Overslaan en naar de inhoud gaan

RBROT 160426 verzocht en begroot cf verzoek, maar excl. kantoorkosten; 16,1 x € 270/275 = € 4381,50 + reiskosten € 479,60 + 21% = € 5881,93 x 50% vanwege ES

RBROT 160426 elektrische scooter vs voetganger zonder voorrang onderweg naar AH; 50% ES; geen bill. corr. o.b.v. letsel en/of schade van € 60.000
-verzocht en begroot cf verzoek, maar excl. kantoorkosten; 16,1 x € 270/275 = € 4381,50 + reiskosten € 479,60 + 21% = € 5881,93 x 50% vanwege ES
 

locatie ongeval: maps.app.goo.gl
 

2De feiten

2.1.

Op 22 december 2021 om circa 17.00 uur heeft op de Goudse Rijweg te Rotterdam een verkeersongeval plaatsgevonden, waarbij [verzoekster] als voetgangster is aangereden door een bij De Vereende verzekerde scooter (hierna: het ongeval). De bestuurder van de scooter zal hierna worden aangeduid als: 'de scooterbestuurder'.

2.2.

[verzoekster] heeft als gevolg van het ongeval letstel opgelopen: een zware hersenschudding, een gebroken jukbeen, een schedelbasisfractuur, drie gebroken ribben, drie breuken in het bekken, gebroken ruggenwervels, een gekneusde milt en een gescheurde blaas.

2.3.

Van het ongeval heeft de politie een proces-verbaal opgemaakt, waarin is opgenomen:

"[Scooterbestuurder] reed over de Goudse Rijweg, komende uit de richting van de Jonker Fransstraat.

[[verzoekster]] liep op de Goudse [R]ijweg ter hoogte van de Albert Hei[j]n gelegen op de Goudse Rijweg 707 in Rotterdam. [[verzoekster]] stak de Goudse Rijweg over waar geen voetgangersoversteekplaats aanwezig is. [Scooterbestuurder] zag [[verzoekster]] hierdoor niet, hierdoor ontstond tussen beiden een aanrijding."

2.4.

Bij e-mail van 12 januari 2022 is De Vereende namens [verzoekster] aansprakelijk gesteld op grond van artikel 185 Wegenverkeerswet (WVW).

2.5.

In opdracht van De Vereende heeft [naam] van MVOA onderzoek gedaan naar de toedracht/omstandigheden van het ongeval. Over zijn bevindingen heeft Meuwissen in zijn rapport van 30 november 2022 gerapporteerd. De inhoud van dit rapport luidt onder meer:

"Verklaring

(…) Het gebeurde rond een uur of 6 dacht ik, het was net donker geworden. Ik had de helm op en had volgens mij ook het vizier naar beneden. Het was die dag koud maar wel droog weer. Het zicht naar voren was dus goed en [ik] werd niet gehinderd door regen. Ik reed met normale snelheid, ik schat circa 30 km per uur. Ik reed op de rijbaan ter hoogte van de vestiging van Albert Heijn aan de Goudse Rijweg. De weg loopt ter plaatse met wat bochten richting de Boezemweg. Er was op dat moment sprake van behoorlijk wat verkeer, het is daar eigenlijk altijd wel druk. Langs de Goudse Rijweg stonden auto's geparkeerd, volgens mij normale personenauto's. Langs deze weg staan ook bomen die het zicht op de naastliggende stoep en het daarnaast gelegen fietspad verhinderen.

Zoals gezegd reed ik circa 30 km per uur en ik was net de Albert Heijn gepasseerd toen er van rechts van de stoep ineens van achter een boom die daar staat een vrouw de rijbaan opstapte. Dit gebeurde vlak voor mij en [ik] kon nog net een klein stukje naar links sturen maar knalde hard tegen de vrouw die overstak. (…) Door de klap kwam de vrouw ten val en ik ben ook onderuit gegaan (…) Ik lag zo'n beetje midden op de weg. Waar de vrouw lag weet ik niet meer. Ik zag dat de vrouw bewusteloos was. Ik ben ook even buiten westen geweest.

(…)

Getuigenverklaring aanrijding

(…)

Op die dag stond ik op de stoep langs Goudse Rijweg in Rotterdam, ik stond ter hoogte van de viskraam die naast de Albert Heijn staat en stond een sigaret te roken. H[et] was dat moment droog, maar het wegdek was wel nat. Toen de aanrijding plaatsvond was het al behoorlijk donker aan het worden. Toen ik daar stond zag ik aan de overkant van de straat, tussen twee geparkeerd staande auto's een vrouw staan. Ik zag dat deze vrouw wilde oversteken. Ze stond stil en keek of ze over kon steken. Ik zag dat de vrouw de rijbaan opstapte waar op dat zelfde moment een scooter aan kwam rijden. Deze kwam voor de vrouw gezien voor van links aanrijden. De vrouw werd gelijk geraakt door de scooter, deze reed aan de rechterzijde van de weg, Ik heb de scooter zelf pas op het laatste moment zien aankomen en ik dacht nog, dat gaat niet goed.

(…) Ik kan u eigenlijk niets vertellen over de door de scooter gereden snelheid. Ik zag de scooter pas toen deze de voetgangster raakte.

(…)

B. Korte eindbeschouwing / visie schuldvraag:

Uit het voorgaande komt naar voren dat de voetgangster aldaar en gezien in de rijrichting van de scooterbestuurder van rechts de rijbaan is opgelopen en daarbij door de scooter werd geraakt.

Wat betreft de voetgangster is volgens het nu verklaarde aan te nemen dat de voetgangster de rijbaan opliep vanachter danwel tussen rechts van de rijbaan staande bomen c.q. aldaar geparkeerde auto's. Wijzend naar de zichtfoto's is aan te nemen, dat de voetgangster, zich bevindend bij de rand van de rijbaan, de voor haar van links over de rijbaan naderende scooter wel had kunnen zien. In dat geval had de voetgangster haar voornemen om over te gaan steken af kunnen breken en zelf een aanrijding kunnen voorkomen.

Wat betreft de scooterbestuurder geldt in beginsel dat een op de rijbaan rijdende bestuurder (in casu de scooterbestuurder) een voetganger die de rijbaan oversteekt niet voor moet laten gaan, tenzij sprake is van een oversteekplaats, maar dat was daar niet aan de orde. Dat neemt echter niet weg dat ook op een, op de rijbaan rijdende bestuurder, een zekere plicht rust om een aanrijding met een overstekende voetganger te vermijden. Of de scooterbestuurder in deze kwestie al dan niet in de gelegenheid is c.q. kan zijn geweest om de aanrijding met de voetgangster te vermijden is sterk afhankelijk van de tijd die de scooterbestuurder daarvoor ter beschikking had. Deze tijd kan de scooterbestuurder zich zelf geven door niet "strak" langs de geparkeerde voertuigen te gaan rijden, maar met een wat ruimere marge van deze voertuigen te rijden. Deze tijd is uiteraard ook sterk afhankelijk van de snelheid waarmee de voetgangster de rijbaan opliep en de afstand die zij moest overbruggen om de botsplaats te bereiken. Dat laatste is wederom afhankelijk van waar de botsing precies in de breedte van de weg gebeurde. Deze van belang zijnde aspecten kunnen in deze casus niet vanuit technische zin worden achterhaald (bijvoorbeeld sporen op de weg) en ook niet in voldoende mate uit de verklaringen. Uiteraard geldt daarbij ook nog de snelheid van de scooter, die is weliswaar verklaard (30 km/h), maar ik kan dit niet vanuit een technische invalshoek onderbouwd krijgen. Kortom te veel onzekerheden om binnen redelijke grenzen een vermijdbaarheidsanalyse voor de scooterbestuurder uit te voeren. Ik kan dan ook geen uitspraak doen over de al dan niet aanwezige mogelijkheden van vermijdbaarheid aan de zijde van de scooterrijder.

Ten slotte merk ik op dat wij hier in feite met een relatief nieuw fenomeen te maken hebben, namelijk een elektrisch aangedreven scooter. Het moge bekend zijn dat de elektrisch aangedreven voertuigen relatief geluidsarm zijn, met de kans dat zo'n naderend voertuig niet door een voetganger aan het geluid wordt opgemerkt. In hoeverre een voetganger alsook de bestuurder van zo'n elektrisch voertuig daarmee rekening moet houden, vraagt mogelijk een (nieuwe) juridische weging."

2.6.

De Vereende heeft geen aansprakelijkheid voor het ongeval erkend.

3Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoekster] verzoekt de rechtbank om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

1. te bepalen dat De Vereende aansprakelijk is voor de door [verzoekster] geleden en nog te lijden schade als gevolg van het verkeersongeval van 22 december 2021;

2. de kosten van deze deelgeschilprocedure te begroten op € 6.247,82, te vermeerderen met het griffierecht van € 320,00, dit met veroordeling van De Vereende tot betaling van de kosten van deze procedure.

3.2.

Het verweer van De Vereende strekt primair tot afwijzing van de verzoeken van [verzoekster] en subsidiair om te bepalen dat de aansprakelijkheid van De Vereende niet meer bedraagt dan 50%.

4De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

[verzoekster] heeft zich tot de rechtbank gewend met een verzoek als bedoeld in artikel 1019w Rv. In dit artikel is de mogelijkheid van een deelgeschilprocedure opgenomen. De rechtbank moet beoordelen of er sprake is van schade die wordt geleden door dood of letsel. Ook moet de rechtbank beoordelen of er sprake is van een geschil omtrent een deel van wat partijen verdeeld houdt.

4.2.

De deelgeschilprocedure biedt betrokkenen bij een geschil over schade als gevolg van dood of letsel in de buitengerechtelijke onderhandelingsfase een eenvoudige en snelle toegang tot de rechter, om de totstandkoming van een minnelijke regeling te bevorderen. In verband hiermee moet de rechtbank eerst beoordelen of de verzochte beslissing kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. Als dit onvoldoende het geval is, moet het verzoek worden afgewezen (artikel 1019z Rv).

4.3.

In dit geval verschillen partijen – kort gezegd – van mening over de vraag of De Vereende aansprakelijk is voor de door [verzoekster] als gevolg van het ongeval geleden schade (derhalve schade geleden door letsel). Met een oordeel hierover kan de ontstane impasse tussen partijen worden doorbroken en kunnen de onderhandelingen in principe worden voortgezet. Dit betekent dat de rechtbank het verzoek inhoudelijk zal bespreken.

Inhoudelijke beoordeling

- artikel 185 WVW en overmacht

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [verzoekster] als overstekende voetganger aan de scooterbestuurder voorrang had moeten verlenen. [verzoekster] heeft dus een verkeersfout gemaakt. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 185 WVW.

4.5.

Artikel 185 WVW bepaalt kort gezegd dat de bestuurder van een motorrijtuig (hier: de scooterbestuurder) voor de schade die hij bij een verkeersongeval heeft toegebracht aan niet-gemotoriseerde verkeersdeelnemers (hier: [verzoekster]) aansprakelijk is, behoudens situaties van overmacht.

4.6.

Volgens vaste jurisprudentie slaagt een beroep op overmacht alleen als aan de bestuurder van het motorvoertuig rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt van de wijze waarop hij aan het verkeer heeft deelgenomen, omdat het ongeval uitsluitend is te wijten aan fouten van een ander, welke fouten voor de bestuurder zo onwaarschijnlijk zijn dat de bestuurder bij het bepalen van zijn verkeersgedrag met die mogelijkheid naar redelijkheid geen rekening behoefde te houden. Dit betekent dat men er in het verkeer in het algemeen niet op mag vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich aan de verkeersregels houdt en dat men zich zodanig moet gedragen dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft.

4.7.

Bij het criterium of 'rechtens geen enkel verwijt kan worden gemaakt' gaat het er niet om of de scooterbestuurder ‘menselijkerwijs’ iets te verwijten valt. Als in juridisch opzicht aan de scooterbestuurder enig verwijt te maken valt, hoe gering ook, faalt het beroep op overmacht. Het is aan degene die zich op overmacht beroept (de scooterbestuurder, in dit geval zijn WAM-verzekeraar De Vereende) om de feiten te bewijzen op grond waarvan kan worden aangegenomen dat sprake is van overmacht aan de zijde van de bestuurder.

4.8.

De Vereende meent dat haar verzekerde een beroep op overmacht toekomt. Daartoe stelt zij het volgende. [verzoekster] is plotseling overgestoken op een plek waar geen zebrapad was. De scooterbestuurder heeft haar niet zien aankomen. De scooterbestuurder reed met gepaste snelheid (30 km/u waar hij 45 km/u mocht). De scooterbestuurder kon niet meer links houden dan hij al deed. Er was sprake van een smalle rijsstrook en er was tegemoetkomend verkeer van de paralelle rijstrook in de tegenovergestelde richting. Dat sprake was van een geluidsarme scooter maakt dit niet anders, want dit kan de scooterrijder niet veranderen. Bovendien had het niet uitgemaakt of de scooter wel of geen geluid maakte, want doordat [verzoekster] plotseling de weg opstapte was de aanrijding hoe dan ook niet te voorkomen.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet aangenomen worden dat het ongeval uitsluitend is te wijten aan [verzoekster]. De door haar gemaakte fout was niet zo onwaarschijnlijk dat de scooterbestuurder daarmee in redelijkheid geen rekening hoefde te houden. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. De straat waar het ongeval heeft plaatsgevonden is een drukke winkelstraat. De winkels daar waren op het moment van het ongeval nog geopend. Er was dus winkelend publiek aanwezig. In een drukke winkelstraat is het niet onwaarschijnlijk dat er voetgangers de straat oversteken, ook op plekken waar geen zebrapad is. Het kan zijn dat [verzoekster] de straat plotseling is overgestoken, maar zoals hiervoor is overwogen mag men in het verkeer er in het algemeen niet op vertrouwen dat iedere verkeersdeelnemer zich aan de verkeersregels houdt. Daarom moet men zich zodanig gedragen dat een adequate reactie op onvoorzichtig gedrag van anderen mogelijk blijft. Daarvoor is in dit geval onvoldoende dat de scooterrijder naar alle waarschijnlijkheid 30 km/u heeft gereden en zich dus aan de maximumsnelheid heeft gehouden. Nu in deze drukke winkelstraat sprake was van een onoverzichtelijke situatie (belemmerd zicht door geparkeerde auto's, bomen en bochten in de weg) had de scooter zijn snelheid (verder) moeten matigen. Dat geldt te meer als er door tegemoetkomend verkeer en de geringe breedte van de rijstrook nauwelijks gelegenheid was om uit te wijken. Daarbij komt dat het op het tijdstip van het ongeval schemerde/donker was, wat de zichtbaarheid verder verminderde, waarbij de rechtbank opmerkt dat niet duidelijk is geworden of de verlichting van de scooter al was ingeschakeld. Bovendien dient de bestuurder van een geluidsarme elektrische scooter zich te realiseren dat hij nauwelijks hoorbaar is, terwijl met elektrische scooters hogere snelheden kunnen worden gereden dan met niet-elektrische (geluidsarme) fietsen, die ook uiterst rechts op de weg rijden.

Het beroep van De Vereende op overmacht slaagt dus niet.

4.10.

De Vereende dient derhalve op grond van de in de jurisprudentie aanvaarde zogenaamde 50%-regel op billijkheidsgronden ten minste 50% van de schade van [verzoekster] te vergoeden, wegens de verwezenlijking van het aan motorrijtuigen verbonden gevaar (‘Betriebsgefahr’). De zwakke positie van de ongemotoriseerde verkeersdeelnemer [verzoekster] zit in deze 50% reeds verdisconteerd.

- causaliteitsverdeling

4.11.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of er reden is om De Vereende voor een hoger percentage dan 50% voor de schade van [verzoekster] aansprakelijk te houden, omdat de schade voor meer dan 50% het gevolg is van omstandigheden die aan de bestuurder van de scooter moeten worden toegerekend (de wederzijdse causaliteit). Daarna dient de rechtbank gezien de stellingen van partijen nog te beoordelen of de billijkheid wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval een andere verdeling eist dan de maatstaf van de wederzijdse causaliteit (de zogenoemde billijkheidscorrectie). In dit verband komt het beroep dat De Vereende heeft gedaan op eigen schuld aan de zijde van [verzoekster] aan de orde.

4.12.

De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van genoemd percentage van 50%.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verkeersfout van [verzoekster] voor ten minste 50% bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. [verzoekster] is de straat overgestoken zonder zich ervan te vergewissen dat zij dat veilig kon doen en zonder de scooterbestuurder voorrang te verlenen, zoals zij had moeten doen.

Voorts acht de rechtbank, anders dan [verzoekster] heeft aangevoerd, de ernst van het letsel en de gestelde omvang van de schade (€ 60.000,00) van [verzoekster] niet van een zodanige aard in vergelijking tot andere ongevallen dat een billijkheidscorrectie op haar plaats is.

4.13.

De conclusie uit het voorgaande is dat De Vereende voor 50% aansprakelijk wordt geacht voor de door [verzoekster] als gevolg van het ongeval geleden en te lijden schade. De gevorderde verklaring voor recht van die strekking is toewijsbaar op na te melden wijze.

Kosten deelgeschil

4.14.

De rechtbank moet op grond van artikel 1019aa lid 1 Rv de kosten van de deelgeschilprocedure begroten. Alleen als de deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, hoeven de kosten van de procedure niet te worden begroot. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake.

4.15.

Bij de begroting van de kosten moet de rechtbank de redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking nemen. Daarbij moet de rechtbank de dubbele redelijkheidstoets hanteren: zowel het inroepen van de rechtsbijstand als de daarvoor gemaakte kosten moeten redelijk zijn.

4.16.

[verzoekster] heeft deze kosten definitef begroot op een bedrag van € 6.247, 82, inclusief btw, gebaseerd op 16,1 gewerkte uren × een uurtarief van € 270,00/€ 275,00, verhoogd met 6% kantoorkosten, plus reiskosten (€ 479,60) en de kosten van een MI van de huisarts (€ 47,79) en te vermeerderen met het griffierecht van € 320,00.

4.17.

De Vereende heeft het volgende aangevoerd. [verzoekster] heeft dekking voor kosten van het deelgeschil bij haar verzekeraar DAS Rechtsbijstand. Verder zijn de door [verzoekster] gevorderde kantoorkosten van haar advocaat niet meer van deze tijd en worden die inmiddels vrijwel altijd afgewezen. Op grond van artikel 6:96 BW dienen de kosten te worden verminderd met de eigen schuldfactor van 50%.

4.18.

Als onderbouwd gesteld en onvoldoende gemotiveerd door De Vereende weersproken neemt de rechtbank aan dat [verzoekster] de kosten die zij op de wederpartij kan verhalen, zoals de kosten van het onderhavige deelgeschil, niet van DAS Rechtsbijstand vergoed krijgt. De rechtbank is verder van oordeel dat [verzoekster] de kantoorkosten van haar advocaat niet kan vorderen om de door De Vereende aangevoerde redenen. Voor het overige komen de door [verzoekster] opgevoerde kosten als onbetwist door De Vereende voor vergoeding in aanmerking.

4.19.

De redelijke kosten voor het opstellen van het verzoekschrift en de verdere behandeling van de zaak als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW zullen door de rechtbank dan ook worden begroot op:

- honorarium conform begroting: € 4.381,50

- kosten € 479,60

subtotaal € 4.861,10

verschotten onbelast: € 47,79

BTW 21% over € 4.861,10 € 1.020,83

TOTAAL € 5.929,72

griffiegeld: € 320,00

4.20.

Het totaal van deze bedragen ter hoogte van € 6.249,72 dient, overeenkomstig het aansprakelijkheidspercentage van De Vereende, met 50% te worden gecorrigeerd, derhalve tot een bedrag van € 3.124,86. Voor toepassing in dit verband van een zogenaamde ‘tweede correctie’ op grond van de billijkheid ziet de rechtbank geen aanleiding. De aard van de deelgeschilprocedure alleen is daarvoor niet voldoende. Rechtbank Rotterdam 16 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7868