RBOVE 160726 kosten deelgeschil: verzocht 22 uur x € 320 + 21% = € 8.518,40; toegewezen 22 uur x € 265 = € 5830
- Meer over dit onderwerp:
RBOVE 160726 schoonmaker (uitzendkracht) raakt met hand in fileermachine slachterij; schoonmaakbedrijf (inlener) aansprakelijk; slachterij niet
- verklaring voor recht t.z.v. aansprakelijkheid toegewezen; overige 11 gevorderde verklaringen voor recht afgewezen
- voorschotten materieel gevorderd € 28.500: € 810 toegewezen; overig deel niet onderbouwd en betwist
- smartengeld voorschot € 5.000; of herstel nog mogelijk is is nog onbekend;
- voorschot bgk € 5.000 (verzocht gemaakte en nog te maken kosten € 20.000;
- kosten deelgeschil: verzocht 22 uur x € 320 + 21% = € 8.518,40; toegewezen 22 uur x € 265 = € 5830
3De feiten
3.1
[verzoeker] is per 6 april 2023 in dienst getreden bij uitzendbureau [bedrijf 1] B.V. (hierna te noemen: [bedrijf 1]). [bedrijf 1] is blijkens haar website gespecialiseerd in het leveren van personeel voor productie- en schoonmaakwerk, met name in slachterijen en verwerkingsbedrijven. In de arbeidsovereenkomst is het volgende uitzendbeding opgenomen:
“De overeenkomst eindigt in de volgende gevallen van rechtswege en zonder dat opzegging vereist is: (...) bij melding van ziekte of ongeval.”
3.2
In de uitzendovereenkomst is opgenomen dat [verzoeker] als uitzendkracht ter beschikking zal worden gesteld aan de inlener “[verweerder 2] ([verweerder 1])”.
3.3
[verweerder 2] is een pluimveeslachterij. [verweerder 3] is de aansprakelijkheidsverzekering van [verweerder 2].
3.4
De productieruimte van [verweerder 2] wordt gereinigd door [verweerder 1]. [verweerder 1] is actief in de industriële schoonmaak ten behoeve van slachthuizen. De schoonmaakwerkzaamheden worden dagelijks uitgevoerd zodra de slachtwerkzaamheden van [verweerder 2] klaar zijn.
3.5
Op 30 december 2023 heeft er een bedrijfsongeval plaatsgevonden waarbij [verzoeker] met zijn hand in een (langzaam lopende) fileermachine terecht is gekomen. [verzoeker] is daarna door een collega naar het ziekenhuis gebracht, waar werd geconstateerd dat zijn linkerwijsvinger was gebroken en zijn hand uit de kom was. [verzoeker] raakte hierdoor arbeidsongeschikt en vanwege het uitzendbeding in zijn arbeidsovereenkomst ook werkloos.
3.6
Voorafgaand aan het ongeval hebben zich de volgende feiten voorgedaan:
3.6.1
Op 19 mei 2022 heeft de Arbeidsinspectie geconstateerd dat de Risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna te noemen: RI&E) van [verweerder 1] niet volledig was en heeft zij aan [verweerder 1] een waarschuwing opgelegd. Naar aanleiding daarvan heeft [verweerder 1] [bedrijf 2] (Hierna [bedrijf 2]) ingeschakeld om een nieuwe RI&E op te stellen voor alle zeven locaties waar [verweerder 1] reinigingswerkzaamheden uitvoert.
3.6.2
Op de locatie van [verweerder 2] heeft op 15 augustus 2023 een ander bedrijfsongeval plaatsgevonden, waarbij een werknemer van [verweerder 1] letsel aan zijn duim heeft opgelopen.
3.6.3
Op 12 september 2023 heeft Voois een rapport uitgebracht met de volgende aanbevelingen:
-
“De snelheid van de lopende band in de schoonmaakstand wordt gereduceerd naar 10 cm per seconde.
-
De werkinstructie wordt aangepast. Hierin wordt nadrukkelijk opgenomen dat de medewerker zich nooit met de handen in het arbeidsmiddel mag begeven. Medewerkers tekenen hiervoor en geven aan dat ze dit begrepen hebben.
-
Bij grote reinigingscalamiteiten, zoals grote stukken kipafval die niet met water weggespoten kunnen worden, wordt in overleg met de objectleider het arbeidsmiddel uitgeschakeld. Het uitschakelen van de machine via de noodstop zal daarna altijd weer gereset moeten worden. Dat kan op 2 plaatsen.”
3.6.4
[verweerder 1] heeft in overleg met de Arbeidsinspectie een nieuwe werkinstructie gemaakt. Vanaf 15 oktober 2023 heeft zij geactualiseerde RI&E’s.
3.6.5
Op 29 november 2023 heeft de Arbeidsinspectie een herinspectie uitgevoerd. In de brief van de Arbeidsinspectie van 29 november 2023 is het volgende opgenomen:
“ (…) In de RI&E’s is opgenomen dat tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden de machines dienen te worden uitgeschakeld en dat deze spanningsloos gemaakt dienen te worden. Voor veel van de machines is dit mogelijk. Daar waar dit niet mogelijk is maar waar gereinigd dient te worden in de zogenaamd schoonmaaksstand, is door u een werkinstructie opgesteld welke door u met de werknemers is besproken en waarvoor de werknemers hebben ondertekend.”
(…)
“N.a.v. deze herinspectie heb ik met betrekking tot dit onderwerp op de geïnspecteerde punten geen overtreding geconstateerd. Wel blijft het punt van voorlichting, onderricht en toezicht een kwetsbaar punt en zult u bezig moeten blijven om het veiligheidsbewustzijn van uw werknemers te onderhouden/vergroten.”
3.7
Na het ongeval van [verzoeker] heeft (de gemachtigde van) [verzoeker] bij brief van 10 januari 2024 [verweerder 2] en [verweerder 1] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het bedrijfsongeval. [verweerder 2] en [verweerder 1] hebben de aansprakelijkheid niet erkend.
3.8
Op 12 januari 2024 heeft de voormalig advocaat van [verzoeker] het bedrijfsongeval van [verzoeker] bij de Arbeidsinspectie gemeld.
3.9
Op 17 januari 2024 heeft de Arbeidsinspectie een inspectie uitgevoerd. Om 11:16 uur heeft de Arbeidsinspectie [verweerder 1] bevolen dat de reinigingswerkzaamheden direct gestaakt moesten worden. Diezelfde dag heeft [verweerder 1] een “protocol reinigen van de AMF lijnen [verweerder 2]” aan de Arbeidsinspectie gestuurd. Daarin staat dat dat de reiniging van de AMF lijnen [verweerder 2] per 17 januari 2024 als volgt zal worden uitgevoerd:
“AMF lijnen worden na afloop productie stilgezet door Objectleiding.
Schoonmakers kunnen beginnen met afspoelen van grove vervuiling in stilstaande positie.
Wanneer de lijn moet draaien zal dit enkel door de toezichthouder (Objectleiding) in werking worden gesteld.
Schoonmakers kunnen verder afspoelen met stilstaande machine.
Objectleiding bepaalt of er eventueel nog een keer gedraaid moet gaan worden.
Inschuimen gebeurt met stilstaande machine
Objectleiding laat machine draaien om het schuim overal zijn werk te kunnen doen.
Schoonmakers kunnen verder afspoelen met stilstaande machine.
Objectleiding bepaalt of er eventueel nog een keer gedraaid moet gaan worden.
Desinfectiestap met stilstaande machine.
Controle.”
3.10
Vervolgens heeft de arbeidsinspecteur op 17 januari 2024 om 19.48 uur vastgesteld dat er op basis van het ontvangen protocol geen ernstig gevaar meer bestond, op grond waarvan het bevel tot stillegging is ingetrokken.
3.11
De Arbeidsinspectie heeft op 25 april 2024 een rapport opgemaakt naar aanleiding van het ongeval van [verzoeker]. Daaruit volgt ondermeer dat de fabrikant van de machine heeft verklaard: i) “De harde eis is dat je moet schoonmaken met een uitgeschakelde machine zoals benoemd in de gebruikershandleiding onder punt 8: reinigen is leidend” en ii) “De productiestand al dan niet langzamer mag niet gebruikt worden voor de schoonmaak.”
De conclusie van de Arbeidsinspectie luidt dat sprake is van twee overtredingen. De eerste overtreding betreft het uitvoeren van reinigingswerkzaamheden “terwijl het systeem niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos was gemaakt, terwijl dit wel mogelijk was, waardoor de werkzaamheden niet veilig konden worden uitgevoerd”. De tweede overtreding betreft het niet direct melden van het arbeidsongeval door de werkgever aan de Arbeidsinspectie.
3.12
Bij besluit van 3 juli 2024 heeft de minister Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna te noemen: de minister) besloten om [verweerder 1] een bevel tot stillegging van werkzaamheden in verband met recidive op te leggen voor de duur van één maand vanwege overtredingen van het Arbobesluit. Tegen dit besluit heeft [verweerder 1] bezwaar gemaakt en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 20 augustus 2024 oordeelde voorzieningenrechter dat de minister bevoegd was om een bevel tot stillegging van de werkzaamheden in verband met recidive op te leggen, maar dat uitvoering van het bevel op het moment van de mondelinge behaneling niet langer evenredig is, omdat [verweerder 1] nog verdere wijzigingen heeft doorgevoerd op haar bestaande veiligheidsbeleid en de minister niet duidelijk kon maken wat [verweerder 1] daarnaast nog meer kon en moest doen dan zij al deed.
4Het verzoek en het verweer
4.1
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter bij wijze van deelgeschil in de zin van artikel 1019w van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv):
te verklaren voor recht dat [verweerder 2] en/of [verweerder 1] ten opzichte van [verzoeker] – waar aan de orde ook hoofdelijk – aansprakelijk is voor de [verzoeker] geleden en nog te lijden (im)materiële schade als gevolg van het door hem op 30 december 2024 overkomen arbeidsongeval;
te verklaren voor recht dat [verweerder 3] gehouden is tot rechtstreekse betaling aan [verzoeker] (of diens belangenbehartiger in geval van schade in de vorm van rechtsbijstandskosten) van al hetgeen zij – via een eigen risico – [verweerder 2] op grond van de verzekeringsovereenkomst en bij uitvoering daarvan aan [verzoeker] verschuldigd is;
dat er een eerste voorschot verstrekt moet worden op de schade:
-
ter zake van de materiële schade (excl. buitengerechtelijke kosten) van zegge alvast € 28.500,00;
-
ter zake van het smartengeld, van zegge alvast € 11.000,00;
-
ter zake van de gemaakte en nog te maken buitengerechtelijke kosten, van zegge alvast € 20.000,00;
of andere bedragen naar wat de kantonrechter voor nu – zonder dus inhoudelijk daarop in te hoeven gaan – geraden acht;
te verklaren voor recht: onzorgvuldig c.q. onrechtmatig handelen door [verweerder 1], [verweerder 2] en [verweerder 3], onder meer specifiek gelegen daarin:
dat [verweerder 1] en/of [verweerder 2] niet de Arbeidsinspectie zelf hebben ingeschakeld en daarmee het onderzoek naar de toedracht hebben gefrustreerd;
dat [verweerder 1] de aansprakelijkheid tegen beter weten in heeft afgewezen en daarmee onnodig en langer dan nodig de te respecteren belangen van de benadeelde heeft geschaad;
dat [verweerder 1] zich niet als goed werkgever ex art. 7:611 BW heeft gedragen door geen behoorlijke verzekering in de genoemde omstandigheden voor (ingeleende) werknemers te sluiten bij kenbaar een levensgevaarlijke werksituatie;
dat [verweerder 1] en/of [verweerder 2] de letselschadezaak – al dan niet – onder cessie in het belang van de benadeelde in behandeling had kunnen en moeten nemen, maar zulks maandenlang niet heeft gedaan, waarbij een eigen risico aan de zijde van [verweerder 2] dus geen bepalende rol mag hebben gespeeld;
dat [verweerder 2] de vaststelling van de aansprakelijkheid heeft vertraagd en gefrustreerd en daarmee onnodig en langer dan nodig de te respecteren belangen van de benadeelde heeft geschaad;
dat [verweerder 1] en [verweerder 2] niet aan hun verzwaarde stelplicht hebben voldaan door stukken niet met elkaar en/of [verzoeker] te delen en zo de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag hebben gefrustreerd;
dat [verweerder 1] en/of [verweerder 2] door hun bejegening, houding en/of werkwijze het kunnen opstarten van een deelgeschilprocedure hebben gefrustreerd, wat ook daarin mede is gelegen dat [verweerder 1] kennelijk geweigerd heeft het rapport van de Arbeidsinspectie met [verweerder 2] en/of [verweerder 3] en de door [verweerder 3] en [verweerder 2] ingeschakelde opdrachtnemers Cordaet en WIJ Advocaten te delen;
dat de bejegening, houding en/of werkwijze van [verweerder 1] en/of [verweerder 2] kan leiden en/of heeft geleid tot secundaire victimisatie, omdat de benadeelde nogmaals slachtoffer werd, maar nu door de bejegening, houding en/of werkwijze van deze materiële werkgever(s) na het ongeval van 2023;
dat [verweerder 3] zich bij het beoordelen van de aansprakelijkheidsvraag:
- niet als redelijk bekwaam en redelijk handelend verzekeraar heeft gedragen;
- de letselschadezaak – al dan niet – onder cessie in het belang van de benadeelde in behandeling had kunnen en moeten nemen, maar zulks maandenlang niet heeft gedaan;
- meermaals en/of in ernstige mate door en namens [verweerder 3] gedragsregels met voeten zijn getreden;
- de behandeling van de aansprakelijkheidsvraag onnodig en langer dan nodig heeft vertraagd;
- door en vanwege de bejegening, houding en werkwijze van de benadeelde [verzoeker] het kunnen opstarten van een deelgeschilprocedure (mede) hebben gefrustreerd;
- zij door haar werkwijze lange(re) tijd een deelgeschilprocedure heeft gefrustreerd;
- dat de bejegening, houding en/of werkwijze aan de zijde van [verweerder 3] kan leiden en/of heeft geleid tot secundaire victimisatie, omdat de benadeelde nogmaals slachtoffer wordt, maar nu door de bejegening, houding en/of werkwijze door en vanwege [verweerder 3] na het ongeval van 2023;
Bij dit alles in aanmerking genomen dat het handelen door en vanwege haar werknemers en opdrachtnemers ingevolge art. 6:170 BW respectievelijk art. 6:76 BW aan [verweerder 3] is toe te rekenen;
10. dat er zelfs sprake is of kan zijn van een (doel)bewust benadelen van [verzoeker] teneinde de materiële werkgever(s) en/of [verweerder 3] een financieel voordeel te kunnen laten verkrijgen door via de handelwijze zoals aan de orde tot een lagere schade-uitkering te kunnen komen, dan bij het naar behoren oppakken van zaken en plichten aan de orde zou (kunnen) zijn geweest, zoals via achterhouden van (relevante) stukken, frustreren van de beantwoording van de aansprakelijkheidsvraag en/of niet beantwoorden daarvan, frustreren van een minnelijk traject en regeling enerzijds en het kunnen inzetten van een deelgeschilprocedure anderzijds, etc.;
11. dat verweerders niet alles hebben gedaan om extra schade en kosten aan de zijde van [verzoeker] zo goed en zo snel mogelijk te voorkomen en te beperken, nog daargelaten de door hun houding en werkwijze te verwachten schade (ook gelegen in extra buitengerechtelijke kosten) te herstellen.
12. dat de kosten van deze deelgeschilprocedure door de werkgever worden vergoed (werkzaamheden advocaat, griffierecht, etc.), waarbij [verzoeker] de kosten ter zake van de werkzaamheden vooralsnog begroot op 22 uur × € 320,00 per uur (uurtarief 2025, inclusief kantoorkosten en exclusief BTW), in totaal een bedrag van € 8.518,40, althans zoveel hoger of lager als de rechtbank geraden acht.
4.2
[verweerder 2] en [verweerder 1] verzetten zich tegen toewijzing van het verzoek. [verweerder 2] en [verweerder 1] voeren daarbij aan dat niet de rechtbank, maar de kantonrechter bevoegd is om van de zaak kennis te nemen. [verweerder 1] voert daarnaast aan dat het geschil niet geschikt is voor beoordeling in een deelgeschillenprocedure en [verweerder 2] voert aan dat zij niet de materiële werkgeefster is van [verzoeker] en daarom niet wordt voldaan aan de eisen van werkgeversaansprakelijkheid. [verweerder 2] en [verweerder 1] stellen zich verder op het standpunt dat zij hun zorgplicht niet hebben geschonden en zij daarom niet aansprakelijk zijn voor de schade die [verzoeker] heeft geleden ten gevolge van het bedrijfsongeval. Ook betwisten [verweerder 2] en [verweerder 1] de hoogte van de door [verzoeker] gevorderde schade.
5De beoordeling
De bevoegdheid van de kantonrechter
5.1
[verzoeker] heeft aan zijn verzoeken ten grondslag gelegd dat [verweerder 2] en/of [verweerder 1] aansprakelijk zijn op grond van werkgeversaansprakelijkheid (artikel 7:658 BW) en heeft zijn verzoekschrift aanvankelijk ingediend bij de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle. Nu de vordering van [verzoeker] grondslag vindt in het arbeidsrecht, is er sprake van een zaak die op grond van artikel 93 aanhef en onder c Rv door de kantonrechter moet worden behandeld en beslist. De rechtbank heeft zich daarom onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar de kantonrechter. De kantonrechter is overgegaan tot inhoudelijke behandeling van de zaak.
Geschiktheid voor een deelgeschil
5.2
De eerste vraag die de kantonrechter moet beantwoorden, is of deze zaak geschikt is voor een deelgeschilprocedure. [verweerder 1] voert aan dat nader feitenonderzoek nodig is voor de toedracht van het ongeval, waardoor de verzoeken zich niet lenen voor behandeling in een deelgeschil omdat de beoordeling te veelomvattend en tijdrovend is.
5.3
De kantonrechter overweegt als volgt. Een deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over letselschade in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. Hoewel partijen twisten over de precieze wijze waarop de arm van [verzoeker] in de machine terecht is gekomen – volgens [verzoeker] doordat hij is uitgegleden en volgens [verweerder 1] doordat [verzoeker] zelf een voorwerp uit de machine wilde pakken – staat dat niet aan behandeling in een deelgeschil in de weg. Ook indien de precieze toedracht niet volledig kan worden vastgesteld, kan de kantonrechter beoordelen of op grond van de vaststaande feiten aansprakelijkheid kan worden aangenomen. Een beslissing daarover kan de buitengerechtelijke afwikkeling van het geschil in belangrijke mate bevorderen. Naar het oordeel van de kantonrechter leent de hier aan de orde zijnde aansprakelijkheidsvraag zich daarom voor behandeling in de deelgeschilprocedure, nu deze vraag op basis van de thans beschikbare stukken kan worden beantwoord en nadere bewijslevering door middel van getuigen niet noodzakelijk is. Dit betekent dat de kantonrechter het verzoek verder inhoudelijk zal bespreken.
Wie is werkgever in de zin van artikel 7:658 BW?
5.4
[verweerder 2] en [verweerder 3] betwisten dat [verweerder 2] werkgeefster is van [verzoeker]. Ook lid 4 van artikel 7:658 BW is niet van toepassing is en biedt geen grondslag voor aansprakelijkheid, aldus [verweerder 2] en [verweerder 3]. De kantonrechter overweegt als volgt.
5.5
Op de uitzendovereenkomst tussen [verzoeker] en [bedrijf 1] staat als inlener “[verweerder 2] ([verweerder 1])” vermeld. Vaststaat dat [verweerder 1] haar werknemers inzet bij [verweerder 2] om daar schoonmaakwerkzaamheden te verrichten. Hoewel er hierdoor naar het oordeel van de kantonrechter wel een verantwoordelijkheid rust op [verweerder 2] om zorg te dragen voor voldoende informatie over haar machines jegens [verweerder 1] om zo (mede) mogelijk te maken dat er een veilige werkomgeving door [verweerder 1] kan worden gerealiseerd, betekent dit niet dat [verweerder 2] ook als materieel werkgeefster van [verzoeker] kan worden aangemerkt. Daarbij neemt de kantonrechter in overweging dat door [verweerder 2] onweersproken is gesteld: dat [verweerder 1] haar werknemers opdracht geeft om bij [verweerder 2] schoon te maken en daar toezicht op houdt, [verweerder 2] niet weet welke werknemers [verweerder 1] inzet, [verweerder 2] niet aanwezig is en geen toezicht houdt tijdens de schoonmaakwerkzaamheden, [verweerder 1] instructies geeft aan haar werknemers over de wijze waarop zij hun werkzaamheden dienen uit te voeren en [verweerder 1] de materialen (zoals de slangen, lansen, spuitpistool, hogedrukspuit, chemicaliën, laarzen, pakken, handschoenen, etc.) aan haar werknemers ter beschikking stelt. Dat leidt ertoe dat [verweerder 2] niet aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW en [verweerder 3] als aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder 1] evenmin. De vorderingen van [verzoeker] jegens [verweerder 2] en [verweerder 3] zullen daarom worden afgewezen.
Schending van de zorgplicht?
5.6
[verweerder 1] betwist niet dat [verzoeker] een bedrijfsongeval is overkomen, maar geeft aan dat zij de door [verzoeker] gestelde toedracht van het ongeval in twijfel trekt en er belang bij heeft de precieze toedracht van het ongeval te achterhalen. Zij wil vaststellen welke maatregelen mogelijk zijn om te voorkomen dat een dergelijk ongeval nog eens gebeurt.
De kantonrechter stelt voorop dat het aan [verzoeker] is om te stellen en te bewijzen dat hij schade heeft opgelopen tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden, maar dat op hem geen (gemotiveerde) stelplicht rust ten aanzien van de precieze toedracht van het ongeval. Wanneer die toedracht onduidelijk blijft, komt dat niet voor rekening en risico van de werknemer, maar van de werkgever.
5.7
Tussen partijen is niet in geschil dat het bedrijfsongeval met [verzoeker] heeft plaatsgevonden in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Door [verweerder 1] is daarnaast niet gesteld dat het ongeval is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van [verzoeker]. Dat betekent dat alleen de vraag of [verweerder 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan nog aan de orde is.
5.8
Op grond van artikel 7:658 lid 2 BW is de werkgever ten opzichte van de werknemer aansprakelijk voor de schade die deze in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan de in artikel 7:658 lid 1 BW genoemde zorgplicht heeft voldaan. Om aan te tonen dat zij aan de zorgplicht van artikel 7:658 BW heeft voldaan, moet [verweerder 1] stellen en zo nodig bewijzen dat zij alle maatregelen heeft genomen en alle aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs nodig zijn om de schade te voorkomen. Artikel 7:658 lid 1 BW houdt een ruime zorgplicht in en eist een hoog veiligheidsniveau van de werkruimte, werktuigen en gereedschappen alsmede van de organisatie van de betrokken werkzaamheden (zie onder meer HR 11 april 2008, NJ 2008, 465). De zorgplicht van de werkgever beoogt niet een absolute waarborg te scheppen voor de bescherming van de werknemer tegen het gevaar van arbeidsongevallen. Gelet op de ruime strekking van de zorgplicht kan niet snel worden aangenomen dat de werkgever daaraan heeft voldaan en als gevolg daarvan niet aansprakelijk is voor door de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden geleden schade. Welke (veiligheids-)maatregelen van de werkgever mogen worden verlangd en op welke wijze hij de werknemer moet instrueren, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
5.9
[verzoeker] verklaart dat hij bij indiensttreding eerst twee dagen heeft meegelopen met een ervaren kracht en dat hij daarna zelfstandig mocht werken. Op de dag van het ongeval heeft hij eerst de kleppen geopend en daarna de hogedrukspuit gebruikt. Tijdens het schoonmaken liep de machine, zoals gebruikelijk was, langzamer dan de normale productiestand. [verzoeker] verklaart te zijn uitgegleden en vervolgens met zijn hand in de machine terecht te zijn gekomen. Hij betwist dat hij uitdrukkelijk is gewezen op veiligheidsinstructies. Hij heeft een maal iets moeten ondertekenen. Hij is gewaarschuwd met betrekking tot de kwaliteit van het schoonmaken, maar niet over de afstand tot de machine of het reiken in de machine.
5.10
[verweerder 1] stelt dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] waarin zou volgen dat [verzoeker] deugdelijk is ingewerkt en geïnstrueerd is, geen werkdruk heeft ervaren en dat er sprake was van voldoende toezicht. Verder wijst [verweerder 1] op de geactualiseerde RI&E, op de per locatie en machines Object RI&E’s, plan van aanpak en beschrijving activiteit, op de op schoonmaakpersoneel toegespitste werkinstructie, op het arbo-beleidsplan en op de werkwijze bij indiensttreding van een werknemer waarbij diverse documenten en persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) zijn overhandigd. Verder wijst zij op de toolbox-meetingen, de periodieke risico-inventarisaties en evaluaties, op de herinspectie door de Arbeidsinspectie van 29 november 2023 en het vonnis van de voorzieningenrechter van 20 augustus 2024, waaruit blijkt dat [verweerder 1] haar werkwijze heeft aangescherpt. Volgens [verweerder 1] volgt hieruit dat zij haar werkwijze heeft verbeterd en dat redelijkerwijs geen verdere veiligheidsmaatregelen van haar konden worden verlangd. Zij voert daarbij aan dat sommige omstandigheden, zoals een gladde vloer en draaiende machines tijdens de schoonmaak onontkombaar zijn, maar dat zij voldoende maatregelen treft om het gevaar te voorkomen.
5.11
De kantonrechter stelt voorop dat de zorgplicht van [verweerder 1] moet worden beoordeeld naar het moment van het ongeval. Het ongeval is ontstaan tijdens het reinigen van een (langzaam lopende) fileermachine, waarbij [verzoeker] met een hogedrukspuit werkzaamheden verrichtte en met zijn hand in de machine is gekomen. [verzoeker] heeft daarbij letsel opgelopen. Naar het oordeel van de kantonrechter is ten aanzien van het ongeval onvoldoende gebleken dat [verweerder 1] aan haar zorgplicht heeft voldaan.
Daarvoor is van belang dat [verweerder 1] eerder is geconfronteerd met een ongeval en de arbeidsinspectie al in 2022 een waarschuwing heeft gegeven met betrekking tot het schoonmaken van de machines die niet worden stilgezet. Gelet daarop mocht van [verweerder 1] extra zorg voor haar werknemers worden verwacht, zoals het deugdelijk instrueren en waarschuwen en het voldoende toezicht houden op de naleving van de veiligheidsvoorschriften. Dit volgt ook uit de brief van de Arbeidsinspectie na de herinspectie, een maand voor het ongeval van [verzoeker], waarin wordt benadrukt dat het punt van voorlichting, onderricht en toezicht een kwetsbaar punt is en dat [verweerder 1] bezig zal moeten blijven om het veiligheidsbewustzijn van haar werknemers te onderhouden en te vergroten.
Hoewel aan [verweerder 1] kan worden toegegeven dat zij ook vóór het ongeval al positieve stappen had gezet door advies bij [bedrijf 2] in te winnen en haar RI&E aan te passen, heeft zij onvoldoende kunnen onderbouwen dat zij [verzoeker] voldoende heeft geïnstrueerd over de wijze waarop de machine veilig kan worden schoongemaakt. Niet is gebleken dat zij [verzoeker] uitdrukkelijk en bij herhaling heeft gewaarschuwd voor de veiligheidsrisico’s en heeft gewezen op de veiligheidsinstructies, bijvoorbeeld door deze door [verzoeker] te laten ondertekenen. Evenmin is voldoende gebleken dat [verweerder 1] heeft gezorgd voor voldoende toezicht op naleving van deze werkinstructies. De Arbeidsinspectie is ook tot de conclusie gekomen dat sprake is van een overtreding door [verweerder 1] door [verzoeker] reinigingswerkzaamheden te laten uitvoeren terwijl het systeem niet was uitgeschakeld en drukloos of spanningsloos was gemaakt, terwijl dit wel mogelijk was. Daardoor konden de werkzaamheden niet veilig worden uitgevoerd. Ook in het geval dat [verzoeker] met zijn hand in de machine zou hebben gereikt is sprake van een schending van de zorgplicht. Immers, een werkgever mag er niet al te zeer op mag vertrouwen dat de werknemer zelf goed oppast, maar moet rekening houden met een zekere mate van onoplettendheid. Dat geldt ook voor een ervaren werknemer.1 De exacte toedracht van het ongeval kan daarom onder de gegeven omstandigheden in het midden blijven.
5.12
[verweerder 1] heeft gewezen op het feit dat zij na het eerdere ongeval medio 2023 aan haar werknemers een vragenlijst heeft verstrekt, die [verzoeker] heeft ondertekend. Daarin worden echter voornamelijk vragen gesteld over de werksfeer en de bekendheid van werknemers met de risico's van het werk. [verzoeker] heeft bij de vraag of hij bekend is met de veiligheidsregels “Ja” ingevuld, maar uit deze vragenlijst blijkt niet welke veiligheidsregels gelden en evenmin welke concrete werkinstructies zijn gegeven. Een schriftelijke werk- of veiligheidsinstructie is niet door [verzoeker] ondertekend, hetgeen onder meer blijkt uit de verklaring van mevrouw [naam 1], directeur van [verweerder 1] (zie verklaring bijlage 42 bij het rapport van de Arbeidsinspectie). Daarnaast heeft [verweerder 1] aangevoerd dat regelmatig toolboxmeetings worden gehouden, maar uit de door haar overgelegde stukken (productie 6 bij het verweerschrift) blijkt echter dat deze enkel op 15 december 2023, 2 februari 2024 en 3 mei 2024 hebben plaatsgevonden. Daarvan is alleen de eerste meeting gehouden op een tijdstip gelegen voor het ongeval. Uit het verslag blijkt dat slechts vijf werknemers van [verweerder 1] en [verweerder 2] daarbij aanwezig zijn geweest. [verzoeker] was niet aanwezig. Daaruit volgt niet dat de veiligheidsvoorschriften structureel met alle werknemers bij herhaling werden besproken en evenmin dat voldoende toezicht werd gehouden op de naleving daarvan. Verder is niet gebleken dat er op 30 december 2023 voldoende toezicht werd gehouden op de werkzaamheden van [verzoeker]. Dat vindt steun in de omstandigheid dat niemand getuige is geweest van het bedrijfsongeval van [verzoeker] en [verzoeker] de toezichthouder pas tegenkwam toen hij met zijn letsel in paniek de gang inliep. Dat [verweerder 1] haar veiligheidsbeleid na het ongeval (verder) heeft aangescherpt is positief, maar maakt niet dat zij ten tijde van het ongeval aan haar zorgplicht voldeed. De inhoud van de verklaringen van [naam 2] en [naam 3] leidt niet tot een ander oordeel.
5.13
De kantonrechter is daarom van oordeel dat [verweerder 1] onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld dat zij alle maatregelen heeft genomen en alle aanwijzingen heeft gegeven die redelijkerwijs noodzakelijk waren om de schade te voorkomen. Daarmee heeft [verweerder 1] niet aangetoond dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De gevorderde verklaring voor recht dat [verweerder 1] aansprakelijk is voor de door [verzoeker] geleden schade zal daarom worden toegewezen.
5.14
[verweerder 1] heeft nog aangeboden om haar stellingen ten aanzien van de toedracht van het ongeval nader te bewijzen, maar gelet op het voorgaande komt de kantonrechter daar niet aan toe. Zoals hiervoor overwogen hoeft de toedracht immers niet helemaal vast te staan om dit geschil te kunnen beoordelen. In deze zaak kan voldoende worden vastgesteld dat [verzoeker] een ongeluk heeft gehad bij het uitvoeren van zijn werkzaamheden, dat hij daardoor schade heeft geleden, dat er geen sprake is geweest van opzet of bewuste roekeloosheid en dat [verweerder 1] haar zorgplicht heeft geschonden.
Verklaringen voor recht
5.15
Uit het voorgaande volgt dat de verklaring voor recht, dat [verweerder 1] als werkgeefster van [verzoeker] aansprakelijk is voor de schade die hij als gevolg van het bedrijfsongeval heeft geleden en nog zal lijden, wordt toegewezen. Gelet op het kader van de deelgeschilprocedure en de strekking daarvan, heeft [verzoeker] een duidelijk belang bij deze vordering. Dat is anders ten aanzien van de overige elf, onder D gevorderde, verklaringen voor recht. [verzoeker] heeft zijn belang bij deze vorderingen onvoldoende toegelicht. De gevorderde verklaringen voor recht zoals opgesomd in het petitum onder D zullen door de kantonrechter zullen daarom worden afgewezen.
Voorschot materiële schade
5.16
Ten aanzien van het gevorderde voorschot op de schade stelt de kantonrechter voorop dat voor toewijzing vereist is dat voldoende aannemelijk is dat deze schade door [verzoeker] is geleden of dat hij deze zal lijden. [verzoeker] heeft een voorlopige schadestaat in het geding gebracht. Door [verweerder 1] is verweer gevoerd.
Ten aanzien van de gestelde materiële schade zal een voorschot ter hoogte van de posten eigen bijdrage medische kosten (€ 385,00) en eigen bijdrage fysiotherapie (€ 425,00) worden toegewezen. De overige gevorderde stelposten en voorschotten zullen worden afgewezen, aangezien deze door [verweerder 1] gemotiveerd zijn betwist en door [verzoeker] niet zijn onderbouwd.
Voorschot smartengeld
5.17
[verzoeker] vordert verder een voorschot van € 11.000,00 ten titel van smartengeld. De kantonrechter heeft voor de beoordeling van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de ‘Rotterdamse schaal’. De Rotterdamse schaal betreft een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen en bevat indicaties voor het toekennen van een passende immateriële schadevergoeding. [verzoeker] heeft ter zitting verklaard dat hij momenteel beperkingen ondervindt als gevolg van zijn letsel, maar hij nog niet weet of deze beperkingen chronisch zijn of er nog herstel mogelijk is. De kantonrechter zal bij deze stand van zaken een voorschot toewijzen van € 5.000,00.
Voorschot buitengerechtelijke kosten
5.18
[verzoeker] vordert verder een voorschot voor de gemaakte en nog te maken buitengerechtelijke kosten van € 20.000,00. [verweerder 1] voert verweer tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en voert aan dat de vordering te hoog is en niet voldoet aan de dubbele redelijkheidstoets.
5.19
De kantonrechter overweegt als volgt. Buitengerechtelijke kosten komen voor vergoeding in aanmerking als is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW: (i) het maken van kosten dient in de gegeven omstandigheden redelijk te zijn en (ii) de omvang van de verrichte werkzaamheden zal redelijkerwijs noodzakelijk moeten zijn om vergoeding van de schade te verkrijgen. De kosten van het deelgeschil vallen daar niet onder en zullen hierna worden besproken.
5.20
Ten aanzien van de omvang van de verrichte werkzaamheden heeft de advocaat van [verzoeker] 59 uren aan buitengerechtelijke kosten gedeclareerd. [verweerder 1] en [verweerder 2] hebben gemotiveerd aangevoerd dat er veel onnodige handelingen zijn verricht en in ieder geval een deel van de gestelde uren niet aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen.
De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt dat deze gestelde buitengerechtelijke werkzaamheden deze de dubbele redelijkheidstoets doorstaan. Na het verweer van [verweerder 1] en [verweerder 2] had dat wel van [verzoeker] mogen worden verwacht. Met name is geen afdoende verklaring gegeven voor het hoge aantal uren dat is besteed aan deze gemiddelde zaak. Dat geldt te meer nu uit de overgelegde specificaties blijkt dat mr. Van Veldhoven een hoog specialistentarief heeft gehanteerd van € 320,00 exclusief btw per uur, dat kennelijk ook de kosten ter instructie van de zaak in de urenstaten zijn opgenomen, en dat geen onderscheid is gemaakt tussen uitvoerende werkzaamheden en juridisch inhoudelijke werkzaamheden. Daar komt bij dat dit tarief inclusief kantoorkosten is. Kantoorkosten komen volgens vaste jurisprudentie in het algemeen echter niet voor vergoeding in aanmerking, omdat die worden geacht te zijn inbegrepen in het tarief. Al met al ziet de kantonrechter aanleiding om in redelijkheid een voorschot te begroten van € 5.000,00. Dit bedrag zal daarom worden toegewezen, waarbij [verweerder 1] zal worden veroordeeld tot betaling binnen veertien dagen na deze beschikking.
Kosten deelgeschil
5.21
De kantonrechter moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Bij de begroting van de kosten moet de kantonrechter de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) in aanmerking nemen. Daarbij moet de kantonrechter de dubbele redelijkheidstoets hanteren; zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.
5.22
[verzoeker] maakt voor de deelgeschilprocedure aanspraak op € 8.518,40 inclusief kantoorkosten en exclusief btw (22 uur x € 320,00 per uur inclusief kantoorkosten en exclusief btw), te vermeerderen met het griffierecht. [verweerder 1] voert aan dat het aantal bestede uren onredelijk is en dat het uurtarief bovenmatig is.
5.23
Het aantal door de gemachtigde van [verzoeker] aan de deelgeschillenprocedure bestede uren is begroot op 22 uur. Namens [verzoeker] is een opsomming gegeven van diverse werkzaamheden waaraan tijd is besteed en daarbij is verwezen naar urenstaten. De begrote 22 uur wordt gelet op de aard en omvang van dit deelgeschil en duur van de zitting door de kantonrechter niet onredelijk geacht. Daarentegen acht de kantonrechter het specialistentarief van € 320,00 per uur exclusief btw, ook in vergelijking met tarieven van andere letselschadespecialisten, onredelijk hoog. Daar komt bij dat kantoorkosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, zoals hiervoor ook is overwogen. De kantonrechter acht een uurtarief van € 265,00 exclusief btw redelijk. De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de kantonrechter dan ook worden begroot op 22 uren × € 265,00, dus op € 5.830,00, te vermeerderen met het door [verzoeker] betaalde griffierecht van € 93,00. [verweerder 1] zal tot betaling daarvan aan [verzoeker] worden veroordeeld binnen veertien dagen na deze beschikking.
1Zie onder meer HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX7590
