RBDHA 230426 verzocht 37,5 uur x € 298-322 + 21%; begroot 25 uur x € 250 + 21% = € 7.562,50; ES 15% werkt door in kosten deelgeschil
- Meer over dit onderwerp:
RBDHA 230426 crossmotor botst met wheelie op bromfietser; wbf aansprakelijk. E.S. na bill. corr. 15%; sport en spel-verweer faalt
- verzocht 37,5 uur x € 298-322 + 21%; begroot 25 uur x € 250 + 21% = € 7.562,50; ES 15% werkt door in kosten deelgeschil
mogelijke locatie ongeval https://maps.app.goo.gl/MdP7zrjB1ahdh6ZX7
3De feiten
3.1.
[verzoekster] (geboren op [geboortedatum] 2003) is op zondag 16 april 2023 betrokken geraakt bij een ongeval op/nabij een in aanleg zijnde weg (in het verlengde van de Noorwegenlaan) te Hazerswoude-Dorp. Daar was toen een zogenoemde ‘meeting’ van (jonge) mensen met (cross)motoren en bromfietsen, waarmee sommige aanwezigen hard reden en stunts deden. Eén van de deelnemers, [naam] (hierna: [naam] ), reed daar op een crossmotor die hij had geleend en maakte wheelies. Deze crossmotor had geen kenteken en was niet tegen wettelijke aansprakelijkheid verzekerd. [naam] is met de crossmotor tegen [verzoekster] aangereden.
3.2.
Na het ongeval is [verzoekster] per ambulance naar het Groene Hart Ziekenhuis gebracht. [verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval (onder meer) een gebroken linker kuit- en scheenbeen opgelopen.
3.3.
Tijdens haar verhoor door de politie op 22 april 2023 heeft [verzoekster] onder meer het volgende verklaard:
“V: Wat deed u op de plaats van het ongeval?
A: Ik stond de hele tijd te kijken naar de mensen die langs reden.
V: Reed u of stond u stil op het moment voor het ongeval?
A: Op het moment van het ongeval stond ik stil.
V: Hoe lang was u al aanwezig voor het ongeval?
A: Ik was ongeveer een uur aanwezig.
V: Wat heeft u toen in dat uurtje gedaan?
A: Ik heb op het verlengde stuk van de Zwedenlaan gestaan. Kort voor het ongeval reed ik heen en weer. Ik reed terug naar de plek waar ik eerder stil stond op de Zwedenlaan.
V: Je reed richting het einde heb heb daarna een halve bocht gemaakt naar links. Hierna stond je ongeveer 1 minuut stil en daarna werd je aangereden, begrijp ik dit goed?
A: Ja klopt. Het gebeurde heel snel.
V: Had u het ongeval kunnen voorkomen? / Wat heeft u gedaan om het ongeval te voorkomen?
A: Ik heb het niet zien aankomen, hierdoor kon ik het niet voorkomen.
(…)
V: Uit beelden is bekend dat je voor het ongeval heen en weer heb gereden op de Noorwegenlaan. Hier heb je meerdere pogingen gedaan om wiellies te maken met je bromfiets. Eerder verklaarde je dat je alleen ter hoogte van de Zwedenlaan bent geweest, wat wil je hierover verklaren?
A: Dit klopt, ik begreep de vraag eerder verkeerd en wist niet dat ik dit moest delen.”
3.4.
Op 21 juni 2023 is de heer [getuige] (hierna: [getuige] ) als getuige door de politie gehoord. In het proces-verbaal van verhoor staat onder meer vermeld:
“V: Hoe was het gedrag van de aanwezigen?
A: Het was best druk. ik denk een man of 40 – 50.
(…)
V: Hoe was het gedrag van de aanwezigen?
A: Ze reden agressief, ze reden als mongolen.
V: Waar bevond jij je op het moment van de aanrijding?
A: Ik stond tussen de 50 en 100 meter afstand en ik keek in de richting van de aanrijding.
(…)
V: wat zie je?
A: Hij, [naam] , reed op zijn achterwiel en hij reed heel hard. Ik wist trouwens op dat moment ook niet dat het [naam] was. Hij kwam vanaf het verharde gedeelte in de richting van het zachte gedeelte. Ik zag [verzoekster] , ik wist toen niet dat dat [verzoekster] was, draaien naar links. Ik zag dat ze in elkaar klapte. (…)”
3.5.
Op 22 augustus 2023 heeft [verzoekster] [naam] en het Waarborgfonds aansprakelijk gesteld voor de schade die zij als gevolg van het ongeval heeft geleden.
3.6.
Het Waarborgfonds heeft bij e-mails van 27 november 2023 en 15 mei 2024 aansprakelijkheid voor (de gevolgen van) het ongeval afgewezen.
3.7.
[naam] heeft op 24 mei 2024 tijdens de strafprocedure onder meer het volgende verklaard:
“Ik maakte een wheelie in de tweede versnelling. Er waren veel mensen. [verzoekster] kwam van rechts en ik had geen tijd om te remmen en we klapten vervolgens vol tegen elkaar aan. De wheelie duurde niet lang, misschien was ik een paar seconden in de lucht, toen [verzoekster] de weg op kwam. Ik probeerde eerder naar beneden te gaan omdat ik iemand vol op de weg zag komen, Toen ik tegen haar aan klapte, reed ik al wel met twee wielen op de grond. Ik kon haar niet meer ontwijken en ik vloog van de motor af.”
3.8.
Bij vonnis van 7 juni 2024 van de strafrechter van deze rechtbank (hierna: het strafvonnis) is [naam] veroordeeld voor het veroorzaken van een verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg. De strafrechter heeft hiertoe, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:
“De verdachte heeft op 16 april 2023 als bestuurder van een geleende motorfiets, rijdende op de Noorwegenlaan te Hazerswoude-Dorp een zogenaamde ‘wheelie’ gemaakt. De rechtbank begrijpt daaronder dat de verdachte de motorfiets dusdanig balanceerde dat hij slechts op het achterwiel reed, met het voorwiel in de lucht. Het maken van een wheelie vergt uiterste concentratie en belemmert (door het omhoogkomende voorwiel) het zicht op de weg voor de motorfiets. Door het maken van deze gevaarlijke manoeuvre is naar het oordeel van de rechtbank gegeven dat de verdachte niet voldoende aandacht bij het overige verkeer heeft kunnen houden. Ook is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de wheelie heeft gemaakt terwijl hij met hoge snelheid reed, zoals getuige [getuige] heeft verklaard. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan die verklaring te twijfelen, omdat [getuige] verklaart dat hij goed zicht had op de situatie en zijn verklaring op onderdelen overeenkomst met de andere bewijsmiddelen. Het maken van een wheelie belemmert voorts de mogelijkheid van remmen via het voorwiel. Dit heeft er, in combinatie met de hoge snelheid, in geresulteerd dat de verdachte niet in staat was om de snelheid van zijn motorfiets zo te regelen dat hij tot stilstand kon komen binnen een afstand waarover de weg vrij was en hij met zijn motorfiets tegen de bromfietser is gebotst.
Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat op de locatie van het ongeval veel toeschouwers aanwezig waren en dat de in asfalt uitgevoerde wegverharding overging in puin. Gelet op deze omstandigheden had het op de weg van de verdachte gelegen om juist uiterste voorzichtigheid te betrachten en zijn gedragingen en snelheid op de situatie aan te passen.
De rechtbank kan op basis van de inhoud van het dossier niet vaststellen of de bromfietser op het moment van de botsing stil stond of de weg overstak. De rechtbank is van oordeel dat dit voor een bewezenverklaring geen verschil maakt, omdat uit het voorgaande volgt dat de botsing het gevolg is geweest van (het samenstel van) de gedragingen van de verdachte. De rechtbank acht de gedragingen van de verdachte in de gegeven omstandigheden en gelet op de aard en ernst van de verkeersovertredingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend. Daarom is sprake van schuld in de zin van artikel 6 WVW.”
3.9.
Ook na het strafvonnis is het Waarborgfonds bij haar afwijzende standpunt gebleven.
4Het verzoek en het verweer
4.1.
[verzoekster] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
te verklaren voor recht dat het Waarborgfonds op grond van artikel 6:162 BW dan wel artikel 185 WVW jo artikel 25 WAM aansprakelijk is tegenover [verzoekster] voor de door haar geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het haar overkomen ongeval, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval;
het Waarborgfonds te veroordelen tot voldoening van een voorschot aan [verzoekster] van € 5.000 op de vast te stellen schadevergoeding;
de kosten van het deelgeschil te begroten volgens opgaaf van [verzoekster] en het Waarborgfonds (uitvoerbaar bij voorraad) te veroordelen in deze kosten (waaronder de advocaatkosten en het griffierecht), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van de beschikking.
4.2.
Aan het verzoek heeft [verzoekster] , samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. [naam] heeft het ongeval door onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag veroorzaakt en is hiervoor (in ieder geval) op grond van onrechtmatige daad aansprakelijk. Van een verwijtbare gedraging van [verzoekster] is geen sprake geweest. Zij stond direct voorafgaand aan het ongeval immers stil op haar scooter. Als de rechtbank er toch van uit gaat dat [verzoekster] voor een deel eigen schuld heeft aan het ontstaan van het ongeval, dan geldt dat de mogelijke fout van [verzoekster] in geen verhouding staat tot de (veelheid aan) normschendingen van [naam] . Gelet hierop en gelet op de overige omstandigheden van het geval, is het Waarborgfonds op grond van de billijkheidscorrectie alsnog gehouden om haar schade volledig te vergoeden, aldus [verzoekster] .
4.3.
Het Waarborgfonds verzet zich tegen toewijzing van het verzoek. Primair betwist het Waarborgfonds dat [naam] jegens [verzoekster] aansprakelijk is voor het ongeval, omdat (i) sprake was van een sport- en spelsituatie en de gedraging van [naam] niet dusdanig buitensporig was dat deze buiten de kaders viel van wat deelnemers aan een meeting in redelijkheid mogen verwachten en (ii) [verzoekster] [naam] voorrang had moeten verlenen. Subsidiair is het Waarborgfonds van mening dat sprake is van een aanzienlijke mate van eigen schuld van [verzoekster] . Voor een billijkheidscorrectie is volgens het Waarborgfonds geen aanleiding.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5De beoordeling
5.1.
De schade die [verzoekster] leed moet door het Waarborgfonds worden vergoed indien en voor zover [naam] vanwege zijn rijgedrag aansprakelijk is voor die schade (artikel 25 lid 1 van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering Motorrijtuigen). De rechtbank zal deze civielrechtelijke aansprakelijkheid van [naam] hierna beoordelen.
Aansprakelijkheid [naam] ?
5.2.
De strafrechter heeft geoordeeld dat het rijgedrag van [naam] aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend was. Door hard te rijden en het maken van een wheelie kon [naam] onvoldoende aandacht houden bij het overige verkeer en de crossmotor niet tijdig tot stilstand brengen om een botsing met [verzoekster] te voorkomen. [verzoekster] heeft onweersproken gesteld dat geen hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de strafrechter en dat dit oordeel onherroepelijk is geworden. Het vonnis van de strafrechter levert daarom op grond van artikel 161 Rv dwingend bewijs op van het zeer gevaarlijke rijgedrag van [naam] en van het causaal verband tussen dat rijgedrag en het ongeval. Het Waarborgfonds heeft hier onvoldoende tegenin gebracht. De rechtbank volgt het Waarborgfonds niet in haar betoog dat de context van de ‘meeting’ waaraan [verzoekster] deelnam, meebrengt dat het rijgedrag van [naam] hoewel gevaarlijk en strafbaar, jegens haar niet onrechtmatig was. Uit de door partijen aangedragen feiten en omstandigheden komt namelijk niet naar voren dat [naam] en [verzoekster] samen en ten opzichte van elkaar zich gedroegen als deelnemers aan een sport- en spelsituatie en de gevaren daarvan in feite voor lief namen. Daarvoor is onder meer van belang dat [naam] reed op een motorfiets en [verzoekster] op een bromfiets, dat niet naar voren is gekomen dat er bepaalde (al dan niet expliciete) regels golden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gevaarlijke rijgedrag van [naam] onrechtmatig was jegens [verzoekster] in de zin van artikel 6:162 BW. Omdat niet in geschil is dat ook aan de overige vereisten van artikel 6:162 BW is voldaan, is [naam] is dus civielrechtelijk aansprakelijk tegenover [verzoekster] . Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat artikel 185 WVW geen grondslag kan vormen voor aansprakelijkheid van [naam] , aangezien [verzoekster] geen ongemotoriseerde verkeersdeelnemer was (zie hierna).
Is de schade (ook) het gevolg van fouten van [verzoekster] zelf?
5.3.
Vervolgens is de vraag of sprake is van ‘eigen schuld’ in de zin van artikel 6:101 BW, waar staat dat als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde zelf kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht wordt verminderend door de schade over de benadeelde en de vergoedingsplichtige te verdelen in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Het Waarborgfonds wijst erop dat [verzoekster] uit eigen beweging deelnam aan de meeting waarbij werd gestunt en gevaarlijk werd gereden en voert aan dat zij daarmee het gevaar heeft opgezocht. Verder stelt het Waarborgfonds zich op het standpunt dat [verzoekster] [naam] als ‘rechtdoor gaand verkeer’ niet voor heeft laten gaan toen zij naar links ging.
5.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden aangenomen dat de omstandigheid feit dat [verzoekster] naar de meeting is gegaan en daaraan deelnam heeft bijgedragen aan het ontstaan van haar schade. Het mag zo zijn dat als zij daar niet was geweest, zij niet zou zijn aangereden door [naam] , maar dat is niet voldoende om een voor ‘eigen schuld’ relevant causaal verband aan te nemen.
5.5.
Het tweede verwijt van het Waarborgfonds slaagt wel. Uit de stukken komt naar voren dat de weg waarop [naam] reed voor het ongeval, deels was verhard en dat [verzoekster] aan het einde van het verharde deel naar links ging en vervolgens – rijdend of stilstaand, dat is in geschil – werd aangereden door [naam] . De rechtbank leidt uit de stukken af dat als [verzoekster] daar toen niet had gestaan, [naam] verder door zou zijn gereden, richting en/of over het onverharde deel van de weg. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het goed mogelijk was om over het onverharde deel door te rijden en dat dat – blijkens daar aangetroffen bandensporen – ook gebeurde. Uit de foto’s en de getuigenverklaringen komt evenmin naar voren dat tijdens de meeting alleen het verharde deel van de weg werd gebruikt en/of dat [verzoekster] daarop kon rekenen.
[naam] reed dus in feite door op dezelfde weg als [verzoekster] , en zij besloot aan het eind van het verharde deel naar links te gaan (en al of niet te stoppen). [verzoekster] had [naam] voor moeten laten gaan. Daarbij is van belang dat niet in geschil is dat hoewel het ging om een stuk weg dat nog niet klaar was, wel sprake was van openbare weg waarop verkeersregels gelden. De rechtbank wijst in dit verband met name ook op de verklaring van [getuige] , die zag dat [verzoekster] op het moment dat [naam] met hoge snelheid over het verharde gedeelte in de richting van het onverharde gedeelte reed, naar links draaide. Het verkeersgedrag van [verzoekster] zelf, die [naam] niet liet voorgaan, heeft naar het oordeel van de rechtbank bijgedragen aan het ontstaan van haar schade.
Causale verdeling
5.6.
Omdat beide partijen een verwijt valt te maken over het ontstaan van het ongeval en dus van de schade, moet vergoedingsplicht van [naam] verminderd worden met het deel van de schade dat het gevolg is van de aan [verzoekster] toe te rekenen omstandigheid dat zij [naam] niet liet voorgaan. De vraag ligt dus voor in welke mate enerzijds het gevaarlijke rijgedrag van [naam] en anderzijds de omstandigheid dat [verzoekster] naar links ging aan het ontstaan van het ongeval hebben bijgedragen.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat het ongeval in overwegende mate is veroorzaakt door [naam] . De rechtbank wijst hier nogmaals naar hetgeen in het strafvonnis is overwogen; [naam] reed met hoge snelheid op een crossmotor en maakte een wheelie. Hierdoor had [naam] onvoldoende zicht op de weg en kon hij niet tijdig remmen en of anderszins adequaat reageren op gedrag van [verzoekster] door bijvoorbeeld uit te wijken. Dat leidt ertoe dat de rechtbank aanneemt dat de aan [naam] toe te rekenen omstandigheden voor 75% hebben bijgedragen aan het ontstaan van de schade en de aan [verzoekster] toe te rekenen omstandigheden voor 25%.
Billijkheidscorrectie
5.8.
Op grond van artikel 6:101 lid 1 BW wordt van de hiervoor besproken causale verdeling uitgegaan, ‘met dien verstande dat een andere verdeling plaatsvindt of de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft, indien de billijkheid dit wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist’. Dat wordt de ‘billijkheidscorrectie’ genoemd.
5.9.
[verzoekster] doet een beroep op de billijkheidscorrectie vanwege de ernst van de over en weer gemaakte fouten, de aard van haar letsel en de (financiële) gevolgen van het ongeval, en komt tot 100% aansprakelijkheid van [naam] . De rechtbank is het met haar eens dat de omstandigheden van dit geval moeten leiden tot een andere verdeling dan die op basis van causaliteit, maar niet tot een verdeling waarbij alleen [naam] aansprakelijk is. De rechtbank komt tot 85% op basis van de volgende omstandigheden:
-
De fout van [naam] , zijn gevaarlijke rijgedrag, is veel ernstiger dan de fout van [verzoekster] , die neerkomt op een moment van onoplettendheid;
-
[verzoekster] heeft ernstig letsel aan haar linkerbeen opgelopen en haar herstel verliep en verloopt moeizaam. De rechtbank wijst op de brief van 16 april 2023 van het ziekenhuis, waarin onder meer is opgenomen: “Li onderbeen: standsafwijking, open wond pretibiaal onder de knie en boven de enkel. Bot a vue bij wond onder de knie. (…) Onderbeenfractuur li graad 3 open, twee etage.” Het ging dus om een meervoudige open beenbreuk, waaraan zij direct na het ongeval is geopereerd. Nadien heeft zij twee weken in het ziekenhuis gelegen. Na het ontslag bleken de wonden ontstoken te zijn geraakt, waarop [verzoekster] weer is opgenomen voor ruim vier weken, in welke periode zij nog drie keer is geopereerd en er verschillende huidtransplantaties zijn verricht. Het is volgens [verzoekster] lange tijd onzeker geweest of het been gered kon worden. Het Waarborgfonds heeft dit alles niet weersproken. Ook heeft het Waarborgfonds niet weersproken dat [verzoekster] vervolgens maandenlang heeft moeten revalideren en dat zij op dit moment nog steeds dagelijks pijnklachten en ook psychische klachten heeft;
-
Tot slot heeft [verzoekster] er onweersproken op gewezen dat het ongeval ook ingrijpende andere gevolgen voor haar heeft gehad. Zo kon zij in september 2023 niet beginnen met de studie waarvoor zij stond ingeschreven, heeft zij twee (bij)banen verloren en moest zij haar woning (bedoeld voor studenten van zorgopleidingen) verlaten. Zij is afhankelijk geworden van een bijstandsuitkering en kan geen beroep doen op een (schade)verzekering die de schade als gevolg van het ongeval vergoedt. Duidelijk is geworden dat het ongeval een enorme impact heeft op het leven van [verzoekster] .
Slotsom
5.10.
De rechtbank komt tot de slotsom dat het Waarborgfonds gehouden is om 85% van de schade van [verzoekster] als gevolg van het ongeval te vergoeden. De rechtbank zal aldus verklaren voor recht. Voor toewijzing van wettelijke rente is op dit moment geen plaats, zodat het verzoek op dit punt wordt afgewezen. Het door [verzoekster] gevorderde voorschot van € 5.000 op de vast te stellen schadevergoeding wijst de rechtbank toe, mede gelet op het feit dat het Waarborgfonds daartegen geen verweer heeft gevoerd.
Kosten deelgeschil
5.11.
De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij deze begroting moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn. Dit betekent dat als een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. In dit geval is niet in geschil dat de met deze procedure gemoeide kosten in redelijkheid zijn gemaakt. De rechtbank zal dan ook overgaan tot begroting van de kosten.
5.12.
Mr. Minderhout-Soares heeft de aan de behandeling van het verzoek verbonden kosten blijkens de specificatie van 16 februari 2026 tot en met de mondelinge behandeling begroot op een bedrag van € 15.069,07 in totaal. Hierbij is uitgegaan van een totale (in rekening gebrachte) tijdsbesteding van 37,5 uur. Hiervan is 34,6 uur in rekening gebracht voor de werkzaamheden van mr. Minderhout-Soares (tegen uurtarieven van € 298 en € 313) en 2,9 uur voor de werkzaamheden van mr. Van Tol (tegen een uurtarief van € 322).
5.13.
Het Waarborgfonds maakt bezwaar tegen de kostenbegroting. Het Waarborgfonds voert daartoe aan dat het aantal aan de zaak bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief van mr. Minderhout-Soares bovenmatig is gezien het feit dat hij beginnend advocaat is. Volgens het Waarborgfonds moeten de kosten worden gematigd tot € 3.375 uur in totaal exclusief btw (15 uur tegen een tarief van € 225).
5.14.
Het gaat om een overzichtelijke en in omvang beperkte zaak. Voor het opstellen van het verzoek gaat de rechtbank daarom uit van een tijdsbesteding van 25 uur in totaal, tegen een uurtarief van € 250 exclusief btw. Dit leidt ertoe dat de aan deze procedure verbonden kosten worden begroot op € 6.250 (25 uur x € 250) exclusief btw, oftewel € 7.562,50 inclusief btw. Deze kosten worden nog vermeerderd met het betaalde griffierecht van € 1.374, zodat het totaalbedrag uitkomt op € 8.936,50.
5.15.
Als de schadevergoedingsplicht in verband met eigen schuld aan de kant van de benadeelde wordt verminderd, geldt dit in beginsel ook voor de kosten van het deelgeschil. Het gaat immers om schade als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. De rechtbank ziet in dit geval onvoldoende aanleiding om het percentage eigen schuld niet te laten doorwerken in de kosten van het deelgeschil.
5.16.
Aangezien het Waarborgfonds voor 85% aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] als gevolg van het ongeval heeft geleden, zal het Waarborgfonds veroordeeld worden tot betaling van 85% van het hiervoor begrote bedrag, oftewel een bedrag van (afgerond) € 7.596. De gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken worden toegewezen. Rechtbank Den Haag 23 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11455