Overslaan en naar de inhoud gaan

RBNHO 031225 loonschade vennootschappen na mishandeling bestuurder/directeur; arbeidsongeschiktheid onvoldoende aangetoond; opkomend voordeel uit AOV

RBNHO 031225 loonschade vennootschappen na mishandeling bestuurder/directeur; arbeidsongeschiktheid onvoldoende aangetoond; opkomend voordeel uit AOV
- geen vorderingsrecht voor schade bij wg-er vanwege verlies no-claim op AOV

3De feiten

3.1.

[eiser] houdt zich volgens het handelsregister bezig met houdster- en financieringsactiviteiten.

3.2.

Meerlanden houdt zich volgens het handelsregister als aannemersbedrijf bezig met de grond-, weg- en waterbouw en cultuurtechniek, alsmede advisering en projectmanagement, import en groothandel in machines, verkoop van en groothandel in en aanbrengen van diverse (voeg) mortels ten behoeve van de wegenbouw, alsook reparatie van mortels en groothandel in bouwproducten.

3.3.

[betrokkene] (hierna: [betrokkene]) is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [eiser]. Laatstgenoemde is op haar beurt enig bestuurder en enig aandeelhouder van Meerlanden.

3.4.

[betrokkene] heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met [eiser] voor 24 uur per week in de functie van titulair en statutair directeur in de ruimste zin. De functie houdt tevens in het verrichten van werkzaamheden voor aan [eiser] gelieerde vennootschappen waar [eiser] of [betrokkene] als bestuurder is benoemd. Het brutoloon bedraagt € 4.650,- per maand.

3.5.

[betrokkene] heeft tevens een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met Meerlanden voor twee dagen per week in de functie van uitvoerder/projectleider tegen een bruto loon van € 4.650,- per maand uitgaande van een 40-urige werkweek. Zijn werkzaamheden bestaan hoofdzakelijk uit het uitvoeren van door Meerlanden aangenomen (voeg)werken, uitzetten van (voeg)werken, aansturen van werkploegen, transport, klaarmaken van de werkbussen en het maken van calculaties.

3.6.

In beide voormelde arbeidsovereenkomsten is de verplichting opgenomen dat het loon van [betrokkene] in geval van arbeidsongeschiktheid wordt doorbetaald. In de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene] en Meerlanden is in artikel 10 lid 5 aanhef en sub a nog het volgende opgenomen:

5. Op het door Werkgever verschuldigde loon wordt in mindering gebracht:

a. het bedrag van een uitkering in geld dat Werknemer toekomt op grond van een verzekering krachtens de wet of uit anderen hoofde, of uit enig (sociaal) fonds waarin de deelneming is bedongen of voortvloeit uit deze arbeidsovereenkomst;

3.7.

[betrokkene] heeft in hoedanigheid van directeur/aandeelhouder van [eiser] een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV individueel) bij verzekeraar ASR Schadeverzekering N.V. (hierna: ASR) afgesloten ter dekking van loondoorbetalingsverplichtingen ingeval van ziekte of arbeidsongeschiktheid van hemzelf als werknemer in de functie van interim- en projectmanager. Het verzekerd (jaar)bedrag is € 36.000,-. In de stukken van ASR staat [eiser] als verzekeringnemer vermeld en [betrokkene] als verzekerde.

3.8.

[betrokkene] en zijn echtgenote waren buren van [gedaagden]

3.9.

Na een langdurige burenruzie over parkeerplekken is op 3 september 2021 sprake geweest van een confrontatie tussen [betrokkene] enerzijds en [gedaagde 1] anderzijds, waarbij [betrokkene] ernstig beenletsel heeft opgelopen.

3.10.

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van 14 november 2023 is [gedaagde 1] veroordeeld voor mishandeling van [betrokkene] en veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur. Van de door [betrokkene] gevorderde schadevergoeding van € 29.917,31 is een bedrag van € 3.376,50 toegewezen en als schadevergoedingsmaatregel opgelegd, bestaande uit € 876,50 als vergoeding van materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade. De rechtbank heeft bewezen geacht dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft geduwd en geslagen, waardoor laatstgenoemde op ongelukkige wijze tegen een glazen vaas is gevallen en (doordat een stuk glas in zijn been terecht is gekomen) zwaar lichamelijk (spier)letsel heeft opgelopen.

3.11.

Bij op tegenspraak gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank van eveneens 14 november 2023 is [gedaagde 2] veroordeeld voor medeplichtigheid aan voormelde mishandeling, waarbij zij is veroordeeld tot een taakstraf van 30 uur en waarbij ook een schadevergoedingsmaatregel is opgelegd van € 3.376,50, bestaande uit € 876,50 als vergoeding van materiële schade en € 2.500 aan immateriële schade.

3.12.

Bij brief van 20 oktober 2021 heeft ASR [betrokkene] geïnformeerd hoe zijn claim onder de AOV Individueel verzekering verder zal worden behandeld. Op basis van zijn dossier is de mate van arbeidsongeschiktheid per 3 september 2021 vastgesteld op klasse 80-100% (= 100% uitkering) en per 11 oktober 2021 op klasse 45-55% (= 50% uitkering). Verder wordt [betrokkene] verzocht een afspraak met de controlerend arts te maken.

3.13.

[betrokkene] is op 28 oktober 2021 bij de controlerend arts op spreekuur geweest. In het ‘Formulier AOV eerste onderzoek’ staat (onder meer) vermeld dat [betrokkene] zelfstandig met de auto naar de afspraak is gekomen en enigszins mank loopt, dat sprake is van geleidelijk herstel, [betrokkene] 2 van de 5 dagen werkt en ervan uitgaat dat hij eind van 2021 weer volledig hersteld is.

3.14.

[betrokkene] is vervolgens op 27 juli 2022 wederom bij de controlerend arts op spreekuur geweest. In het daarvan opgestelde formulier staat (onder meer) vermeld:

verzekerde is een 53 jarige interim/projectmanager die zich ziekmeldde na een zware mishandeling met een messteek door zijn buurman. Hij vertelt dat hij deze aanslag heeft overleefd omdat hij dood had kunnen bloeden (…) De steekwond op het re bovenbeen is reeds 2 x operatief behandeld en hij krijgt een 3e operatie in 2023. Hij heeft last van PTSS en minder kracht in re been (…) Bij onderzoek zie duidelijke afwijkingen van het re bovenbeen en een beeld passend bij PTSS. Beperking ten aanzien lang lopen, zwaar tillen, frequent door de knieën gaan, traplopen en beperkingen tav omgaan met emoties en conflicten en deadlines en veelvuldig oplossen van complexe zaken zijn aannemelijk. Ik verwacht verbetering van de belastbaarheid na adequate psychiologische hulp. De prognose is gunstig omdat de buurman en -vrouw zijn verhuisd medio juli 2022

3.15.

ASR heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] over de periode van 3 september 2021 tot en met 30 november 2022 (einde van de arbeidsongeschiktheid) vastgesteld op de achtereenvolgende percentages van 100%, 50% en 40%. Gerelateerd aan deze percentages heeft ASR een deel van de nettoloonsom die op deze periode betrekking heeft vergoed.

3.16.

[eisers] hebben [gedaagden] bij brief van 31 mei 2024 (herhaald) aansprakelijk gesteld voor de door hen geleden en nog te lijden schade als gevolg van het doorbetaalde nettosalaris aan [betrokkene] gedurende zijn periode van arbeidsongeschiktheid. [gedaagden] hebben in reactie hierop aansprakelijkheid betwist.

4Het geschil

4.1.

[eisers] vorderen, na vermindering en vermeerdering van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

  1. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 5.737,74 te vermeerderen met de wettelijke rente;

  2. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van respectievelijk in 2026 € 1.077,01, in 2027 € 803,07, in 2028 € 529,13 en in 2029 € 255,19, zulks in al deze gevallen nadat [eiser] de achtereenvolgens elk van genoemde bedragen in 2026, 2027, 2028 respectievelijk 2029 betaald zal hebben, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  3. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 794 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente;

  4. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan Meerlanden te betalen een bedrag van € 12.547,10 te vermeerderen met de wettelijke rente;

  5. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] om aan Meerlanden te betalen een bedrag van € 1.073,41 ter zake van buitengerechtelijke kosten te vermeerderen met de wettelijke rente;

  6. Hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.2.

[eisers] leggen aan de vordering – samengevat – ten grondslag dat [gedaagden] door de strafrechter zijn veroordeeld voor mishandeling van [betrokkene]. Mede gelet op artikel 161 Rv staat het onrechtmatig handelen jegens [betrokkene] hiermee vast en zijn zij (op grond van artikel 6:166 BW hoofdelijk) aansprakelijk jegens [betrokkene]. Ingevolge artikel 6:107a lid 2 BW zijn [gedaagden] ook aansprakelijk voor de schade van [eisers] Deze schade bestaat uit de netto loonbetalingen die [eisers] in hoedanigheid van werkgever aan [betrokkene] hebben gedaan, terwijl laatstgenoemde als gevolg van de mishandeling en het hieruit opgelopen letsel, arbeidsongeschikt was, minus de uitkering die de arbeidsongeschiktheidsverzekeraar aan [eiser] heeft gedaan. Daarnaast bestaat de schade voor [eiser] uit extra premiekosten die zij moet betalen als gevolg van het kwijtraken van de no-claimkorting ten gevolge van het beroep dat zij heeft gedaan op haar arbeidsongeschiktheidsverzekering. [gedaagden] dienen deze schade te vergoeden, aldus [eisers]

4.3.

[gedaagden] voeren verweer.

[gedaagden] betwisten dat met de strafrechtelijke veroordeling de aansprakelijkheid vast staat. Bovendien is de schade volgens [gedaagden] mede aan [betrokkene] toe te rekenen en moet dat bij de beoordeling van de aansprakelijkheid en schadevergoedingsplicht worden meegewogen. Zij voeren voorts aan dat geenszins is aangetoond dat [betrokkene] voor zijn functies bij [eiser] en Meerlanden arbeidsongeschikt was. Er was enkel sprake van beenletsel, zodat niet valt in te zien waarom [betrokkene] zijn bestuurlijke taken niet heeft kunnen uitvoeren. Medische informatie ontbreekt (grotendeels) en [betrokkene] is niet door een Arbodienst of bedrijfsarts gekeurd. De door [gedaagden] ingeschakelde deskundige komt op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. [gedaagden] wijzen er voorts op dat de gevorderde premiekosten (vanwege het verval van de no-claim korting) niet onder het regresrecht van artikel 6:107a BW vallen.

4.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5De beoordeling

5.1.

Op grond van het bepaalde in artikel 161 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) levert een in kracht van gewijsde gegaan en op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs op van dat feit. Tussen partijen is niet in geschil dat [gedaagden] door de strafrechter zijn veroordeeld voor (medeplichtigheid aan) mishandeling en dat deze vonnissen onherroepelijk zijn geworden. De rechtbank heeft bewezen verklaard dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft geduwd en geslagen, waardoor laatstgenoemde op ongelukkige wijze tegen een glazen vaas is gevallen en (doordat een stuk glas in zijn been terecht is gekomen) zwaar lichamelijk (spier)letsel heeft opgelopen. Het noodweer verweer is door de rechtbank verworpen. Dit brengt mee dat – behoudens tegenbewijs – als vaststaand dient te worden aangenomen dat [gedaagde 1] [betrokkene] heeft mishandeld en dat [gedaagde 2] daaraan medeplichtig was en dat [betrokkene] als gevolg daarvan letsel heeft opgelopen. [gedaagden] hebben dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De enkele verwijzing naar de verklaringen van [gedaagden] in de strafzaak is hiertoe onvoldoende. [gedaagden] zullen daarom niet worden toegelaten tot tegenbewijs van het in de strafvonnissen van 14 november 2023 bewezen verklaarde. Daarmee staat in deze procedure vast dat [gedaagden] aldus toerekenbaar onrechtmatig jegens [betrokkene] hebben gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW en aansprakelijk zijn voor de schade die [betrokkene] als gevolg daarvan heeft geleden.

5.2.

Artikel 6:107a lid 2 BW bepaalt dat de werkgever die het loon heeft moeten doorbetalen aan een werknemer die arbeidsongeschikt is geworden als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, ten opzichte van die ander recht heeft op vergoeding van het doorbetaalde loon. Het gaat om een regresvordering van de werkgever.

Ten aanzien van [eiser]

5.3.

[eiser] vordert naast de hoofdsom bij eisvermeerdering de extra premiekosten die [eiser] moet betalen als gevolg van het kwijtraken van haar no-claimkorting ten gevolge van het beroep dat zij heeft gedaan op de arbeidsongeschiktheidsverzekering.

[gedaagden] betwisten dat deze kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Deze betwisting slaagt.

5.4.

Ten aanzien van de gevorderde premiekosten heeft te gelden dat het in artikel 6:107a lid 2 BW bedoelde regresrecht van de werkgever is beperkt tot het netto doorbetaalde loon dat de werkgever op grond van artikel 7:629 lid 1 BW of krachtens individuele of collectieve arbeidsovereenkomst tijdens ziekte of arbeidsongeschiktheid moet doorbetalen. Onder dit loon moet worden verstaan de vergoeding die de werkgever voor de bedongen arbeid is verschuldigd aan de werknemer1. Extra premiekosten voor de werkgever vanwege het vervallen van de no-claimkorting vallen niet onder dit loonbegrip. Reeds op deze grond dienen deze kosten te worden afgewezen.

5.5.

Voor zover [eiser] aan deze vordering tevens onrechtmatig handelen van [gedaagden] ten grondslag heeft willen leggen, kan dat haar niet baten. Van enig onrechtmatig handelen jegens de vennootschappen is immers geen sprake. Het handgemeen vond zijn oorsprong in een burenruzie en richtte zich uitsluitend jegens [betrokkene] als privé persoon (buurman) en niet jegens [betrokkene] in zijn hoedanigheid van bestuurder/werknemer van de vennootschappen.

5.6.

Ten aanzien van het gevorderde doorbetaalde nettoloon stellen [eisers] dat zij [betrokkene] zijn loon hebben doorbetaald tijdens diens arbeidsongeschiktheid als gevolg van eerder genoemde mishandeling. [gedaagden] hebben echter betwist dat [betrokkene] voor zijn functie bij [eiser] arbeidsongeschikt was. [betrokkene] was bij [eiser] 24 uur per week werkzaam in de functie van titulair en statutair directeur. Uit zijn arbeidsovereenkomst blijkt dat deze functie tevens inhoudt het verrichten van werkzaamheden voor aan [eiser] gelieerde vennootschappen waar [eiser] of [betrokkene] als bestuurder is benoemd. Het ging hier derhalve om bestuurlijke werkzaamheden. [gedaagden] voeren aan dat enkel sprake was van beenletsel, zodat niet valt in te zien waarom [betrokkene] zijn bestuurlijke taken niet heeft kunnen uitvoeren. Zij wijzen erop dat medische informatie ontbreekt (grotendeels) en [betrokkene] niet door een Arbodienst of bedrijfsarts is gekeurd en de door [gedaagden] ingeschakelde deskundige op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. [eisers] hebben hier tegen in gebracht dat [betrokkene] als gevolg van de mishandeling naast lichamelijke pijn in zijn rechterbovenbeen, tevens geestelijke problemen, waaronder concentratie stoornissen, als gevolg van PTSS, heeft ondervonden. De rechtbank stelt vast dat enige medische informatie hierover ontbreekt. Gelet op het gemotiveerde verweer van [gedaagden] had het wel op de weg van [eisers] gelegen de gestelde geestelijke arbeidsongeschiktheid nader te onderbouwen. Dit hebben zij nagelaten. [eisers] heeft volstaan met te verwijzen naar de overgelegde formulieren AOV van de controlerende arts van ASR. Weliswaar blijkt hieruit dat de controlerend arts in juli 2022 aannemelijk acht dat [betrokkene] vanwege PTSS beperkingen ten aanzien van het omgaan met emoties en conflicten en deadlines en veelvuldig oplossen van complexe zaken ondervindt, maar dit oordeel is uitsluitend gebaseerd op het verhaal van [betrokkene] (in strijd met de waarheid) dat hij bijna was doodgebloed nadat hij door de buurman met een mes was gestoken. Een medische diagnose ontbreekt. Dit is daarom onvoldoende om die conclusie te kunnen dragen. [eisers] hebben hun stelling dat [betrokkene] arbeidsongeschikt was om bestuurlijke werkzaamheden te verrichten, in het licht van voornoemd verweer, dan ook onvoldoende onderbouwd.

5.7.

Uit het vorenstaande volgt dat niet is gebleken dat [betrokkene] arbeidsongeschikt was voor het verrichten van zijn bestuurlijke werkzaamheden. Er is dan ook geen sprake van schade aan de zijde van [eiser] en dus ook niet van een regresrecht als bedoeld in artikel 6:107a lid 2 BW met betrekking tot het door [eiser] doorbetaalde netto loon. Het ten aanzien van [eiser] gevorderde zal daarom worden afgewezen.

Ten aanzien van Meerlanden

5.8.

Meerlanden vordert in hoofdsom (dus exclusief wettelijke rente) een bedrag van € 11.211,28 ter zake van het nettoloon dat Meerlanden in de periode van arbeidsongeschiktheid van 2 september 2021 tot en met 30 november 2022 aan [betrokkene] heeft uitbetaald. [gedaagden] hebben betwist dat [betrokkene] voor zijn functies bij Meerlanden arbeidsongeschikt was. Zij voeren aan dat medische informatie ontbreekt, [betrokkene] niet door een Arbodienst of bedrijfsarts is gekeurd en de door [gedaagden] ingeschakelde deskundige op basis van de wel aanwezige informatie tot de conclusie is gekomen dat er geen sprake kan zijn geweest van langdurige arbeidsongeschiktheid. Bovendien dient de door ASR uitbetaalde uitkering op het betaalde loon in mindering te worden gebracht, zodat hoe dan ook geen vordering resteert. [eisers] betwisten dit en stellen dat de uitkering onder de arbeidsongeschiktheidsverzekering bij ASR alleen zag op de arbeidsovereenkomst tussen [betrokkene] en [eiser] en dat Meerlanden hiervoor niet verzekerd was. [gedaagden] hebben deze stelling gemotiveerd weersproken. Uit de door [eisers] overgelegde (medische) stukken van ASR volgt dit ook niet. Hier volgt eerder uit dat ASR bij het vaststellen van het bepalen van het percentage arbeidsongeschiktheid en de daaraan gekoppelde uitkering mede is uitgegaan van [betrokkene] als werknemer van Meerlanden. Zo wordt in het door [eisers] overgelegde overzicht van de polisgegevens van de arbeidsongeschiktheidsverzekering van ASR (productie E15), als beroep van verzekerde [betrokkene] vermeld “Interim- en projectmanager”. En in het “Formulier AOV eerste onderzoek” en het “Formulier AOV vervolg onderzoek” van de verzekeringsarts van ASR (productie E8) bij het onderdeel “Werk:” is telkens ingevuld dat het beroep van [betrokkene] “interim- en projectmanager in de wegenbouw/juridisch projectmanagement” is. Voorts wordt uitgegaan van een werkweek van 42 uur terwijl [betrokkene] volgens zijn arbeidsovereenkomst slecht 24 uur ten behoeve van [eiser] werkzaam was en ziet de in dit formulier genoemde beperkingen als gevolg van het letsel voornamelijk op fysieke inspanning, zoals lang lopen, zwaar tillen, traplopen en frequent door de knieën gaan. En ook in het door [eisers] in het geding gebrachte rapport naar aanleiding van een in opdracht van ASR verrichte orthopedische expertise (productie E25) is vermeld dat [betrokkene] door zijn klachten beperkingen ondervindt in zijn werk als “interim- en projectmanager”. Uit de door [eisers] in het geding gebrachte producties (E17 tot en met E19) met betrekking tot een onderneming waar [betrokkene] werkzaamheden voor verrichtte (Amerongen Infra B.V.) volgt ten slotte ook dat de arbeidsongeschiktheid van [betrokkene] voornamelijk lijkt te zien op werkzaamheden als meewerkend leidinggevende voor Meerlanden, zoals voegwerkzaamheden, mixen van mortel en het laden en lossen van materieel. Onder verwijzing naar hiervoor genoemde AOV formulieren van ASR hebben [gedaagden] aangevoerd dat de uitkering juist betrekking had op [betrokkene] als verzekerde werknemer van Meerlanden. [eisers] hebben deze stelling onvoldoende onderbouwd weersproken. De rechtbank volgt [gedaagden] dan ook in hun betoog dat de uitkering van ASR op grond van artikel 10 lid 5 van de arbeidsovereenkomst van [betrokkene] bij Meerlanden in mindering op het verschuldigde loon moet worden gebracht. Voor het bepalen van de schadevergoeding ex artikel 6:107a lid 2 BW geldt derhalve dat de (door [eisers] gestelde) uitkering van ASR van € 14.352,16 in mindering dient te worden gebracht op de (door [eisers] gestelde) door Meerlanden gedane netto loonbetalingen ad € 11.211,28. Per saldo betekent dat dat de uitkering van ASR hoger is dan het doorbetaalde loon en dat er sprake is van een surplus van (€ 14.352,16 - € 11.211,28=) € 3.140,88, zodat de rechtbank met [gedaagden] van oordeel is dat er geen ruimte is voor een regresvordering als bedoeld in artikel 6:107a lid 2 BW van Meerlanden op [gedaagden] Ook deze vordering zal daarom worden afgewezen.

5.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eisers] zullen worden afgewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten delen hetzelfde lot.

1HR 15 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1784

 

Rechtbank Noord-Holland 3 december 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:14013