Overslaan en naar de inhoud gaan

RBLIM 090926 verzocht 60,9 uur x € 338/€ 313 + 21%; begroot en toegewezen 22 uur x € 300 + 21% = € 7.986 incl. btw; uitvoerbaar bij voorraad

RBLIM 090926 val uit gebrekkige rolstoel; geen ES; ook niet vanwege wheelie of rijden over gras; 
- causaal verband val en verhuizing niet vastgesteld
– verzocht 60,9 uur x € 338/€ 313 + 21%; begroot en toegewezen 22 uur x € 300 + 21% = € 7.986 incl. btw; uitvoerbaar bij voorraad


 

2De feiten

2.1.

[verzoeker] is in verband met een dwarslaesie sinds ongeveer 40 jaar afhankelijk van een rolstoel.

2.2.

Medipoint verkoopt en verhuurt verplegings- en revalidatiehulpmiddelen, waaronder rolstoelen.

2.3.

Op grond van de WMO is in opdracht van gemeente Gennep een nieuwe rolstoel aan [verzoeker] geleverd door Medipoint.

2.4.

De door Medipoint geleverde rolstoelen betreffen maatwerk. Alvorens de nieuwe rolstoel aan [verzoeker] werd geleverd, heeft een medewerker van Medipoint de oude rolstoel van [verzoeker] opgemeten. De nieuwe rolstoel zou in overeenstemming met deze maten worden ingesteld en geleverd aan [verzoeker] .

2.5.

Op 17 augustus 2021 is de nieuwe rolstoel door Medipoint ter beschikking gesteld aan [verzoeker] . Het betreft het model Quickie Breezy Rubix 2. In eerste instantie is de rolstoel zonder achterwielen geleverd. Medipoint ging ervan uit dat de achterwielen van de oude rolstoelen zouden worden omgezet. Volgens [verzoeker] was slijtage aan de achterwielen juist de reden voor het afkeuren van de oude rolstoel.

2.6.

Op 31 augustus 2021 heeft de tweede aflevering plaatsgevonden. Daarbij was een andere medewerker van Medipoint aanwezig. Toen [verzoeker] plaatsnam in de rolstoel heeft de medewerker van Medipoint geconstateerd dat de voorvorken niet de juiste lengte hadden in verhouding tot de beenlengte van [verzoeker] en dat de zithoogte daardoor niet werd gehaald.

2.7.

Op 6 september 2021 is voor de derde keer een medewerker van Medipoint bij [verzoeker] geweest in verband met de levering van de rolstoel, die de voorvorken op de rolstoel heeft gemonteerd. [verzoeker] heeft de rolstoel nog diezelfde dag in gebruik genomen. [verzoeker] is die dag naar de vlonder in zijn achtertuin gereden om een tuinslang die in het gras lag op te rapen. [verzoeker] heeft een wheelie gemaakt (met de rolstoel balanceren op de achterwielen) en is vervolgens voorover uit de rolstoel gevallen.

2.8.

Als gevolg van de val heeft [verzoeker] zijn rechteronderbeen gebroken en is hij tot 8 september 2021 opgenomen in het ziekenhuis.

2.9.

Bij vonnis van 6 november 20241 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft deze rechtbank vastgesteld dat [verzoeker] voorover uit de rolstoel is gevallen en geoordeeld dat Medipoint aansprakelijk is voor de door [verzoeker] ten gevolge van deze val geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade:

“4.11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Medipoint onvoldoende gemotiveerd betwist dat [verzoeker] voorover uit de rolstoel is gevallen. Medipoint heeft namelijk enkel aangevoerd dat het waarschijnlijker is dat [verzoeker] achterover uit de rolstoel zou vallen. Dat volgens Medipoint het risico groter is om achterover te vallen, neemt niet weg dat voorovervallen ook een mogelijk risico kan zijn. Dat risico heeft zich nu ook verwezenlijkt. Daar komt bij dat hiervoor al is overwogen dat de zitdiepte te kort was..

4.13.

Samengevat komt de rechtbank tot het oordeel dat de rolstoel van [verzoeker] niet voldeed aan de specifieke voor [verzoeker] bepaalde afmetingen. Dit terwijl het juist de verantwoordelijkheid van Medipoint was om de rolstoel voor [verzoeker] op maat aan te passen, zodat [verzoeker] de rolstoel veilig kon gebruiken. Dat [verzoeker] uit de rolstoel is gevallen is een gevolg van het niet juist instellen van de rolstoel door Medipoint. Medipoint is hiervoor aansprakelijk.”

2.10.

De daaropvolgende buitengerechtelijke onderhandelingen over de afwikkeling van de schade hebben niet tot een overeenkomst geleid. Partijen blijven verdeeld over de vraag of sprake is van enige mate van eigen schuld van [verzoeker] en of causaal verband bestaat tussen het ongeval en de verhuizing van [verzoeker] .

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de rechtbank bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):

I. voor recht te verklaren dat Medipoint de door [verzoeker] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van de val van 6 september volledig dient te vergoeden;

II. voor recht te verklaren dat causaal verband bestaat tussen de val van 6 september 2021 en de verhuizing van verzoeker en de schade die daar rechtens het gevolg van is;

III. de kosten ex art. 1019aa Rv uitvoerbaar bij voorraad te begroten volgens opgaaf van verzoeker en verweerder te veroordelen in de kosten van dit geding, waaronder de advocaatkosten en het griffiegeld;

IV. dan wel een andere beslissing te nemen die de rechtbank redelijk acht;

V. en tot slot dag en uur te bepalen waarop de behandeling van dit verzoekschrift zal aanvangen.

3.2.

[verzoeker] legt aan zijn verzoeken ten grondslag dat geen sprake is van eigen schuld aan zijn zijde die aanleiding geeft tot vermindering van de vergoedingsplicht van Medipoint. Volgens [verzoeker] zijn door Medipoint geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die kunnen leiden tot het oordeel dat de val in overwegende mate of mede is veroorzaakt door een aan [verzoeker] toe te rekenen gedraging of omstandigheid. Daarnaast stelt [verzoeker] dat causaal verband bestaat tussen de val op 6 september 2021 en zijn verhuizing naar een seniorenappartement eind juni 2024. Als gevolg van de val kon [verzoeker] naar eigen zeggen niet langer gebruikmaken van zijn heup-, knie-, voet- en enkelorthese (hierna: “HKVE-beugels”). Door het wegvallen van dit hulpmiddel was het voor [verzoeker] niet langer mogelijk om (een aantal van) de voor hem noodzakelijke transfers te maken, waaronder de transfer naar zijn tractor voor het onderhouden van zijn landerijen. Hierdoor was bewoning van de boerderij volgens [verzoeker] niet langer haalbaar en zag hij zich genoodzaakt de woning te verkopen en te verhuizen naar een seniorenappartement.

3.3.

Medipoint verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert daartoe het volgende aan. Ten aanzien van het beroep op eigen schuld stelt Medipoint zich op het standpunt dat sprake is van omstandigheden aan de zijde van [verzoeker] die op grond van artikel 6:101 BW moeten leiden tot vermindering van haar vergoedingsplicht. Volgens Medipoint heeft [verzoeker] niet gehandeld zoals van een redelijk handelend rolstoelgebruiker mocht worden verwacht. Medipoint wijst er in dit verband op dat [verzoeker] met de rolstoel over het gras heeft gereden, terwijl de gebruikershandleiding vermeldt dat de rolstoel bedoeld is voor gebruik op een droge, stevige en vlakke ondergrond. Daarnaast betwist Medipoint dat de hellingshoek ter plaatse niet meer dan 10 graden bedroeg en stelt zij dat deze omstandigheden niet als aanvaardbaar kunnen worden beschouwd. Verder voert Medipoint aan dat [verzoeker] de rolstoel volgens de gebruikershandleiding eerst met begeleiding had moeten uitproberen om inzicht te krijgen in het effect van veranderingen op het zwaartepunt van de rolstoel, hetgeen hij heeft nagelaten. Ook stelt Medipoint dat [verzoeker] had kunnen voorkomen dat hij met het hoogteverschil en het aflopende gras werd geconfronteerd door een andere route te kiezen. Tot slot wijst Medipoint erop dat in de gebruikershandleiding wordt gewaarschuwd om bij het reiken naar voorwerpen niet te ver uit de rolstoel te leunen.

Ten aanzien van het gestelde causale verband tussen de val en de verhuizing betwist Medipoint niet dat [verzoeker] als gevolg van de val geen gebruik meer kan maken van de HKVE- beugels. Medipoint betwist dat [verzoeker] zonder gebruik van de HKEV-beugels de boerderijwoning niet meer kon bewonen zodat hij genoodzaakt was te verhuizen en dat hij daardoor schade zou hebben geleden.

4De beoordeling

De deelgeschilprocedure

4.1.

[verzoeker] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

4.2.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of sprake is van eigen schuld die tot vermindering van de schadevergoedingsplicht van Medipoint moet leiden en of sprake is van causaal verband tussen de val van [verzoeker] op 6 september 2021 en zijn verhuizing eind juni 2024. Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek iin behandeling neemt.

Eigen schuld

4.4.

Nu de aansprakelijkheid van Medipoint reeds is komen vast te staan bij vonnis van 6 november 2024, ligt in deze deelgeschilprocede uitsluitend het beroep van Medipoint op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW ter beoordeling voor. Voor een geslaagd beroep op deze bepaling is vereist dat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan [verzoeker] kan worden toegerekend. Op Medipoint rust als aangesprokene die zich beroept op vermindering van haar vergoedingsplicht de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden die zij daartoe aanvoert.

4.5.

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat [verzoeker] ten val is gekomen tijdens het uitvoeren van een wheelie met de rolstoel. De rechtbank is van oordeel dat het enkele feit dat het uitvoeren van een wheelie er onder omstandigheden toe kan leiden dat de kans dat de rolstoelgebruiker ten val komt wordt vergroot, nog geen eigen schuld oplevert. Partijen waren het er ter zitting desgvraagd over eens dat het uitvoeren van een wheelie een basisvaardigheid voor een rolstoelgebruiker betreft en geen uitzonderlijke manoeuvre is. Er is dus geen sprake van het zich anders gedragen dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Het risico dat zich dan zou verwezenlijken is bovendien een val naar achteren. Op basis van het in kracht van gewijsde gegane vonnis van deze rechtbank staat vast dat de oorzaak van de val is gelegen in de onjuiste afstelling van de rolstoel waarbij [verzoeker] naar voren is gevallen.

4.6.

De rechtbank overweegt dat door Medipoint ook anderszins geen feiten of omstandigheden zijn gesteld die – indien bewezen – tot het oordeel zouden kunnen leiden dat sprake is geweest van een gevaarzettende gedraging of handelen door [verzoeker] dat als onvoorzichtig, onzorgvuldig of anderszins verwijtbaar kan worden gekwalificeerd.

4.7.

Medipoint heeft eerst ter zitting aangevoerd dat het type rolstoel dat [verzoeker] op de dag van het ongeval geleverd had gekregen niet geschikt zou zijn voor het uitvoeren van een wheelie. [verzoeker] heeft deze stelling betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Medipoint deze stelling onvoldoende onderbouwd. Dat bepaalde typen rolstoelen mogelijk makkelijker of soepeler kunnen kiepen dan andere rolstoelen, maakt op zichzelf nog niet dat het uitvoeren van een wheelie geen normale basisvaardigheid meer is of dat [verzoeker] reeds daarom onvoorzichtig zou hebben gehandeld.

4.8.

Aan het voorgaande doet evenmin af dat in de gebruikershandleiding van de rolstoel wordt gewaarschuwd voor het risico op een val. Die waarschuwing maakt niet dat het uitvoeren van een wheelie onder de gegeven omstandigheden niet langer als een normale basisvaardigheid van een rolstoelgebruiker kan worden beschouwd of reeds daarom als onvoorzichtig handelen moet worden aangemerkt. Daarbij komt dat de rechtbank al eerder heeft vastgesteld dat de oorzaak van het ongeval is gelegen in de onjuiste afstelling van het zitvlak de rolstoel.

4.9.

Voor zover Medipoint betwist dat de hellingshoek ter plaatse meer dan 10 graden bedroeg, kan dit verweer haar niet baten. Het ligt op de weg van Medipoint om, in het kader van haar beroep op eigen schuld, te stellen en zo nodig te bewijzen dat sprake was van zodanige hellingshoek dat van een redelijk handelend rolstoelgebruiker niet mocht worden verwacht dat hij daar een wheelie zou uitvoeren. Medipoint heeft echter niet meer aangevoerd dan een betwisting van de stelling dat de hellingshoek tussen de vlonder en het gras niet groter was dan 10 graden. Medipoint heeft daarmee geen feiten of omstandigheden gested die – mits bewezen – kunnen leiden tot het oordeek dat [verzoeker] dermate onvoorzichting heeft gehandeld dat hij zich anders heeft gedragen dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan. Dat geldt evenzeer voor de stelling van Medipoint dat [verzoeker] zich met de rolstoel op het gras heeft begeven, terwijl de gebruikershandleiding vermeldt dat de rolstoel is bedoeld voor gebruik op een droge, stevige en vlakke ondergrond. Medipoint heeft niet concreet gesteld, en evenmin onderbouwd, dat het gras ter plaatse in de tuin van [verzoeker] zodanige eigenschappen had (bijvoorbeeld door kuilen, oneffenheden of een zachte ondergrond) dat het gebruik van de rolstoel en het maken van een wheelie op die plek niet van een redelijk handelend rolstoelgebruiker mocht worden verwacht. Ook de stelling van Medipoint dat [verzoeker] de nieuwe rolstoel eerst onder begeleiding had moeten uitproberen, wordt niet gevolgd. Niet is gebleken dat sprake was van bijzondere omstandigheden die maakten dat [verzoeker] zich niet zelfstandig met de rolstoel op deze wijze mocht voortbewegen. Het zich begeven op een flauw hellend gedeelte van een grasveld en het uitvoeren van een wheelie kan, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet worden aangemerkt als een gedraging die een redelijk handelend rolstoelgebruiker – met veertig jaar ervaring – achterwege had behoren te laten.

4.10.

De rechtbank neemt daarbij mede in aanmerking dat partijen ter zitting kennelijk niet van mening verschilden over het feit dat een rolstoelgebruiker zich soms over gras begeeft. Ook [naam] van Medipoint en zelf rolstoelgebruiker, heeft ter zitting erkend dat het niet ongebruikelijk is om met een rolstoel over een grasveld te rijden. Hij heeft daarbij toegelicht dat het uitvoeren van een wheelie in dergelijke omstandigheden juist kan helpen om zich gemakkelijker over het gras voort te bewegen. De stelling van Medipoint dat daarmee het risico op een val wordt vergroot, maakt niet dat sprake is van een gedraging anders dan een redelijk rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden zou hebben gedaan.

Causaal verband val en verhuizing

4.11.

De gevorderde verklaring voor recht dat causaal verband bestaat tussen de val van 6 september 2021 en de verhuizing van [verzoeker] naar een seniorenappartement eind juni 2024 is niet toewijsbaar. Feiten of omstandigheden die het oordeel kunnen dragen dat de verhuizing van [verzoeker] is veroorzaakt door de val van 6 september 2021 zijn immers niet gesteld. [verzoeker] heeft gesteld dat de beenbreuk een scheefstand van zijn onderbeen van ongeveer twintig graden heeft veroorzaakt en hij daardoor niet langer gebruik kan maken van de HKVE-beugels. Daarmee is slechts een causaal verband gegeven tussen de val en het niet langer kunnen gebruiken van de HKVE-beugels. Dat bewoning van de boerderijwoning door [verzoeker] zonder deze HKVE-beugels niet langer mogelijk is, volgt daaruit evenwel niet. Feiten of omstandigheden die een dergelijk oorzakelijk verband kunnen dragen zijn door [verzoeker] ook niet naar voren gebracht. [verzoeker] heeft ter zitting juist verklaard dat hij voor het verrichten van transfers, zoals vanuit de rolstoel naar de tractor, ook vóór de val geen gebruik maakte van de HKVE-beugels, maar deze op eigen handkracht uitvoerde. Daarnaast heeft [verzoeker] verklaard dat hij ook nu nog in staat is zelfstandig een transfer vanuit de rolstoel naar bijvoorbeeld de auto te maken.

4.12.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de bewoning van de boerderij als gevolg van de val niet langer mogelijk was en dat de verhuizing naar het seniorenappartement daardoor noodzakelijk is geworden. Voor zover [verzoeker] ter zitting nog heeft aangevoerd dat zijn algehele conditie als gevolg van de val is verslechterd en dat daarin de noodzaak tot verhuizing is gelegen, volgt de rechtbank hem daarin evenmin. Enige onderbouwing voor die stelling is immers niet gegeven. Uit de overgelegde stukken blijkt weliswaar dat [verzoeker] als gevolg van de val beperkingen ondervindt, maar daaruit volgt niet dat zijn algehele conditie zodanig is verslechterd dat bewoning van de boerderij niet langer mogelijk was en een verhuizing noodzakelijk werd.

4.13.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vraag of de val heeft geleid tot een vermindering van de zelfredzaamheid of zelfwerkzaamheid van [verzoeker] , een andere is dan de vraag of de verhuizing naar het seniorenappartement in causaal verband staat met de val. Dat [verzoeker] als gevolg van de val mogelijk in meer of mindere mate beperkingen ondervindt, brengt op zichzelf nog niet mee dat de verhuizing daardoor noodzakelijk is geworden.

Nog daargelaten dat [verzoeker] niet inzichtelijk gemaakt dat verkoop van de woonboerderij überhaupt tot schade heeft geleid. Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – volgt immers niet dat de verkoop tot schade heeft geleid maar slechts tot het contant maken van de (over)waarde van de boerderijwoning.

Conclusie

4.14.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat [verzoeker] zich anders heeft gedragen dan van een redelijk handelend rolstoelgebruiker onder de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Het beroep van Medipoint op eigen schuld als bedoeld in artikel 6:101 BW wordt dan ook afgewezen en de onder I. gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen. De onder II. Gevorderde verklaring voor recht dal daarentegen worden afgewezen nu door [verzoeker] geen feiten of omstandigheden zijn gesteld waaruit enig causaal verband blijkt tussen de val van 6 september 2021 en de verhuizing en evenmin gebleken is van schade die daarvan het gevolg zou zijn.

Kosten deelgeschil

4.15.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.16.

[verzoeker] verzoekt onder III. om de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op een bedrag van in totaal € 24.126,43 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht. Daarbij is uitgegaan van 60,9 uur tegen een uurtarief van € 338,00 en € 313,00 per uur, vermeerderd met 21% btw voor respectievelijk mr. K.J. Nijman-Weninger en mr. S. van der Plas. Medipoint voert – kort gezegd – aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.

4.17.

De rechtbank acht het door de advocaten van [verzoeker] gehanteerde uurtarief bovenmatig. Gelet op de aard en de complexiteit van de zaak acht de rechtbank een uurtarief van € 300,00 redelijk. Ook acht de rechtbank de opgevoerde tijdsbesteding van 60,9 uur buitensporig hoog. De rechtbank ziet – mede gezien het daartegen gevoerde verweer – aanleiding het door [verzoeker] opgevoerde aantal uren te matigen. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de processtukken voor een deel een herhaling bevatten van stellingen die reeds in de eerdere bodemprocedure over de aansprakelijkheid naar voren zijn gebracht. De rechtbank acht een tijdsbesteding van in totaal 22 uur redelijk, bestaande uit 12 uur voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere processtukken, 6 uur voor de voorbereiding op en het bijwonen van de mondelinge behandeling, inclusief reistijd, 2 uur voor het opstellen van de pleitnota en 2 uur voor overleg.

4.18.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op 22 uren × € 300,00 exclusief btw, dus op € 6.600,00 exclusief btw en € 7.986,00 inclusief btw, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 341,00. Medipoint zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld.

Uitvoerbaar bij voorraadverklaring kosten

4.19.

[verzoeker] heeft verzocht om een uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de kostenbegroting. In deze beschikking is uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist over een geschilpunt tussen partijen betreffende de mate van eigen schuld en het causaal verband tussen het ongeval en de verhuizing. Die beslissing betreft de materiële rechtsverhouding tussen partijen waartegen een voorziening in hoger beroep openstaat in de procedure ten principale (art. 1019cc lid 3 in verbinding met art. 1019cc lid 1 Rv). De kosten maken onderdeel uit van de materiële rechtsverhouding van partijen.

4.20.

De rechtbank zal de kostenveroordeling conform het verzoek daartoe daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.Rechtbank Limburg 9 september 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:9601