Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Rotterdam 160910 overlijdensschade; verhoor deskundige mbt rekenkundige vragen over levensonderhoud kinderen

Rb Rotterdam 160910 overlijdensschade; verhoor deskundige mbt rekenkundige vragen over levensonderhoud kinderen

vervolg op www.letselschademagazine.nl/2013/rb-rotterdam-200607 en www.letselschademagazine.nl/2013/rb-rotterdam-090410

De zitting wordt begonnen met het verhoor van de deskundige. 
Door deze en de overige aanwezigen wordt - zakelijk weergegeven - verklaard als volgt: 

De deskundige: 
Ik heb de studiefinanciering en bijbaantjes van de kinderen niet betrokken in de behoefteook niet in de situatie van overlijden. Thans is er sprake van dat zij dienstverbanden zijn aangegaan. Zonder ongeval zou studiefinanciering wellicht aan de orde zijn, maar bijbaantjes slechts in beperkte mate. Door deze posten niet mee te nemen is de schade in ieder geval niet vergroot. 
Met het verblijf in een internaat van B heb ik geen rekening gehouden. Ik lees in de stukken dat aannemelijk is dat zij, indien vader niet zou zijn overleden, niet in het internaat zou zijn terecht gekomen. Het is mogelijk dat zij gedurende haar verblijf in het internaat geen recht had op nabestaandenuitkering. Als ik het wel had moeten meenemen had ik waarschijnlijk nadere instructies moeten hebben. Dan zou de vraag aan de orde moeten komen of zij zonder het overlijden van vader ook in een internaat zou zijn beland. Indien dit het geval was geweest had zij wellicht geen recht gehad op nabestaandenpensioen. Het lijkt me niet ten nadele van E te zijn dat het in mijn berekeningen niet is meegenomen. 

Wellicht wel voor de onderlinge verdeling, maar op het totaal maakt het niet uit. Ik ben alleen voor wat de variabele lasten betreft afgeweken van de overlijdensschaal. U vraagt of de zaak zo uitzonderlijk is of toepassing van de schaal is aangewezen. Ik vond in deze zaak bijzonder omdat de uitgaven van de vader toch vooral waren gericht op de kinderen. Daarom was het m.i. niet vergelijkbaar met een standaard situatie, waarin ouders sporten, dure hobby's hebben, e.d. De door mij toegepaste methode heeft geen extreme afwijkingen opgeleverd in vergelijking met een onverkorte toepassing van de overlijdensschaal. Overigens had ik deze situatie in de 25 jaar dat ik dit werk doe nog nooit  meegemaakt, ook gelet op het feit dat de buren de vader bijsprongen bij de opvang van de kinderen. Daarom heb ik de kinderen in de schaal op gelijke hoogte willen plaatsen. Overigens hanteert het Nibud bij de toepassing van de schaal voor kinderen tot 21 jaar zelfs hogere variabele kosten dan ouders, gelet op het huidige bestedingspatroon voor kleding etc. Ik wilde de kinderen op wat meer punten brengen. Ik kwam hierop omdat mij werd gevraagd de vaste lasten vast te stellen. Mij bleek in dat verband het artikel van L. Mok in VerkeersRecht 1965 van belang. Na dat artikel is er op dit vlak tot de dissertatie van L.H. Pals in 1983 niets van belang gepubliceerd en dan komt die Amsterdamse schaal uit de lucht vallen, d.w.z. zonder enige nadere motivering. De door mij gevolgde systematiek leidt overigens tot een afwijking van ten hoogste twintigduizend euro van het totaal (gaat om de vaste lasten bij de beide kinderen)            

De door mij toegepaste aftrek van de nachtelijke uren maakt niets uit voor het eindresultaat. Ik kon het aantal uren dat vader aan de kinderen besteedde niet berekenen. Ook Artoos wist niet hoe dat moest. Ik heb daarom andersom geredeneerd en heb het totaal aantal uren in een jaar berekend en heb daarvan afgetrokken de nachtelijke uren (8 per etmaal). Ik heb dus in wezen een derde van die uren meegenomen. De uren van de buurvrouw zijn niet dubbel gerekend. Ik heb voor de nachtelijke uren het lage tarief voor kinderopvang toegepast, het hoge professionele tarief slechts gedurende 5 uur. In de door de heer Visser toegepaste methode zijn ruim 2912 nachtelijke uren niet ingevuld. 
De buurvrouw is overigens in 1998 of 1999 overleden. 

Ten aanzien van het wegvallen uit de berekening van S op het moment dat die 21 jaar wordt merk ik nog het volgende op. Ook dan blijft de behoefte aan huishoudelijke hulp 4 uur per dag, alleen is er dan slechts één gerechtigde waar er voorheen twee waren. Als er een kind wegvalt uit de behoefte, dan stijgt de behoefte van het andere kind evenredig. Dat is nauwkeurige toepassing van de Amsterdamse schaal. Dit betreft slechts een kwestie van verdeling van het t.b.v. de zorg ter beschikking gestelde bedrag. Het gaat om een rekenkundige verdeling van de bestede zorg.

Ik heb verder geen opmerkingen. Ik meen dat hetgeen ik heb gerapporteerd realistisch is.


Uit bijbaantjes bekostigen kinderen meer hun extraatjes, zoals bioscoopbezoekjes, een telefoontje, uitgaan e.d. E is het eens met de deskundige dat de schade hierdoor niet wordt vergroot. 
Artikel 6:108 BW is geen schadevergoeding maar is bedoeld als onderhoudsuitkering. Evident is dat er schade is ontstaan door het overlijden. E biedt hier ook verontschuldigingen aan voor het feit dat in deze procedure aanvankelijk het verweer is gevoerd dat er geen schade was geleden. E kan zich ook vinden in het rapport als het gaat om het niet meenemen van de situatie van B in het internaat. 
De deskundige heeft de kinderen in een hogere schaal geplaatst dan vader, nl op 105 punten. Er is vrijwel geen jurisprudentie over de Amsterdamse schaal. De enige aan E bekende afwijking van die schaal is dat de moeder ook op 100 punten is geplaatst in een bepaalde zaak. Op blz. 52 van het deskundigenrapport staat dat de vader alleen voor de kinderen leefde. Verderop in het rapport wordt als bijzondere factor ook genoemd het opknappen van het huis. Volgens E deed de vader dit voor zijn pensioen en niet voor de kinderen. De kinderen verlaten op enig moment het huis en jij blijft als ouder met het huis zitten. De vraag is ook of het 'leven voor de kinderen' een reden oplevert om van de schaal af te wijken. Dat wordt dan vrijwel zeker een standaardafwijking van de schaal, want dit komt veel voor. 
E heeft het verschil van deze afwijking van de schaal uitgerekend. Dat scheelde 20%. E vindt dit veel, ook in vergelijking met andere zaken. Zij heeft daarbij overigens niet alle door de rechtbank aangenomen criteria gevolgd. Er zijn in dergelijke zaken zeer veel variabelen mogelijk, hetgeen maakt dat het verschil voor het concrete geval moeilijk is vast te stellen. Maar E meent dat 20% afwijking het maximale is.

Voor E zit de grootste pijn hem in de reeds door de rechtbank besliste punten. 

De vraag is waar je de uren van de buurvrouw van aftrekt. Uit het rapport blijkt dat de nachtelijke uren waren begrepen in de uren van de buurvrouw, vgl. blz. 77 rapport. Jaarlijks gaat het om 8736 uur. Op blz. 16 van het rapport Artoos staat dat zij geen nachtelijke uren heeft meegerekend. Verder heeft de deskundige van de 1040 schooluren maar tweederde genomen; terwijl die voor 100% afgetrokken hadden moeten worden. Als men het alleen op de school betrekt dan moet er zo'n 350 uur per jaar af, in het andere geval wel 1000 uur per jaar. 
E heeft eerst berekend hoeveel daguren er zijn. Voor de nachturen wordt er niets in rekening gebracht. Zie voor deze berekening blz. 23 van de antwoordconclusie na deskundigen bericht. 
Voor de nachtelijke uren schakelt men geen professionele hulp in, zodat je daarvoor geen bedrag kunt toekennen. 
De deskundige handhaaft voortdurend de kosten voor huishoudelijke hulp totaal, terwijl de zoon 21 jaar werd. Bezwaar van E tegen het eerdere vonnis is: als de behoefte aan huishoudelijke hulp wegvalt t.a.v. de zoon, terwijl die van de dochter voortduurt, dan kan de hoogte van de hulp het volgende jaar niet gelijk blijven. Het standpunt van de deskundige is niet begrijpelijk. 
Er zijn twee kinderen, die ieder behoefte hebben aan 2 uur hulp per dag. Niet te begrijpen is, dat als bij het ene kind die behoefte wegvalt, het overblijvende kind behoefte ineens heeft aan 4 uur per dag.

mr. E:
Ten aanzien van de afwijking van de overlijdensschaal merk ik op dat het bijzonder is hoe deze vader zich zo heeft ingezet voor zijn kinderen. Ik ben het met de deskundige eens. 

Desgevraagd verklaart de deskundige dat hij sedert de indiening van het deskundigenbericht nog kosten heeft moeten maken, te weten 16 uren à € 185,-- excluslef BTW. Partijen verklaren akkoord te gaan met deze kosten. De deskundige wordt verzocht ter zake een factuur in te dienen bij de rechtbank. 

Citeerwijze: www.letselschademagazine.nl/2013/rb-rotterdam-160910

Deze website maakt gebruik van cookies