jongen.
Ondertussen waren er iets van 3 a 4 jongens op de weg, waarvan er 2 echt een blokkerende houding aannemen. Het later slachtoffer blokkeerde niet. Deze jongen stond best dichtbij de geparkeerde auto’s. Toen kwam de motorrijder met best hoge snelheid aan en knalde tegen de jongen aan(...).”
Getuige 3:
“(...)Ik zag eerst een politieauto met zwaailicht en sirene, die reed van links naar rechts (gezien vanaf mijn woning). Het leek op een achtervolging, ze reden ook met hoge snelheid, maar ik zag niet waar ze achteraan zaten. Ik zag ook dat er jongens op de weg vuurwerk aan het afsteken waren. Die konden nog net op tijd weggaan voordat de politieauto door de straat reed. En toen zag ik een jongen op de weg, het is een buurjongen van de overkant. Hij stond bij de geparkeerde auto’s aan mijn kant van de [straat 3] . Het teek erop dat hij wilde oversteken naar zijn huis, hij woont aan de andere kant van de straat, van de [straat 3] . Hij was met andere jongens. Waarschijnlijk waren ze gewoon aan het praten.
En toen werd hij dus geraakt door een politiemotor. De motor kwam van rechts(...).”
2.6.
Daarnaast zijn er door een getuige videobeelden gemaakt. De politie heeft via Whatsapp een video van 36 seconden van deze getuige ontvangen. Een inspecteur van de politie omschrijft hetgeen te zien is op die video als volgt:
“Op 6 januari 2025 ontving ik via Whatsapp een video van 36 seconden. Ik zag dat dit een video was van een aanrijding. Ik zag op de beelden een politiemotor met zwaailicht en sirene komen aanrijden (vooraanzicht). Ik zag vervolgens dat de motor vaart minderde en een U-turn maakte. Ik zag dat de motor snelheid vermeerderde (achteraanzicht). Ik zag dat er een persoon op de weg stond met gespreide armen en benen (gezicht in de richting van de aanrijdende politiemotor). Ik zag dat deze persoon op het laatste moment wegsprong, zodat een aanrijding tussen de politiemotor en deze persoon werd voorkomen. Ik zag dat achter deze wegspringen persoon nog een persoon stond/liep die door de politiemotor werd geraakt. Ik zag dat deze laatste persoon op de grond terecht kwam. Ik zag dat de politiemotor doorreed. Ik zag dat er meerdere personen op straat waren die richting de persoon renden die op de straat gevallen was.”
2.7.
Ten slotte heeft de motoragent zelf ook verklaard over het ongeval:
“(...)
Ik zag dat de [straat 3] een grote lege straat was toen ik achter de scooter aan reed. Hierop besloot ik de scooter in te halen en hem te laten stoppen door hem af te snijden met de motor. Ik zag dat de scooterbestuurder hierop reageerde door hard te remmen. Ik zag in mijn spiegel dat de scooter om viel tussen de benen van de bestuurder.
Ik minderde mijn snelheid en schakelde terug om te kunnen keren in de straat zodat ik naar de bestuurder van de scooter toe kon. Toen ik gekeerd was zag ik dat er iemand de straat op kwam rennen. Ik zag dat deze persoon expres voor mijn motor rende. Ik probeerde links langs deze persoon te sturen. Dit ging bijna niet omdat de persoon voor mijn motor bleef lopen. Ik kon deze persoon zoveel mogelijk ontwijken. Ik denk dat ik deze persoon geschampt heb toen ik probeerde om langs hem te sturen. Terwijl ik nog aan het uitwijken was naar links zag ik nog een persoon de straat op rennen. Ik zag dat deze persoon ook voor mijn motor rende. Ik merkte dat ik deze persoon niet kon ontwijken omdat hij zich expres voor mijn motor bleef bewegen. Ook had ik mijn balans nog niet terug nadat ik voor de vorige persoon was uitgeweken. Ik zag dat de persoon op het laatste moment voor mijn motor rende of sprong. Ik heb mij toen schrap gezet omdat ik zag dat een aanrijding met deze persoon onvermijdbaar was. Ik voelde een klap waardoor het stuur van mijn motor heen en weer klapte.
(...).”
2.8.
Na het ongeval is [verzoeker] met spoed naar het ziekenhuis gebracht. Daar is vastgesteld dat er sprake was van traumatisch hersenletsel. Enkele dagen later kreeg [verzoeker] een epileptische aanval. [verzoeker] heeft nog dagelijks klachten: concentratieproblemen, stemmingswisselingen, emotionele uitschieters, overgevoeligheid voor licht en geluid, migraineaanvallen en vergeetachtigheid. Daarnaast ondervond hij na het ongeval rug- en knieklachten.
2.9.
[verzoeker] heeft AMS per brief van 23 januari 2025 aansprakelijk gesteld voor de schade die hij als gevolg van het gevolg lijdt. AMS heeft namens Euro Insurances de aansprakelijkheid afgewezen.
3Het verzoek en het verweer
3.1.
[verzoeker] verzoekt de rechtbank – samengevat –in dit deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) om:
te bepalen dat Euro Insurances aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden
materiële en immateriële schade als gevolg van het verkeersongeval d.d. 1 januari 2025;
- - Euro Insurances te veroordelen om aan [verzoeker] een voorschot van € 10.000,- te betalen of een in goede justitie te bepalen bedrag;
- - Euro Insurances te veroordelen in de kosten van het deelgeschil vermeerderd met wettelijke rente.
3.2.
[verzoeker] heeft aan zijn verzoek het volgende ten grondslag gelegd. [verzoeker] stelt dat hij als voetganger is aangereden door een door een politieagent bestuurde motorfiets en dat hij als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. Op grond van artikel 185 WVW is Euro Insurances als WAM-verzekeraar aansprakelijk omdat sprake is van een aanrijding tussen een gemotoriseerde en een ongemotoriseerde verkeersdeelnemer, aldus [verzoeker] .
3.3.
Euro Insurances verweert zich en voert – samengevat – het volgende aan. Volgens Euro Insurances is sprake van overmacht in de zin van artikel 185 WVW zodat aansprakelijkheid ontbreekt. Daartoe wordt aangevoerd dat de motoragent rechtmatig en in de uitoefening van zijn politietaak handelde, waarbij hij een scooter zonder kenteken, licht en helmdragende bestuurder achtervolgde en daarbij optische en geluidssignalen voerde, zodat sprake was van een voorrangsvoertuig. Euro Insurances stelt dat [verzoeker] zich plotseling en doelbewust op de rijbaan heeft begeven en zich breed heeft gemaakt om de motoragent te hinderen. Volgens Euro Insurances was dit gedrag van [verzoeker] zo onwaarschijnlijk dat de motoragent hiermee geen rekening hoefde te houden en het ongeval niet heeft kunnen voorkomen. De motoragent kan dan ook rechtens geen enkel verwijt worden gemaakt.
3.4.
Subsidiair voert Euro Insurances aan dat sprake is van opzet dan wel aan opzet grenzende roekeloosheid van [verzoeker] . Door zich (ondanks de aanwezigheid van een voorrangsvoertuig met optische en geluidssignalen) op de rijbaan te begeven en de doorgang van de motoragent doelbewust te blokkeren, heeft [verzoeker] volgens Euro Insurances bewust een zeer aanzienlijk risico op het ontstaan van het ongeval genomen. Daarom komt hem geen beroep toe op de zogenoemde 50%-regel en dient de schade volledig voor zijn eigen rekening te blijven, aldus Euro Insurances.
3.5.
Meer subsidiair voert Euro Insurances aan dat, als toch enige aansprakelijkheid wordt aangenomen, de vergoedingsplicht maximaal 50% bedraagt, waarbij zij zich verzet tegen toepassing van een billijkheidscorrectie. Volgens haar is het ongeval in overwegende mate veroorzaakt door het gedrag van [verzoeker] .
3.6.
Ook voert Euro Insurances aan dat de zaak zich niet leent voor behandeling in een deelgeschilprocedure, nu partijen fundamenteel van mening verschillen over de toedracht van het ongeval en nader bewijs, waaronder getuigenverhoren, noodzakelijk zou zijn.
4De beoordeling
Bevoegdheid rechter en toepasselijk recht
4.1.
Omdat Euro Insurances gevestigd is in Ierland draagt deze zaak een internationaal karakter. Gelet op de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan ( [plaats] ) is de rechtbank Amsterdam relatief bevoegd om van dit geschil kennis te nemen (artikel 7 lid 2 Verordening (EU) nr. 1215/2012). Aangezien de schade zich in het onderhavige geval voordoet in Nederland, is Nederlands recht op de vordering van toepassing (artikel 4.1 Verordening (EG) nr. 864/2007).
Toetsing vereisten deelgeschil
4.2.
De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).
4.3.
In dit geval verschillen partijen op de eerste plaats en vooral van mening over de aansprakelijkheid van Euro Insurances. Met een oordeel hierover kan, anders dan Euro Insurances stelt, de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat het verzoek zich leent voor beoordeling in het kader van een deelgeschil. Het andersluidende standpunt van Euro Insurances snijdt geen hout.
De toedracht
4.4.
Euro Insurances voert aan dat [verzoeker] met gespreide armen voor de motoragent is gesprongen/gaan staan om hem de doorgang naar de wegvluchtende bestuurder van de scooter te beletten en daarbij is aangereden. Dat wordt door [verzoeker] betwist.
4.5.
Het verweer van Euro Insurances is ongegrond. Uit de overgelegde bewijsstukken blijkt niet dat [verzoeker] zich op de door Euro Insurances gestelde wijze heeft gedragen. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] de doorgang van de motoragent actief heeft belemmerd door voor hem te gaan staan. Doorslaggevend wordt gevonden dat uit de beschrijving van de videobeelden blijkt dat op die videobeelden is waar te nemen dat:
- één persoon zich met gespreide armen op de rijbaan bevond;
- dat die persoon daarmee de doorgang van de motoragent belemmerde;
- dat deze persoon op het laatste moment wegsprong waarna een tweede persoon die op de weg stond/liep en zich achter de wegspringende persoon bevond door de motor werd geraakt.
4.6.
Die tweede persoon was dus [verzoeker] . Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat het niet [verzoeker] is geweest die de doorgang van de motoragent doelbewust blokkeerde, maar dat dit door een ander werd gedaan. deed. Ook uit de (andere) getuigenverklaringen kan de door Euro Insurances gestelde opzettelijke en gevaarzettende gedraging door [verzoeker] niet worden afgeleid. Zo heeft één getuige zelfs expliciet verklaard dat het latere slachtoffer ( [verzoeker] ) de doorgang van de motoragent niet blokkeerde, terwijl andere getuigen evenmin hebben verklaard dat [verzoeker] opzettelijk voor de motor is gaan staan om hem de doorgang te verhinderen.
Geen sprake van overmacht
4.7.
De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie een beroep op overmacht alleen slaagt als aan de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de manier waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander en die fouten voor de bestuurder van het motorvoertuig zo onwaarschijnlijk zijn dat hij bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Dit betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet altijd op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich precies aan de verkeersregels houdt en dat men zich op zo’n manier moet gedragen dat een passende reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. Het gaat hier om een strenge norm waardoor, als in juridisch opzicht aan de motoragent enig verwijt te maken valt, hoe klein ook, het beroep op overmacht faalt.
4.8.
Het beroep op overmacht faalt. De rechtbank is van oordeel dat aan de motoragent wel een verwijt kan worden gemaakt. Dat wordt hierna toegelicht.
4.9.
Het ongeval heeft plaatsgevonden tijdens de jaarwisseling, omstreeks 00:15 uur, op een binnenstedelijke weg. Het is een feit van algemene bekendheid (zoals ook door Euro Insurances zelf wordt betoogd) dat de situatie op straat (zeker in het deel van de stad waar het ongeluk heeft plaatsgevonden) tijdens Oudjaarsnacht onoverzichtelijk is, onder meer doordat vuurwerk op straat wordt afgestoken en door de aanwezigheid van veel publiek. Dit brengt mee dat van een bestuurder van een motorrijtuig (ook wanneer deze optreedt in de uitoefening van een politietaak) een verhoogde mate van voorzichtigheid en terughoudendheid mag worden verwacht van de wijze waarop hij aan het verkeer deelneemt. De motororagent heeft er in deze situatie desondanks voor gekozen een achtervolging in te zetten van een scooter omwille van de naleving en handhaving van de voorschriften van de Wegenverkeerswet. Dat heeft ertoe geleid dat hij over een grote afstand en met aanzienlijk verhoogde snelheid door een stadswijk heeft gereden, hoewel sprake was van onoverzichtelijke omstandigheden met daarmee samenhangend onvoorspelbaar (verkeers)gedrag van anderen. Dat de motorfiets als voorrangsvoertuig moet worden aangemerkt, maakt dit niet anders. Het voeren van optische en geluidssignalen brengt weliswaar mee dat andere weggebruikers voorrang moeten verlenen, maar ontslaat de bestuurder niet van de verplichting zijn rijgedrag aan te passen aan de concrete omstandigheden ter plaatse.
4.10.
Dat het geen situatie betrof met een evidente hoge urgentie of direct gevaar maakt dat van de motoragent mocht worden verwacht dat hij zich rekenschap gaf van de risico’s van een achtervolging onder deze omstandigheden in relatie tot het doel dat daarmee gediend werd. Door desondanks toch een achtervolging in te zetten en over een aanzienlijke afstand uit te voeren en dus met sterk verhoogde snelheid aan het verkeer deel te nemen, heeft de motoragent onvoldoende rekening gehouden met de niet onwaarschijnlijke aanwezigheid van voetgangers op de rijbaan vanwege de Oudejaarsnacht. Het ongeval dat vervolgens heeft plaatsgevonden, is een direct gevolg daarvan.
4.11.
Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd dat het gedrag van [verzoeker] , die in oudejaarsnacht, vlak na twaalven als voetganger op de rijbaan stond, en niet – anders dan Euro Insurances heeft betoogd, zie hiervoor – actief de doorgang van de motoragent probeerde te belemmeren zo onwaarschijnlijk was dat de motoragent daarmee geen rekening hoefde te houden. Integendeel, juist tijdens Oudjaarsnacht moest de motoragent er rekening mee houden dat voetgangers zich op de rijbaan bevonden.
4.12.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geoordeeld dat de motoragent rechtens geen enkel verwijt treft. Daarmee is niet voldaan aan de maatstaf voor overmacht in de zin van artikel 185 WVW zodat het beroep daarop van Euro Insurances faalt.
Eigen schuld: de vergoedingsplicht van Euro Insurances is 60%
4.13.
Omdat het beroep van Euro Insurances op overmacht faalt, is zij op grond van artikel 185 WVW aansprakelijk voor de schade die [verzoeker] als gevolg van het ongeval lijdt. De vraag is of de aansprakelijkheid van Euro Insurances dient te worden verminderd wegens eigen schuld van [verzoeker] (artikel 6:101 lid 1 BW). Daarbij geldt dat de billijkheid rechtvaardigt dat de eigen schuld schuld van [verzoeker] er nimmer toe kan leiden dat de vergoedingsplicht van Euro Insurances minder dan 50% van de geleden schade bedraagt, tenzij sprake is van opzet of daaraan grenzende roekeloosheid van [verzoeker] (de zogenoemde 50% regel).
4.14.
Bij het toepassen van het beroep van Euro Insurances op eigen schuld van [verzoeker] dient op de eerste plaats een causaliteitsafweging te worden gemaakt. Dat betekent dat allereerst beoordeeld moet worden in welke mate het gedrag van [verzoeker] enerzijds en de wijze van rijden van de motoragent anderzijds het gevaar voor het ontstaan van de aanrijding in het leven hebben geroepen. Bij deze beoordeling komt het dus niet aan op de mate van verwijtbaarheid van de één of de ander. De beoordeling van de mate van verwijtbaarheid komt pas aan de orde bij toepassing van de in artikel 6:101 lid 1 BW vervatte billijkheidscorrectie. De grens tussen de primaire maatstaf van artikel 6:101 BW (de causale afweging) en de mate van verwijtbaarheid van de gedragingen die daarna moet worden betrokken bij de billijkheidscorrectie is evenwel niet altijd scherp te trekken.
4.15.
De rechtbank ziet aanleiding om de vergoedingsplicht van Euro Insurances te beperken tot 60% op grond van eigen schuld aan de zijde van [verzoeker] (artikel 6:101 BW). Vaststaat dat [verzoeker] zich ten tijde van het ongeval op de rijbaan bevond, terwijl op dat moment (oudejaarsnacht) een achtervolging plaatsvond door een politiemotor die optische en geluidssignalen voerde. Onder deze omstandigheden mocht van [verzoeker] worden verwacht dat hij zich terughoudend opstelde en de rijbaan vrijhield. Door zich desondanks op de rijbaan te bevinden, heeft hij bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval.
4.16.
Daar staat tegenover dat, zoals hiervoor is overwogen, ook de motoragent heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval omdat hij zijn rijgedrag onvoldoende heeft aangepast aan de bijzondere en onoverzichtelijke omstandigheden die zich voordeden tijdens de oudjaarsnacht. De rechtbank acht de bijdrage van beide partijen aan het ontstaan van het ongeval zodanig dat een verdeling van de schade in de verhouding 60% (ten laste van Euro Insurances) en 40% (ten laste van [verzoeker] ) gerechtvaardigd is.
Geen toepassing van de billijkheidscorrectie
4.17.
Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de billijkheidscorrectie tot een andere verdeling dan de hiervoor bepaalde verdeling leidt. Voor toepassing van die correctie moet het gaan om de aanwezigheid van specifieke, individuele omstandigheden die tot gevolg hebben dat de billijkheid een andere verdeling eist dan de uitkomst van de beoordeling op basis van causaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met onder andere de mate en ernst van verwijtbaarheid van de over en weer gemaakte fouten, de ernst van het letsel en het al dan niet verzekerd zijn.
4.18.
[verzoeker] voert daartoe aan dat hem ernstig letsel is overkomen. Ook de omstandigheid dat de motoragent na het voorval is doorgereden en de heftige impact die dit incident op hem heeft gehad, maken volgens [verzoeker] dat Euro Insurances op grond van de billijkheid alsnog 100% van de schade aan hem dient te vergoeden.
4.19.
Dat standpunt is ongegrond. De motoragent heeft de plaats van het ongeval verlaten omwille van zijn eigen veiligheid omdat hij na het ongeval door omstanders werd belaagd. Die omstandigheid maakt, anders dan [verzoeker] kennelijk meent niet, dat de causale verdeling bij het ontstaan van het ongeval op grond van de billijkheid correctie behoeft. De andere door [verzoeker] aangevoerde omstandigheden nopen daartoe evenmin.
Voorschot
4.20.
Ter onderbouwing van zijn schade heeft [verzoeker] een schadestaat overgelegd. Hij stelt in totaal € 43.379,06 aan schade te hebben geleden en verzoekt in dit deelgeschil om Euro Insurances te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 10.000 op de schadevergoeding.
4.21.
De rechtbank wijst het verzoek van [verzoeker] om een voorschot op de schadevergoeding af. Omdat Euro Insurances haar aansprakelijkheid betwistte, heeft tussen partijen buiten rechte in feite nog geen serieus debat plaatsgevonden over de omvang van de schade. Dat sprake is van een impasse waardoor de onderhandelingen tussen partijen zijn gestokt en waardoor een beslissing van de deelgeschilrechter op dat punt noodzakelijk is, is niet gebleken. Bovendien verschaffen de overgelegde stukken onvoldoende beeld van het precieze letsel van [verzoeker] , de termijn die met zijn herstel gemoeid is geweest en in welke mate sprake is van blijvende klachten en beperkingen. Een basis om in dit deelgeschil uitspraak te doen over de omvang van de aanspraak van [verzoeker] op schadevergoeding en een in samenhang daarmee vast te stellen voorschot ontbreekt eveneens.
Kosten deelgeschil
4.22.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
4.23.
[verzoeker] heeft verzocht Euro Insurances te veroordelen in de kosten van het deelgeschil. [verzoeker] heeft deze kosten begroot op een bedrag van € 4.295,60 inclusief btw, te vermeederen met de overige proceskosten en de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit 14 uur en 12 minuten tegen een tarief van € 250 (exclusief btw).
4.24.
Euro Insurances voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is. Volgens Euro Insurances is een uurtarief van € 200 redelijk en een totaalbedrag van € 2.500 voor deze kwestie passend.
4.25.
De rechtbank acht het bestede aantal uren gelet op de gemiddelde complexiteit en de omvang van het dossier redelijk. De rechtbank is samen met Euro Insurances van oordeel dat het uurtarief van mr. El Boutaibi overmatig is, gelet op zijn ervaringsjaren en het ontbreken van een gespecialeerde opleiding of het lidmaatschap van een beroepsvereniging of keurmerk. Het uurtarief zal daarom worden gematigd naar € 230 per uur exclusief btw.
4.26.
De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook in eerste instantie worden begroot op 14 uren en 12 minuten × € 230,00 exclusief btw, dus op € 3.951,86 inclusief btw. Er is niet gebleken dat [verzoeker] griffierecht of overige proceskosten heeft betaald.
4.27.
Uitgangspunt is dat wanneer een schadevergoedingsplicht op grond van artikel 6:101 BW wordt verminderd, dit in beginsel in dezelfde mate doorwerkt in de vergoedingsplicht van de in artikel 6:96 lid 2 BW bedoelde kosten. Dat betekent dat het percentage “eigen schuld” van [verzoeker] van 40% hier nog in moet worden verdisconteerd. Daarmee worden de kosten van deze deelgeschilprocedure op € 2.371,116 inclusief btw begroot. Rechtbank Amsterdam 9 april 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4403