Zoeken

Inloggen

Artikelen

LSA Letselschade Magazine Week 6 2022


AANSPRAKELIJKHEID VERKEER, wegbeheerder, motorfietsen

RBROT 260122 gemeente ogv 6:174 aansprakelijk voor botsing auto-motor op gebrekkig kruispunt
- van vordering bgk thv € 11.439,26 incl. btw is slechts € 7.909,69 onderbouwd; meerdere afgewezen

(mogelijk ongevallocatie: https://goo.gl/maps/kG11pWbZVUWKbWHKA ) (mei 2016)

2.
De feiten

2.1.
Op 26 april 2016 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden waarbij [eiser] als bestuurder van een motorfiets en mevrouw [persoon A] (hierna: [persoon A] ) als bestuurder van een personenauto betrokken waren. [eiser] heeft als gevolg van het ongeval letsel opgelopen.

2.2.
Het ongeval vond plaats op de kruising van de Olympiaweg en de (doodlopende) zijstraat naar onder meer [naam garagebedrijf] (hierna: de kruising) in Rotterdam.

2.3.
De Olympiaweg is een vierbaansweg. Beide rijrichtingen bestaan uit twee rijstroken. De rijrichtingen worden gescheiden door een groenstrook die fungeert als middenberm. Ten tijde van het ongeval bestond de Olympiaweg uit een hoofdweg met diverse zijstraten.

2.4.
Ten tijde van het ongeval stonden op de rechterrijstrook tot 2 à 3 meter voor de kruising personenauto’s geparkeerd.

2.5.
Omstreeks 6 april 2016 heeft de Gemeente op 4,6 meter voor de kruising het verkeersbord J8 (gevaarlijk kruispunt) laten plaatsen. Omstreeks 11 mei 2016 is het bord J8 verwijderd.

2.6.
Naar aanleiding van het ongeval heeft een hoofdagent van politie van de Eenheid Rotterdam op 28 april 2016 een onderzoek ingesteld op de plaats van het ongeval. Het door de hoofdagent opgemaakte proces-verbaal luidt, voor zover van belang, als volgt:

Dhr [persoon B] verklaarde dat hij de verkeerskruising die de uitrit van zijn garagebedrijf als zeer gevaarlijk ervoer. Dat er vaker ongevallen gebeurd waren op deze kruising. ( ... ) Dat hij tevens melding had gemaakt bij de gemeente aangaande de gevaarzetting van de verkeerskruising.”

2.7.
Na het ongeval heeft de Dienst Regionale Recherche Forensische Opsporing een verkeersongevallenanalyse (hierna: VOA) verricht. In het naar aanleiding van deze VOA opgemaakte en op 24 mei 2016 ondertekende proces-verbaal staat, voor zover van belang, het volgende vermeld:

1.7
Onderzoek weginrichting

( ... )

1.7.2
Onderzoek uitritconstructie

( ... )

Door het aanbrengen van de witte, circa 20 centimeter brede streep, op de aansluiting van het doodlopende gedeelte van de Olympiaweg op de oostelijke rijbaan van de Olympiaweg heeft de wegbeheerder mogelijk bedoeld, dat het hier gaat om een uitritconstructie. Verkeer dat vanuit de uitritconstructie de doorgaande rijbaan op wil rijden, moet het overige verkeer dan voor laten gaan.

Deze constructie op de aansluitende Olympiaweg voldeed niet aan alle kenmerken van een uitrit.
1. Het trottoir was niet op dezelfde hoogte doorgetrokken over de uitrit.
2. De aan de voor en achterzijde van de in/uitrit werd geen gebruik gemaakt van een wegverlaging. Door deze verlaging zijn normaal gesproken zowel de inritzijde als de uitritzijde duidelijk herkenbaar als een overgangsconstructie.
3. het aanwezige trottoir was niet in hetzelfde materiaal doorgetrokken over de uitrit.
4. aan de voor en achterzijde van de inrit werd geen gebruik gemaakt van zogenaamde inritblokken. Door deze blokken zijn normaal gesproken, zowel de inritzijde als de uitritzijde duidelijk herkenbaar als een overgangsconstructie.

Deze constructie op de aansluitende Olympiaweg, voldeed eveneens niet aan de kenmerken van een industriële uitrit. Volgens de Leidraad duurzaam veilige inrichting van bedrijventerreinen, van het CROW (publicatie 192), rubriek 5.2, dienen de uitritten van bedrijven eenduidig en uniform te worden vormgegeven, dit komt met name voort uit juridische aspecten.

In- en uitritten bij bedrijven kunnen op drie juridisch juiste manieren worden vormgegeven
 via een doorgetrokken, niet in het verlengde van een eventuele kantlijn, 20 centimeter brede witte streep.
 via een doorgetrokken, eventueel verlaagd liggende trottoirband.
 via een uitritconstructie met in-/uitritblokken (zoals veel toegepast op kruispunten tussen 30 km/u zones en gebiedsontsluitingswegen. Deze uitritconstructies met inritblokken zijn echter niet altijd wenselijk in verband met het grote discomfort voor met name vrachtauto's.

Bij voorkeur dient een verschil in type verharding en kleur aangebracht te worden, tussen de doorgaande weg en de aansluiting met het bedrijf. Bij voorkeur dient de poort van het bedrijf, voor de bestuurder op de hoofdrijbaan, vanuit de ooghoeken zichtbaar te zijn. Het uitzicht vanaf de uitrit, op de openbare weg moet voldoende zijn. Bij een afgesloten terrein moet dus na de afsluiting voldoende opstelruimte aanwezig zijn, om veilig de openbare weg op te kunnen rijden.

Wij zijn van mening dat hier niet aan werd voldaan.

Er was op het aansluitende doodlopende gedeelte van de Olympiaweg, alleen gebruik gemaakt van een andere wegbestrating (klinkers), in een afwijkende kleur dan de hoofdrijbaan (zwart asfalt) en op de aansluiting was door middel van witte klinkers een 20 centimeter brede witte streep aangebracht.

In dit geval was er geen sprake van de aansluiting van een bedrijfsterrein op de openbare weg. In dit geval was sprake van een doodlopende weg, welke toegang verschaft tot aan die weg gelegen bedrijfspanden en een achtergelegen voetbalterrein. Er is geen sprake van een, vanaf de rijbaan zichtbaar zijnde toegangspoort, met een na de afsluiting aanwezig zijnde opstelruimte.”

2.8.
De officier van justitie heeft eveneens onderzoek gedaan naar de ongevalslocatie. In een op 14 juni 2016 ondertekende notitie schrijft de officier van justitie, voor zover van belang, het volgende:

Uit het casusoverleg van 4 mei jl. is naar voren gekomen dat een ernstige aanrijding op bovengenoemde locatie heeft plaatsgevonden en dat de oorzaak van de aanrijding mogelijk (mede) was gelegen in de verwarrende en (daardoor) onveilige verkeerssituatie ter plaatse. ( ... )

Overige kruisingen op de Olympiaweg:

Op de Olympia zijn meerdere kruisingen gelegen waarbij ook sprake is van een witte doorgetrokken streep. Op die kruisingen zijn borden geplaatst die aangeven dat het verkeer op de zijstraten voorrang moet verlenen aan het verkeer op de Olympiaweg.

( ... )

Verbeteren van de verkeersveiligheid op de locatie:

( ... )

Mijn voorstel is om de wegbeheerder:
- in de zijstraat thv nr [nummer] een bord B6 (voorrang verlenen) te laten plaatsen;
- na een waarschuwingsperiode het parkeren op de rechter rijstrook van de Olympiaweg te verbieden en daarop te handhaven (plaatsen van een parkeerverbod);
- indien het voorgaande voorstel (parkeerverbod) niet mogelijk is, het bord J8 (gevaarlijke kruising) op de Olympiaweg op ruime afstand (ongeveer 20 meter) vóór de kruising te laten (ver)plaatsen dan wel de eerste 2 parkeerplaatsen op te laten heffen/af te kruisen, zodat het zicht naar links van de bestuurder die voorrang moet verlenen wordt verruimd en verbeterd.”

2.9.
In een brief van 25 oktober 2017 schrijft de Gemeente aan de advocaat van [eiser] , voor zover van belang, het volgende:

Situatie voorafgaand aan verkeersbesluit 22 september 2016

De zijweg die leidt naar [naam garagebedrijf] aan de [adres] diende gekwalificeerd te worden als een in- en uitrit die naar een bedrijventerrein leidt. Verkeer dat de in- en uitrit verlaat diende op grond van artikel 54 RVV 1990 ook voorrang te geven aan het verkeer op de Olympiaweg. Aan de bedoelde status als in- en uitrit is uitdrukking gegeven door de doorgetrokken witte streep en het verschil in het type verharding. Begin 2016 heeft (tijdelijk) ter hoogte van vernoemde kruising het verkeersbord J8 (gevaarlijk kruispunt) gestaan. In die periode diende de kruising als gelijkwaardig opgevat te worden omdat verkeerstekens boven verkeersregels gaan.”

3.
Het geschil

3.1.
[eiser] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht te verklaren:
a. primair: dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is, primair op grond van artikel 6:174 BW, althans subsidiair op grond van artikel 6:162 BW en derhalve de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid, althans de dag der dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
b. subsidiair: dat weggebruikers op de Olympiaweg ten tijde van het ongeval voorrang dienden te krijgen van het [de, opm. rb.] weggebruikers komend uit de zijstraat bij [naam garagebedrijf] ;
II. de Gemeente te veroordelen in de kosten van deze procedure en tevens te bepalen dat de Gemeente de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling verschuldigd zal zijn, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee weken na aanschrijving van het ten deze te wijzen vonnis heeft plaatsgevonden;
III. de Gemeente te veroordelen tot betaling van een som van € 11.439,26 inclusief btw voor de in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten voor juridische bijstand;
IV. de Gemeente te veroordelen tot betaling van nakosten van het geding.

3.2.
De Gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de primaire vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, inclusief de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.
De beoordeling

4.1.
[eiser] legt aan zijn primaire vordering om voor recht te verklaren dat de Gemeente op grond van artikel 6:174 BW jegens hem aansprakelijk is, het volgende ten grondslag.

De voorrangsituatie op de kruising was onduidelijk en deze onduidelijkheid creëerde een gevaarlijke situatie. Op het moment dat [eiser] de kruising naderde, heeft hij het bord J8 niet gezien. Hij heeft het bord ook niet kunnen zien omdat het op slechts 4,6 meter afstand van de kruising was geplaatst en geparkeerde auto’s langs de weg hem (tijdig) zicht op het bord en verkeer komend uit de zijstraat ontnamen. [eiser] was er ook niet op bedacht dat hij voorrang moest verlenen aan het verkeer komend uit de zijstraat. Bij de overige zijstraten die op de Olympiaweg uitkomen, had [eiser] immers ook voorrang en korte tijd vóór 26 april 2016 hoefde [eiser] op de kruising geen voorrang te verlenen. Voorts ontbraken waarschuwingsborden voor de gewijzigde verkeerssituatie. Het had voor de hand gelegen om op geruime afstand van de kruising een bord te plaatsen met de tekst: “let op, voorrangssituatie gewijzigd”. Daarnaast had de Gemeente de gewijzigde voorrangssituatie bekend kunnen maken via social media of de Staatscourant. Er waren voldoende niet bezwaarlijke en niet kostbare veiligheidsmaatregelen te treffen.

4.2.
De Gemeente betwist dat sprake was van een onduidelijke en gevaarlijke verkeersituatie. Gelet op de fysieke kenmerken van de zijstraat, kon [eiser] er terecht van uitgaan dat sprake was van een in- en uitrit en dat hij voorrang had moeten krijgen van [persoon A] . De in- en uitrit werd immers gekenmerkt door een doorgetrokken witte streep, een verschil in type verharding, een op dezelfde hoogte doorgetrokken fietspad, een schuin vlak om het hoogteverschil tussen het fietspad en de Olympiaweg te overbruggen en een bestemmingsdoel naar het garagebedrijf aan een doodlopende en naamloze weg. De in- en uitrit was dan ook niet gebrekkig in de zin van artikel 6:174 BW. Voorts heeft het bord J8 weliswaar voor verwarring kunnen zorgen maar [eiser] heeft dit bord niet gezien zodat het ongeval dat hem is overkomen niet is veroorzaakt door de aanwezigheid van het J8-bord. Door de aanwezigheid van het bord, kan [eiser] dus niet in verwarring zijn geraakt. [persoon A] kan evenmin in verwarring zijn geraakt door de aanwezigheid van het bord omdat zij, komend uit de zijstraat van de Olympiaweg, het bord niet kon zien. Het causaal verband tussen de plaatsing van het J8 bord en het ongeval ontbreekt dan ook, aldus de Gemeente.

4.3.
Bij de beoordeling of de verkeerssituatie een gebrek in de zin van artikel 6:174 BW vertoonde, stelt de rechtbank het volgende voorop.

4.4.
Op grond van artikel 6:174 lid 1 BW is de bezitter van een opstal die niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, en daardoor gevaar voor personen of zaken oplevert, aansprakelijk wanneer dit gevaar zich verwezenlijkt, tenzij aansprakelijkheid op grond van de vorige afdeling (onrechtmatige daad) zou hebben ontbroken indien hij dit gevaar op het tijdstip van het ontstaan ervan zou hebben gekend. Ingevolge artikel 6:174 lid 2 BW rust op de Gemeente als wegbeheerder de aansprakelijkheid voor de openbare weg. Niet in geschil is dat de zijstraat van de Olympiaweg als weglichaam en het bord J8 als weguitrusting onderdeel uitmaken van de openbare weg, een en ander als bedoeld in artikel 6:174 lid 6 BW.

4.5.
In het arrest van 7 oktober 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2283, Nijmeegse markt) heeft de Hoge Raad over de aansprakelijkheid van de wegbeheerder overwogen (r.o. 3.5.2 en verder) dat op de wegbeheerder de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt (vgl. onder meer het nog onder het oude recht gewezen arrest HR 20 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0549, NJ 1993/547 (Bussluis)). Deze verplichting is in artikel 6:174 leden 1 en 2 BW verwoord als een risicoaansprakelijkheid. Deze aansprakelijkheid dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaven die zijn ontwikkeld in HR 17 december 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN6236, NJ 2012/155 (Wilnis), r.o. 4.4.3 (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:831, NJ 2014/368 (Reaal/Deventer)). Bij het antwoord op de vraag of de weg voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld, en dus niet gebrekkig is, komt het derhalve aan op de - naar objectieve maatstaven te beantwoorden - vraag of deze, gelet op het te verwachten gebruik of de bestemming daarvan, met het oog op voorkoming van gevaar voor personen en zaken deugdelijk is, waarbij ook van belang is hoe groot de kans op verwezenlijking van het gevaar is en welke onderhouds- en veiligheidsmaatregelen mogelijk en redelijkerwijs te vergen zijn (het arrest Wilnis, r.o. 4.4.4). Deze maatstaven komen overeen met de ‘kelderluikcriteria’ (HR 5 november 1965, ECLI:NL:HR:1965:AB7079, NJ 1966/136 (Kelderluik)).

4.6.
Tevens is van belang dat het enkele feit dat de weg ter plaatse gevaar oplevert, onvoldoende is voor het oordeel dat de weg niet voldoet aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mogen worden gesteld. In het hiervoor reeds aangehaalde Bussluis-arrest waarin sprake was van een tot de weg, het weglichaam en de weguitrusting behorend object, overwoog de Hoge Raad:

Vooropgesteld moet worden dat in het algemeen op de gemeente die moet zorgen dat een openbare weg in goede staat verkeert, de plicht rust ervoor te zorgen dat de toestand van de weg de veiligheid van personen en zaken niet in gevaar brengt. Hieruit vloeit voort dat, wanneer de gemeente ter fysieke ondersteuning van verkeersmaatregelen een weg zodanig inricht dat deze zonder beveiligingsmaatregelen gevaar oplevert voor personen of zaken, zij door deugdelijke beveiligingsmaatregelen, zoals waarschuwingen, ervoor zorg behoort te dragen dat de veiligheid van personen en zaken voldoende gewaarborgd blijft, waarbij de gemeente mede in aanmerking heeft te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zullen betrachten. Indien deze veiligheid niet voldoende kan worden gewaarborgd, dient de gemeente van een zodanige inrichting van de weg af te zien.”

Uit deze overweging volgt dat indien sprake is van objecten die behoren tot de weg, het weglichaam of de weguitrusting, de gebrekkigheid als bedoeld in artikel 6:174 BW ook kan zijn gelegen in de omstandigheid dat voor een gevaarlijke situatie onvoldoende is gewaarschuwd (vgl. ook met de uitspraak van het Hof Den Haag van 20 mei 1999, ECLI:NL:GHSGR:1999:AD3054).

4.7.
Voor het antwoord op de vraag of de kruising ten tijde van het ongeval voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld, acht de rechtbank het volgende van belang.

4.7.1.
In de eerste plaats blijkt uit de door de politie na het ongeval verrichte VOA van een onduidelijke verkeerssituatie. Uit de VOA en het vervolgens opgemaakte proces-verbaal (zie 2.7) volgt immers dat, voor zover de wegbeheerder de aansluiting van het doodlopende gedeelte van de Olympiaweg op de oostelijke rijbaan van de Olympiaweg bedoeld heeft te typeren als een uitritconstructie, deze constructie niet voldeed aan alle kenmerken van een uitrit. De constructie voldeed eveneens niet aan de kenmerken van een industriële uitrit. De Gemeente heeft zich weliswaar op het standpunt gesteld dat zij zich niet kan vinden in de door de politie verrichte VOA maar aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij. De politierechercheurs die de VOA hebben uitgevoerd moeten bij uitstek bekend worden geacht met de toepasselijke verkeersregelgeving. Het had dan ook op de weg van de Gemeente gelegen om met een voldoende onderbouwd verweer tegen de VOA te komen, hetgeen zij heeft nagelaten.

4.7.2.
Voorts blijkt uit de notitie van de officier van justitie van 14 juni 2016 dat sprake was van een onduidelijke situatie. De officier van justitie schrijft dat “de oorzaak van de aanrijding mogelijk (mede) was gelegen in de verwarrende en (daardoor) onveilige verkeerssituatie ter plaatse.” Dat bovendien sprake was van een gevaarlijke situatie volgt uit het feit dat tot kort voor de kruising (ongeveer 2 à 3 meter) auto’s geparkeerd stonden die [eiser] (tijdig) zicht op verkeer komend uit de zijstraat ontnamen. De kans op verwezenlijking van gevaar is daarbij groot. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat [eiser] een ongeval is overkomen op de kruising maar ook uit de door de politie genoteerde verklaring van [persoon B] waaruit volgt dat er vaker ongevallen hebben plaatsgevonden op de kruising en dat hij bij de Gemeente melding had gemaakt van de gevaarlijke verkeerssituatie.

4.7.3.
De rechtbank acht tevens van belang dat de Gemeente kort voor het ongeval het bord J8 heeft geplaatst, waarmee de Gemeente kennelijk beoogde te waarschuwen voor een gevaarlijke kruising. Dit waarschuwingsbord heeft er echter niet toe geleid dat de situatie er duidelijker en daarmee veiliger op is geworden. Integendeel, het bord bevond zich op slechts 4,6 meter van de kruising, wat gelet op de toepasselijke CROW-richtlijnen te dicht op de kruising is. Voornoemde richtlijnen schrijven op een weg als de Olympiaweg een afstand van 30 tot 75 meter voor. Bovendien heeft [eiser] onbetwist gesteld dat het zicht op het bord werd ontnomen door de vlak voor de kruising geparkeerde auto’s. Daar komt bij dat ook bij de Gemeente niet duidelijk was wat nu precies het gevolg was van de plaatsing van het bord. Dit blijkt uit het volgende. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Gemeente te kennen gegeven dat, anders dan uiteengezet is in de brief van de Gemeente van 25 oktober 2017, het bord J8 een waarschuwingsbord is en de plaatsing daarvan niet leidt tot wijziging van de voorrangssituatie omdat een dergelijke wijziging plaatsvindt door middel van een verkeersbesluit en door plaatsing van B-borden.

4.7.4.
Van andere door de Gemeente genomen veiligheidsmaatregelen ten aanzien van de kruising is de rechtbank niet gebleken terwijl dat, nu de Gemeente in aanmerking had te nemen dat niet alle verkeersdeelnemers steeds de nodige voorzichtigheid en oplettendheid zouden betrachten, wel van de Gemeente verwacht had mogen worden.

4.8.
Op grond van wat hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de kruising niet voldeed aan de eisen die daaraan in de gegeven omstandigheden mochten worden gesteld en dus gebrekkig was.

4.9.
Ter zake het causaal verband tussen de gebrekkige kruising en het ongeval dat [eiser] is overkomen heeft de Gemeente nog aangevoerd dat zij niet op grond van artikel 6:174 BW kan worden aangesproken voor de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval omdat [eiser] het bord J8 niet heeft gezien en het ongeval dus niet veroorzaakt kon zijn doordat [eiser] in verwarring raakte van het bord. Dit verweer kan geen stand houden en wordt verworpen. [eiser] heeft immers niet enkel de plaatsing van het bord J8 ten grondslag gelegd aan zijn vordering. Onbestreden is voorts dat de hele feitelijke verkeerssituatie ter hoogte van de kruising tot het ongeval heeft kunnen leiden. De gevorderde verklaring voor recht dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW zal dan ook worden toegewezen.

4.10.
[eiser] vordert tevens betaling van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 11.439,26 inclusief btw. Bij de beoordeling of deze kosten toewijsbaar zijn, stelt de rechtbank het bepaalde in artikel 6:96 BW voorop. Ter onderbouwing van zijn vordering ter zake buitengerechtelijke kosten heeft [eiser] als productie 19 een factuur en een urenspecificatie van zijn advocaat overgelegd. Uit deze specificatie blijkt dat de advocaat van [eiser] hem een bedrag van € 7.909,69 aan kosten in rekening brengt. Omdat de onderbouwing van een hoger bedrag ontbreekt, acht de rechtbank het redelijk om voornoemd bedrag toe te wijzen. Nu de Gemeente de verschuldigdheid van de buitengerechtelijke kosten niet heeft betwist, worden de buitengerechtelijke kosten op na te melden wijze toegewezen.

4.11.
De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 100,89
- griffierecht 937,00
- salaris advocaat 1.126,00 (2,0 punten × tarief € 563,00)

Totaal € 2.163,89

4.12.
De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5.
De beslissing

De rechtbank

5.1.
verklaart voor recht dat de Gemeente jegens [eiser] aansprakelijk is op grond van artikel 6:174 BW en derhalve de door [eiser] geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade dient te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid tot aan de dag van algehele voldoening,

5.2.
veroordeelt de Gemeente tot betaling van een bedrag van € 7.909,69 inclusief btw ter zake buitengerechtelijke kosten,

5.3.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.163,89, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee weken na aanschrijving van dit vonnis heeft plaatsgevonden, ECLI:NL:RBROT:2022:595


AANSPRAKELIJKHEID WERKGEVER, vallen van hoogte

RBOVE 250122Wn-er koppelt valllijn los en valt door dak: afgewezen ogv bewuste roekeloosheid
- kantonrechter bevoegd omdat de zaak primair en materieel gaat om de aansprakelijkheid van de werkgever
- Omdat wn-er in het ongelijk wordt gesteld wordt hij veroordeeld in de proceskosten € 150,00 (2 punten x tarief € 75,00).

Eerder al op het LSA Letselschade Magazine, nu ook op rechtspraak.nl ECLI:NL:RBOVE:2022:286


AANSPRAKELIJKHEID DIEREN, paarden
CAPITA SELECTA VERZEKERINGSRECHT, polisvoorwaarden

GHSHE 010222 preventieve garantievoorwaarde in polis tzv verhuur paarden onaanvaardbaar; geen verband tussen diploma-eis en ongeval

in relatie tot:
GHSHE 280921 Manege aansprakelijk voor val van rug (allerbraafste) paard, ES ruiter: causaal 50%, na billijkheidscorrectie 30%

3
Waar gaat deze zaak over?

3.1.
[geintimeerde] heeft een manege met Fjordenpaarden. Nationale Nederlanden is zijn aansprakelijkheidsverzekeraar. [geintimeerde] organiseert bosritten te paard, waarbij een groep deelnemers tegen betaling en onder begeleiding van een medewerker van [geintimeerde] een rit maakt op een paard van [geintimeerde] . Mevrouw [persoon A] is tijdens een bosrit op 7 april 2018 van het paard gevallen. Zij heeft ernstig letsel opgelopen en heeft [geintimeerde] aansprakelijk gesteld voor haar schade.

3.2.
[persoon A] heeft [geintimeerde] gedagvaard (hoofdzaak) en [geintimeerde] heeft op zijn beurt Nationale Nederlanden en zijn assurantietussenpersoon in vrijwaring opgeroepen (vrijwaringszaak). In de hoofdzaak tussen [persoon A] en [geintimeerde] oordeelde de rechtbank, kort weergegeven, dat [geintimeerde] aansprakelijk is voor de helft van de schade van [persoon A] . In de vrijwaringszaak tussen [geintimeerde] , zijn assurantietussenpersoon en Nationale Nederlanden oordeelde de rechtbank dat Nationale Nederlanden gehouden was dekking te verlenen voor de schade (r.o. 3.23. van het tussenvonnis van 20 januari 2021).(geen publicatie bekend, red. LSA LM) Dat betekent ook dat de rechtbank aan een eventuele aansprakelijkheid van de assurantietussenpersoon niet toekwam.

3.3.
In het tussenvonnis van 24 maart 2021 (geen publicatie bekend, red. LSA LM) heeft de rechtbank hoger beroep open gesteld tegen het inhoudelijke tussenvonnis van 20 januari 2021 (het bestreden vonnis). Nationale Nederlanden komt met twee grieven op tegen de beslissing van de rechtbank en vordert dat het hof het tussenvonnis van 20 januari 2021 zal vernietigen, de vorderingen van [geintimeerde] alsnog zal afwijzen en [geintimeerde] zal veroordelen in de kosten in beide instanties. [geintimeerde] heeft op zijn beurt incidenteel hoger beroep ingesteld.

4
De beoordeling

4.1.
Kern van het geschil is de vraag of Nationale Nederlanden dekking moet verlenen op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst. Meer in het bijzonder gaat het daarbij om de vraag of Nationale Nederlanden terecht een beroep doet op de clausule L656B. Die clausule ziet op de situatie van aansprakelijkheid van [geintimeerde] voor schade die verband houdt met verhuur van rijpaarden.

De polisvoorwaarden

4.2.
Het clausuleblad van de verzekeringspolis bevat de volgende relevante bepalingen:

L655A Paardrijles: De aansprakelijkheid in het kader van paardrijles is uitsluitend verzekerd, indien wordt aangetoond dat de les plaatsvond onder leiding van een terzake gediplomeerd instructeur of instructrice, dan wel een stagiaire van een in Nederland erkend opleidingsinstituut tot paardrij-instructeur.

L656B Verhuur rijpaard(en): De aansprakelijkheid voor schade verband houdend met verhuur als rijpaard is uitsluitend verzekerd, indien wordt aangetoond dat een en ander plaatsvond onder leiding van een terzake gediplomeerd instructeur of instructrice, dan wel een stagiaire van een in Nederland erkend opleidingsinstituut tot paardrij-instructeur en - de huurder(s) beschikte(n) over een FNRS-diploma, een KNHS lidmaatschapskaart of een ruiterbewijs van de Stichting Recreatie Ruiter.

Rijles of verhuur?

4.3.
De eerste vraag die het hof moet beantwoorden is of tijdens de buitenrit sprake was van (uitsluitend of ook) verhuur van paarden, zoals Nationale Nederlanden aanvoert of (uitsluitend of ook) van rijles. Volgens [geintimeerde] ging het alleen om een rijles en is daarom uitsluitend clausule L655A van toepassing. Daarop ziet het bezwaar tegen het tussenvonnis van 20 januari 2021 van [geintimeerde] in het incidenteel hoger beroep. [geintimeerde] stelt dat hij rijles aanbiedt uitsluitend in de vorm van buitenritten. Tijdens die buitenritten worden instructies gegeven aan ruiters van alle niveaus. Onder meer doordat de instructeur, die zelf ook te paard zit, correcte zit-, been- en handhoudingen toont, verbale aanwijzingen geeft, altijd zelf voorop rijdt (daarbij veel achterom kijkend) en aldus tijdens de buitenrit zowel het niveau als het vertrouwen van de deelnemende ruiter beoogt te bevorderen.

4.4.
Het hof oordeelt als volgt. Dat de begeleide bosrit van 7 april 2018 een of meer leselementen bevatte en daarmee (ook) het karakter had van een rijles, laat onverlet dat daarnaast in ieder geval sprake was van verhuur van paarden. Niet in geschil is immers dat [persoon A] tegen betaling gebruik maakte van een door [geintimeerde] aan haar ter beschikking gesteld paard. De stellingen van [geintimeerde] over de aard van de buitenrit zijn in die context niet voldoende om te oordelen dat uitsluitend sprake was van een rijles in de zin van de polisvoorwaarden. Dat betekent dat de buitenrit waar het hier om gaat (ook) valt onder verhuur van rijpaarden zodat voorwaarde L656B (de verhuurclausule) van toepassing is.

Primaire dekkingsomschrijving of garantievoorwaarde?

4.5.
De verhuurclausule waar Nationale Nederlanden zich ter afwering van de vordering van [geintimeerde] op beroept houdt in dat de begeleider en de huurder (berijder) een (bepaald) diploma moeten hebben. Nationale Nederlanden voert aan dat het hier om een primaire dekkingsomschrijving gaat, zodat – nu de begeleider en de berijder die diploma’s niet hadden – er geen dekking bestaat. Volgens [geintimeerde] gaat het hier om een (preventieve) garantievoorwaarde: in beginsel bestaat er dekking voor het [persoon A] overkomen ongeval, tenzij niet is voldaan aan de in de clausule omschreven voorwaarden. In het geval van een preventieve garantievoorwaarde kan een beroep daarop door Nationale Nederlanden onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Als dat zo is kan er – onder voorwaarden – ook als niet aan de voorwaarde is voldaan, toch een recht op dekking bestaan.

Om vast te stellen of deze verzekering dekking biedt voor het ongeval van [persoon A] , moet de verzekeringspolis worden uitgelegd. Daarvoor geldt – nu er in dit geval niet onderhandeld is over de polisvoorwaarden – dat de uitleg daarvan met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (vgl. HR 16 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2793). Ook is het uitgangspunt dat het een verzekeraar vrijstaat om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen (vgl. HR 9 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV9435). Dat brengt ook de vrijheid mee om daarbij – op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is – binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen.

4.6.
Net zoals de rechtbank oordeelt het hof dat het hier gaat om een preventieve garantievoorwaarde, gelet op de formulering ervan. De verhuurclausule bepaalt immers expliciet dat schade die samenhangt met verhuur van rijpaarden is verzekerd, indien aan twee voorwaarden is voldaan. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld clausule L686A, die aansprakelijkheid uitsluit voor schade die verband houdt met het niet dragen van een veiligheidscap. De formulering van die clausule (“Niet verzekerd is…”) verschilt daarmee wezenlijk van de formulering van de verhuurclausule. Dat het beding op het polisblad is opgenomen is niet relevant. De verhuurclausule is zo geformuleerd dat deze geen uitsluiting voor schade bij verhuur bevat, maar juist daarvoor dekking biedt, zij het onder voorwaarden. Als aan die voorwaarden niet is voldaan, heeft dat als gevolg dat de dekking (in beginsel) vervalt. Het hof legt de voorwaarden dat de begeleider en huurders een diploma moeten hebben, daarom uit als een preventieve garantievoorwaarde.

Beroep op garantievoorwaarde onaanvaardbaar?

4.7.
Het beroep op een preventieve garantievoorwaarde is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als onvoldoende verband bestaat tussen het niet-naleven van de in de clausule omschreven verplichtingen en het risico zoals zich dit heeft verwezenlijkt. Hiervan zal in een situatie als de onderhavige sprake kunnen zijn, indien komt vast te staan dat het niet-naleven van de voorwaarden van L656B niet de oorzaak of de mede-oorzaak kan zijn geweest van het risico dat zich heeft verwezenlijkt (zie HR 27 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7915).

4.8.
Over de toedracht van het ongeval staat, mede op grond van het proces-verbaal van politie van 7 augustus 2018, het volgende vast. De bosrit startte met acht deelnemers en twee begeleiders. Halverwege werd de groep gesplitst. [persoon A] en haar neefje gingen met een groep van in totaal zes deelnemers verder onder begeleiding van mevrouw [persoon B] (hierna: [persoon B] ). Op de terugweg naar de manege fietste een mountainbiker die wilde passeren over het ruiterpad dicht langs de paarden, door de bladeren, waarna de achterste paarden schrokken en uiteindelijk alle paarden in galop gingen en hun berijders afwierpen. [persoon B] is met haar paard eveneens in galop gegaan om de groep voor te blijven en zoveel mogelijk valpartijen te voorkomen door de paarden tot stilstand te brengen.

Diplomering [persoon B]

4.9.
De verhuurclausule vereist dat [persoon B] als begeleider bij verhuur “terzake” gediplomeerd is, zonder een concrete omschrijving te geven van welke diploma’s een begeleider dient te hebben. [persoon B] beschikte over een ruiterbewijs, maar niet over een instructeursdiploma. Onvoldoende betwist is echter dat [persoon B] ruime ervaring had in het begeleiden van dit soort buitenritten en dat zij – ongeacht over welke diploma’s zij verder nog zou beschikken – niet zou hebben kunnen voorkomen dat de paarden schrokken van de mountainbiker en daarna in galop gingen. Ook heeft [persoon B] adequaat gehandeld nadat de paarden schrokken (Nationale Nederlanden weerspreekt dat niet) door zelf met haar paard in galop te gaan om de groep voor te blijven. Dat betekent dat zelfs als de uitleg van Nationale Nederlanden gevolgd zou worden dat ook een instructeursdiploma vereist is, het beroep op die eis in de verhuurclausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, omdat het feit dat [persoon B] niet over verdere diploma’s beschikte, geen causale rol heeft gespeeld bij het verwezenlijken van het risico.

Ruiterbewijs [persoon A]

4.10.
Op grond van de verhuurclausule moest [persoon A] als huurder (berijder) beschikken over een FNRS-diploma, een KNHS lidmaatschapskaart of een ruiterbewijs van de Stichting Recreatie Ruiter (hierna in het kort voor alle drie de mogelijkheden: een ruiterbewijs) en dat deed zij niet.

Het hof volgt [geintimeerde] in zijn stelling dat het alleszins aannemelijk is dat ook een persoon met een ruiterbewijs van het paard zou zijn gevallen in een uitzonderlijke situatie als de onderhavige, waarbij door het gedrag van een derde, in dit geval een toevallige mountainbiker die over het ruiterpad dicht langs de paarden door de bladeren reed, bij de paarden een heftige schrikreactie is veroorzaakt waardoor zij op hol zijn geslagen. Daarbij moet bedacht worden dat wanneer een paard op hol slaat sprake is van een onverwachte plotseling krachtige beweging van het paard (terwijl de rit tot dan toe stapvoets plaatsvond) zodat aannemelijk is dat ook voor een ervaren ruiter niet te voorkomen was geweest dat hij van het paard was gevallen. Er zijn onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit kan worden afgeleid dat [persoon A] een fout heeft gemaakt als berijder van het paard, of dat als [persoon A] wel over een ruiterbewijs zou hebben beschikt, zij niet zou zijn gevallen nadat het paard geschrokken is. Het beroep van Nationale Nederlanden dat [persoon A] geen ruiterbewijs had, is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid dan ook onaanvaardbaar omdat dat feit geen verband houdt met de val van [persoon A] . Dat betekent dat Nationale Nederlanden gehouden is dekking te verlenen.

Bewijsaanbod

4.11.
Het hof komt aan bewijslevering niet toe omdat partijen geen bewijs hebben aangeboden van stellingen die – indien bewezen – tot een andere uitkomst kunnen leiden.

Conclusie

4.12.
Het beroep van Nationale Nederlanden op het feit dat [persoon B] en [persoon A] niet beschikten over de vereiste diploma’s wordt verworpen. Dat betekent dat het principaal hoger beroep niet slaagt. Het hof zal het bestreden vonnis bekrachtigen en Nationale Nederlanden in de proceskosten van het hoger beroep veroordelen. ECLI:NL:GHSHE:2022:249


VERLIES VERDIENVERMOGEN, zelfstandigen

RBGEL 190122 verkeersruzie; geen smartengeld boven € 4500, wel € 316 voor bril; onvoldoende onderbouwing voor gemiste opdracht twv € 80.000,00

2
De feiten

2.1.
[gedaagde partij] is bij onherroepelijk vonnis van de politierechter te Den Haag van 30 november 2020 veroordeeld ter zake van de mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht) van [eisende partij] op 18 oktober 2017 te [plaats] . [gedaagde partij] is daarbij veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 80 uren subsidiair 40 dagen hechtenis. [gedaagde partij] is daarbij tevens op vordering van [eisende partij] veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.500,00 aan immateriële schadevergoeding. Daarbij is de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. [eisende partij] is daarbij in zijn vordering voor het overige niet-ontvankelijk verklaard.

2.2.
Dit bedrag van € 4.500,00 is door het CJIB bij [gedaagde partij] geïnd en betaald aan [eisende partij] .

2.3.
De politie heeft op 21 oktober 2017 een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, waarin zij de camerabeelden met betrekking tot het hiervoor bedoelde geweldsincident heeft beschreven. In dat proces-verbaal staat (op pagina 65-66) het volgende, voor zover relevant, opgenomen:

( ... ) Ik zag dat komende uit de richting van de [adres] een camper, wit van kleur, in de richting van [plaats] reed. Ik zag dat voor de camper een voertuig zwart van kleur reed. Ik zag het zwarte voertuig een Volkswagen betrof. ( ... ) Ik zag dat het zwarte voertuig [van [eisende partij] , rb] vaart minderde. Ik zag dat de camper [van [gedaagde partij] , rb] op zeer korte afstand achter de Volkswagen reed. Ik zag dat de camper ook vaart minderde. Ik zag dat de portieren aan beide zijden van de camper opende. Ik zag dat aan de bestuurderszijde van de camper een man [ [gedaagde partij] , rb] uitstapte en deze onmiddellijk in een rechte lijn naar de bestuurdersportier van de Volkswagen rende. Ik zag dat deze man een rood t-shirt droeg. ( ... )

Ik, verbalisant, zag dat de persoon in het rode t-shirt de portier van de bestuurder van de Volkswagen met zijn linkerhand opende. Ik zag dat de man met beide handen het voertuig in ging. Ik zag dat de persoon met het rode t-shirt het been van de bestuurder [ [eisende partij] , rb] vast had. Ik zag dat de persoon met het rode t-shirt aan het been van de bestuurder trok om zo mogelijk de bestuurder uit het voertuig te krijgen. Ik zag dat de bestuurder van het voertuig zich met beide handen vasthield aan het dak van het voertuig. Ik zag dat de bestuurder met zijn bovenlichaam nog in het voertuig zat. Ik zag dat de (bestuurder, rb) met zijn linkerbeen een schoppende beweging maakte naar de man met het rode t-shirt. Ik zag dat de man met het rode t-shirt hierop reageerde en met zijn rechterbeen een schoppende beweging maakte in de richting van de bestuurder van de Volkswagen. Ik zag dat de persoon in het rode t-shirt vervolgens het been van de bestuurder los liet en naar zijn camper liep.

( ... )

Ik zag dat de persoon in het rode t-shirt zoals eerder omschreven naar de camper liep. Ik zag dat hij aan de bestuurderszijde de camper betrad. ( ... ) Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen inmiddels naast zijn voertuig stond. Ik zag dat de persoon in het rode t-shirt weer naar de bestuurder van de Volkswagen liep. Ik zag dat de persoon met het rode t-shirt met zijn rechter hand een slaande beweging maakte naar de bestuurder van de Volkswagen. Ik zag dat de bestuurder zijn hoofd naar rechts bewoog. Ik kon niet goed (zien, rb) of de bestuurder werd geraakt. Ik zag dat de man met het rode t-shirt een gevechtshouding aannam. Ik zag dat hij met gebalde vuisten voor de bestuurder van de Volkswagen stond. Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen met zijn linkerhand een slaande beweging maakte in de richting van het hoofd van de persoon in het rode t-shirt. Ik zag dat er vervolgens over en weer slaande bewegingen volgde. Ik zag dat de man in het rode t-shirt vervolgens de bestuurder van de Volkswagen bij zijn hals vastpakte. Ik zag dat de bestuurder van de Volkswagen tegen zijn voertuig werd gedrukt. ( ... )

2.4.
In een ander proces-verbaal van bevindingen (pagina 75) heeft een verbalisant van politie, voor zover in deze zaak relevant, het volgende gerelateerd:

( ... ) Ik hoorde dat de aangever ( [eisende partij] , rb) zei dat zijn bril kapot was gegaan door de klappen die hij op zijn hoofd gekregen heeft van de verdachte ( [gedaagde partij] , rb). Ik zag dat hij mij zijn bril liet zien. Ik zag dat de linkerpoot van de bril gebroken was/een scheur vertoonde. Ik zag dat dit bij de rechterpoot niet zo was en dus niet zo hoorde te zijn. ( ... )

2.5.
Ook [eisende partij] is door de politie in eerste instantie als verdachte aangemerkt. In het proces-verbaal van verhoor verdachte (pagina 43) van 2 november 2017 staat, voor zover hier van belang, in antwoord op de vraag of [eisende partij] werk/inkomsten heeft, het volgende opgenomen:

( ... ) Ik heb een eigen bedrijf in de catering en ook advies opdrachten. Mijn bedrijf heet [naam bedrijf] . De laatste tijd liep het wel wat terug met de opdrachten.”

2.6.
Op 5 december 2017 heeft forensisch arts [betrokkene 1] in een brief aan de politie, op basis van door hem ontvangen medische informatie uit de curatieve sector, vermeld dat bij [eisende partij] is waargenomen dat na de mishandeling sprake was van roodheid aan de zijkant van het linkeroog en van schaafwondjes aan beide knieën.

2.7.
Op 1 oktober 2018 heeft [eisende partij] bij brief [gedaagde partij] en zijn zoon aansprakelijk gesteld voor de door [eisende partij] en zijn gezin als gevolg van de mishandeling geleden en te lijden (materiële en immateriële) schade. Daarbij heeft [eisende partij] het volgende schadeoverzicht gevoegd:

Schade post Schadeomvang (in €)
Verlies verdienvermogen 45000
Kapotte bril 1000
Vernieling schoudertas 1200
Vernieling mobiele telefoon 150
Verlies armbandje 500
Totale materiële schade € 47.850
Shockschade echtgenoot 30000
Shockschade zoontje 30000
Smartengeld 10000
Totale immateriële schade € 50.000
Totale schade € 97.850

2.8.
In een brief van 29 juni 2020 van de medisch adviseur van [eisende partij] , mr. drs. [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), aan de voormalig advocaat van [eisende partij] staat, voor zover relevant, het volgende vermeld:

( ... ) Aan de hand van de beschikbare medische informatie heb ik kunnen vaststellen dat uw cliënt [ [eisende partij] , rb] zich op 22 augustus 2017 onder behandeling (heeft, rb) gesteld van psychiater drs. [betrokkene 3] vanwege somberheidsklachten nadat hij in de zomer van 2017 zich telefonisch suïcidaal had uitgelaten. De somberheidsgevoelens en slaapproblemen waren rond 2012 ontstaan na meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen.

Sinds de zomer van 2017 heeft uw cliënt gedachten aan de dood, maar op het moment van het contact met de psychiater stonden somberheid en lusteloosheid voorop.

In januari 2018 volgde verwijzing naar Indigo Basis GGZ, maar uw cliënt heeft om voor hem moverende redenen van verdere behandeling afgezien.

Uit het medicatieoverzicht blijkt dat uw cliënt vanaf 29 augustus 2017 Sertraline gebruikt (antidepressiva).

( ... )

Uw cliënt is bij de mishandeling niet buiten bewustzijn geraakt en ook niet op de grond gevallen. Wel was hij misselijk en duizelig en heeft hij zich tot de waarnemend huisarts gewend vanwege last van oorsuizen en last van de knieën, de rug en het linkeroog.

Bij het uitgevoerde onderzoek maakte uw cliënt een alerte en adequate indruk. Aan het gezicht waren geen bloeduitstortingen waarneembaar. Er was drukpijn provoceerbaar ter hoogte van het rechterschouderblad. Ook aan de borstkas werden geen bloeduitstortingen gezien. Aan de knieën was drukpijn provoceerbaar met zichtbare wondjes.

Vanwege aanhoudend last van oorsuizen en verminderd gehoor heeft uw cliënt zich tot de KNO-arts gewend op 29 november 2017 en 2 februari 2018. Bij onderzoek was het gehoor subjectief iets doffer en waren er aanwijzingen voor een neusobstructie.

Het aanvullend audiologisch onderzoek bracht een symmetrisch perceptief gehoorverlies aan het licht. Daarnaast was er sprake van een gewrichtsdisfunctie van het kaakgewricht.

Voor nadere analyse daarvan werd uw cliënt op 13 december 2017 ook gezien door de kaakchirurg ter beoordeling van een mogelijke kaakluxatie. Daarop kreeg hij uitleg over de aard van de verschijnselen alsmede leefadviezen (eten van zachte kost en fysiotherapie).

Op KNO-gebied had uw cliënt een blanco anamnese. Wel is hij naast de hierboven beschreven depressie ook bekend met suikerziekte type 2.

Uit de gegevens van de bedrijfsarts drs. [betrokkene 4] van 18 maart 2020 blijkt dat de 1ste arbeidsongeschiktheidsdag van uw cliënt 19 juni 2019 was.

Op dat moment was zijn medische situatie en belastbaarheid onveranderd en werd gestart met een gespecialiseerde behandeling.

Ook bij het vervolgconsult op 13 mei 2020 was de situatie nog onveranderd en was uw cliënt beperkt om werkzaamheden in welke vorm dan ook te verrichten. Er was nog steeds sprake van geen duurzaam benutbare mogelijkheden.

De beoordeling van de Eerstejaars Evaluatie opgesteld door de werkgever op 19 mei 2020 maakt het medisch beeld niet anders.

Alles overziend, stel ik vast dat uw cliënt ten gevolge van een geweldsmisdrijf te kampen heeft gekregen met oorsuizen en kaakproblemen en een verergering van zijn pre-existent bestaande psychiatrische problematiek, die medicamenteus is ondersteund.

De fysieke klachten die uw cliënt na het geweldsmisdrijf heeft ondervonden, hebben geleid tot een (tijdelijke) arbeidsongeschiktheid.

Het geweldsincident weggedacht, bestond er overigens een aanzienlijke kans dat uw cliënt arbeidsongeschikt zou zijn (geraakt) vanwege de psychische component, die naar het zich laat aanzien zwaarder weegt dan de als hinderlijk aan te merken fysieke verschijnselen. ( ... )

Achter deze brief van [betrokkene 2] zit een brief van 29 januari 2018 van de door [betrokkene 2] genoemde psychiater [betrokkene 3] , die aan de huisarts van [eisende partij] beschrijft wat de aanmeldreden is (nadat [eisende partij] zich telefonisch suïcidaal heeft uitgelaten in de zomer van 2017) en de diagnose (posttraumatische stressstoornis en een depressieve periode). Verder staat in deze brief, voor zover relevant, vermeld dat bij [eisende partij] vijf jaar geleden somberheidsgevoelens en slaapproblemen zijn ontstaan, die zijn verergerd na meerdere ingrijpende levensgebeurtenissen. Ook staat vermeld dat [eisende partij] sinds de zomer van 2017 gedachten aan de dood heeft en dat deze momenteel naar de achtergrond lijken verdwenen en somberheid en lusteloosheid voorop staan.

2.9.
In een e-mail van 26 september 2017 van Michael Bailey Associates Ltd. (hierna: MBA) aan [eisende partij] staat, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

( ... ) Graag stellen we u voor op de rol van Process,Risk and Control Officer-Treasury. De eindcliënt is NN-Bank te Den Haag. Het met u overeengekomen tarief is € 70,- per uur (all-inclusive) en u bent per Direct inzetbaar voor deze opdracht.

U krijgt een contract met ACS no.1 B.V. (hierna: ACS, rb) welke is gebaseerd op afspraken met u en de eindklant. [ACS] is een intermediair bedrijf die specifiek is opgericht om diensten te verrichten voor de cliënt MBA evenals de inlenende partij.

( ... )

Graag ontvangen wij per ommegaande een bevestiging voor het volgende;
- Akkoord op bovenstaande voorwaarden.
- Exclusiviteit voor MBA; u geeft hiermee aan exclusief voor MBA op deze opdracht te zijn voorgedragen.
- (...)
- Akkoord op de inhoud van het ACS contract (zie bijlage en let op : dit is een concept)en het concurrentiebeding.
( ... )

Als leverancier van de eindklant is het voor ons en voor hen, van groot belang dat deze commitment wordt afgegeven. Daarom vragen we u hier per ommegaande op te reageren. Vervolgens zullen wij er uiteraard voor zorgen om op een zo kort mogelijke termijn terugkoppeling te geven over de reactie van de eindklant. ( ... )

2.10.
In een ongedateerde, ongeadresseerde en niet ondertekende brief van ACS staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

Betreft: Informatie en toelichting op uw DGA (BV) contract met ACS

Geachte heer/mevrouw,

U gaat een opdracht uitvoeren bij een eindklant van MBA Ltd. en deze werkzaamheden verrichten vanuit uw eigen onderneming. ( ... )

Om één en ander fiscaal en arbeidsrechtelijk te scheiden, maakt MBA Ltd. gebruik van de diensten van (ACS). ( ... )

U krijgt een contract met (ACS) dat is gebaseerd op afspraken met de eindklant en met u. Hieronder vindt u de spelregels met een nadere toelichting op een aantal artikelen uit het contract en als bijlage een document met veel gestelde vragen (FAQ).

Algemeen

Vanuit [MBA] ontvangen wij een bericht dat u per een bepaalde datum een opdracht zult gaan uitvoeren. ( ... )

Het contract

In de commitment e-mail van MBA heeft u al een blanco overeenkomst ontvangen ( ... )

Het uiteindelijke contract ontvangt u binnen een paar dagen per email, deze ontvangen wij graag voor aanvang van de opdracht getekend retour. Let op, zonder getekend contract kunt u niet starten!

Het contract bestaat uit twee delen, een raamovereenkomst en een deelovereenkomst. De raamovereenkomst geeft het kader weer waar binnen gewerkt wordt en de deelovereenkomst geeft de specifieke afspraken weer. ( ... )

In deze brief staat voorts nog het een en ander opgenomen over de beroeps-/bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en facturering. Bij deze brief is een ‘Toelichting op de overeenkomst tot opdracht tussen uw BV en (ACS)’ gevoegd.

2.11.
In een ‘Raamovereenkomst van opdracht voor werkzaamheden in Nederland’ (hierna: de raamovereenkomst) van ACS staat als ondergetekende Opdrachtnemer handgeschreven ingevuld “ N. [NAW eisende partij] ”. Op pagina 14 van 17 staat een tabel met handtekeningen opgenomen, waarin handmatig het jaartal van de datum van ondertekening door ACS is aangepast (2016 is aangepast naar 2017).

2.12.
In een ‘Bijlage I. Deelovereenkomst’ (hierna: de deelovereenkomst) van ACS staat als ondergetekende Opdrachtnemer handgeschreven ingevuld “ [eisende partij] ”. De contractuele gegevens in artikel 3 van deze deelovereenkomst, zoals ‘Functieomschrijving/werkzaamheden’, ‘Cliënt van Opdrachtgever’, ‘Inlener’, ‘Tarief’ en ‘Begindatum’ zijn niet ingevuld. Ook de omschrijving van de werkzaamheden (in artikel 6) is niet ingevuld. Op pagina 17 van 17 zijn de hiervoor in 2.11 genoemde tabel met handtekeningen en handmatige aanpassing van het jaartal van ondertekening door ACS, opnieuw - en op het oog identiek - opgenomen.

2.13.
Tot oktober 2017 was [eisende partij] eigenaar van een cateringbedrijf.

2.14.
Op 8 oktober 2018 is [eisende partij] als manager bedrijfsvoering voor 40 uur per week in dienst getreden bij Parnassia Groep. Per 1 juli 2019 heeft [eisende partij] zich ziekgemeld bij zijn werkgever. Op 7 juli 2019 is zijn arbeidsovereenkomst geëindigd. [eisende partij] ontvangt per 8 juli 2019 een Ziektewet uitkering en vanaf 28 juni 2021 een WIA-uitkering.

2.15.
Uit een brief van 1 oktober 2021 van Zorg GGZ Delfland volgt dat [eisende partij] sinds 14 oktober 2019 onder behandeling is. Als problematiek staat beschreven dat hij kampt met een recidiverende depressieve stoornis van matige ernst met nu sinds 2-3 jaar persisterende klachten, met vooral onrust, piekeren, somberheid en suïcidaliteit.

2.16.
Op 5 augustus 2021 heeft de Voorzieningenrechter van deze rechtbank op verzoek van [eisende partij] verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag op twee onroerende zaken van [gedaagde partij] . De deurwaarder heeft in opdracht van [eisende partij] deze conservatoire beslagen gelegd.

2.17.
In een e-mail van 11 oktober 2021 met als onderwerp “Bevestiging mogelijkheid tot opdracht bij NN Bank via MBA” schrijft [betrokkene 5] van MBA aan [eisende partij] het volgende:

( ... ) De heer drs. ir. [eisende partij] is door mishandeling op 18 oktober 2017 de mogelijkheid ontnomen om voor 40 uur per week tegen een uurtarief van € 70,- de rol van Process, Risk and Control Officer-Treasury in de periode van 1 november 2017 tot 1 november 2018 met een optie tot verlenging met een half jaar werkzaam te zijn bij de NN-Bank te Den Haag. Het curriculum vitae en expertise van de heer [eisende partij] bleek passend te zijn bij de opdracht. In dat kader zijn diverse gesprekken met de heer [eisende partij] gevoerd met de heren [betrokkene 6] en [betrokkene 7] van het kantoor [MBA] in Amsterdam.

3
De vordering

3.1.
[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
1. voor recht verklaart dat [gedaagde partij] aansprakelijk is voor de geleden en nog te lijden schade, zowel materieel als immaterieel, ten gevolge van de onrechtmatige gedraging die [eisende partij] op 18 oktober 2017 is overkomen,
2. [gedaagde partij] veroordeelt tot voldoening van de door [eisende partij] begrote schade voor een bedrag van € 87.653,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, althans nog nader op te maken bij staat, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover, te rekenen vanaf 18 oktober 2017 tot aan de dag der algehele voldoening,
3. [gedaagde partij] veroordeelt in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en wettelijke rente, te rekenen vanaf het uitbrengen van de dagvaarding tot aan de dag dat vonnis wordt gewezen, alsmede in de kosten van de gelegde conservatoire beslagen.

3.2.
[eisende partij] legt, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, het volgende aan zijn vorderingen ten grondslag.

De mishandeling van [eisende partij] door [gedaagde partij] is een onrechtmatige daad. [gedaagde partij] is aansprakelijk voor de daardoor door [eisende partij] geleden en nog te lijden schade. [eisende partij] heeft letsel opgelopen als gevolg van de mishandeling. Daardoor is hij niet in staat geweest een grote opdracht te verrichten waaraan hij in de situatie zonder mishandeling zou zijn begonnen. Dit leidt tot verlies verdienvermogen ad € 80.080,00. [eisende partij] maakt tevens aanspraak op nog eens € 5.500,00 aan smartengeldvergoeding. Tot slot heeft [gedaagde partij] de bril van [eisende partij] kapotgeslagen, zijn de kledingstukken van [eisende partij] onherstelbaar beschadigd geraakt bij de mishandeling en is [eisende partij] door de mishandeling zijn horloge verloren. De schade van [eisende partij] bedraagt respectievelijk € 1.484,00, € 250,00 en € 339,00 en dient door [gedaagde partij] te worden vergoed.

4
Het verweer

4.1.
[gedaagde partij] concludeert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eisende partij] niet-ontvankelijk verklaart in zijn vorderingen jegens [gedaagde partij] , althans [eisende partij] deze vorderingen ontzegt als zijnde ongegrond met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten.

4.2.
Op het verweer van [gedaagde partij] wordt in het navolgende, voor zover van belang, nader ingegaan.

5
De beoordeling

verklaring voor recht

5.1.
[gedaagde partij] heeft niet betwist dat hij, indien [eisende partij] als gevolg van de onder 2.1 genoemde mishandeling schade heeft geleden die in conditio sine qua non-verband met die mishandeling staat, daarvoor jegens [eisende partij] aansprakelijk is. In zoverre kan de vordering onder 1) worden toegewezen.

schadeposten beschadiging/verlies eigendommen

5.2.
[eisende partij] heeft gesteld dat tijdens de mishandeling zijn bril - een Varilux Xclusive 4D met meekleurende glazen - door [gedaagde partij] is kapot geslagen. [eisende partij] heeft deze bril in Chicago gekocht voor € 1.484,00. Bij afwezigheid van een factuur heeft [eisende partij] een prijsvoorbeeld overgelegd. Daaruit volgt dat het montuur € 316,00 kost en de multifocale glazen totaal € 1.168,00. De beschadiging van de bril is volgens [eisende partij] vastgelegd in het proces-verbaal van politie. Daarbij verwijst hij naar het in 2.4 weergegeven deel van het proces-verbaal van politie.

5.3.
[gedaagde partij] heeft betwist de bril van het hoofd van [eisende partij] te hebben geslagen. Bovendien was de bril van [eisende partij] ook met de door de verbalisant geconstateerde scheur in één van beide poten draagbaar voordat de mishandeling plaatsvond. Subsidiair heeft te gelden dat niet is aangetoond dat de bril onherstelbaar beschadigd is geraakt. [eisende partij] heeft niet gesteld dat hij genoodzaakt was een nieuwe bril aan te schaffen. Een factuur van die vervangende bril mist ook. Meer subsidiair heeft [gedaagde partij] de door [eisende partij] gestelde waarde van de bril betwist. Dat [eisende partij] de bril droeg waarvan hij een prijsvoorbeeld heeft overgelegd, wordt door [gedaagde partij] betwist. Zeker gegeven de dure glazen, ziet [gedaagde partij] niet in waarom die glazen dan niet hadden kunnen worden overgezet naar een nieuw montuur. Die glazen waren immers niet kapot. Nog meer subsidiair geldt volgens [gedaagde partij] dat de dagwaarde van de opgevoerde bril in elk geval relevant lager was dan het door [eisende partij] gevorderde bedrag.

5.4.
De rechtbank overweegt dat met hetgeen de verbalisant van politie heeft waargenomen over de beschadiging aan één van de poten van de bril van [eisende partij] in samenhang met de waarnemingen van zijn collega-verbalisant over de gedragingen tijdens de schermutseling tussen beide partijen (2.3), voldoende is komen vast te staan dát die bril op dat punt beschadigd is geraakt tijdens de mishandeling door [gedaagde partij] . De uit die beschadiging voortvloeiende schade komt voor vergoeding door [gedaagde partij] in aanmerking. De rechtbank is echter van oordeel dat voor toewijzing van het gehele door [eisende partij] gevorderde schadebedrag geen plaats is. Ten eerste heeft [eisende partij] niet gesteld dat hij genoodzaakt was ter vervanging een andere bril aan te schaffen, laat staan welke (vervangings)kosten hij daarbij heeft gemaakt. Ten tweede heeft [eisende partij] niets gesteld over schade aan de multifocale glazen. Aangezien het aannemelijk is dat iemand die brildragend is bij beschadiging van die bril vervangings- dan wel reparatiekosten moet maken, zal de rechtbank de voor vergoeding in aanmerking komende brilschade begroten op een bedrag gelijk aan de door [eisende partij] gestelde waarde van het montuur, € 316,00. Dat bedrag zal worden toegewezen.

5.5.
[eisende partij] heeft voorts gesteld dat zijn overhemd en broek bij de mishandeling onherstelbaar beschadigd zijn geraakt. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] stevig beetgepakt en heeft hem aan zijn kleding getrokken. Daardoor is zijn overhemd gescheurd. Ook is [eisende partij] vlak na de mishandeling gezien met schouderklachten. Gelet op de constatering van arts [betrokkene 1] (2.6), dat [eisende partij] schaafwonden aan beide knieën heeft opgelopen, is aannemelijk dat de broek van [eisende partij] kapot is gegaan als gevolg van de mishandeling. [eisende partij] schat de dagwaarde van de kledingstukken op € 250,00.

5.6.
[gedaagde partij] heeft betwist dat het overhemd en de broek van [eisende partij] tijdens de mishandeling gescheurd zijn. Dit blijkt nergens uit. Niet uit het proces-verbaal van politie en er zijn ook geen foto’s. De door [eisende partij] op dit punt gevorderde schade wordt in de aangifte van [eisende partij] noch in de rest van het proces-verbaal vermeld. Ook in de door [eisende partij] op 1 oktober 2018 aan [gedaagde partij] gestuurde brief (2.7) ontbreekt deze schadepost. Subsidiair heeft [gedaagde partij] de hoogte van het schadebedrag betwist.

5.7.
[eisende partij] heeft zijn stelling dat tijdens de mishandeling zijn overhemd en broek zijn gescheurd, althans onherstelbaar beschadigd zijn geraakt, niet onderbouwd. Zoals [gedaagde partij] terecht heeft aangevoerd, ontbreken foto’s, waarnemingen van een derde (bijvoorbeeld een verbalisant van politie) of ander bewijsmateriaal en heeft [eisende partij] bovendien verzuimd deze - toch direct waarneembare - schade te melden tijdens zijn aangifte. Het bevreemdt bovendien dat [eisende partij] een klein jaar na de mishandeling, op 1 oktober 2018, de betreffende schade kennelijk nog niet in beeld had, gelet op het ontbreken ervan in de aan [gedaagde partij] gestuurde aansprakelijkstelling (2.7). De enkele verwijzing naar hetgeen arts [betrokkene 1] heeft opgeschreven over schaafwondjes op de knieën van [eisende partij] is in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde partij] onvoldoende onderbouwing voor de stelling dat van de gestelde beschadiging aan [eisende partij] kledingstukken sprake is geweest. Dat sprake is van “gebruikelijke kosten in geval van letselschade”, zoals namens [eisende partij] ter zitting nog is verklaard, mag zo zijn, maar als niet is komen vast te staan dat in dit geval de gestelde schade is geleden, is voor toewijzing van enig schadebedrag - ook niet op basis van schatting door de rechter, zoals namens [eisende partij] is betoogd - geen plaats. De betreffende schadevordering wordt afgewezen.

5.8.
[eisende partij] heeft tot slot gesteld dat hij door de mishandeling zijn horloge is verloren. Dit horloge heeft [eisende partij] gekocht in Chicago voor € 339,00. [eisende partij] verwijst daarbij naar een door hem overgelegd prijsvoorbeeld van het internet.

5.9.
[gedaagde partij] heeft betwist dat [eisende partij] als gevolg van de mishandeling zijn horloge is verloren. Ieder bewijs ontbreekt. De door [eisende partij] op dit punt gevorderde schade wordt in de aangifte van [eisende partij] noch in de rest van het proces-verbaal vermeld. Ook in de door [eisende partij] op 1 oktober 2018 aan [gedaagde partij] gestuurde brief (2.7) ontbreekt deze schadepost. Subsidiair heeft [gedaagde partij] de hoogte van het schadebedrag betwist.

5.10.
Ook deze vordering zal bij gebreke van enige onderbouwing van de stelling dat [eisende partij] zijn horloge door de mishandeling is verloren, worden afgewezen. [eisende partij] heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de mishandeling het door hem gestelde horloge droeg. Dat een horloge een normaal gebruiksvoorwerp is dat door het overgrote deel van de Nederlandse mannen wordt gedragen, is in dit kader te algemeen en daarmee onvoldoende. Reeds hierop strandt de vordering.

Daar komt nog bij dat zelfs als met [eisende partij] alsnog wordt aangenomen dat hij tijdens de mishandeling een, of zelfs het door hem gestelde, horloge droeg, dat op zichzelf nog steeds onvoldoende is voor toewijzing van zijn vordering. Het gaat er immers om of kan worden aangenomen dat [eisende partij] dat horloge als gevolg van die mishandeling is verloren. En daarvoor ontbreekt elke onderbouwing. De suggestie - meer is het niet in de ogen van de rechtbank - dat het horloge van [eisende partij] tijdens de mishandeling, die plaatsvond onder hectische omstandigheden, van zijn pols is geglipt, is onvoldoende en vindt bovendien geen enkele steun in de feiten (vergelijk 2.3).

schadepost immateriële schade

5.11.
[eisende partij] vordert voorts vergoeding van immateriële schade als gevolg van de mishandeling. In dat kader heeft hij onder meer gesteld dat hij lichamelijk letsel en mentale klachten heeft opgelopen als gevolg van die mishandeling. Hij heeft te kampen gekregen met permanent gehoorverlies, ontwrichting van zijn kaak, zwellingen rondom het oog en kaakgewricht, kneuzing van een aantal ribben, schaafwonden aan de knieën, continue oorsuizen (tinnitus), een bloedlip en psychisch leed. Met name het oorsuizen is zeer invaliderend. Ook zijn verminderd gehoor en de pijnlijke kaakluxatie spelen en speelden hem parten. [eisende partij] maakt dan ook, in aanvulling op het reeds aan hem betaalde bedrag van € 4.500,00 aan immateriële schadevergoeding (2.2), aanspraak op een vergoeding van € 5.500,00, waarmee zijn totale smartengeldvergoeding op een bedrag van € 10.000,00 komt. Hij zoekt daarbij aansluiting bij de in de ANWB Smartengeldgids onder nummer 791 gepubliceerde uitspraak, waarbij het gerechtshof Arnhem op 29 oktober 2002 een bedrag van € 9.076,00 (geïndexeerd € 13.337,00, rb) toekende aan het slachtoffer van een verkeersruzie, dat door een aantal mannen was geschopt en geslagen op het hoofd. [eisende partij] heeft tot slot nog gewezen op het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 14 januari 2014 (ECLI:NL:GHARL:2014:185), waaruit - naar hij stelt - volgt dat de smartengeldvergoedingen in Nederland over het algemeen te laag zijn, hetgeen thans een relatief hoge smartengeldvergoeding voor [eisende partij] rechtvaardigt.

5.12.
[gedaagde partij] heeft betwist dat [eisende partij] in aanvulling op het reeds door de politierechter toegekende bedrag van € 4.500,00 aanspraak kan maken op nog eens een bedrag van € 10.000,00, althans € 5.500,00. Volgens [gedaagde partij] is er in de ANWB Smartengeldgids geen uitspraak te vinden waarbij in een vergelijkbare zaak een dergelijk hoog (totaal)bedrag is toegekend. De door [eisende partij] aangehaalde uitspraak kan niet als maatstaf dienen, gelet op de relevante verschillen met de onderhavige zaak. Zo stond in die zaak na uitvoerig deskundigenonderzoek vast dat het slachtoffer een uitgebreid klachtenpatroon had ontwikkeld als gevolg van het voorval, waaronder psychische decompensatie, cognitieve klachten en een aanpassingsstoornis met karakterverandering tot gevolg en tot slot een blijvende functionele invaliditeit van 5%. Dat is van een heel andere orde dan thans bij [eisende partij] het geval is. In zijn geval staat immers niet méér vast dan dat hij als gevolg van het incident een gezwollen plek rond het oog heeft opgelopen en wellicht schaafwondjes aan beide knieën. Al het overige dat [eisende partij] heeft gesteld, wordt niet gestaafd door bewijs en door [gedaagde partij] uitdrukkelijk betwist. [gedaagde partij] heeft nog gewezen op de laatste passage uit de brief van [betrokkene 2] , zoals weergegeven in 2.8. [gedaagde partij] heeft tot slot op zijn beurt ter referentie naar de in de ANWB Smartengeldgids onder nummer 1752 opgenomen uitspraak verwezen, waarin een bedrag van € 4.000,00 (geïndexeerd € 4.466,00, rb) is toegekend.

5.13.
Bij de begroting van de naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door [eisende partij] , dient de rechtbank rekening te houden met alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de aard en de ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor [eisende partij] . De rechtbank let bij de begroting op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, daaronder begrepen de maximaal toegekende bedragen, een en ander met in aanmerkingneming van de sedert de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding (Hoge Raad 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8358).

5.14.
[eisende partij] is slachtoffer geworden van een verkeersruzie, waarbij een andere medeverkeersdeelnemer, [gedaagde partij] , zijn voertuig heeft verlaten en [eisende partij] zowel in zijn auto als daarbuiten heeft mishandeld. [eisende partij] vrouw en zoon zaten ook in de auto. De rechtbank baseert zich met betrekking tot het gebeurde op de in 2.3 weergegeven bevindingen van de politie, aangezien de verklaringen van [eisende partij] en [gedaagde partij] behoorlijk uiteen lopen. Uit de beschrijving van de camerabeelden volgt dat [gedaagde partij] het portier van de auto van [eisende partij] heeft geopend en met beide handen [eisende partij] , gezeten in zijn auto, heeft belaagd en heeft geprobeerd hem, aan zijn been, de auto uit te trekken. Daarbij heeft [gedaagde partij] ook schoppende bewegingen naar [eisende partij] gemaakt. Vervolgens heeft [gedaagde partij] , toen ook [eisende partij] zijn auto had verlaten, opnieuw [eisende partij] benaderd en slaande bewegingen gemaakt naar hem, waarna er over en weer (nog meer) slaande bewegingen zijn gemaakt. [gedaagde partij] heeft, tot slot, nog steeds op basis van de door de politie uitgekeken camerabeelden, [eisende partij] bij zijn hals vastgepakt en hem tegen zijn auto aan gedrukt.

5.15.
De door [eisende partij] als gevolg van deze mishandeling gepresenteerde klachten (zie onder 5.11) kunnen niet (allemaal) de vereiste plausibiliteitsmaatstaf doorstaan, in de zin dat sprake is van een geobjectiveerd klachtenpatroon. Dat sprake is van een consistent, consequent en samenhangend patroon van klachten, kan door de rechtbank niet worden vastgesteld nu los van de in 2.8 en 2.15 weergegeven berichten van respectievelijk medisch adviseur [betrokkene 2] en de GGZ-instantie waar [eisende partij] onder behandeling is vanwege een recidiverende depressieve stoornis, informatie uit de medische sector ontbreekt, met name ten aanzien van de gehoor- en kaakklachten. Hierbij zij aangetekend dat ook de medische informatie waarop [betrokkene 2] zich baseert, ontbreekt in het dossier. De voorafgaand aan de mondelinge behandeling overgelegde stukken van Robidius (de ziektewet uitvoerder van [eisende partij] laatste werkgever) en het UWV bieden in dit kader evenmin houvast. De psychische klachten van [eisende partij] kunnen gelet op de overgelegde stukken naar het oordeel van de rechtbank weliswaar worden aangenomen, maar het causaal verband met de mishandeling allerminst. Dat heeft er onder andere mee te maken dat [eisende partij] kennelijk al voorafgaand aan de mishandeling kampte met somberheidsgevoelens en slaapproblemen en eveneens voorafgaand (zomer 2017) aan de mishandeling (18 oktober 2017) zich suïcidaal heeft uitgelaten. [eisende partij] heeft zich dan ook reeds op 22 augustus 2017 - en dus vóór de mishandeling - onder behandeling van een psychiater laten stellen. In hoeverre de mishandeling door [gedaagde partij] de psychische klachten van [eisende partij] heeft verergerd, kan de rechtbank bij gebreke van objectieve gegevens daaromtrent niet vaststellen. [eisende partij] heeft in dat kader onvoldoende gesteld.

5.16.
Gelet op al deze omstandigheden kan [eisende partij] niet worden gevolgd in zijn betoog dat bovenop de reeds betaalde smartengeldvergoeding (€ 4.500,00) jegens [gedaagde partij] aanspraak kan worden gemaakt op een bedrag van € 5.500,00, althans enig lager bedrag, ook niet met inachtneming van hetgeen is overwogen in het door [eisende partij] aangehaalde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, althans met inachtneming van de veranderde opvatting over de compensatie van leed. De door [eisende partij] aangehaalde uitspraak (Smartengeldgids, nummer 791) leent zich niet voor gevalsvergelijking, anders dan dat de daarin centraal staande mishandeling ook plaatsvond in de context van een verkeersruzie. Zowel de geweldshandelingen (in die zaak onder meer: door meerdere mannen tegen het hoofd geschopt) als de gevolgen voor het slachtoffer (zie hetgeen [gedaagde partij] daarvoor heeft aangevoerd) zijn niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak.

De rechtbank acht al met al, gebaseerd op de thans vaststaande feiten en omstandigheden, de reeds toegekende en door [gedaagde partij] betaalde smartengeldvergoeding van € 4.500,00 een billijke vergoeding voor het door [eisende partij] als gevolg van mishandeling opgelopen, thans aannemelijk te achten letsel. Dat betekent dat zijn in deze procedure ingestelde smartengeldvordering zal worden afgewezen.

schadepost verlies verdienvermogen

5.17.
[eisende partij] heeft gesteld dat aan hem de opdracht was verstrekt om per 1 november 2017 als zelfstandige (vanuit zijn cateringbedrijf) aan het werk te gaan als Process, Risk and Control Officer-Treasury bij NN-Bank, maar dat hij als gevolg van de mishandeling geen uitvoering heeft kunnen geven aan die opdracht en dientengevolge het daarmee gemoeide inkomen is misgelopen. Dat verlies aan verdienvermogen heeft [eisende partij] becijferd op 11 maanden keer 40 uur per week keer een uurtarief van € 70,00, neerkomend op een bruto inkomen van € 123.200,00, hetgeen netto een bedrag is van € 80.080,00 (65%).

5.18.
[eisende partij] heeft zijn vordering op grond van verlies verdienvermogen nadrukkelijk beperkt tot de hiervoor genoemde opdracht en periode.

5.19.
Dat betekent dat pas als aannemelijk is dat [eisende partij] in de hypothetische situatie zonder mishandeling zou zijn overgegaan tot het verrichten van de door hem gestelde werkzaamheden in het kader van de door hem gestelde opdracht, de rechtbank toekomt aan de vraag of en zo ja, in hoeverre, het in de feitelijke situatie mét mishandeling annuleren van die opdracht aan [gedaagde partij] kan worden toegerekend in de zin van artikel 6:98 BW.

5.20.
De rechtbank is van oordeel dat de door [eisende partij] gestelde, hypothetische situatie zonder mishandeling op basis van de door hem aangedragen onderbouwing, niet aannemelijk is geworden. Zij overweegt daartoe als volgt.

5.21.
[eisende partij] heeft gesteld dat de hiervoor genoemde opdracht reeds aan hem was verleend voordat op 18 oktober 2017 de mishandeling plaatsvond. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van deze stelling gewezen op de in 2.9, 2.10, 2.11, 2.12 en 2.17 weergegeven stukken.

5.22.
[gedaagde partij] heeft gemotiveerd betwist dat de door [eisende partij] gestelde opdracht aan hem was verleend voorafgaand aan de mishandeling.

[gedaagde partij] betwist dat de raamovereenkomst op 11 oktober 2017, zoals [eisende partij] stelt, is aangegaan. Subsidiair geldt dat deze raamovereenkomst niet meer behelst dan dat indien de cliënt van ACS, dat is MBA, op haar beurt van haar cliënt (de eindklant) een verzoek zou krijgen om bepaalde werkzaamheden door een derde te laten verrichten - en [eisende partij] daarvoor door MBA als een (de) geschikte kandidaat wordt beschouwd - na een check daarop er een overeenkomst van opdracht zal worden aangegaan tussen [eisende partij] en ACS, en dus niet met MBA of de feitelijke inlener (eindklant). ACS is enkel een formele tussenschakel, die geen enkele zeggenschap heeft over het wel of niet verkrijgen van de opdracht.

De door [eisende partij] overgelegde deelovereenkomst is slechts een voorbeeldexemplaar, aangezien het geen enkele concrete informatie over de uitvoering van zekere werkzaamheden bevat, voor wie, voor hoe lang en onder welke voorwaarden. [gedaagde partij] vraagt zich af waarom zo’n ‘loos’ exemplaar überhaupt ondertekend moet worden, zoals in dit geval kennelijk is gebeurd. Daarbij wijst [gedaagde partij] erop dat het blok met handtekeningen onder de deelovereenkomst exact gelijk is aan dat onder de raamovereenkomst, hetgeen volgens [gedaagde partij] wijst op knip- en plakwerk. Hoe dan ook betwist [gedaagde partij] dat er tussen [eisende partij] en ACS op 11 oktober 2017 een deelovereenkomst is gesloten.

Zowel uit de onder 2.9 als 2.17 weergegeven e-mail kan hoogstens worden afgeleid dat [eisende partij] in beginsel een geschikte kandidaat was voor de betreffende werkzaamheden, maar niet dat hij - de mishandeling weggedacht - de betreffende opdracht ook daadwerkelijk zou hebben verkregen, laat staat, zoals [eisende partij] heeft gesteld, dat hij die opdracht reeds verkregen had, maar ten gevolge van de mishandeling daaraan geen uitvoering heeft kunnen geven. In de eerste e-mail wordt [eisende partij] verzocht per ommegaande allerhande aanvullende informatie aan te leveren en na ontvangst daarvan zal reactie volgen van de eindklant, NN-Bank. Gesteld noch gebleken is echter dat die e-mail van 26 september 2017 een vervolg heeft gekregen. En als er van wordt uitgegaan dat deze e-mail inderdaad geen vervolg heeft gekregen, blijkt op geen enkele manier dat dat het gevolg zou zijn geweest van enig door [eisende partij] op 18 oktober 2017 door toedoen van [gedaagde partij] opgelopen letsel en daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid.

[gedaagde partij] heeft tot slot, bij wijze van verweer tegen de door [eisende partij] gestelde opdracht, nog verwezen naar hetgeen [eisende partij] daarover op 2 november 2017 tegenover de politie heeft verklaard (2.5). Deze verklaring valt volgens [gedaagde partij] niet te rijmen met de stelling die [eisende partij] thans inneemt, namelijk dat hij vlak voor die verklaring een opdracht van de door hem gestelde omvang (ruim een ton op jaarbasis) had binnengehaald.

5.23.
Deze gemotiveerde betwisting van de stelling dat aan [eisende partij] voorafgaand aan de mishandeling de in 5.17 genoemde opdracht was verstrekt, heeft [eisende partij] ter zitting grotendeels onbesproken gelaten. Hij heeft geen argumenten aangevoerd waarom, in het licht van het verweer van [gedaagde partij] , aan de door [eisende partij] in het geding gebrachte stukken wel degelijk de door hem bedoelde betekenis zou moeten toekomen, namelijk dat daaruit volgt dat aan [eisende partij] de betreffende opdracht was verstrekt. Ook het vermeende knip- en plakwerk van het blok met handtekeningen onder de raam- en deelovereenkomst en zijn verklaring tegenover de politie heeft [eisende partij] onbesproken gelaten. [eisende partij] heeft ter zitting enkel benadrukt dat met name de e-mail van MBA van 11 oktober 2021 (2.17) - vier jaar na datum mishandeling - het bewijs levert van het bestaan van de aan hem verstrekte opdracht. Daarbij zijn de woorden “ [eisende partij] is door de mishandeling op 18 oktober 2017 de mogelijkheid ontnomen” in de ogen van [eisende partij] het meest relevant. De rechtbank oordeelt hier echter anders over. Ook in deze e-mail staat niet dat aan [eisende partij] de door hem gestelde opdracht is verleend. Dat het curriculum vitae en expertise van [eisende partij] passend bleken bij de opdracht en dat er in dat kader diverse gesprekken met MBA hebben plaatsgevonden, zegt immers nog niet dat de opdracht door MBA/NN-Bank uiteindelijk ook aan [eisende partij] gegund is, sterker nog, enige verklaring van NN-Bank ontbreekt. De rechtbank interpreteert deze e-mail van MBA, mede vanwege het onderwerp (“Bevestiging mogelijkheid tot opdracht bij NN Bank via MBA”), veeleer zo dat [eisende partij] kennelijk een mogelijke kandidaat was voor de door hem bedoelde opdracht bij NN-Bank, in welk kader hij gesprekken heeft gevoerd met MBA. Niet meer en niet minder. [eisende partij] heeft in het kader van onderhavige vordering echter niet (subsidiair) gesteld dat hij door de mishandeling door [gedaagde partij] de mogelijkheid is ontnomen om de betreffende opdracht te verwerven. Het door [eisende partij] ter zitting gedane bewijsaanbod om de betreffende medewerker van MBA, [betrokkene 5] , als getuige te doen horen, wordt om die reden verworpen.

5.24.
Het voorgaande betekent dat de door [eisende partij] ingestelde vordering ter zake van verlies verdienvermogen - door hem enkel gebaseerd op de meergenoemde opdracht - zal worden afgewezen. Dat die opdracht voorafgaand aan de mishandeling aan [eisende partij] was verstrekt, is niet aannemelijk geworden. Een verwijzing naar een schadestaatprocedure blijft om diezelfde reden achterwege.

5.25.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat [eisende partij] voor het eerst ter zitting, desgevraagd, een stelling heeft ingenomen over de uit de volgens hem als gevolg van de mishandeling opgelopen klachten voortvloeiende beperkingen. [eisende partij] heeft verklaard dat hij een week na de mishandeling zelf aan MBA heeft gemeld dat hij niet kon starten op de, naar hij stelt, aan hem verstrekte opdracht. Hij kon niet praten, niet goed luisteren en had last van concentratieverlies, waardoor hij onvoldoende samenhang zag, aldus [eisende partij] . Elke onderbouwing van deze gestelde beperkingen, laat staan van het verband met de mishandeling ontbreekt in het dossier. Ook dit staat in de weg aan toewijzing van het door [eisende partij] gevorderde verlies verdienvermogen.

slotsom, rente en kosten

5.26.
De slotsom is dat de onder 1) gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen en de onder 2) gevorderde schadevergoeding slechts tot een bedrag van € 316,00. Daarover is [gedaagde partij] de wettelijke rente verschuldigd vanaf 18 oktober 2017 tot aan de voldoening.

5.27.
Het leeuwendeel van de onder 2) gevorderde schadevergoeding, waarop het debat zich heeft geconcentreerd, zal worden afgewezen. Desalniettemin is elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld te beschouwen, reden waarom de proceskosten zullen worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze. ECLI:NL:RBGEL:2022:194


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, medische kwesties

RBDHA 281221 Voorlopig deskundigenbericht vaatchirurg tzv causaal verband tussen ongeval en daarna opgetreden trombose

in vervolg op:
RBDHA 150920 aanrijding door onverwacht rechts inhalen bij voorsorteerstroken; eigen schuld 30%
- geen opgave van kosten, begroot op € 1.086,- (2,0 punten × tarief € 543,-) X 70% vanwege 30% ES

RBDHA 220721 Causaal verband tussen ongeval en later geconstateerde trombose onvoldoende onderbouwd
- Indiening verzoek deelgeschil volstrekt onnodig en onterecht, gelet op eerder KG-vonnis


locatie ongeval Google Maps

2
De feiten

2.1.
Op 1 februari 2019 zijn [verzoekster] en verweerder sub 1 (‘ [verweerder sub 1] ’), beiden als bestuurder van een personenauto, betrokken geraakt bij een ongeval op de Schenkkade te Den Haag. Kort nadat [verzoekster] de Schenkkade vanuit de Carolina van Nassaustraat was opgereden, is [verweerder sub 1] met zijn auto rechts naast de auto van [verzoekster] gaan rijden teneinde bij de kruising tussen de Schenkkade en de Prinses Beatrixlaan rechts voor te sorteren. Vervolgens heeft [verzoekster] haar auto naar rechts gestuurd om ook op de rechter voorsorteerstrook te gaan rijden, waarna beide auto’s met de zijkanten tegen elkaar zijn aangereden (hierna: ‘het ongeval’).

2.2.
Op 5 februari 2019 heeft [verzoekster] haar huisarts bezocht in verband met een pijnlijke en opgezwollen linkerarm met hematomen en een opgezwollen linkerhand. Omdat de pijnklachten in de dagen daarna toenamen, heeft de huisarts [verzoekster] op 22 februari 2019 verwezen naar de spoedeisende hulp van het LangeLand Ziekenhuis in Zoetermeer met de vraag of sprake was van een trombose-arm. In het LangeLand Ziekenhuis werd een compressie van de vaten door hematomen geconstateerd. Op 26 februari 2019 is [verzoekster] voor een second opinion naar het HMC Bronovo Ziekenhuis (‘Bronovo’) gegaan. In het Bronovo is vastgesteld dat sprake was van een trombose in de linkerarm, waarvoor [verzoekster] is behandeld.

2.3.
[verzoekster] heeft [verweerder sub 1] aansprakelijk gesteld voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade. Achmea, de aansprakelijkheidsverzekeraar van [verweerder sub 1] , heeft aansprakelijkheid op 11 februari 2020 afgewezen.

2.4.
Op 13 maart 2020 heeft [verzoekster] een deelgeschil met betrekking tot de aansprakelijkheidsvraag bij deze rechtbank aanhangig gemaakt. Bij beschikking van 15 september 2020 heeft de rechtbank, voor zover hier relevant: (a) voor recht verklaard dat [verweerder sub 1] onrechtmatig jegens [verzoekster] heeft gehandeld; (b) voor recht verklaard dat [verweerder sub 1] aansprakelijk is voor de schade die [verzoekster] heeft geleden en nog lijdt ten gevolge van die onrechtmatige daad; (c) de mate van eigen schuld van [verzoekster] vastgesteld op 30% en; (d) bepaald dat verweerders gehouden zijn 70% van de door [verzoekster] ten gevolge van het ongeval geleden en nog te lijden schade aan haar te vergoeden.

2.5.
Achmea heeft de materiële schade aan de auto van [verzoekster] begroot op een bedrag van € 1.559,50 (inclusief wettelijke rente) en heeft 70% hiervan aan [verzoekster] voldaan. Verder heeft Achmea de voor haar rekening komende kosten van het deelgeschil aan [verzoekster] voldaan.

2.6.
[verzoekster] heeft bij de rechtbank Gelderland in kort geding gevorderd dat Achmea zou worden veroordeeld om aan haar te voldoen een bedrag van € 10.000 als voorschot op (overige) schade. Lopende deze procedure hebben partijen medische adviezen aangevraagd en overgelegd: van de zijde van [verzoekster] een medisch advies van drs. [medisch adviseur 1] van 30 november 2020 en van de zijde van Achmea een medisch advies van [medisch adviseur 2] van 11 december 2020.

2.7.
Bij vonnis van 26 januari 2021 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [verzoekster] afgewezen. (geen publicatie bekend, red. LSA LM) De voorzieningenrechter heeft hiertoe overwogen als volgt:

[medisch adviseur 1] kan niet met zekerheid vaststellen dat causaal verband bestaat tussen de opgetreden trombose en het ongeval, hetgeen [medisch adviseur 2] ook betoogt. Van belang daarbij is ook dat [verzoekster] naar eigen zeggen met een snelheid van 25 tot 30 kilometer per uur tegen de zijkant van de haar rechts inhalende auto van verzekerde Achmea reed, zodat – zoals beide deskundigen ook vaststellen – geen sprake is van een groot trauma. Bovendien is komen vast te staan dat sprake is geweest van een val tussen het ongeval en de opgetreden trombose, zodat des te minder een causaal verband kan worden vastgesteld. Ten slotte is thans geen sprake meer van blijvende klachten of beperking door de doorgemaakte trombose. Dit alles bij elkaar maakt dat zonder nadere bewijslevering, waarvoor in kort geding geen plaats is, niet in voldoende mate kan worden vastgesteld dat het ongeval de oorzaak is voor de opgetreden trombose bij [verzoekster] . Mede gelet op de vereiste terughoudendheid bij toewijzing van een geldvordering in kort geding is het bestaan van de vordering van [verzoekster] op Achmea onvoldoende aannemelijk geworden. De vordering wordt daarom afgewezen.”

2.8.
Op 12 maart 2021 heeft [verzoekster] een deelgeschil aanhangig gemaakt bij deze rechtbank over de medische causaliteitsvraag. Bij beschikking van 22 juli 2021 is haar verzoek afgewezen onder overweging dat op basis van de beschikbare stukken geen causaal verband kan worden aangenomen tussen het ongeval en de trombose. Uit de overgelegde medische adviezen volgt juist dat dit verband niet, althans onvoldoende te leggen is dan wel (volgens [medisch adviseur 2] ) zelfs niet waarschijnlijk is, aldus de rechtbank.

3
Het geschil

3.1.
Het verzoek van [verzoekster] is gegrond op artikel 202 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en strekt ertoe dat de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopig deskundigenbericht gelast met benoeming van een vaatchirurg als deskundige met de opdracht de door [verzoekster] geformuleerde vragen te beantwoorden en daarover verslag uit te brengen, onder bepaling dat: het inzage- en blokkeringsrecht van toepassing is en de deskundige de procedure uit de Leidraad Deskundigen Civiele Zaken in acht moet nemen, het voorschot van de deskundige wordt betaald door Achmea, subsidiair er geen voorschot aan [verzoekster] wordt opgelegd en dit ten laste van ’s Rijks kas zal worden voldaan en met, na ontvangst van het schriftelijk bericht van de deskundige, veroordeling van verweerders in de kosten van het geding, waaronder de kosten van de deskundige.

3.2.
[verzoekster] legt aan het verzoek ten grondslag dat zij als gevolg van het ongeval van 1 februari 2019 te kampen heeft (gehad) met diverse klachten aan haar linkerarm (zwelling, kneuzing, spierscheuring, blauwe plekken en pijnklachten) en dat er trombose in haar linkerarm is vastgesteld als gevolg waarvan zij (im)materiële schade heeft geleden die door Achmea moet worden vergoed. Volgens [verzoekster] is voor dit letsel geen andere oorzaak aan te wijzen dan het ongeval, maar de rechtbank heeft op 22 juli 2021 geoordeeld dat zonder aanvullende (medische) informatie en/of een deskundigenrapport een oorzakelijk verband niet kan worden aangenomen. Vanwege een mogelijk in te stellen rechtsvordering wenst [verzoekster] een inschatting te maken van haar proceskansen, in welk verband zij duidelijkheid wil verkrijgen door middel van genoemde medische expertise. Een deskundige kan zich ook uitlaten over de vraag of de trombose spontaan is ontstaan en of specifieke risicofactoren hebben bijgedragen aan het ontstaan van de trombose. Gelet op de vastgestelde (gedeeltelijke) aansprakelijkheid van Achmea dient Achmea de kosten voor het deskundigenonderzoek te dragen.

3.3.
Achmea voert geen verweer tegen het verzoek als zodanig. Zij voert wel verweer tegen de voorgestelde persoon van de deskundige en tegen een deel van de voorgestelde vraagstelling. In geval van toewijzing van het verzoek stelt Achmea voor een andere deskundige te benoemen en andere vragen te stellen. Benoeming van de door [verzoekster] voorgestelde deskundige is mogelijk strijdig met artikel 4.7 van de Richtlijn Medisch Specialistische Rapportage in Bestuurs- en Civielrechtelijk verband. Bij gebrek aan wetenschap betwist Achmea bovendien de ervaring van de voorgestelde deskundige op het gebied van letselschade-expertises.

3.4.
Achmea voert verweer tegen de gestelde kostenverdeling. De kosten van het gelasten van een deskundigenbericht kunnen in alle redelijkheid niet voor haar rekening komen. Achmea heeft kosten gemaakt voor het kort geding en het deelgeschil, waarin is geoordeeld dat geen causaal verband kon worden aangenomen. [verzoekster] heeft de door haar verschuldigde proceskosten niet aan Achmea voldaan en heeft geen bewijs geleverd van haar stellingen. Achmea betwist dat zij haar medewerking heeft geweigerd te verlenen. Er zijn geen omstandigheden die nopen tot afwijking van artikel 195 Rv.

4
De beoordeling

4.1.
Uitganspunt is dat een verzoek op grond van artikel 202 Rv in beginsel wordt toegewezen, mits dat verzoek ter zake dienend en voldoende concreet is en feiten betreft die met het deskundigenonderzoek bewezen kunnen worden. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is. Het ziekenhuis heeft tegen toewijzing van het verzoek als zodanig ook geen verweer gevoerd.

Persoon van de deskundige

4.2.
[verzoekster] heeft de benoeming van [deskundige 1] te [plaats 2] voorgesteld, waartegen Achmea bezwaren heeft geuit. Achmea heeft de benoeming van [deskundige 2] voorgesteld, waartegen [verzoekster] bezwaren heeft geuit. [verzoekster] heeft ter zitting als alternatief de benoeming van dr. Barendregt te [plaats 3] geopperd. Uiteindelijk hebben partijen afgesproken hierover na de zitting met elkaar in overleg te treden en de rechtbank daarna een eenstemmig voorstel te doen. Op 9 december 2021 heeft [verzoekster] de rechtbank geschreven dat zij haar dienaangaande niet kon informeren, omdat zij ondanks herhaald verzoek daartoe, niet meer van Achmea had vernomen. De rechtbank heeft Achmea daarop verzocht per omgaande contact op te nemen met [verzoekster] ter uitvoering van de afspraken die partijen ter zitting hebben gemaakt. De rechtbank heeft partijen tevens bericht dat zij, indien geen tijdig eenstemmig voorstel van hen zou zijn ontvangen, hieruit de gevolgtrekking zou maken die zij geraden acht. Op 16 december 2021 heeft Achmea de rechtbank geschreven dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt. In datzelfde bericht heeft zij aanvullende verzoeken ingediend omtrent de expertise, waartegen [verzoekster] vervolgens bezwaar heeft gemaakt. Bij e-mailbericht van 20 december 2021 heeft de rechtbank partijen bericht dat zij geen acht zal slaan op de nadere verzoeken van Achmea, nu daarvoor geen gelegenheid is gegeven. De rechtbank heeft partijen voorts bericht dat zij vaatchirurg dr. W.B. Barendregt te [plaats 3] zal benaderen. Achmea heeft daartegen bij emailbericht van 23 december 2021 om haar moverende – maar niet toegelichte – redenen bezwaar gemaakt. De rechtbank heeft partijen hierop vervolgens bericht dat zij in het enkel uiten van een niet gemotiveerd bezwaar tegen een door de verzoekende partij voorgestelde deskundige onvoldoende grond ziet om die deskundige niet te benoemen.

4.3.
Bij e-mailbericht van 22 december 2021 heeft dr. Barendregt de rechtbank laten weten in staat en bereid te zijn deze opdracht op zich te nemen, dat hij vanaf maart 2022 het betreffende onderzoek bij [verzoekster] kan uitvoeren en dat hij bekend is met de ‘Leidraad deskundigen in civiele zaken’ en de ‘Gedragscode voor deskundigen’. De rechtbank zal dr. Barendregt derhalve benoemen als deskundige en beslissen dat ter zake van de uitvoering van zijn onderzoek de aan deze beschikking gehechte vraagstelling aan hem zal worden voorgelegd, zoals omschreven in het dictum.

Vraagstelling

4.4.
Met inachtneming van dat wat partijen hierover in de stukken hebben geschreven en ter zitting hebben opgemerkt, heeft de rechtbank, zoals ook besproken ter zitting, partijen bij e-mailbericht van 8 december 2021 een concept-vraagstelling voorgelegd. Partijen hebben de rechtbank daarop laten weten geen op- of aanmerkingen te hebben. De rechtbank zal dan ook beslissen dat de aan deze beschikking gehechte vraagstelling aan de deskundige zal worden voorgelegd.

Informatie ten behoeve van het onderzoek

4.5.
Om te bevorderen dat de deskundige zich een goed beeld kan vormen van de situatie, zal [verzoekster] haar gehele medische dossier – dat wil zeggen het ziekenhuisdossier (inclusief eventueel beeldmateriaal) plus alle overige relevante (medische) documentatie – en een afschrift van het procesdossier aan de deskundige ter beschikking moeten stellen. De rechtbank laat het verder aan de deskundige over om te beoordelen welke (nadere) medische gegevens en informatie hij voor zijn onderzoek noodzakelijk acht. De rechtbank zal derhalve bepalen dat partijen nadere inlichtingen en gegevens aan de deskundige dienen te vertrekken indien deze daarom verzoekt.

4.6.
Indien een partij desgevraagd of op eigen initiatief schriftelijk opmerkingen en verzoeken aan de deskundige doet toekomen, dient zij daarvan terstond afschrift aan de wederpartij te zenden.

Het voorschot

4.7.
In voornoemd e-mailbericht (4.3) heeft de deskundige de rechtbank ook geschreven dat het uurtarief € 235 per uur (exclusief btw) bedraagt, exclusief kosten voor werkzaamheden van het secretariaat (€ 80 per uur exclusief btw). Omdat het voorschotbedrag afhankelijk is van de omvang van het dossier, heeft de deskundige bericht dat hij eerst na ontvangst van de stukken daarover kan informeren.

4.8.
Het voorschot zal op grond van de artikelen 205 en 195 Rv moeten worden gedragen door [verzoekster] . Nu [verzoekster] in aanmerking komt voor gefinancierde rechtsbijstand, zal aan haar op grond van artikel 195 derde tot en met vijfde volzin Rv, geen voorschot worden opgelegd. Het voorschot van de deskundige zal op grond van artikel 199 lid 3 Rv door de griffier ten laste van ’s Rijks kas worden voorgeschoten en in debet worden gesteld. De rechtbank zal op grond van artikel 205 lid 2 Rv na ontvangst van het rapport van de deskundige bepalen voor wiens rekening de kosten van de deskundige uiteindelijk zullen komen, zoals ook ter zitting aan partijen is voorgehouden. ECLI:NL:RBDHA:2021:15194


SCHADEBEHANDELING EXPERTISE, DESKUNDIGENBERICHT, gebondenheid, vraagstelling vza
DEELGESCHILLEN, bevoorschotting in deelgeschil

RBOVE 280122 Gebondenheid aan rapporten neuroloog en neuropsycholoog; aanvullend onderzoek vza, vraagstelling
- Toekenning voorschot op schadevergoeding en bgk letselschadebureau, bgk advocaat onvoldoende toegelicht
- verzocht en toegewezen 17 uren × € 275,00 + 21% = € 5.656,75

2
Vaststaande feiten

2.1.
Op 15 juli 2016 is [verzoeker] betrokken geraakt bij een verkeersongeval. [verzoeker] is als bestuurder van een bestelbusje, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, van achteren aangereden door een bij Euro Insurance verzekerde auto.

2.2.
Euro Insurance heeft de aansprakelijkheid voor het ongeval erkend en de schadeafwikkeling ter hand genomen.

2.3.
Euro Insurance heeft tot en met vandaag ongeveer € 19.274,00 betaald als voorschot op de schadevergoeding.

3
Het verzoek

3.1.
[verzoeker] verzoekt na vermeerdering van zijn verzoek, samengevat:

1. een verklaring voor recht dat Euro Insurance is gehouden zich te gedragen naar de bevindingen van de in het verzoekschrift genoemde deskundigenrapporten en deze rapporten te hanteren als uitgangspunt voor de afwikkeling van de schade;
2. een verklaring voor recht dat de klachten en beperkingen die uit de medische rapporten zijn gebleken, in causaal verband staan met het ongeval;
3. de medewerking van Euro Insurance aan een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige aan de hand van een vooraf overeen te stemmen vraagstelling;
4. een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000;
5. een voorschot op de buitengerechtelijke incassokosten van € 16.581,93;
6. de vergoeding van de kosten van de behandeling van dit verzoek, vastgesteld op € 5.965,75, te vermeerderen met rente;
7. de veroordeling van Euro Insurance om de voorschotten en kosten binnen veertien dagen na de datum van de beschikking te betalen en deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

3.2.
Euro Insurance bepleit de afwijzing van het verzoek. Daarnaast verzoekt Euro Insurance de rechtbank bij wijze van tegenverzoek om te bepalen dat [verzoeker] meewerkt aan een onderzoek door een verzekeringsgeneeskundige, de heer J.M.W.N. Derks. In haar verweerschrift heeft Euro Insurance de vragen opgenomen die zij gesteld zou willen zien.

3.3.
De standpunten van partijen zullen hierna, voor zover van belang voor de beoordeling van het geschil, worden besproken.

4
De beoordeling

4.1.
In deze zaak heeft Euro Insurance de aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval dat [verzoeker] is overkomen erkend. Met betrekking tot de schadeafwikkeling hebben partijen nog geen overeenstemming kunnen bereiken. Omdat de onderhandelingen zijn vastgelopen, is [verzoeker] deze deelgeschilprocedure gestart om een beslissing te krijgen op een aantal verzoeken. Die verzoeken worden hierna elk afzonderlijk besproken.

Hanteren van de deskundigenrapporten als uitgangspunt voor de schadeafwikkeling

4.2.
In het kader van de schadeafwikkeling hebben verschillende deskundigen-onderzoeken plaatsgevonden. Op 2 juni 2020 heeft de heer dr. W.I.M. [A] (hierna: [A] ), neuroloog, [verzoeker] neurologisch onderzocht. [A] heeft zijn bevindingen neergelegd in zijn deskundigenrapport van 1 september 2020. In opdracht van [A] , maar met voorafgaande instemming van partijen, heeft de heer drs. [B] , gezondheidszorgpsycholoog, een neuropsychologisch onderzoek uitgevoerd. De bevindingen van [B] zijn neergelegd in zijn rapport van 28 oktober 2020. [A] heeft met inachtneming van de bevindingen van [B] een aanvullende rapportage opgesteld, gedateerd op 8 december 2020.

4.3.
[verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank voor recht verklaart dat Euro Insurance zich bij de schadeafwikkeling moet gedragen naar de bevindingen in de deskundigenrapporten van [A] en [B] . Tijdens de mondelinge behandeling is de rechtbank gebleken dat partijen nauwelijks van mening verschillen over de uitkomsten van de deskundigenonderzoeken. Alleen ten aanzien van het onderzoek door [B] heeft Euro Insurance aangevoerd zich niet te kunnen verenigen met diens opmerkingen over het verval van intelligentie en het al dan niet bestaan van een hersenbeschadiging.1 Ten aanzien van de hersenbeschadiging is door partijen ter zitting vastgesteld dat in de rapportage van [B] niet wordt geconcludeerd tot het daadwerkelijk bestaan van een hersenbeschadiging. Dit discussiepunt behoeft daarom niet verder te worden besproken. Ten aanzien van het eventuele verval van intelligentie geldt dat het aan een verzekeringsgeneeskundige is voorbehouden om de beperkingen ten aanzien van de cognitieve functies vast te stellen. Ook dit punt van Euro Insurance is daarom niet van zodanige aard dat zij niet in redelijkheid aan de uitkomst van het deskundigenonderzoek kan worden gehouden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat naast alle beschikbare medische informatie ook de twee rapportages van [A] en [B] , overgelegd als producties 1, 2 en 3 bij het verzoekschrift, tot uitgangspunt moeten dienen bij de afwikkeling van de schade. De verzekeringsgeneeskundige zal dan ook mede van deze rapportages van [A] en [B] moeten uitgaan. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen op de hierna in de beslissing vermelde wijze.

Medewerking aan verzekeringsgeneeskundig onderzoek

4.4.
Partijen zijn het met elkaar eens over de noodzaak en de wenselijkheid van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Uit de brief van 10 december 2021 namens [verzoeker] en de verklaringen ter zitting is gebleken dat partijen inmiddels overeenstemming hebben bereikt over de persoon van de verzekeringsgeneeskundige, te weten mevrouw drs. [C] , verbonden aan Ad Valorem in Vught. Over de vragen zijn partijen het tijdens de mondelinge behandeling eens geworden, met dien verstande dat de rechtbank vraag 3 van Euro Insurance met instemming van partijen anders zal formuleren. De rechtbank zal bepalen dat partijen gezamenlijk opdracht geven aan drs. [C] ter uitvoering van een verzekeringsgeneeskundig onderzoek en dat [verzoeker] aan dat onderzoek dient mee te werken. De volgende vragen zullen aan drs. [C] worden voorgelegd:

1. Welke belemmeringen/beperkingen stelt [verzoeker] in de actuele situatie te ondervinden bij het verrichten van activiteiten van het algemene dagelijkse leven, de zelfverzorging, de vrijetijdsbesteding, de sportbeoefening, de huis(houd)elijke activiteiten en het verrichten van loonvormende arbeid?
2. Welke van de hiervoor bedoelde belemmeringen/beperkingen zijn naar uw deskundig oordeel redelijk en reëel te achten als gevolg van het bij het onderhavige ongeval opgelopen letsel?
3. Wilt u uw oordeel motiveren aan de hand van de overgelegde medische informatie, waaronder de rapporten van de heer dr. [A] en de heer drs. [B] ?
4. Kunt u de hiervoor bedoelde beperkingen en de eruit voortvloeiende restmogelijkheden ten behoeve van een arbeidsdeskundige beoordeling zo uitgebreid mogelijk omschrijven in de vorm van een zogenoemde functionele mogelijkhedenlijst (FML)?
5. Gaat het om blijvende beperkingen of valt verbetering te verwachten?
6. Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor het verdere verloop van deze zaak?

Causaal verband tussen de beperkingen en het ongeval

4.5.
[verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank voor recht verklaart dat de klachten en beperkingen, die voortvloeien uit de medische rapportages, in causaal verband staan tot het ongeval. Euro Insurance heeft zich hiertegen verweerd.

4.6.
Tussen partijen is niet in geschil dat het letsel van [verzoeker] in causaal verband staat tot het ongeval. Of de eventuele beperkingen ook in causaal verband staan tot het ongeval, de zogeheten medische causaliteit, is op dit moment nog niet vast te stellen. Voordat de medische causaliteit kan worden vastgesteld, moet worden beoordeeld of, en zo ja welke, beperkingen [verzoeker] ervaart. Om de beperkingen te kunnen vaststellen, moet het onderzoek van de verzekeringsgeneeskundige worden afgewacht. Pas daarna kan de rechtbank een oordeel geven over het antwoord op de vraag of de beperkingen in causaal verband staan tot het ongeval. De rechtbank wijst daarom de gevraagde verklaring voor recht af.

Voorschot op de schadevergoeding van € 25.000,00

4.7.
[verzoeker] heeft aanspraak gemaakt op een voorschot op de schadevergoeding van € 25.000,00. [verzoeker] heeft verwezen naar zijn schadestaat die, met betrekking tot de reeds verschenen schade, sluit op een bedrag van € 64.762,25.2

4.8.
Euro Insurance heeft als verweer aangevoerd dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat er causaal verband bestaat tussen de geleden schade en het ongeval en dat de schadestaat niet is onderbouwd. Of er sprake is van blijvende beperkingen, is op dit moment nog niet vast te stellen, waardoor ook de causale relatie tussen de beperkingen en het ongeval niet vaststaat.

4.9.
De rechtbank zal als voorschot op de schadevergoeding een bedrag van € 10.000,00 toewijzen. [verzoeker] heeft zijn verzoek voldoende gemotiveerd en hij heeft een uitgebreide schadestaat ingediend. Mede gelet op de medische informatie die op dit moment voorhanden is (de rapportages van [A] en [B] ) is de rechtbank van oordeel dat een voorschot van € 10.000,00 alleszins redelijk is. De rechtbank overweegt daarbij dat vooralsnog onvoldoende is gebleken dat er sprake is van pre-existentie, zoals Euro Insurance heeft aangevoerd maar door [verzoeker] is weersproken. Ook voor de gestelde schending van de schadebeperkingsplicht bestaan op dit moment onvoldoende aanwijzingen.

Voorschot op de buitengerechtelijke incassokosten van € 16.581,93

4.10.
[verzoeker] heeft verder aanspraak gemaakt op een voorschot op de vergoeding van de buitengerechtelijke werkzaamheden ten bedrage van € 16.581,93. Dit bedrag bestaat uit de buitengerechtelijke werkzaamheden van de belangenbehartiger Boomkamp & Zwarts Letselschadespecialisten (€ 12.644,42) en de buitengerechtelijke werkzaamheden, voorafgaand aan het opstellen van het verzoekschrift door de advocaat van [verzoeker] (€ 3.937,51).

4.11.
Uitgangspunt is dat de buitengerechtelijke kosten die worden gemaakt om de aansprakelijkheid en de hoogte van de geleden (letsel)schade te bepalen, worden vergoed door (de verzekeraar van) de aansprakelijke partij, voor zover het redelijk en noodzakelijk was daarvoor deskundige bijstand in te roepen en de daarvoor gemaakte kosten naar hun omvang redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets).

4.12.
Aan de eerste redelijkheidstoets is voldaan. Bij letselschade is het in het algemeen redelijk om deskundige bijstand in te roepen. Dat is ook niet in geschil.

4.13.
Ten aanzien van de hoogte van de kosten heeft Euro Insurance aangevoerd dat de gevorderde kosten niet in verhouding staan tot de geleden en nog te lijden schade. Euro Insurance voert verder aan dat de kosten van overdracht en correspondentie tussen de advocaat en mevrouw [D] van Boomkamp & Zwarts Letselschadespecialisten niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.14.
Bij de beoordeling van de vraag of de hoogte van de kosten redelijk is, is in de jurisprudentie het uitgangspunt dat het enkele feit dat de schade nog niet vaststaat, of als uiteindelijk komt vast te staan dat de geleden schade beperkt is, op zichzelf geen reden is om in redelijkheid gemaakte kosten niet te vergoeden.3 In letselschadezaken betekent dit uitgangspunt dat, ook al staat de omvang van de schade niet vast en/of is de aansprakelijke partij van mening dat de uiteindelijke schade beperkt zal zijn, dit op zichzelf geen reden is om te weigeren voorschotten te betalen op de buitengerechtelijke kosten, zelfs als dit meer is dan de uiteindelijke schade. De reden hiervan is dat de benadeelde de (financiële) mogelijkheid moet hebben om zijn of haar schade te verhalen en dat het niet redelijk is dat de benadeelde dit gedeelte van de schade zou moeten voorfinancieren.

4.15.
De rechtbank zal een voorschot op de buitengerechtelijke kosten ter zake van de kosten gemaakt door Boomkamp & Zwarts Letselschadespecialisten toewijzen. Tussen partijen is niet geschil is dat deze kosten zijn gemaakt ter vaststelling van de schade en ter verkrijging van voldoening buiten rechte. Daarnaast geldt dat de omvang van de kosten door Euro Insurance niet gemotiveerd is betwist. Gelet op de omstandigheid dat de omvang van de schade op dit moment nog niet is vast te stellen, acht de rechtbank een voorschot van € 10.000,00 redelijk. Dat de zaak is overgedragen van het letselschadebureau naar een advocaat en dat daar kosten mee zijn gemoeid, is geen reden om deze kosten niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. De overdracht naar een advocaat was in deze zaak noodzakelijk voor het kunnen starten van een procedure, omdat het letselschadebureau zelf geen advocaten in dienst heeft en voor een procedure bij de rechtbank verplichte procesvertegenwoordiging geldt.

4.16.
De gevorderde buitengerechtelijke kosten van de advocaat van [verzoeker] worden afgewezen. Namens [verzoeker] is onvoldoende toegelicht waarom deze kosten als buitengerechtelijke kosten moeten gelden, dus ter vaststelling van de schade en ter oplossing van het geschil, en niet ter instructie van de zaak en ter voorbereiding van een procedure. Dat leidt ertoe dat deze werkzaamheden vooralsnog niet als buitengerechtelijke kosten kunnen worden aangemerkt. Daar komt bij dat deze kosten door het ontbreken van een toelichting op dit moment evenmin de dubbele redelijkheidstoets kunnen doorstaan.

Kosten van het deelgeschil

4.17.
[verzoeker] heeft verzocht dat Euro Insurance wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de behandeling van het verzoek, begroot op € 5.965,75 inclusief btw en met inbegrip van het griffierecht. Ten aanzien van deze kosten heeft Euro Insurance aangevoerd dat de kosten worden gedekt door een rechtsbijstandsverzekering en dat zij daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.

4.18.
Ingevolge artikel 1019aa Rv dienen de kosten van de behandeling van het verzoek aan de zijde van [verzoeker] te worden begroot, waarbij alle redelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW in aanmerking moeten worden genomen. Het moet gaan om kosten die in redelijkheid gemaakt zijn en de hoogte van die kosten dient eveneens redelijk te zijn. Mr. Schep heeft een specificatie opgesteld waaruit een tijdsbesteding van 17 uren volgt tegen een uurtarief van € 275,00 exclusief btw. Euro Insurance heeft deze kosten niet gemotiveerd betwist, maar heeft enkel aangevoerd dat [verzoeker] een beroep kan doen op zijn rechtsbijstandsverzekering. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij geen dekking onder de polis verzoekt, omdat de bijdrage van de rechtsbijstandsverzekeraar voor de proceskosten erg beperkt is en [verzoeker] die bijdrage wil bewaren voor een eventuele bodemprocedure, waarin een beperkte proceskostencompensatie mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] onder de door hem aangevoerde en door Euro Insurance niet weersproken omstandigheden niet verplicht is om voor vergoeding van de proceskosten een beroep te doen op zijn rechtsbijstandsverzekeraar. [verzoeker] heeft het recht om de schade te verhalen op degene die volgens de wet aansprakelijk is. [verzoeker] heeft voldoende gemotiveerd aangevoerd waarom hij geen dekking vordert onder de polis, zodat van een gebrek aan belang bij het onderhavige verzoek niet kan worden gesproken. Omdat tegen de hoogte van de gevorderde kosten geen verweer is gevoerd, zal de rechtbank het bedrag toewijzen dat [verzoeker] heeft verzocht. [verzoeker] zal worden veroordeeld tot betaling van 17 uren × € 275,00 × 21% = € 5.656,75 inclusief btw, te vermeerderen met het griffierecht van € 309,00. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking. ECLI:NL:RBOVE:2022:277


SCHADEBEHANDELING PRIVACY EN LETSELSCHADE, na overlijden

RBGEL 260122 Vordering inzage medisch dossier van door suïcide overleden zoon toegewezen, veronderstelde toestemming is in 7:458a BW geen criterium meer

2
De feiten

2.1.
[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn de ouders van [zoon] , geboren op 8 januari 1993 (hierna: [zoon van eiser] ).

2.2.
[zoon van eiser] leed aan autisme (Asperger) en ernstige depressie. Vanaf mei 2017 is [zoon van eiser] onder behandeling geweest bij GGNet, vestiging Apeldoorn.

2.3.
Op 7 juli 2018 is [zoon van eiser] overleden als gevolg van een balanssuïcide. Na de suïcide van [zoon van eiser] heeft GGNet een interne onderzoeksprocedure gevolgd. GGNet heeft naar aanleiding van het onderzoek geen reden gezien te veronderstellen dat sprake is geweest van een calamiteit. Er is dan ook geen melding gedaan bij de Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd en het intern onderzoeksverslag is gearchiveerd.

2.4.
Bij e-mail van 5 april 2019 heeft [eisende partij] GGNet verzocht om toezending van een kopie van het medisch dossier van [zoon van eiser] . Bij brief van 7 mei 2019 heeft GGNet geantwoord dat aan het verzoek om informatie niet kon worden voldaan, kort gezegd omdat daarmee het beroepsgeheim zou worden doorbroken.

2.5.
Nadien hebben (de toenmalige rechtsbijstandsverleners van) partijen veelvuldig gecorrespondeerd over het verzoek van [eisende partij] om inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] en de weigering van GGNet om aan dat verzoek gehoor te geven. GGNet is ook niet akkoord gegaan met het voorstel van [eisende partij] om het medisch dossier te laten toetsen door een onafhankelijke, deskundige derde. Onder meer de hierna genoemde brieven zijn gewisseld.

2.6.
Bij brief van 11 november 2019 (productie 6 bij dagvaarding) heeft [eisende partij] GGNet aansprakelijk gesteld voor de door haar geleden schade als gevolg van nalatig handelen.

2.7.
Bij brief van 4 februari 2021 (productie 12 bij dagvaarding) heeft GGNet aan de advocaat van [eisende partij] onder meer geschreven:

( ... )
Ouders stellen dat de behandeling niet goed is verlopen, onder meer omdat psychiater [psychiater] de suïcidaliteit niet goed heeft ingeschat. De hiervoor geciteerde uitspraak van [psychiater] wordt hiermee uit zijn verband gehaald. De (mate van) suïcidaliteit bij patiënt was een doorlopend en integraal onderdeel van de behandeling. Echter, zoals ouders weten heeft patiënt ondanks het feit dat zijn suïcidale gedachten steeds met hem werd besproken, uiteindelijk voor iedereen verzwegen dat hij daadwerkelijk tot uitvoering van die gedachten over wilde gaan. Het idee dat de uitspraak van [psychiater] een aanwijzing is dat de behandeling (mogelijk) niet goed is verlopen, moeten wij dan ook verre van ons werpen. Het interne onderzoek dat standaard plaatsvindt na een suïcide heeft hier ook geen enkele aanwijzing voor gevonden. Het is ons ook volstrekt onduidelijk op grond waarvan ouders menen dat niet gehandeld is conform de multidisciplinaire richtlijn suïcide. Naar onze overtuiging is wel conform die richtlijn gehandeld en is de behandeling, ondanks de trieste afloop, lege artis verlopen.

( ... )

3
Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. GGNet veroordeelt om aan [eisende partij] inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken, dan wel
II. GGNet veroordeelt om inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van [zoon van eiser] te verstrekken op grondslag van het bepaalde in artikel 7:458b van het Burgerlijk Wetboek (BW);
III. GGNet veroordeelt in de proceskosten.

3.2.
[eisende partij] legt aan zijn vordering primair artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW ten grondslag. Volgens [eisende partij] is sprake van bij leven door [zoon van eiser] gegeven toestemming voor inzage in het dossier in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a, BW. Daarnaast stelt [eisende partij] zich op het standpunt dat hij bij inzage een zwaarwegend belang heeft in de zin van artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW, omdat het vermoeden bestaat van een medische fout aan de zijde van GGNet.

Subsidiair legt [eisende partij] aan zijn vordering artikel 7:458b lid 1 BW ten grondslag. Op grond van die bepaling kan, indien inzage in het medisch dossier vanwege een vermoeden van een medische fout wordt geweigerd aan degene die daarom verzoekt, inzage in het medisch dossier worden verstrekt aan een onafhankelijk arts.

3.3.
GGNet voert verweer, dat er in de kern op neerkomt dat onvoldoende is gebleken dat het verzoek van [eisende partij] voldoet aan de vereisten van de artikelen 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en 7:458b lid 1 BW. GGNet concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisende partij] in zijn vordering, althans tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van [eisende partij] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.
De rechtbank zal hierna nader ingaan op de stellingen van partijen, voor zover voor de beoordeling van belang.

4
De beoordeling

De kern van de zaak

4.1.
Het geschil draait om de vraag of GGNet [eisende partij] inzage moet geven in het medisch dossier van [zoon van eiser] , die is overleden als gevolg van suïcide in de periode dat hij wegens psychische klachten onder behandeling was bij GGNet.

De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Zij komt kort gezegd tot de conclusie dat [eisende partij] recht heeft op inzage omdat hij daarbij een zwaarwegend belang heeft. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] aannemelijk gemaakt dat dit belang door de weigering van GGNet om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW). Hieronder licht de rechtbank haar beslissing toe.

Medisch beroepsgeheim (artikel 7:457 lid 1 BW)

4.2.
Op grond van artikel 7:457 lid 1 BW mag een medisch hulpverlener geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt. Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt. Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk.

4.3.
[eisende partij] doet een beroep op een aantal uitzonderingsbepalingen. Primair beroept hij zich op artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a of c BW en subsidiair op artikel 7:458b lid 1 BW. Deze bepalingen zijn in werking getreden op 1 januari 2020. De periode waarin GGNet (voor het eerst) heeft geweigerd inzage te geven in het dossier van [zoon van eiser] , ligt vóór 1 januari 2020. Omdat [eisende partij] zijn vorderingen uitdrukkelijk op de genoemde bepalingen baseert en GGNet heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen analoge toepassing ervan, zal de rechtbank deze bepalingen tot uitgangspunt nemen bij de beoordeling. Daarbij weegt mee dat doel van deze bepalingen onder meer is verduidelijking te geven aan nabestaanden over ‘veronderstelde toestemming’, omdat eenduidige jurisprudentie op dit punt ontbrak (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3).

Toestemming door de patiënt (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW)

4.4.
Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW bepaalt dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven. Die toestemming moet schriftelijk of elektronisch zijn vastgelegd. Niet in geschil is dat in deze zaak geen sprake is van schriftelijk of elektronisch vastgelegde toestemming van [zoon van eiser] .

4.5.
Volgens [eisende partij] is sprake van veronderstelde toestemming, in die zin dat kan worden verondersteld dat [zoon van eiser] bij leven toestemming zou hebben gegeven voor inzage door [eisende partij] in zijn medisch dossier. Deze doorbrekingsgrond van het medisch beroepsgeheim, die in de jurisprudentie is ontwikkeld, is echter in artikel 7:458a BW geen criterium meer waaraan wordt getoetst in geval een nabestaande vraagt om inzage in een dossier van een overleden patiënt.

4.6.
Gezien het voorgaande biedt artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder a BW geen grond voor inzage door [eisende partij] in het medisch dossier van [zoon van eiser] . De vordering is niet op die grond toewijsbaar.

Zwaarwegend belang (artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW)

4.7.
Artikel 7:458a lid 1, aanhef en onder c BW bepaalt dat – eveneens in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. Deze regel bestond volgens vaste rechtspraak al onder het vóór 1 januari 2020 geldende recht.

4.8.
Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet volgens de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 2017/18, 34994, nr. 3) aan twee cumulatieve criteria zijn voldaan: a) degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad en b) diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.

Er is sprake van een zwaarwegend belang

4.9.
Volgens [eisende partij] heeft hij een zwaarwegend belang bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] , omdat het vermoeden bestaat van een medische fout aan de zijde van GGNet. Het vermoeden van een medische fout is één van de voorbeelden die in de parlementaire geschiedenis worden genoemd van gevallen waarbij sprake is van een zwaarwegend belang. [eisende partij] voert onder meer aan dat op 29 augustus 2018 een gesprek heeft plaatsgevonden tussen enerzijds [eisende partij] en [de heer X] , een vriend van [zoon van eiser] , en anderzijds [psychiater] , psychiater bij GGNet en [de manager bij GGNet] . Van dit gesprek is een audio-opname in het geding gebracht (productie 19 bij dagvaarding). [eisende partij] wijst erop dat [psychiater] in dat gesprek onder meer heeft gezegd dat suïcidaliteit van [zoon van eiser] niet goed is ingeschat. Mede op grond van die mededeling vermoedt [eisende partij] dat de behandeling van [zoon van eiser] niet goed is verlopen.

4.10.
GGNet brengt hiertegen in dat [eisende partij] nalaat de context van de uitspraak van [psychiater] te vermelden. GGNet wijst erop dat tijdens het gesprek is besproken dat achteraf gezien de mate en de ernst van de suïcidaliteit inderdaad niet goed is ingeschat. Achteraf is volgens GGNet echter alles te reconstrueren. Als achteraf gezien een onjuiste inschatting is gemaakt, zegt dat bovendien niets over de zorgvuldigheid van de behandeling die op dat moment werd ingezet, aldus GGNet.

4.11.
Omdat GGNet erkent dat de inschatting van de suïcidaliteit van [zoon van eiser] achteraf gezien verkeerd is geweest, ligt naar het oordeel van de rechtbank voor de hand dat [eisende partij] worstelt met de vraag waar het is misgegaan en of [zoon van eiser] wel de juiste behandeling heeft gekregen. [eisende partij] voert in dit verband aan dat volgens het zogenoemde depressieprotocol bij depressie individuele therapie is geïndiceerd boven groepstherapie en dat de mening van de patiënt van groot belang is bij de wijze van behandeling. Zoals [eisende partij] ter zitting – door GGNet op zichzelf niet weersproken – heeft verklaard, werd de groepstherapie [zoon van eiser] naar eigen zeggen “door de strot gedrukt”, luisterde GGNet volgens [zoon van eiser] niet naar hem en liep hij tegen een muur op.

4.12.
GGNet benadrukt dat bij [zoon van eiser] weliswaar sprake was van een depressie, maar in comorbiditeit met autisme. Het autisme was het primaire probleem, waarvoor [zoon van eiser] ook werd behandeld, en waarbij groepsbehandeling bewezen effectief is, aldus GGNet. GGNet voert aan dat bekend was dat [zoon van eiser] de groepstherapie niet zag zitten, maar dat die ambivalente houding een uiting was van de problematiek. Het “toegeven” zou dan volgens GGNet geen goede zorg zijn geweest. De rechtbank maakt hieruit op dat volgens GGNet aan [zoon van eiser] door middel van de groepstherapie goede zorg is geleverd. Dat standpunt van GGNet gaat echter niet op indien – zoals in dit geval – ook sprake is van suïcidaliteit. De groepstherapie was en bleef immers gericht op de behandeling van het autisme, terwijl achteraf gezien, ook volgens GGNet, de focus op de suïcidaliteit had moeten liggen. Overigens heeft GGNet naar aanleiding van het geval van [zoon van eiser] het onderwerp “verhoogde suïcide bij autisme” uitdrukkelijk betrokken in het behandelplan.

4.13.
In de stellingen van [eisende partij] ligt besloten dat hij, indien inderdaad sprake is van een medische fout van GGNet, wil dat deze fout aan het licht komt en dat dit leidt tot betere zorg. Dit is in lijn met de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg, waarvan openheid over en leren van klachten en incidenten een belangrijke doelstelling is.

4.14.
Gezien het voorgaande heeft [eisende partij] naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden dat sprake is van een medische fout, en daarmee het bestaan van een zwaarwegend belang, voldoende onderbouwd.

Aannemelijk is dat dit belang mogelijk wordt geschaad

4.15.
[eisende partij] heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat zijn belang bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] door geheimhouding van dat dossier mogelijk wordt geschaad. Aan de hand van het dossier kan immers inzichtelijk worden hoe de behandeling van [zoon van eiser] eruit heeft gezien en wanneer hij door welke hulpverlener is gezien. Het beroep van GGNet op geheimhouding staat hieraan in de weg.

4.16.
De rechtbank neemt bij het voorgaande nog in aanmerking dat volgens de parlementaire geschiedenis bij het vermoeden van een medische fout als zwaarwegend belang voor een recht op inzage de belangen van de nabestaanden en de overleden patiënt mogelijk parallel lopen. Vermoedelijk zou de patiënt immers hebben gewild dat nabestaanden die hierom verzoeken inzage krijgen als mogelijk sprake is van een medische fout. Het is aan de nabestaanden – in dit geval [eisende partij] – om dit vermoeden aannemelijk te maken. Het enkele uitspreken van een dergelijk vermoeden is niet toereikend. De vraag wanneer het vermoeden voldoende aannemelijk is gemaakt, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval.

4.17.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van parallelle belangen van [eisende partij] en [zoon van eiser] bij inzage. [eisende partij] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat [zoon van eiser] zou hebben gewild dat zijn ouders inzage zouden krijgen in zijn medisch dossier indien mogelijk sprake was van een medische fout. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] uiteengezet dat [zoon van eiser] een eerste suïcidepoging deed toen hij studeerde en op kamers woonde. Nadien is hij weer bij [eisende partij] gaan wonen. Vanuit die thuissituatie heeft hij een tweede suïcidepoging gedaan. Verder heeft [eisende partij] [zoon van eiser] herhaaldelijk begeleid op afspraken met hulpverleners van GGNet. [zoon van eiser] heeft [eiser sub 2] bovendien gemachtigd om namens hem te kunnen handelen in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Uit al deze omstandigheden, die GGNet op zichzelf niet heeft weersproken, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat [zoon van eiser] vertrouwen stelde in [eisende partij] en belang hechtte aan de hulp en betrokkenheid van zijn ouders bij zijn behandeling. In het verlengde hiervan is aannemelijk dat [zoon van eiser] ook zou hebben gewild dat [eisende partij] inzage zou krijgen in zijn medisch dossier indien het vermoeden bestond dat sprake was van een medische fout.

Aannemelijk is dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang

4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eisende partij] aannemelijk gemaakt dat inzage in het medisch dossier noodzakelijk is voor de behartiging van zijn belang en kan aan dit belang niet op minder belastende wijze worden tegemoetgekomen. Alle vragen die [eisende partij] beantwoord wil zien over de behandeling van [zoon van eiser] – zoals bijvoorbeeld de vraag wanneer [zoon van eiser] door een psychiater is gezien – houden immers verband met de volgtijdelijkheid van de stappen die in zijn behandeling zijn gezet. Het medisch dossier van [zoon van eiser] is de enige informatiebron die daarover duidelijkheid kan verschaffen. GGNet heeft onvoldoende onderbouwd dat het belang van [eisende partij] ook door andere middelen kan worden behartigd.

Slotsom

4.19.
De slotsom is dat [eisende partij] aannemelijk heeft gemaakt dat hij een zwaarwegend belang heeft bij inzage in het medisch dossier van [zoon van eiser] , dat dit belang door de weigering van GGNet om inzage te geven mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang. De vordering is dan ook op deze grond toewijsbaar.

4.20.
Wat partijen in het kader van het zwaarwegend belang over en weer verder nog hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel en blijft daarom buiten bespreking.

Omdat de rechtbank de vordering van [eisende partij] op grond van de primaire grondslag zal toewijzen, blijft een beoordeling van de subsidiaire grondslag (inzage in het medisch dossier door een onafhankelijk arts) achterwege. ECLI:NL:RBGEL:2022:281


SCHADEBEHANDELING FRAUDE EN TERUGVORDERING, varia

RBGEL 010222 KG; Vordering tot verwijdering uit EVR en IVR afgewezen. Roekeloos rijden met 570 pk auto en opzettelijke misleiding

1
De gronden van de beslissing

1.1.
Op 23 augustus 2020 heeft een aanrijding plaatsgevonden met de aan [eiser] in eigendom toebehorende auto (BMW 5-serie met kenteken [kentekennummer] ), waarbij op een industrieterrein de auto tegen een geparkeerde vrachtwagen is gereden. Ten tijde van de aanrijding werd de auto bestuurd door de heer [bestuurder] en was [eiser] inzittende. [eiser] heeft vanwege de aanrijding een schademelding gedaan bij Achmea.

1.2.
Na de schademelding heeft Achmea nader onderzoek laten verrichten door de heer Spätjens van P-CVD en opdracht gegeven voor een toedrachtonderzoek door de heer Drechsler. In het kader van het toedrachtonderzoek zijn [bestuurder] en [eiser] tweemaal gehoord. Het tweede interview van [eiser] heeft digitaal plaatsgevonden, waarbij aan [eiser] beelden zijn getoond die gemaakt zijn door een beveiligingscamera van het industrieterrein. Ten aanzien van dat interview stelt [eiser] thans dat hij de beelden slecht kon zien en dat daarom zijn verklaring tijdens het tweede interview op punten niet klopt.

1.3.
Achmea concludeert uit haar onderzoek dat [eiser] haar opzettelijk heeft getracht te misleiden door onjuist te verklaren over de toedracht van de aanrijding om toch een schade uitkering te krijgen. Achmea concludeert ook dat sprake is geweest van roekeloos rijden. Achmea heeft de autoverzekering wegens fraude beëindigd en de persoonsgegevens van [eiser] op basis van de door haar gehanteerde proportionaliteitsmatrix voor de duur van 8 jaar opgenomen in haar Incidentenregister (IVR) en in het Externe Verwijzingsregister (EVR). Achmea heeft daarnaast SODA opdracht gegeven tot het treffen van incassomaatregelen om de door Achmea aan de verzekeraar van de vrachtwagen uitgekeerde schadevergoeding van [eiser] terugbetaald te krijgen.

1.4.
In opdracht van [eiser] heeft MVOA een onderzoek uitgevoerd. [eiser] concludeert uit dit onderzoek dat geen sprake is van roekeloos rijden, dat [bestuurder] 65 km per uur heeft gereden waar een maximum snelheid van 50 km per uur gold en dat [bestuurder] weliswaar snel is opgetrokken, maar daarbij slechts de helft van de mogelijke voertuigversnelling heeft gehaald.

1.5.
[eiser] vordert - samengevat - dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Achmea veroordeelt om binnen vijf dagen na het wijzen van dit vonnis alle persoonsgegevens van [eiser] te verwijderen en verwijderd te houden uit het IVR, het EVR en overige (fraude)registers, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert [eiser] de veroordeling van Achmea tot primair uiterlijk binnen vijf dagen na het wijzen van dit vonnis SODA te gebieden de op [eiser] toepasselijke incassomaatregelen te staken, op straffe van een dwangsom, dan wel subsidiair terugbetaling van hetgeen [eiser] aan SODA heeft betaald c.q. zal betalen. Tot slot vordert [eiser] de veroordeling van Achmea in de proceskosten.

1.6.
De vordering die betrekking heeft op de incassomaatregelen van SODA (zowel primair als subsidiair) wijst de voorzieningenrechter af vanwege gebrek aan spoedeisend belang. De vordering komt neer op een geldvordering en voldoet niet aan de voor een geldvordering geldende hoge eisen voor het aannemen van spoedeisend belang, zoals door Achmea ook is aangevoerd.

1.7.
Het spoedeisend belang van de vordering tot verwijdering van de persoonsgegevens uit het IVR, het EVR en de overige registers volgt uit de onvoldoende weersproken stellingen van [eiser] .

1.8.
Vast staat dat de hier bedoelde registraties verstrekkende gevolgen hebben. Het is immers voldoende aannemelijk dat een persoon van wie de gegevens zijn geregistreerd niet, of althans slechts onder zeer ongunstige voorwaarden, een nieuwe verzekering elders kan afsluiten zolang deze registratie voortduurt. Beoordeeld moet worden of voorshands voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure komt vast te staan dat Achmea heeft voldaan aan de voorwaarden voor opname van de persoonsgegevens van [eiser] in het IVR en het EVR. Gelet op de voor de verzekerde verstrekkende gevolgen van de registratie volgt uit vaste rechtspraak dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de grond(en) voor opname in deze registers. Ter beoordeling ligt voor of aannemelijk is dat er sprake is van roekeloos rijden en/of opzettelijke misleiding.

Roekeloos rijden aannemelijk?

1.9.
Achmea stelt dat sprake is van roekeloos rijden doordat met een auto met een vermogen van 570 pk vanuit stilstand vol gas is weggereden in een smalle straat waar vrachtwagens stonden geparkeerd, terwijl het beveiligingssysteem van de auto bewust is uitgeschakeld. Ter onderbouwing wijst ze op de beelden van de beveiligingscamera en de aangetroffen bandensporen. Onder deze omstandigheden is volgens Achmea de kans op het ontstaan van schade groot. Hoewel de voorzieningenrechter de beelden van de beveiligingscamera niet heeft gezien, is in ieder geval tussen partijen niet (meer) in geschil dat de auto vanuit stilstand snel is opgetrokken en dat de zichtbare bandensporen acceleratiesporen zijn. Evenmin staat ter discussie dat het een auto betreft van bovengemiddeld vermogen (in ieder geval de door [eiser] gestelde 560 pk). Dat [eiser] de beveiligingssystemen heeft uitgeschakeld is niet voldoende aannemelijk geworden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is met de auto van [eiser] op het moment van de aanrijding roekeloos gereden. Het roekeloos rijden zit in het vanuit stilstand snel optrekken met een auto met een bovengemiddeld vermogen in een smalle straat met geparkeerde (vracht)auto’s en daarbij in de korte afstand tot de plaats van botsing met de vrachtwagen een snelheid bereiken van 65 km per uur. Dat niet vol vermogen is opgetrokken, zoals [eiser] heeft gesteld, doet niet af aan de roekeloosheid van het rijgedrag gelet op het bovengemiddeld vermogen van de auto.

Opzettelijke misleiding aannemelijk?

1.10.
Vervolgens acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat sprake is van opzettelijke misleiding. Tijdens het eerste interview met Drechsler heeft [eiser] over het ontstaan van de aanrijding verklaard dat: “ [bestuurder] reed in mijn BMW op de Savannahweg in Utrecht. [bestuurder] wilde remmen maar hij gaf per ongeluk gas. Waarvoor [bestuurder] wilde remmen weet ik niet, misschien voor een zijstraat. De BMW maakte een bak herrie door het gas geven. [bestuurder] raakte de macht over het stuur kwijt en reed rechts tegen een geparkeerde vrachtwagen aan”. In deze verklaring heeft [eiser] in ieder geval de indruk gewekt dat hij uit eigen waarneming heeft verklaard. Vervolgens heeft [eiser] zonder aarzeling verklaard dat de auto 30 km per uur reed. In de eerste verklaring heeft [eiser] op geen enkel moment verklaard de toedracht niet zelf te hebben waargenomen. Pas na het zien van de beelden komt [eiser] terug op zijn verklaring. De beelden en de metingen uit de auto geven een hele andere toedracht weer dan is verklaard, namelijk het vanuit stilstand vol gas wegrijden, optrekkend tot een snelheid van 65 km per uur. Dat [eiser] deze toedracht als bijrijder niet heeft opgemerkt acht de voorzieningenrechter niet geloofwaardig. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat zowel een bestuurder als een bijrijder voelt of een auto stil staat of dat wordt opgetrokken en juist gas wordt gegeven. Met zijn eerste verklaring over de toedracht en de snelheid heeft [eiser] dan ook al naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter getracht Achmea te misleiden. Daar komt bij dat de vergissing van [bestuurder] – het gaspedaal indrukken terwijl hij wilde remmen - volgens de eerste verklaring van [eiser] plaatsvond terwijl de auto aan het rijden was, hetgeen niet logisch is omdat het gaspedaal dan al werd ingedrukt. De onjuistheden in de verklaringen van [eiser] leiden daarmee al tot de voorlopige conclusie dat [eiser] heeft getracht Achmea te misleiden om een (hoger) schadebedrag uitgekeerd te krijgen. Of [eiser] wel of niet onjuist heeft verklaard over het tijdstip van de aanrijding en of het bandenspoor al dan niet is veroorzaakt door het uitzetten van het beveiligingssysteem en of is weggereden met rokende banden is daarbij buiten beschouwing gelaten.

1.11.
Gelet op deze omstandigheden acht de voorzieningenrechter het voldoende aannemelijk dat sprake is van roekeloos rijden en opzettelijke misleiding. Dit betekent dat de conclusie in dit kort geding is dat voldoende aannemelijk is dat aan de voorwaarden voor registratie is voldaan, zodat de registraties in het IVR en het EVR niet hoeven te worden verwijderd. In de door Achmea ingevulde proportionaliteitsmatrix staat echter als verzwarende omstandigheid dat [eiser] een valse politieaangifte heeft gedaan. Bij de stukken bevindt zich alleen een proces-verbaal van bevindingen en geen proces-verbaal van aangifte. Daarnaast is in het proces-verbaal alleen een verklaring van [bestuurder] opgenomen en niet van [eiser] . Dit betekent dat dit ten onrechte als verzwarende omstandigheid is opgenomen. De proportionaliteitsmatrix komt zonder die verzwarende omstandigheid uit op 13 punten, een totaal dat eveneens staat voor een opname in de registers van 8 jaar. ECLI:NL:RBGEL:2022:156


SCHADEBEHANDELING FRAUDE EN TERUGVORDERING, terugvordering

GHARL 010222 ook in hoger beroep blijkt dat appellanten verzekeraars opzettelijk onjuist hebben geïnformeerd; terugvordering tzv twee verzekeringsclaims

in vervolg op:
RBNNE 140421 opzettelijke misleiding komt vast te staan na getuigenverhoor
en:
RBNNE 150420 hoofdelijke aansprakelijkheid voor geval verzekeringsfraude komt vast te staan; informatieplicht en verval van recht gelden niet voor benadeelde

3
Waar gaat het in deze beide zaken om?

3.1
Het gaat in deze zaak om de vraag of [appellant1] en [appellant2] verzekeringsfraude hebben gepleegd, zoals Klaverblad c.s. stellen. Volgens Klaverblad c.s. hebben zij uitkeringen gedaan aan [appellant1] , onder meer op basis van een door [appellant2] afgesloten aansprakelijkheidsverzekering voor particulieren (AVP). Zij vorderen de aan [appellant1] uitgekeerde bedragen van [appellant1] en [appellant2] terug, vermeerderd met rente en kosten.

3.2
De rechtbank heeft, na bewijslevering, de vorderingen van Klaverblad c.s. toegewezen. Het hof komt tot dezelfde beslissing. Deze beslissing zal hierna worden gemotiveerd doordat het hof eerst de relevante feiten zal vaststellen en vervolgens zal ingaan op de in de procedure bij het hof nog bestaande geschilpunten tussen partijen.

4
4.
De relevante feiten in beide zaken

4.1
[appellant2] en [appellant1] zijn rond 1984 vier jaar met elkaar getrouwd geweest en hebben samen twee dochters, [dochter1] en [dochter2] . [dochter1] heeft een zoon die [naam1] heet en heeft een relatie gehad met [naam2] (hierna: [naam2] ). Na de scheiding hebben [appellant2] en [appellant1] het contact met elkaar onderhouden.

4.2
Klaverblad en Goudse zijn verzekeringsmaatschappijen. [appellant2] heeft in het verleden een AVP afgesloten bij Klaverblad. In artikel 16 van de polisvoorwaarden staat dat bij verzekeringsfraude geen recht bestaat op uitkering. Er is volgens die bepaling onder meer verzekeringsfraude als er wordt gelogen bij de aanvraag of claim of een onjuiste verklaring wordt afgelegd. [dochter1] heeft een AVP afgesloten bij Goudse.

4.3
Aan [appellant1] is door Interpolis Schade N.V. een vergoeding toegekend voor schade in verband met een ongeval met een auto op 18 mei 2013, waarbij [appellant1] en [naam2] en diens broer betrokken waren. Het bedrag is betaald op een bankrekeningnummer die op naam staat van [dochter2] en waarvan [appellant2] de gemachtigde is.

4.4
Aan [appellant2] is door Unigarant, de WAM-verzekeraar van [appellant1] , een schadevergoeding toegekend voor een ongeval met een bromfiets op 10 oktober 2013. [appellant1] zou, rijdend op een bromfiets, [appellant2] van achteren hebben aangereden. Dit bedrag is ook betaald op eerder genoemde bankrekening van [dochter2] .

4.5
Begin 2015 heeft [appellant2] een beroep gedaan op haar AVP bij Klaverblad. Zij heeft gemeld dat op 12 januari 2015 in [woonplaats1] een ongeval heeft plaatsgevonden waarbij haar hond tijdens het wandelen tegen het voorwiel van een achterop komende fietser is gesprongen waardoor de fietser viel. Op het aangifteformulier van 19 januari 2015 heeft zij bij de naam van de benadeelde ingevuld: "De heer [appellant1] " en bij de vraag: "In welke relatie staat diegene tot u of de veroorzaker?", "Geen". [appellant1] heeft op verzoek van Klaverblad het aangifteformulier aangevuld. Er hebben meerdere gesprekken plaatsgevonden tussen de schaderegelaar en arbeidsdeskundige van Klaverblad enerzijds en [appellant1] anderzijds. Bij de gesprekken was een mevrouw aanwezig die bij Klaverblad is geïntroduceerd als mevrouw [naam3] . In december 2016 hebben [appellant1] en Klaverblad een vaststellingsovereenkomst gesloten. Klaverblad heeft aan [appellant1] in totaal € 56.936, 41 aan schadevergoeding betaald. Het merendeel van dit bedrag is op verzoek van [appellant1] gestort op eerdergenoemde bankrekening die op naam staat van [dochter2] . Onder meer is een vergoeding uitgekeerd voor het aanpassen van de woning (nieuwe vloerbedekking en het aanbrengen van beugels/handgrepen) en de aanschaf van een scootmobiel.

4.6
[appellant1] heeft bij Goudse een letselschadeclaim ingediend. Gemeld is dat [appellant1] op 28 februari 2017 op de fiets omver is gereden door [naam1] , die hij naar school bracht en die op zijn eigen fiets is gaan slingeren waardoor [appellant1] ten val is gekomen. [appellant1] heeft gemeld dat hij letselschade en schade aan onder meer een fiets en een horloge heeft geleden. Andere schadeposten die hij heeft geclaimd zijn kosten voor de honden uitlaatservice, huishoudelijke hulp, een tuinman, vervangend vervoer en voorzieningen in de nieuwe woning. Op 26 september 2017 heeft de schaderegelaar van Goudse, de heer [naam4] (hierna: [naam4] ) een bespreking gehad met [appellant1] . Op verzoek van [appellant2] heeft het bezoek plaatsgevonden in het huis van [dochter1] . [appellant2] was daarbij aanwezig. In het bezoekrapport dat [naam4] na de bespreking heeft opgesteld staat onder andere:

"Eerdere ongevallen:

Datum: Ja, vijf jaar geleden gevallen met de fiets

Letsel: Ja, linker oor problemen
Aansprakelijkheid: n.v.t. want eigenaar hond die tegen de fiets liep was niet bekend

zo deelt meneer mij mee

Uitkering: n.v.t. want aansprakelijke wederpartij was niet bekend zo deelt meneer mij mee.

( ... )
Gezondheid voor ongeval:

( ... ) Door ongeval met fiets waar een hond tegen aan liep heeft meneer problemen met zijn linker oor. Met betrekking tot dat ongeval is de eigenaar van de hond niet bekend geworden. Er is daardoor ook geen letselvergoeding geweest."

Goudse heeft aan [appellant1] een voorschot betaald voor zijn schade van (in totaal) € 2.500,00.

4.7
Op 27 maart 2017 heeft [appellant2] een inboedelschade geclaimd bij Klaverblad, die een bedrag van € 1.200,- heeft betaald op de bankrekening van [dochter2] .

4.8
[appellant2] heeft de verhuurder van de woning van [appellant1] aansprakelijk gesteld omdat zij op 22 mei 2018 door een niet goed gemonteerde trapleuning in de woning van de trap is gevallen en daarbij een dik oog heeft opgelopen. De verhuurder heeft deze claim aangemeld bij zijn aansprakelijkheidsverzekeraar, VIVAT.

4.9
Op 6 oktober 2017 ontving het Centrum Bestrijding Verzekeringscriminaliteit (CBV) per e-mail een anonieme tip waarin melding wordt gemaakt van verzekeringsfraude door [appellant1] . Naar aanleiding van deze tip is door diverse verzekeraars, waaronder Klaverblad en Goudse, onderzoek gedaan naar het claimgedrag van [appellant2] en [appellant1] .

4.10
Op 26 januari 2018 heeft het door Goudse ingeschakelde particulier recherchebureau Willemse Onderzoeks- en Adviesbureau (hierna: Willemse) een interview gehouden met [dochter1] . Nadien (op 27 juni 201) heeft Willemse interviews gehouden met [appellant2] en [appellant1] in aanwezigheid van de heer [naam5] , een vertegenwoordiger van het inmiddels door [appellant1] ingeschakelde letselschadebureau (hierna [naam5] ) en (op 16 oktober 2018) met [dochter1] en [naam2] .

4.11
Op 16 januari 2019 is een onderzoeksrapport opgesteld door de Afdeling Speciale Zaken van Goudse, waarin alle tot op dat moment bekende informatie is weergegeven.
In een brief van diezelfde datum aan [naam5] heeft Goudse de schadeclaim afgewezen, de betaalde voorschotten teruggevorderd en aanspraak gemaakt op vergoeding van de gemaakte onderzoekskosten. Ook is melding gemaakt van het feit dat de gegevens van [appellant1] zullen worden doorgegeven aan de Stichting CIS voor verwerking in het extern incidentenregister. Eerder had Goudse [naam5] er al van in kennis gesteld dat de gegevens van [appellant1] zouden worden opgenomen in het incidentenregister van Goudse.

4.12
Bij brief van 31 januari 2019 van haar advocaat aan [appellant1] en [appellant2] heeft Klaverblad de met [appellant1] gesloten vaststellingsovereenkomst buiten rechte vernietigd wegens dwaling en/of bedrog en [appellant1] en [appellant2] hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor terugbetaling van de door haar verrichte betalingen.

5
De bespreking van de geschilpunten in beide zaken

Uitgangspunten

5.1
In het tussenvonnis van 15 april 2020 heeft de rechtbank een aantal uitgangspunten geformuleerd waartegen [appellant1] en [appellant2] geen bezwaar hebben gemaakt. Bij de bespreking van de grieven van [appellant1] en [appellant2] kan dan ook van deze uitgangspunten worden uitgegaan.

5.2
De rechtbank heeft allereerst uiteengezet dat geen sprake is van een contractuele relatie tussen [appellant1] en Klaverblad ( [appellant2] was immers de verzekeringnemer) en ook niet tussen [appellant1] en [appellant2] en Goudse (hier was [dochter1] de verzekeringnemer). Dat betekent volgens de rechtbank dat alleen [appellant2] kan worden aangesproken op haar contractuele verplichtingen, maar dan alleen op haar contractuele verplichtingen jegens Klaverblad en dat een beroep op verval van recht (op grond van artikel 7:941 lid 2 BW) alleen succesvol kan zijn in de relatie tussen Klaverblad en [appellant2] .

5.3
De rechtbank heeft vervolgens vastgesteld dat [appellant2] en [appellant1] beiden hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Goudse en/of Klaverblad geleden schade indien kan worden vastgesteld dat zij verzekeringsfraude hebben gepleegd door opzettelijke misleiding van Goudse en/of Klaverblad, daarin bestaande dat zij valse claims hebben ingediend en daarbij al dan niet onder één hoedje hebben gespeeld. Indien dit komt vast te staan ten aanzien van de claim die heeft geleid tot de vaststellingsovereenkomst tussen [appellant1] en Klaverblad, slaagt het door Klaverblad gedane beroep op bedrog en dwaling ten aanzien van de vaststellingsovereenkomst ook.

5.4
De rechtbank heeft Klaverblad c.s. in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat [appellant1] en [appellant2] hen opzettelijk hebben misleid - en daarbij al dan niet onder één hoedje hebben gespeeld - bij het indienen en afwikkelen van de claims betreffende de gestelde ongevallen van 12 januari 2015 en 28 februari 2017.

5.5
In het eindvonnis van 14 april 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat Klaverblad c.s. het opgedragen bewijs geleverd hebben. De grieven van [appellant1] en [appellant2] betreffen de bewijswaardering door de rechtbank.

Het door Klaverblad c.s. geleverde bewijs in zijn algemeenheid

5.6
Klaverblad c.s. hebben bewijs geleverd door een groot aantal stukken in het geding te brengen. De belangrijkste stukken zijn de uitgebreide schriftelijke verslagen van de gesprekken met [dochter1] , met [appellant1] en [appellant2] en met [dochter1] en [naam2] . Daarnaast zijn als getuigen gehoord twee medewerkers van Goudse - de heer [de getuige1] , opsteller van het onderzoeksrapport van 16 januari 2019 en schaderegelaar [naam4] -, de heer [de getuige2] van Willemse en [naam2] , op het moment van het getuigenverhoor de gewezen partner van [dochter1] .

5.7
De rechtbank is eerst ingegaan op enkele stellingen van [appellant1] en [appellant2] over de bewijskracht van het door Klaverblad c.s. aangevoerde bewijs. [appellant1] en [appellant2] hebben allereerst aangevoerd dat de getuigenverklaringen van [de getuige1] , [naam4] en [de getuige2] weinig gewicht hebben, omdat deze getuigen of in dienst zijn bij Goudse of in een afhankelijkheidsrelatie tot Goudse staan. Bovendien hebben de getuigen [de getuige1] en [de getuige2] voorafgaand aan de getuigenverhoren gezamenlijk hun geheugen opgefrist, waardoor hun verklaringen gekleurd zijn. De rechtbank heeft dit betoog verworpen. Zowel [appellant1] als [appellant2] zijn het daarmee oneens. Hun bezwaren tegen dit oordeel hebben zij elk uitgewerkt in grief 1 van hun memorie van grieven.

5.8
[appellant1] en [appellant2] zijn beiden van mening dat de getuigen [de getuige1] , [naam4] en [de getuige2] in een afhankelijkheidsrelatie staan tot Goudse, zodat - begrijpt het hof hun betoog - aan hun verklaringen minder gewicht toekomt. Het hof volgt hen daarin niet. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, brengt het enkele feit dat sprake is van een zekere afhankelijkheidsrelatie tussen een getuige en een partij niet mee dat die verklaring bij voorbaat als onbetrouwbaar buiten beschouwing moet blijven. Er kan niet vanuit worden gegaan dat een werknemer of opdrachtnemer onder ede een voor zijn werkgever of opdrachtgever positieve verklaring zal afleggen, ook als die verklaring in strijd met de waarheid is, of daarmee op gespannen voet staat. In beginsel telt zo’n verklaring mee bij het bewijs, waarbij wel geldt dat de rechter bij het waarderen van het bewijs er rekening mee kan houden dat de verklaring afkomstig is van een werknemer of opdrachtnemer. Maar dat betekent niet dat aan zo’n verklaring bij voorbaat geen, of zelfs minder betekenis toekomt.

5.9
[appellant1] en [appellant2] maken er ook bij het hof een punt van dat [de getuige1] en [de getuige2] voorafgaand aan het verhoor met elkaar hebben overlegd. Net als de rechtbank vindt het hof dat dit feit op zich nog geen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van hun verklaringen. Het hof verenigt zich met wat de rechtbank daarover heeft overwogen en voegt daar nog het volgende aan toe. Een getuige mag zich voorbereiden op een verhoor, zeker wanneer dat, zoals hier, gaat om de totstandkoming van uitvoerige schriftelijke verklaringen. Dan is het zinvol om die schriftelijke verklaringen door te lezen. Dat maakt het gemakkelijker om de context van vragen over die verklaringen te doorgronden en de vragen daardoor adequaat te beantwoorden. Dat [de getuige1] en [de getuige2] voorafgaand aan de getuigenverhoren met elkaar contact hebben gehad, doet evenmin per definitie af aan de betrouwbaarheid van die verklaringen en leidt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet tot de conclusie dat de getuigen niet uit eigen waarneming hebben verklaard. Het feit dat [de getuige1] dat contact karakteriseert als het samen opfrissen van het geheugen en [de getuige2] , wat zuiniger, aangeeft dat ze hebben gesproken over de data van de verschillende gesprekken na aanvankelijk verklaard te hebben dat er niet inhoudelijk is gesproken, betekent niet dat de verklaring van Willemse onbetrouwbaar is. Het hof merkt in dit verband op dat “het opfrissen van het geheugen” een nogal algemene inhoudelijke typering van een gesprek is en dat het op een rij zetten van de data waarop gesprekken hebben plaatsgevonden ook onder die typering te brengen valt.

5.10 (
Alleen) [appellant1] heeft nog (expliciet) bezwaar gemaakt tegen de volgende overweging van de rechtbank:
Bovendien zijn de getuigen in deze zaak niet gehoord over een routinematige kwestie, die in de regel weinig indruk zal hebben gemaakt, maar over ernstige verdenkingen van fraude”.
Volgens [appellant1] heeft de rechtbank, zonder dat de getuigen dat hebben verklaard, ten onrechte zonder meer aangenomen dat het onderzoek in deze kwestie veel indruk op hen heeft gemaakt. Dat bezwaar berust op een verkeerde lezing van de overweging. De rechtbank heeft niet meer overwogen dan dat het onderzoek waarover de getuigen [de getuige1] , [de getuige2] en [naam4] hebben verklaard geen routinekwestie was, maar een ernstige fraudekwestie. Daarmee heeft de rechtbank terecht tot uitdrukking gebracht dat de kwestie waarnaar de genoemde getuigen onderzoek deden geen ‘dertien in een dozijn zaak’ betrof. Het ligt voor de hand dat een betrokkene aan een bijzondere zaak meer herinnering heeft dan aan een doorsneezaak.

5.11
De conclusie is dat grief 1 van [appellant1] en [appellant2] geen doel treft.

5.12
Grief 2 van [appellant1] betreft de verklaringen van [dochter1] en [naam2] . Volgens [appellant1] zijn deze verklaringen niet betrouwbaar, allereerst omdat in elk geval [dochter1] op de door haar afgelegde verklaringen wilde terugkomen, en vervolgens omdat zij en (zeker) [naam2] maar zeer beperkt zicht hadden op de gebeurtenissen die in dit geschil centraal staan. [dochter1] en haar vader hadden in de periode waar het hier om gaat maar weinig contact, [naam2] had nog minder contact met [appellant1] .

5.13
Het hof volgt [appellant1] niet in dit betoog. Allereerst hebben [de getuige1] en [de getuige2] tweemaal een uitvoerig gesprek gehad met [dochter1] . Het tweede gesprek is ook gehouden met [naam2] . Van beide gesprekken zijn uitgebreide verslagen gemaakt, een van tien pagina’s en een van acht pagina’s. Het eerste verslag is een uitwerking van een deels (voor wat betreft de antwoorden) handgeschreven verslag (de vragen waren al wel uitgetypt. [dochter1] heeft alle bladzijden van dat (deels handgeschreven) verslag van haar handtekening voorzien.
Het verslag van het tweede gesprek is naar [dochter1] en [naam2] gestuurd, met het verzoek om te laten weten of zij konden instemmen met de weergave. [dochter1] en [naam2] hebben niet op dit verzoek, en evenmin op een herinnering, gereageerd. Pas enkele maanden later - in januari 2019 - hebben ze elk een, gelet op de bewoordingen, gelijkluidende verklaring ondertekend. Die verklaring houdt in dat zij zich distantiëren van alle uitspraken die zij in hun contacten met [de getuige1] en [de getuige2] hebben gedaan. De verklaringen zouden niet “zo uitgesproken zijn” en onder druk zijn afgelegd, waarbij Goudse de uitspraken zonder toestemming op papier heeft gezet.

5.14
Uit deze verklaringen volgt dat [dochter1] en [naam2] op het moment dat zij de verklaring ondertekenden niet gelukkig waren met het feit dat zij in gesprekken met [de getuige1] en [de getuige2] (uitgebreide) verklaringen hebben afgelegd. Maar dat betekent nog niet dat zij die verklaringen niet hebben afgelegd, of dat de verklaringen verkeerd zijn weergegeven. Dat schrijven ze wel, en [appellant1] neemt dat ook over, maar dat wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Onduidelijk is op welke punten in de gespreksverslagen het gesprek onjuist is weergegeven. In dit verband is van belang dat [dochter1] , zoals gezegd, het handgeschreven deel van het verslag van het eerste gesprek met haar per pagina van haar handtekening heeft voorzien en dat Klaverblad c.s. een bandopname van het gesprek met [appellant1] en [appellant2] heeft overgelegd, zonder dat [appellant1] heeft aangegeven op welke punten het verslag afwijkt van de opname. Bovendien kon [naam2] als getuige desgevraagd niet verklaren op welke punten het gespreksverslag onjuist was. Uit zijn verklaring leidt het hof af dat [dochter1] en [naam2] , door [appellant1] geconfronteerd met de voor [appellant1] en [appellant2] nadelige consequenties van het verslag, op hun schreden wilden terugkeren. “De reden [hof: van het tekenen van de in punt 5.13 vermelde verklaring] is dat ik schrok van de consequenties en omdat de verklaring niet klopte”. Die tweede reden heeft [naam2] dus niet uitgewerkt en hij kon er tijdens het getuigenverhoor ook geen inhoud aan geven: “Op welk punt het verslag niet klopt durf ik niet te zeggen”. De stelling van [appellant1] dat Klaverblad c.s. de gesprekken en de verslagen ervan zonder toestemming van [dochter1] en [naam2] niet in deze procedure mogen gebruiken, heeft hij niet onderbouwd. Het hof gaat er dan ook aan voorbij.

5.15
Voor zover [appellant1] met zijn grief wil bereiken dat de gespreksverslagen niet mogen worden gebruikt voor het bewijs, slaagt hij daarin gezien het voorgaande niet. In zoverre faalt de grief. Het hof gaat ervan uit dat de verslagen een correcte weergave zijn van wat is besproken en dat [dochter1] , [naam2] , [appellant1] en [appellant2] hebben gezegd wat daarover in de verslagen is vermeld. Dat betekent nog niet dat wat zij gezegd hebben ook inhoudelijk juist is. Het antwoord op de vraag of en in hoeverre dat aannemelijk, is zal het hof hierna geven. Het hof zal bij dat antwoord ook betrekken wat [appellant1] in zijn grief heeft opgemerkt over de beperkte contacten tussen hem en zijn dochter en (gewezen) schoonzoon.

Bewijs van fraude tegenover Klaverblad

5.16
De rechtbank oordeelde dat bewezen is dat [appellant1] en [appellant2] samen de bedoeling hebben gehad om Klaverblad door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claim voor het ongeval van 12 januari 2015 te bewegen een uitkering te verstrekken die Klaverblad zonder die mededelingen niet zou hebben verstrekt. De rechtbank baseerde dit oordeel op een zestal feiten en omstandigheden. [appellant1] en [appellant2] zijn het niet met dit oordeel eens. In hun grieven - grief 3 van [appellant1] en grief 2 van [appellant2] - tegen dit oordeel gaan zij in op elk van de door de rechtbank vermelde feiten en omstandigheden. Omdat zij, in de kern, dezelfde argumenten gebruiken, zal het hof hun grieven tezamen bespreken.

5.17
Op het aangifteformulier heeft [appellant2] vermeld dat zij niet in enige relatie staat tot [appellant1] . Dat is onjuist. Niet alleen zijn [appellant2] en [appellant1] gehuwd geweest en hebben zij samen twee kinderen, zij hebben na hun scheiding intensief contact met elkaar gehouden. In het gesprek met [dochter1] van 26 januari 2018 heeft [dochter1] verklaard dat haar ouders elkaar dagelijks spreken en dat zij voor elkaar zorgen. In het gesprek met [dochter1] en [naam2] van 16 oktober 2018 hebben zij verklaard dat [appellant1] en [appellant2] weliswaar formeel gescheiden zijn maar in de praktijk gewoon samenleven en voor elkaar zorgen. In het gesprek van 27 juni 2018 heeft [appellant2] tweemaal verklaard dat zij de mantelzorger van [appellant1] is.
[appellant2] en [appellant1] zijn dus niet alleen ex-echtgenoten, maar onderhouden nog steeds intensief contact met elkaar. Door ondanks deze situatie de vraag in welke relatie zij tot [appellant1] staat met “geen” te beantwoorden, heeft [appellant2] Klaverblad onjuist geïnformeerd. De onjuiste informatieverstrekking betreft een relevant onderwerp: het maakt voor de beoordeling van een schadeclaim verschil of het slachtoffer en de verzekerde, de mogelijk aansprakelijke partij, in een relatie tot elkaar staan en hoe intensief die relatie is, al is het alleen al om te kunnen beoordelen of de verzekerde ook een (financieel) belang heeft bij de afwikkeling van de claim.

5.18
Dat laatste volgt ook wel uit een andere door de rechtbank vastgestelde omstandigheid: de betrokkenheid van [appellant2] bij de bankrekening waarop Klaverblad de aan [appellant1] toegekende vergoeding heeft betaald. Klaverblad heeft de vergoeding (bestaande uit voorschotten en een slotuitkering) overgemaakt op een rekening op naam van [dochter2] . [appellant2] was gemachtigde tot deze rekening en heeft daarvan gebruik gemaakt door tientallen malen contante bedragen van deze rekening op te nemen. Het grootste deel van de ontvangen vergoeding is door haar van de rekening opgenomen.

5.19
De rechtbank is ervan uitgegaan dat [appellant2] , onder de naam J. (of R.) [naam3] - beide voorletters zijn een keer genoteerd -, aanwezig is geweest bij diverse gesprekken die door de schaderegelaar van Klaverblad, de heer [naam6] , met [appellant1] zijn gehouden. Deze mevrouw [naam3] zou volgens de overgelegde gespreksverslagen een vriendin van [appellant1] zijn, die werkte voor Slachtofferhulp. Uit de verslagen van [naam6] blijkt dat steeds dezelfde persoon bij de gesprekken aanwezig is geweest. Daarnaast was bij een van de gesprekken de dochter van [appellant1] een deel van het gesprek aanwezig. De gesprekken vonden ook plaats in het huis van deze dochter aan het adres [adres] te [woonplaats1] , het adres van [dochter1] .
heeft in het gesprek van 16 oktober 2018 volgens het gespreksverslag verklaard dat haar moeder, [appellant2] dus, bij de gesprekken met Klaverblad aanwezig was:
[dochter1] zegt zeker te weten dat haar moeder bij al die gesprekken aanwezig is geweest.

[dochter1] gaf aan dit zeker te weten omdat zij weleens terug bij haar woning kwam, terwijl het gesprek van haar ouders met de medewerkers van Klaverblad nog niet afgerond was.

Dan hield zij zich buiten in de buurt nog even op of ging haar woning binnen op het moment dat de twee medewerkers van Klaverblad haar woning verlieten. Zij heeft toen nooit iemand anders gezien dan de twee mannen van Klaverblad en haar vader en moeder.

Daar was zeker geen andere vrouw bij dan haar moeder [appellant2] . [dochter1] gaf aan dat haar vader nooit zonder zijn (ex) vrouw dergelijke gesprekken zou voeren.

Vervolgens is haar gevraagd of ze een "mevrouw [naam3] " kent. [naam2] en [dochter1] gaven aan dat zij geen kennis of vriendin van haar ouders kennen met de naam [naam3] . Wel kennen zij zelf een vrouw met de naam [naam3] . Dat is niet de geboortenaam van die vrouw, maar deze vrouw is getrouwd met ene [naam3] . Deze vrouw zou zeker door de medewerkers van Klaverblad herkend moeten worden vanwege haar buitenlandse accent. Deze mevrouw [naam3] werkt volgens [dochter1] zeker niet bij Slachtofferhulp. Zij kent haar als ouder van één van de kinderen van de school van haar eigen kinderen.”

5.20
Met dit gespreksverslag hebben Klaverblad c.s. het bewijs geleverd dat [appellant2] onder een andere naam, die van mevrouw [naam3] , aan de gesprekken met de schaderegelaar van Klaverblad heeft deelgenomen. Bij die stand van zaken lag het op de weg van [appellant1] en [appellant2] om tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door de bewuste mevrouw [naam3] als getuige te laten horen, of tenminste door een schriftelijke verklaring van deze mevrouw [naam3] in het geding te brengen. Dat zij dat niet konden, omdat zij de contactgegevens van die mevrouw [naam3] niet meer hadden, vindt het hof ongeloofwaardig. Allereerst heeft deze mevrouw zich volgens de gespreksverslagen van [naam6] bekend gemaakt als een vriendin van [appellant1] . Als zij echt bestaat, ligt het niet voor de hand dat [appellant1] haar contactgegevens niet meer heeft en al helemaal niet dat hij, als hij de gegevens niet meer zou hebben, die ook niet meer kan achterhalen. Bovendien heeft [appellant1] tijdens het gesprek van 26 september 2017 verklaard dat [appellant2] contact heeft gehad met [naam3] . Ook in het licht daarvan is de stelling van [appellant1] en [appellant2] dat zij [naam3] niet kunnen bereiken weinig overtuigend.

5.21
De rechtbank is er dan ook terecht van uitgegaan dat [appellant2] , onder de naam van een ander, aanwezig was bij de gesprekken over de afwikkeling van de door [appellant1] gestelde schade bij het incident met de hond. [appellant2] was dan ook niet alleen actief bij deze schadeafwikkeling betrokken, maar zij deed dat ook onder een andere naam. [appellant1] en [appellant2] hebben geen verklaring gegeven voor het feit dat [appellant2] niet onder haar eigen naam aan de gesprekken deelnam. Zij hebben het daardoor ontstane beeld niet kunnen wegnemen dat zij welbewust hebben willen maskeren dat [appellant2] , de aansprakelijke partij, en [appellant1] , de benadeelde, elkaar zeer goed kenden. Het feit dat [appellant1] en [appellant2] tot het laatst toe hebben volgehouden dat niet [appellant2] maar mevrouw [naam3] de gesprekken heeft bijgewoond, versterkt dat beeld alleen nog maar.

5.22
De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat [appellant1] en [appellant2] in het kader van de afwikkeling van de claim bij Goudse onjuiste verklaringen hebben afgelegd over het ongeval met de hond. [naam4] heeft in zijn rapport van het bezoek dat hij op 26 september 2017 aan [appellant1] heeft gebracht, waarbij ook [appellant2] aanwezig was, onder het kopje “eerdere ongevallen” genoteerd dat [appellant1] vijf jaar geleden met de fiets is gevallen en daarbij letsel aan het linkeroor heeft opgelopen. Aansprakelijkheid was niet aan de orde omdat de eigenaar van de hond die tegen de fiets van [appellant1] liep niet bekend was, aldus het bezoekrapport. Als getuige heeft [naam4] daarover verklaard:
Mijn vraag is altijd: is er sprake geweest van eerdere ongevallen. Deze vraag heb ik toen ook gesteld. Het antwoord was dat er vijf jaar eerder een ongeval was geweest waarbij een hond tegen zijn fiets aan kwam. [appellant1] zei uitdrukkelijk dat daar geen aansprakelijke partij voor was. Hij zei daarbij dat de eigenaar van de hond niet bekend was geworden. Volgens mij gaf hij aan dat hij daarbij letsel aan zijn linker oor had opgelopen. Dat is het enige andere ongeval waar hij over heeft gesproken. Ik ka[n] me niet herinneren dat mevrouw [appellant2] over dat eerdere ongeval iets heeft gezegd.”

5.23
In het licht van het heldere bezoekrapport en de daarop aansluitende getuigenverklaring van [naam4] hebben [appellant1] en [appellant2] hun betoog onvoldoende onderbouwd dat zij niet zelf hebben gezegd dat het ongeval met de hond vijf jaar geleden heeft plaatsgevonden en dat daarvoor geen schadevergoeding is verkregen omdat de eigenaar van de hond onbekend was, maar dat [naam4] zelf begon over een ongeval vijf jaar geleden. En zelfs indien [naam4] zou zijn begonnen over een ongeval van vijf jaar geleden, valt niet in te zien waarom [appellant1] en [appellant2] hem dan niet uit de droom zouden helpen door aan te geven dat [appellant1] twee jaar geleden een ongeval had gehad, dat daarbij een hond van [appellant2] betrokken was en dat die schade eind december 2016 was afgewikkeld met de verzekeraar van [appellant2] .

5.24
Volgens de rechtbank komen de verklaringen van [appellant1] en [appellant2] over de toedracht van het ongeval niet overeen met die van [dochter1] en [naam2] , die erop hebben gewezen dat [appellant1] en [appellant2] samen voor hun acht honden zorgen en die honden om beurten uitlaten, zodat het onwaarschijnlijk is dat [appellant2] en [appellant1] gelijktijdig buiten zijn geweest. Volgens [appellant1] en [appellant2] hebben zij geen acht honden en wonen zij bovendien niet samen, zodat het heel goed mogelijk is dat ze tegelijkertijd buiten zijn, zonder dat onderling af te stemmen.

5.25
Het hof volgt [appellant1] en [appellant2] in hun betoog. Daargelaten of [appellant1] en [appellant2] acht honden hebben, vindt het hof de verklaring van [dochter1] en [naam2] op dit punt weinig overtuigend. De verklaring is niet gebaseerd op door [dochter1] en [naam2] geconstateerde feiten, maar op een redenering. Die laat bovendien te wensen over, omdat niet valt in te zien waarom [appellant1] , die een eigen woning heeft, niet buiten kan zijn op een moment dat [appellant2] , die elders haar woning heeft, (enkele van) de honden uitlaat. Het hof zal deze omstandigheid dan ook niet in aanmerking nemen.

5.26
De rechtbank heeft van betekenis geacht dat de door Klaverblad verstrekte schade-uitkering niet is besteed aan de schadeposten waarvoor de uitkering (mede) bedoeld was. [appellant1] heeft onder meer een uitkering ontvangen voor de aanschaf van nieuwe vloerbedekking (vanwege duizeligheid zou hij vaak vallen en om die reden was het verstandig om ‘zachte’ vloerbekleding te hebben in plaats van de bestaande ‘harde’). Volgens [appellant1] en [appellant2] heeft [appellant1] weldegelijk vloerbedekking aangeschaft. Zij verwijzen naar een factuur van een woninginrichtingsbedrijf. Die factuur overtuigt echter niet. Allereerst blijkt uit de factuur niet wat is aangeschaft. Belangrijker is dat de factuur dateert van juli 2017. [appellant1] is in de loop van 2017 naar een andere woning verhuisd (het op de factuur vermelde adres is het nieuwe adres), zodat uit de factuur niet volgt dat in de oude woning vloerbedekking is gelegd. De vloerbedekking was wel voor die woning bestemd, omdat [appellant1] bij Klaverblad een offerte heeft ingediend van Dobben Wooncentrum voor het leggen van tapijt van december 2015. De verklaring van [dochter1] en [naam2] dat geen vloerbedekking is gelegd in de woning van hun (schoon)vader, wordt dan ook niet weerlegd door de overgelegde factuur. Voor de overgelegde factuur van de Hubo geldt hetzelfde: de factuur betreft schildersbenodigdheden en een “beugel standaard” en dateert bovendien van mei 2017, zodat daarmee allerminst is aangetoond dat voorzieningen zijn aangebracht in het toilet van de ‘oude woning’ van [appellant1] , terwijl [appellant1] ook hiervoor een offerte van december 2015 heeft ingediend bij Klaverblad.

5.27
Aan de door de rechtbank vastgestelde en hiervoor door het hof overgenomen relevante feiten en omstandigheden, voegt het hof er nog twee toe.
De eerste omstandigheid betreft de gevolgen van het [appellant1] naar eigen zeggen overkomen ongeval. In de gesprekken met [naam4] over de afwikkeling van het ongeval met de hond is door [appellant1] aangegeven dat hij ernstig beperkt was door dit ongeval. Zo zou hij vanwege duizeligheid niet meer kunnen fietsen, was autorijden onverantwoord (hij werd door anderen gereden), was hij aangewezen op een scootmobiel (Klaverblad heeft een vergoeding betaald voor de aanschaf van een scootmobiel) en kon hij zijn honden niet meer zelf uitlaten. [dochter1] en [naam2] hebben in het gesprek van 16 oktober 2018 verklaard dat zij nooit iets van letsel bij [appellant1] hebben gemerkt of vernomen. [appellant1] heeft volgens [naam2] ook steeds zijn honden zelf uitgelaten en [naam2] en [dochter1] hebben hem nooit in een scootmobiel zien rijden. In het gesprek van 28 februari 2017 heeft [dochter1] verklaard dat haar vader ook vóór het door hem gestelde fietsongeval dagelijks zelf autoreed. De door [appellant1] aan zijn claim op Klaverblad ten grondslag gelegde klachten en beperkingen worden dan ook niet door [dochter1] en [naam2] , zijn dochter en schoonzoon, herkend. Dat is, ook indien geen sprake is van intensief contact, merkwaardig, omdat [dochter1] wel dagelijks contact had met haar moeder, die, zoals hiervoor is vastgesteld, intensief contact had met [appellant1] .

5.28
De tweede door het hof toe te voegen omstandigheid is dat [appellant1] en [appellant2] in een periode van vier jaar driemaal gezamenlijk betrokken zijn bij ongevallen, waarbij één van hen schade heeft geleden en waarvoor de ander, of diens verhuurder, aansprakelijk zou zijn, te weten het ongeval met de brommer in 2013, het ongeval met de hond in 2015 en het ongeval met de trapleuning in 2017. Deze samenloop van ongevallen is uiterst onwaarschijnlijk. In het gesprek met [dochter1] en [naam2] van 16 oktober 2018 heeft [dochter1] een verklaring voor deze samenloop: “ gaf aan dat zij tijdens en na ons eerdere interview ontdekte dat er meer aan de hand was. En zeker nadat zij tijdens het gesprek met haar ouders en de heer [naam5] meer informatie verkreeg over andere schadeclaims van haar ouders, kwam zij er achter dat er veel ongeloofwaardige zaken werden geclaimd waarbij haar vader en moeder elkaar over en weer aansprakelijk stelden en letsel hebben geclaimd.
Zowel [naam2] als [dochter1] vinden ook deze eerdere claims (die van Klaverblad en Unigarant) op z’n minst ongeloofwaardig. [dochter1] illustreert dat aan de hand van de claim over de trapleuning:
Het feit dat de trapleuning niet goed bevestigd was zou, volgens [dochter1] , haar vader aangegrepen hebben om Woonservice Westerbork voor de letselschade van mevrouw [appellant2] aansprakelijk te stellen. Mevrouw [appellant2] had echter juist in die tijd een ontstoken oog en dat oog was helemaal dik daardoor. Het leek alsof ze er op gevallen was. Toen hebben haar ouders (haar vader voornamelijk) bedacht dat ze daar gebruik van konden maken. Zij hebben toen geclaimd dat zij door die kapotte trapleuning was komen te vallen en daarbij letsel had opgelopen, terwijl van het vallen helemaal geen sprake was.

Tussenconclusie

5.29
Uit het voorgaande volgt dat [appellant1] en [appellant2] hebben verzwegen dat zij elkaar zeer goed kenden, en dat het dus ging om een incident tussen personen die een goede, zelfs intensieve relatie tussen elkaar onderhielden, dat [appellant2] , onder een andere naam bij de afwikkeling van de claim betrokken was, dat de vergoeding op een bankrekening is gestort waarover zij het beheer voerde, dat er grote twijfels zijn over de gestelde klachten en beperkingen van [appellant1] en, daarmee samenhangend, over enkele schadeposten en dat zich de onwaarschijnlijke en ongeloofwaardige situatie voordoet dat [appellant1] en [appellant2] in vier jaar tijd gezamenlijk betrokken zijn bij drie ongevallen, terwijl uit de verklaring van hun dochter volgt dat zij ongevallen ensceneerden om schade te kunnen claimen bij een verzekeraar.
Met deze feiten en omstandigheden is naar het oordeel van het hof bewezen dat [appellant1] en [appellant2] samen de bedoeling hebben gehad om Klaverblad door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claim voor het ongeval van 12 januari 2015 te bewegen een uitkering te verstrekken die Klaverblad zonder die mededelingen niet zou hebben verstrekt. Daarmee is dus het bewijs geleverd dat Klaverblad volgens het tussenvonnis van 15 april 2020 moest leveren. De bezwaren van [appellant1] en [appellant2] tegen het oordeel van de rechtbank dat dat bewijs geleverd is, falen dan ook.

Bewijs van fraude tegenover Goudse

5.30
De rechtbank oordeelde ook dat bewezen is dat [appellant1] en [appellant2] samen de bedoeling hebben gehad om Goudse door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claim voor het ongeval van 28 februari 2017 te bewegen een uitkering te verstrekken die Goudse zonder die mededelingen niet zou hebben verstrekt. De rechtbank baseerde dit oordeel op zeven feiten en omstandigheden. [appellant1] en [appellant2] zijn het ook met dit oordeel oneens. In hun grieven - grief 4 van [appellant1] en grief 3 van [appellant2] - lichten zij hun bezwaren toe. Het hof zal hun bezwaren hierna bepreken.

5.31
De rechtbank heeft allereerst in aanmerking genomen dat [appellant2] met een volgens de rechtbank valse reden de locatie voor de met Goudse gemaakte afspraak voor een eerste bespreking van de claim heeft verplaatst. Ook indien de door [appellant2] opgegeven reden onjuist is, ziet het hof niet in waarom deze omstandigheid kan bijdragen aan het door Goudse te leveren bewijs. Er volgt hooguit uit dat [appellant2] ook betrokken was bij het afwikkelen van de claim, in die zin dat zij aanwezig was bij het gesprek van Goudse met [appellant1] naar aanleiding van diens claim. Het hof zal deze omstandigheid dan ook buiten beschouwing laten.

5.32
Onder c tot en met g heeft de rechtbank omstandigheden opgesomd die pleiten tegen de lezing van [appellant1] over de toedracht van het ongeval (zijn kleinzoon zou tegen hem zijn aangefietst), waardoor hij ten val zou zijn gekomen, daarbij letsel zou hebben opgelopen, schade aan zijn door hemzelf zes jaar tevoren gekochte fiets hebben opgelopen en schade vanwege de kosten van huishoudelijke hulp, de kosten van het uitlaten van zijn honden, voor chauffeursdiensten en voor zijn tuinonderhoud en de aanschaf van vloerbedekking hebben geleden. De rechtbank heeft zich daarbij vooral gebaseerd op de verklaringen van [dochter1] en [naam2] . Volgens [appellant1] zijn deze verklaringen niet betrouwbaar. Hiervoor heeft het hof al overwogen dat deze verklaringen wel voldoende betrouwbaar zijn, zodat dat argument van [appellant1] faalt. Daar komt bij dat [appellant1] de concrete verklaring van [naam2] over de beschadigde fiets - het betrof een oude fiets van [naam2] , die [naam2] aan [appellant1] heeft gegeven - niet heeft weersproken en de mogelijkheid om onbenut heeft gelaten aan te tonen dat hij wel degelijk kosten heeft gemaakt wegens het uitlaten van zijn honden en voor huishoudelijke hulp. In het gesprek met [appellant1] en [appellant2] van 27 juni 2018 heeft [appellant1] , desgevraagd, aangegeven dat hij niet de namen wilde geven van degenen die hem zouden hebben geholpen met de hiervoor vermelde activiteiten. Het hof overweegt in dit verband nog dat [dochter1] en [naam2] hebben verklaard dat zij niets hebben gemerkt van klachten of beperkingen van [appellant1] als gevolg van het door hem gestelde ongeval met de fiets.

5.33
[dochter1] heeft verklaard dat zij ongeveer tien dagen na de datum waarop het ongeval zou hebben plaatsgevonden daarvan vernam. Haar zoontje, die het ongeval veroorzaakt zou hebben, en haar moeder, die zoals gezegd intensief contact met [appellant1] had en met wie zij dagelijks contact had, hadden haar daar niets over verteld. Zij had ook van niemand anders iets over een ongeval van haar vader gehoord. Daar komt bij dat [dochter1] heeft verklaard dat zij niet wist dat haar vader haar zoontje op de bewuste dag naar school had gebracht. Haar moeder deed dat altijd als zijzelf niet kon, haar vader nooit.

5.34
Met de hiervoor vermelde omstandigheden acht ook het hof bewezen dat [appellant1] verkeerde informatie heeft verstrekt aan Goudse met de bedoeling Goudse te bewegen op basis van die die onjuiste informatie een uitkering aan hem te doen. Het hof neemt bij dit oordeel allereerst in aanmerking dat [appellant1] niet heeft aangeboden tegenbewijs te leveren, bijvoorbeeld door zichzelf en/of [appellant2] als getuig(n) te doen horen over de toedracht van het ongeval en de gang van zaken rond het (al dan niet door hem) naar school brengen van zijn kleinzoon op de bewuste dag. Het hof neemt bij dit oordeel ook in aanmerking dat [appellant1] betrokken is geweest bij meerdere ongegronde, of tenminste dubieuze, schadeclaims zoals die bij Klaverblad en Vivat.

5.35
[appellant2] heeft de door de rechtbank onder c tot en met g vermelde omstandigheden niet bestreden, maar heeft aangevoerd dat die geen betrekking hebben op haar. Het gaat om mededelingen van [appellant1] , die niet aan haar kunnen worden tegengeworpen, meent zij. Het hof volgt haar niet in dit betoog. Uit wat eerder is overwogen, volgt dat [appellant1] en [appellant2] bij diverse claims samen optrokken. Dat was ook bij deze claim weer het geval. [appellant2] was aanwezig bij de gesprekken met [naam4] bij het gesprek met [de getuige1] en [de getuige2] van 27 juni 2018. Zij was er dan ook bij aanwezig toen [appellant1] in deze gesprekken onjuiste informatie verstrekte en heeft niet ingegrepen. Dat die informatie onjuist was, heeft het hof hiervoor vastgesteld. Dat kon zij wel doen, omdat zij beschikte over de juiste informatie. Zij behoorde ook in te grijpen, omdat zij ook wist dat [appellant1] met het verstrekken van deze onjuiste informatie ten onrechte een schade-uitkering van Goudse wilde verkrijgen. Door [appellant1] juist te steunen in plaats van hem te corrigeren, heeft zij meegewerkt aan het plegen van verzekeringsfraude door [appellant1] .

Tussenconclusie

5.36
De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft beslist dat het te leveren bewijs geleverd is en dat zij jegens Goudse onrechtmatig hebben gehandeld. De grieven van [appellant1] en [appellant2] falen dus. Zij zijn dan ook hoofdelijk aansprakelijk voor de door Goudse geleden schade.

Slotconclusie

5.37
De grieven van [appellant1] en [appellant2] falen. Het hof zal het eindvonnis van de rechtbank bekrachtigen en [appellant1] en [appellant2] veroordelen in de proceskosten (geliquideerd salaris: 1 punt, tarief IV), te vermeerderen met nasalaris. ECLI:NL:GHARL:2022:771


SCHADEBEHANDELING FRAUDE EN TERUGVORDERING, terugvordering

GHSHE 010222 gelaedeerde wordt -ihkv verweer tegen vordering uit onverschuldigde betaling- uitgenodigd schade nader te onderbouwen

in vervolg op:
GHSHE 051021 persoonlijk onderzoek voldoet niet aan eisen van proportionaliteit en subsidiaritei; uitlatingen partijen tzv gestelde fraude en schade

en
GHSHE 280420 Gedragscode Persoonlijk Onderzoek; comparitie ivm feitelijke gang van zaken
- art. 7:941 lid 5 BW nvt in WAM-zaken

9
De verdere beoordeling

9.1.
Het hof heeft in het tussenarrest van 5 oktober 2021 beide partijen in de gelegenheid stellen zich gelijktijdig bij akte uit te laten over het gewenste vervolg, waarbij tevens Reaal zich zal kunnen uitlaten of zij inderdaad wenst te worden toegelaten tot het bewijs dat [appellant] vanaf het begin, dus vanaf medio oktober 2014, de door hem gestelde klachten ten gevolge van het ongeluk heeft voorgewend.

[appellant] is uitgenodigd zich bij gelijktijdige akte uit te laten over de door hem gestelde schade en deze nader te specificeren onder overlegging van een berekening en ondersteunende stukken zoals facturen e.d. en daarbij tevens zo mogelijk al eventuele bewijsmiddelen te duiden.

Bij de bepaling van de termijn voor uitlaten is - aldus het tussenarrest - tevens rekening gehouden worden met het bieden van de mogelijkheid van onderhandelingen tussen partijen, waarbij het tussenarrest kon worden betrokken.

Bewijslevering gestelde fraude?

9.2.1.
NN heeft allereerst aangegeven dat VIVAT Schadeverzekeringen N.V. is overgenomen door NN. De procesnaam van geïntimeerde is door NN dienovereenkomstig aangepast. [appellant] heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt zodat ook het hof voortaan de aangepaste procesnaam zal gebruiken, als ook al in de kop van dit arrest opgenomen.

9.2.2.
NN heeft aangegeven , mede gezien het hof eerder heeft overwogen, in deze beroepsprocedure af te zien van verdere bewijslevering ten aanzien van haar stelling dat [appellant] zijn klachten simuleert.

9.2.3.
NN heeft voorts bericht dat overeenkomstig de bedoeling van het hof NN gepoogd heeft om de zaak met [appellant] te regelen. Deze poging was tevergeefs. Partijen zitten met hun voorstellen te ver uit elkaar.

NN heeft aangegeven het vervolg van de procedure graag zo te zien dat het hof - na de huidige aktewisseling - een fysieke mondelinge behandeling van de zaak beveelt, met de bedoeling om de procespartijen te begeleiden bij het bereiken van een eindregeling in deze procedure en de letselzaak.
Gedurende een dergelijke zitting kan eventueel ook – aldus NN - het verdere verloop van de procedure worden besproken, mochten de onderhandelingen op niets uitlopen.

9.2.4.
[appellant] heeft geen antwoordakte genomen, maar zich op de rol van 14 december gerefereerd aan zijn op 30 november 2022 genomen akte, onder de mededeling dat hij wenst dat deze als herhaald en ingelast door het hof zal worden beschouwd.

9.2.5.
Het hof begrijpt de reactie van [appellant] aldus dat hij niet afwijzend staat ten aanzien van de door NN voorgestelde comparitie van partijen met het daarbij voorgestelde doel.
Het hof zal – nu het inderdaad uit proceseconomisch oogpunt zinvol lijkt te bezien of een eindregeling, in plaats van voortzetting van deze procedure en vervolgens een eventuele nieuwe procedure ter vaststelling van de klaarblijkelijk door [appellant] gewenste schadevergoeding – een dergelijke comparitie bevelen.

Omvang van het door [appellant] geleden letsel?

9.3.
Bij akte van 30 november 2021 heeft [appellant] vier producties in het geding gebracht, te weten:
- productie 4: een afschrift uit het huisartsenjournaal (Huisartsenpraktijk [huisartsenpraktijk] ) aangaande [appellant] (productie 4) met daarin opgenomen o.a. in de sub rubriek “Nek/schouderklachten” de navolgende medische constateringen op 19 januari 2015,

“ Specialisten bericht gekoppeld NEU: Conclusie: Conclusie: Klassiek whiplash injury, met herkenbare restklachten “

en op 26 januari 2015 de aantekening (waarbij het hof typefouten heeft hersteld)“
rijverbod tijdelijk is besproken, aangeraden dit nog even goed met apotheek te bespreken. Over 3 weken evaluatie, eerder bij problemen R P AM1TRIPTYLINE TABLET 25MG (HCL) /20 ST / 1D1T”;
- productie 5: een brief van de neuroloog drs. [neuroloog] van 22 februari 2019 met o.m. de volgende inhoud:
Op 13 jan 2015 hebben wij elkaar gezien op de poli neurologie ivm klassieke whiplash klachten. In mijn bespreking / brief heb ik destijds geadviseerd ontspanning te zoeken, wellicht niet via de FT, maar door wandelingen, fietsen, zwemmen, warmte. Als de nachten matig blijven evt amitryptilline 25 mg (met tijdelijk rijverbod, zie CBR richtlijn) Retour huisarts om dit verder te bespreken.”
In ons gesprek heb ik ook verteld dat het accoord is, zelfs aanbevelingswaardig, om zoveel mogelijk de gewone, dagelijkse handelingen te blijven verrichten. Dit advies geef ik namelijk altijd. Dit geldt ook voor lichte werkzaamheden, op geleide van het klachten patroon. Dit kan voor whiplash patienten zelfs heilzaam zijn, en het ziekte proces zelfs op die manier wellicht bekorten. Uiteraard allemaal binnen de grenzen die het lichaam aangeeft, door goed naar de pijnsignalen te luisteren, en steeds opbouwend hiermee om te gaan
”.

- productie 6: een rapport van Univé, toenmalig rechtsbijstandsverlener, en opgesteld door Dhr. [medisch adviseur] , medisch adviseur, op 12 mei 2015.
Pagina 1 vermeldt o.m.
Nieuwe informatie ontvangen, d.d. 16 mrt 2015 brief [huisarts] , huisarts
Betrokkene heeft na 13 februari 2015 nog eenmaal het spreekuur bezocht. Betrokkene was gestopt met de amitriptyline in verband met bijwerkingen. De pijn was niet weg maar wel hanteerbaar. Betrokkene gebruikte nog paracetamol wandelde veel en probeerde weer korte stukjes te rijden.
12 mrt 2015 brief [neuroloog] , neuroloog
Brief met kopie brief van polibezoek.
23 feb 2015 verslag [fysiotherapeut 1] , fysiotherapeut
Betrokkene werd op 20 november 2014 gezien met nekklachten, hoofdpijnklachten, misselijkheidsklachten, duizeligheid, tintelingen in de handen, verstoorde slaaphouding en was slechts in staat tot geringe fysieke inspanning. Bij onderzoek was er sprake van beperkingen in de bewegingen van de halswervelkolom. Ook waser sprake van een verhoogde spierspanning van de nek- schouderspieren. Op 30 december 2014 was er winst behaald in de bewegingen van de halswervelkolom. De laatste graden gingen gepaard met spierweerstand. Er waren duidelijke relaties te leggen tussen fysieke inspanning en de symptomen misselijkheid en duizeligheid. Betrokkene gaf aan de fysieke inspanningen in de activiteiten van het dagelijks leven goed te doseren, alsnog ontstonden dan klachten als hoofdpijn, misselijkheid en tintelingen in de handen.
13 feb 2015 brief [huisarts] , huisarts
Betrokkene heeft de neuroloog bezocht en deze heeft een klassieke whiplash injury vastgesteld. Op advies van de neuroloog had de huisarts op 26 januari 2015 een recept voor amitriptyline voorgeschreven ( ... )”

Naar aanleiding van de vraagstelling : “Graag medisch advies en antwoord op de gestelde vragen” vermeldt de medisch adviseur op pagina 2 van het rapport:
Beschouwing:
Naar mijn mening heeft betrokkene als gevolg van de achterop aanrijding op 3 oktober 2014 postwhiplashklachten opgelopen. De neuroloog sprak op 19 januari 2015 in zijn brief van herkenbare restklachten na een whiplash injury.
Medische eindsituatie: Voor postwhiplashklachten geldt dat er ongeveer 1-2 jaar na het ongeval gesproken kan worden van een medisch stabiele situatie. Gezien de nog bestaande klachten van betrokkene is deze situatie nog niet bereikt maar valt deze tussen oktober 2015 en oktober 2016 te verwachten.
Prognose: De prognose van deze klachten is in de regel goed te noemen. Het herstel verloopt in de regel met pieken en dalen. Het ene moment gaat het beter dan de andere keer. Een algeheel herstel ligt echter wel in de lijn der verwachtingen

Op pagina 3 vermeldt de medisch adviseur die de rechtsbijstandsverlener van [appellant] adviseert, het volgende:
Blijvende invaliditeit:
Gezien de nog bestaande pijnklachten is er naar mijn mening sprake van 1% BI. gehele persoon, tabel 17-2, GMFH 1, GMPE 0, GMCS n.v.t. pagina 564 e.v. AMA Guides 6 editie.
Structurele beperkingen:
Daar er bij onderzoek geen duidelijke afwijkingen zijn vastgesteld zijn er om die redenen ook geen structurele beperkingen aan te tonen als gevolg van het ongeval.
Huisartsencontrole of medische expertise:
Naar mijn mening is een huisartsencontrole of medische expertise niet noodzakelijk en kan het dossier worden behandeld op basis van het bovenstaande.
Conclusie en advies:

- Betrokkene heeft als gevolg van het ongeval postwhiplashklachten opgelopen.
- Tussen oktober 2015 en oktober 2016 valt een stabiele medische situatie te verwachten.
- Er is sprake van 1% BI. gehele persoon.
- Structurele beperkingen zijn niet aan te tonen”.

- Productie 7: een voorstel als door de schade-expert [medewerker van Personenschade] ( [Personenschade] Schade) van NN in 2015 voorgelegd aan [appellant] , onder meer luidend:
Regeling
Voor een pragmatische regeling is uitgegaan van een looptijd van twee jaar zodat de schade over deze periode € 28.632,-- bedraagt. Aan overige schadeposten is € 1.166,68 genoteerd. Dit betreft het eigen risico van de zorgverzekeraar, kosten van fysiotherapie, medische reiskosten, de kosten van huishoudelijke hulp over de eerste drie maanden na het ongeval en de nota van de boekhouder van betrokkene voor het verstrekken van het financieel overzicht.
De materiële schade bedraagt hiermee € 29.798,68. Rekening houdend met smartengeld en eventuele onvoorziene posten, houdt het regelingsvoorstel een lumpsumvergoeding in van € 34.500,--. Daar inmiddels € 7.000,-- werd bevoorschot, resteert een slotbetaling van € 27.500,--.
( ... ) De belangenbehartiger lichtte betrokkene toe dat ook in geval van een gerechtelijke procedure van hem verlangd wordt dat onderbouwing wordt aangeleverd voor het bestaan van beperkingen en de schade die daardoor geleden wordt. Afgesproken is dat betrokkene zijn beslissing terugkoppelt aan de belangenbehartiger.
Afspraken en/of behandelplan
Planning en voortgang dossier
Met betrekking tot de gemaakte afspraken verwijs ik u naar bijgevoegde brief van 1 8 augustus 2015 aan de belangenbehartiger.
Eindregeling
De reactie op het voorstel dat onder voorbehoud van uw goedkeuring aan betrokkene is gedaan, kan worden afgewacht
”.

9.5.
Voorts heeft [appellant] verwezen naar een als productie 3 aan de memorie van grieven gehechte mail van fysiotherapeut [fysiotherapeut 2] van 11 september 2018.

9.6.
[appellant] stelt dat door hem aldus in rechte voldoende bewijs is geleverd met betrekking tot het bestaan van de door hem ten gevolge van het op 3 oktober 2014, buiten zijn schuld overkomen ongeval, opgelopen ongevalsgevolgen.

9.7.
NN betwist bij haar antwoordakte – zakelijk weergegeven – dat [appellant] heeft aangetoond dat hij nog steeds ongevalsgevolgen ervaart. De thans overlegde producties alsook de genoemde productie 3 leren slechts dat [appellant] tot vier maanden na het ongeval klachten ervoer, aldus NN. Maar hieruit blijkt niet dat [appellant] niets meer kon, geen auto kon rijden of niet kon werken, of niet kon fitnessen. De fraudemelding als door NN ontvangen leert anders. NN betwist al jaren dat sprake is van het gestelde letsel en de gestelde beperkingen. Een onafhankelijk deskundigenonderzoek ontbreekt volledig, aldus NN.

9.8.1.
Het hof oordeelt voorlopig als volgt. Aan NN kan worden toegegeven dat de medische rapportages begin 2015 (maart) eindigen, en dat er klaarblijkelijk geen rapportages of berichten van daarna (met uitzondering van productie 3) tot op heden zijn overlegd en - naar het hof voorlopig begrijpt - kunnen worden overgelegd.
Zoals hierna evenwel zal blijken wenst [appellant] in het kader van de door hem gewenste eindregeling ‘slechts’ de door hem geleden schade over twee jaar, derhalve tot – althans aldus begrijpt het hof voorshands - eind (oktober ) 2016.

9.8.2.
Tijdens de hierna te gelasten comparitie van partijen zal worden besproken welke mogelijkheden [appellant] heeft om zo nodig nadere onderbouwing ter zake door hem ondervonden klachten te leveren voor de gehele periode van twee jaar als hiervoor bedoeld, dan wel een zodanige periode met daarbij horende aannemelijke schade (zie hierna) dat voldoende onderbouwd betwist is dat in ieder geval de vordering uit onverschuldigde betaling - behoudens alsdan bewijs door NN – niet kan worden toegewezen in deze procedure. Het gaat hierbij dus om een nadere onderbouwing vanaf ongeveer maart 2015 tot oktober 2016.

Omvang van de door [appellant] gestelde schade?

9.9.1.
In de akte ter rolle heeft [appellant] zijn schade nader gespecifieerd en wel op de navolgende wijze:
* Nota’s fysiotherapie, een bedrag van € 201,24;
* Eigen risico zorgverzekering, een bedrag van € 76,03;
* Factuur accountant, een bedrag van € 193,60;
* Reiskosten, een bedrag van € 25,00;
* Extra personeelskosten gedurende twee jaar, een bedrag van € 14.400,00;
* Kosten berijden paard gedurende twee jaar, een bedrag van € 8.640,00;
* Verlies zelfwerkzaamheid gedurende twee jaar, een bedrag van € 3.000,00;
* Reeds betaalde huishoudelijke hulp tot 1 januari 2015, een bedrag van € 670,80;
* Huishoudelijke hulp gedurende twee jaar, 28 weken x 3 uur x € 9,00 = € 2.592,00.

9.9.2.
Genoemde materiële kosten bedragen een totaalbedrag van groot 29.798,68, aldus [appellant] . De voornoemde materiële kosten zijn in het kader van de schaderegeling al tussen [appellant] ’ rechtsbijstandsverlener in het kader van de schaderegeling en NN besproken — en genoegzaam aangetoond, en ook is zijdens NN erkend, dat die kosten onomstotelijk vaststaan, en door NN aan [appellant] vergoed dienen te worden, aldus [appellant] .

9.9.3.
Aan de zijde van NN is aan [appellant] een eindregelingsvoorstel gedaan, dat naast voornoemde materiële schade, vervolgens rekening houdende met smartengeld en eventuele onvoorziene posten, inhoudt een totaalbetaling van groot € 34.500,00. Nu reeds een bedrag van € 7.000,00 aan [appellant] als voorschotbetaling is uitbetaald, resteert nog een door NN aan [appellant] uit te betalen slotbetaling van € 27.500,00. [appellant] neemt dat aanbod, dat aldus [appellant] NN onvoorwaardelijk heeft gedaan, thans aan. [appellant] stuit bij deze alle verjarings-en vervaltermijnen en maakt thans expliciet aanspraak op voormelde aanvullende, onverkorte uitbetaling van een slotschadevergoeding van € 27.500,00.

9.10
NN heeft de schade-opgave betwist en aangegeven dat de verschillende posten niet zijn onderbouwd, zoals het hof wel had gevraagd. Nota’s ontbraken in 2015 en thans nog steeds. Van een onvoorwaardelijk aanbod is nooit sprake geweest, zoals ook blijkt uit het rapport van [medewerker van Personenschade] dat als productie 2 bij de memorie van antwoord is overgelegd.
[appellant] heeft moeten begrijpen uit de terugvorderingsactie van NN dat het regelingsvoorstel van tafel was. Het recht om het voorstel alsnog te aanvaarden is door tijdsverloop verwerkt, aldus NN.

9.11.
Het hof oordeelt voorshands als volgt. Het hof vermag allereerst niet aanstonds in te zien waarom [appellant] meent dat van een onvoorwaardelijk aanbod sprake is geweest. Het hof neemt hierbij in aanmerking de door [appellant] zelf overgelegde productie 7, zijnde het slot van het expertiserapport dat eerder door NN als productie 2 bij memorie van antwoord integraal is overgelegd, en wel de laatste alinea van het citaat daaruit in onderdeel 9.4 ‘(dat onder voorbehoud van uw goedkeuring aan betrokkene is gedaan’) en het door NN zelf aangehaalde citaat op pagina 1 van dat rapport. Mogelijk kan [appellant] dat tijdens de comparitie van partijen nader kan toelichten en zo nodig nadere stukken dienaangaande in het geding brengen.

9.12.
Aangaande de opgevoerde schadeposten stelt het hof met NN vast dat stukken als facturen en/of betaalbewijzen ontbreken voor – in feite – alle gestelde schadeposten.
In onderdeel 6.15.2 van het tussenarrest van 5 oktober 2021 heeft het hof overwogen: “[appellant] zal zijnerzijds bij gelijktijdige akte de door hem gestelde schade nader kunnen specificeren onder overlegging van een berekening en ondersteunende stukken zoals facturen e.d. en daarbij tevens zo mogelijk al eventuele bewijsmiddelen duiden”.
Ondanks deze duidelijke instructie tot specificatie en onderbouwing heeft [appellant] deze stukken nog niet overlegd.

Uit het dossier – zoals door NN opgemerkt - blijkt dat deze stukken in augustus 2015 ook niet beschikbaar waren. Het ontbreken van dergelijke cruciale stukken heeft ongetwijfeld het recent vinden van een minnelijke oplossing mede belemmerd.

9.13.
Ten behoeve van de comparitie van partijen zal [appellant] per opgevoerde post zowel de respectieve nota (nota’s) als het daarbij horende betaalbewijs (betaalbewijzen) op voorhand aan het hof en NN toezenden, als qua tijdspad hierna nader te bepalen. Indien geen nota beschikbaar is of deze nooit is ontvangen dan zal per opgevoerde post waar dit voor geldt in ieder geval een betaalbewijs worden overgelegd. Indien noch nota noch betaalbewijs beschikbaar is dan zal [appellant] de posten waarvoor dat geldt op voorhand in de begeleidende akte benoemen en alsnog (andere) mogelijke bewijsmiddelen op voorhand duiden. Dit laatste is vooral voor het bereiken van een eindregeling in der minne van belang. Maar ook in het kader van de in deze procedure te beslechten vordering is van belang dat [appellant] zijn vordering - al was het maar in het kader van zijn ‘verweer’- adequaat onderbouwt.

9.14.1.
Ter voorkoming van misverstanden wijst het hof er voorshands tenslotte op dat - anders dan [appellant] klaarblijkelijk veronderstelt - de eerdere oordelen van het hof in deze zaak niet onherroepelijk zijn en dus ook geen gezag van gewijsde hebben, nu tussentijds cassatieberoep door het hof niet is toegestaan.

9.14.2.
Daarnaast kan het hof, gezien de procesopstelling van [appellant] in eerste aanleg en gezien het feit dat ingevolge artikel 353 lid 1 Rv een vordering in reconventie niet eerst in hoger beroep kan worden ingesteld (zie HR 14 februari 2020: ECLI:NL:HR:2020:261), in de onderhavige procedure ‘slechts’ in het voor [appellant] beste geval de vordering van NN uit onverschuldigde betaling afwijzen.
Toewijzing van enig bedrag aan hoofdsom (over rente is niet gerept) ten titel van schadevergoeding aan [appellant] kan in deze procedure in ieder geval niet plaatsvinden.

9.15.
De hierna te bepalen comparitie van partijen zal allereerst kunnen worden benut teneinde een minnelijke regeling te beproeven, hetzij aangaande aspecten als vervat in de onderhavige procedure inclusief zo nodig nadere bewijslevering, hetzij ter zake de totale schade-afhandeling/regeling.

9.16.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden. ECLI:NL:GHSHE:2022:235


Deze website maakt gebruik van cookies