Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 250926 sjoemeldiesel; vorderingen t.o.v. Mercedes; overwegingen m.b.t. bevoegdheid, overgangsrecht en ontvankelijkheid


 

HR 250926 sjoemeldiesel; vorderingen t.o.v. Mercedes; overwegingen m.b.t. bevoegdheid, overgangsrecht en ontvankelijkheid

3Beoordeling van het middel

Internationale bevoegdheid

3.1.1

Onderdeel 1 van het middel richt klachten tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.4-4.11 van het tussenarrest) dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis6 internationaal bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen Mercedes c.s.

3.1.2

De beoordeling van deze klachten dient te geschieden in het licht van de uitspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU) in de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain7 over de uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis.

In die uitspraak heeft het HvJEU, in het dictum onder 2, geoordeeld dat bij de beoordeling of tussen vorderingen tegen meerdere verweerders een “zo nauwe band” in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om te worden opgeroepen voor het gerecht van de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van die bepaling.

Voorts heeft het HvJEU, in het dictum onder 3, geoordeeld dat bij de beoordeling of er een “zo nauwe band” in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis tussen vorderingen tegen meerdere verweerders bestaat, geen rekening hoeft te worden gehouden met de toewijsbaarheid van de vordering jegens de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen.

3.1.3

Mede gelet op de hiervoor in 3.1.2 weergegeven uitleg van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, kunnen de klachten van onderdeel 1 niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet nader te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.1.4

Nu ook overigens redelijkerwijs geen twijfel bestaat over het antwoord op de door onderdeel 1 opgeworpen vragen van Unierecht (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.22), ziet de Hoge Raad geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU.

Overgangsrecht van de WAMCA

3.2.1

Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.15-4.19 van het tussenarrest) over het toepasselijke collectieve-actieregime op de vorderingen van SEC. Bij de behandeling van dit onderdeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

3.2.2

De WAMCA is op 1 januari 2020 in werking getreden.8 Hiermee werd onder meer art. 3:305a BW gewijzigd (art. I) en werd titel 14A toegevoegd aan Boek 3 Rv (art. II).9 Art. III, onderdeel 1, WAMCA bevat het overgangsrecht voor art. 3:305a BW. Dit is thans neergelegd in art. 119a Ow NBW dat, voor zover in cassatie relevant, als volgt luidt:

“1 In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.

2 In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.”

Art. III, onderdeel 2, WAMCA bevat het overgangsrecht voor titel 14A van Boek 3 Rv en luidt als volgt:

“Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”

3.2.3

De rechtsvordering als bedoeld in art. 119a Ow NBW is in deze procedure door SEC ingesteld bij inleidende dagvaarding van 30 december 2020 (zie hiervoor in 2.2). Dat betekent dat het eerste lid van art. 119a Ow NBW hier toepassing mist.

3.2.4

Het tweede lid van art. 119a Ow NBW is toegevoegd bij amendement en bepaalt dat het oude recht van toepassing is voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Uit de toelichting op het amendement volgt dat het voornaamste doel daarvan is om de rechtszekerheid te waarborgen. De verwerende partij heeft geen rekening kunnen houden met het nieuwe recht als het gaat om gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zijnde de datum waarop het voorstel voor de WAMCA aan de Tweede Kamer is aangeboden.10

De tekst van het amendement moet in het licht van de toelichting daarop aldus worden begrepen, dat in een geval waarin een rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden. Dit betekent dat voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, deze wordt beheerst door het oude recht (art. 3:305a (oud) BW). Voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, wordt deze beheerst door de WAMCA. Op deze regel van overgangsrecht heeft de Hoge Raad geen uitzondering gemaakt in zijn (door het hof in rov. 4.15 van het tussenarrest vermelde) beschikking van 11 maart 2022.11 De Hoge Raad ziet nu evenmin aanleiding een uitzondering te maken.

3.2.5

Met het begrip ‘gebeurtenissen’ in de hiervoor in 3.2.2 vermelde bepalingen wordt gedoeld op de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Daarbij dient de rechter uit te gaan van hetgeen de belangenorganisatie heeft gesteld, maar ook rekening te houden met de eventuele betwisting daarvan door de gedaagde. Indien de gedaagde de desbetreffende stellingen van de belangenorganisatie betwist, is de rechter in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) niet gehouden om nader feitenonderzoek te doen of instructiemaatregelen, bijvoorbeeld ten behoeve van bewijslevering, te treffen. De rechter mag zich voor dat oordeel beperken tot de al beschikbare gegevens.

3.2.6

Het overgangsrecht met betrekking tot titel 14A van Boek 3 Rv moet eveneens op vorenstaande wijze worden begrepen. Dit betekent dat deze titel alleen van toepassing is voor zover de aan de rechter voorgelegde rechtsvordering wordt beheerst door de WAMCA.

3.2.7

Opmerking verdient dat in deze zaak geen betekenis toekomt aan de opmerking in de hiervoor in 3.2.4 bedoelde toelichting op het amendement dat “[i]n het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden”, het recht van toepassing is “zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden”.12 Hiermee is klaarblijkelijk gedoeld op gevallen die zich volgens de indieners van het amendement slechts bij hoge uitzondering voordoen. Van een ‘reeks van gebeurtenissen’ zoals bedoeld in de toelichting op het amendement is slechts sprake indien de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie, zozeer met elkaar zijn verweven dat in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) geen splitsing in afzonderlijke gebeurtenissen kan worden gemaakt. De feiten van deze zaak laten geen andere conclusie toe dan dat dit geval zich in deze zaak niet voordoet.

3.3.1

Onderdeel 2.2 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.15, tweede alinea, van het tussenarrest) dat de WAMCA niet van toepassing is op vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Het onderdeel voert in de kern aan dat het hof aldus heeft miskend dat als de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die zowel voor als op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden.

3.3.2

Deze klacht slaagt. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de WAMCA van toepassing is indien de rechtsvordering zowel berust op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na die datum hebben plaatsgevonden. Deze rechtsopvatting is onjuist. In een geval waarin de rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, dient een splitsing van de rechtsvordering plaats te vinden (zie hiervoor in 3.2.4).

3.3.3

In het geding na verwijzing zal – met het oog op de toepassing van art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA – voor elke door SEC tegen iedere gedaagde ingestelde rechtsvordering moeten worden onderzocht welke gebeurtenis of gebeurtenissen daaraan ten grondslag is of zijn gelegd, en of die gebeurtenis of gebeurtenissen heeft of hebben plaatsgevonden voor dan wel op of na 15 november 2016.

3.3.4

De klachten van de onderdelen 2.4-2.11 behoeven geen behandeling.

Ontvankelijkheid

3.4.1

Onderdeel 3 klaagt over het oordeel van het hof (in de rov. 4.21-4.24 van het tussenarrest) dat de rechtbank SEC ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in haar collectieve vorderingen voor zover deze betrekking hebben op Euro 6 voertuigen. De rechtbank overwoog daartoe dat het ontbrak aan een tijdig verzoek van SEC op de voet van art. 1018d lid 2 Rv tot verlenging van de dagvaardingstermijn. Het hof oordeelde dat de op verzoek van SCC verlengde dagvaardingstermijn (zie hiervoor in 2.1 onder (v)) ook geldt voor SEC. Het onderdeel klaagt dat dit oordeel onjuist is, omdat de verlenging alleen geldt voor de belangenorganisatie die daarom heeft verzocht.

3.4.2

Deze klacht treft doel. Een verlenging van de dagvaardingstermijn als bedoeld in art. 1018d lid 2 Rv geldt uitsluitend voor de rechtspersoon die om verlenging heeft verzocht en heeft dus geen algemene werking.13

Relatieve bevoegdheid

3.5.1

Onderdeel 6 richt klachten tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.12-4.14 van het tussenarrest) dat de rechtbank Amsterdam op grond van art. 107 Rv relatief bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SEC tegen de Importeur en de Partners.

3.5.2

Het bestreden oordeel strekt ter verwerping van het verweer van Mercedes c.s. dat de rechtbank Amsterdam niet relatief bevoegd is. Tegen een dergelijke beslissing is op grond van art. 110 lid 3 Rv geen hogere voorziening toegelaten.14 In zoverre zijn Mercedes c.s. dus niet-ontvankelijk in hun beroep.

Overige klachten

3.6

Onderdeel 5 behoeft geen behandeling.

3.7

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

1Zie voor deze emissienormen Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, PbEU 2007, L 171/1.

2Rechtbank Amsterdam 22 juni 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:3586.

3Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019, 130.

4Gerechtshof Amsterdam 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2245, hersteld bij arrest van 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3282.

5Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2941.

6Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.

7HvJEU 16 april 2026, gevoegde zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain).

8Besluit van 20 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en het besluit register collectieve acties, Stb. 2019, 447.

9Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019, 130.

10Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.

11HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347 (SMMT/Warner c.s.), rov. 3.1.4.

12Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.

13HR 14 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:388 (CCC/Apple c.s.), rov. 4.2.1-4.2.3.

14Vgl. HR 9 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI9630 (X/Van den End q.q.), rov. 4.2.

 

Hoge Raad 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1551

↑