Overslaan en naar de inhoud gaan

HR 250926 sjoemeldiesel; vorderingen t.o.v. Stellantis; overwegingen m.b.t. bevoegdheid en overgangsrecht

HR 250926 sjoemeldiesel; vorderingen t.o.v. Stellantis; overwegingen m.b.t. bevoegdheid en overgangsrecht
 

3Beoordeling van het middel in het principale beroep

3.1

In de rov. 4.3-4.14 van het tussenarrest heeft het hof geoordeeld over de internationale bevoegdheid van de Nederlandse rechter ten aanzien van de autofabrikanten. Daarbij heeft het hof toepassing gegeven aan de bevoegdheidsgronden voor samenhangende vorderingen, namelijk art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis6 (ten aanzien van Stellantis Europe en Alfa Romeo) en art. 7 lid 1 Rv (ten aanzien van FCA US). Deze bepalingen stemmen – voor zover van belang voor de behandeling van deze zaak – inhoudelijk overeen. De Hoge Raad zal daarom hierna alleen ingaan op art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis. De daarop betrekking hebbende overwegingen gelden op overeenkomstige wijze voor art. 7 lid 1 Rv.7

3.2.1

Onderdeel 1.1 van het middel klaagt dat het hof (in rov. 4.11, tweede alinea, van het tussenarrest) heeft miskend dat voor het aannemen van rechtsmacht op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis niet als zelfstandig vereiste geldt dat het voor de autofabrikanten voorzienbaar was dat zij zouden kunnen worden gedagvaard voor een gerecht in Nederland.

3.2.2

Deze klacht slaagt. In de zaak Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJEU)8, in het dictum onder 2, geoordeeld dat bij de beoordeling of tussen vorderingen tegen meerdere verweerders een “zo nauwe band” in de zin van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis bestaat, de voorzienbaarheid voor de medeverweerder om te worden opgeroepen voor het gerecht van de verweerder die fungeert als ankergedaagde om de bevoegdheid van de aangezochte rechter vast te stellen, geen zelfstandig criterium is, maar als algemeen beginsel in aanmerking moet worden genomen bij de toepassing van die bepaling.

3.2.3

De klachten van de onderdelen 1.4 en 1.5 behoeven geen behandeling.

3.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

3.4

Voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJEU bestaat geen aanleiding. De uitleg van het voor de behandeling van het principale beroep relevante Unierecht volgt voldoende duidelijk uit de hiervoor in 3.2.2 vermelde uitspraak van het HvJEU.

4Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

4.1.1 Onderdeel 1 van het middel, dat alleen is voorgedragen door Stellantis, de autofabrikanten en de importeur, is ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer van de onderdelen 1.1, 1.2, 1.3 of 1.4 van het middel in het principale beroep slagen. Zoals hiervoor in 3.2.2 is gebleken, is deze voorwaarde vervuld.

4.1.2 Anders dan de onderdelen 1.2 en 1.3 tot uitgangspunt nemen, volgt noch uit de tekst van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis, noch uit de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het HvJEU, dat de groep van gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt met haar vorderingen tegen de autofabrikanten identiek moet zijn aan, dan wel deel moet uitmaken van de groep van gedupeerden waarvoor SDEJ opkomt met haar vorderingen tegen de importeur. Voor bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 8, punt 1, Verordening Brussel I-bis is in deze zaak voldoende dat tussen de vorderingen van SDEJ tegen de autofabrikanten en de vorderingen van SDEJ tegen de importeur een zo nauwe band bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van de zaken onverenigbare beslissingen worden gegeven (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.7).

4.1.3 De overige klachten van het onderdeel kunnen evenmin tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

4.1.4 De Hoge Raad ziet geen aanleiding prejudiciële vragen te stellen aan het HvJEU, omdat over het antwoord op de door onderdeel 1 opgeworpen vragen van Unierecht redelijkerwijs geen twijfel bestaat (zie de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 4.12).

4.2.1 Onderdeel 2 is gericht tegen het oordeel van het hof (in de rov. 4.15 tot en met 4.19 van het tussenarrest) over het toepasselijke collectieve-actieregime op de vorderingen van SDEJ. Bij de behandeling van dit onderdeel stelt de Hoge Raad het volgende voorop.

4.2.2 De WAMCA is op 1 januari 2020 in werking getreden.9 Hiermee werd onder meer art. 3:305a BW gewijzigd (art. I) en werd titel 14A toegevoegd aan Boek 3 Rv (art. II).10 Art. III, onderdeel 1, WAMCA bevat het overgangsrecht voor art. 3:305a BW. Dit is thans neergelegd in art. 119a Ow NBW dat, voor zover in cassatie relevant, als volgt luidt:

“1 In afwijking van artikel 68a en artikel 74, leden 2 tot en met 4, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld voor 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum.

2 In afwijking van artikel 68a, blijven voor een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen als bedoeld in de artikelen 305a tot en met 305d van Boek 3 en die is ingesteld op of na 1 januari 2020 de voorwaarden van toepassing die golden voor die datum voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016.”

Art. III, onderdeel 2, WAMCA bevat het overgangsrecht voor titel 14A van Boek 3 Rv en luidt als volgt:

“Artikel II van deze wet is van toepassing op gedingen die aanhangig zijn gemaakt op of na het tijdstip van het in werking treden van de wet en die betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016.”

4.2.3 De rechtsvordering als bedoeld in art. 119a Ow NBW is in deze procedure door SDEJ ingesteld bij inleidende dagvaarding van 21 augustus 2020 (zie hiervoor in 2.2). Dat betekent dat het eerste lid van art. 119a Ow NBW hier toepassing mist.

4.2.4 Het tweede lid van art. 119a Ow NBW is toegevoegd bij amendement en bepaalt dat het oude recht van toepassing is voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op een gebeurtenis of gebeurtenissen die heeft of hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Uit de toelichting op het amendement volgt dat het voornaamste doel daarvan is om de rechtszekerheid te waarborgen. De verwerende partij heeft geen rekening kunnen houden met het nieuwe recht als het gaat om gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, zijnde de datum waarop het voorstel voor de WAMCA aan de Tweede Kamer is aangeboden.11

De tekst van het amendement moet in het licht van de toelichting daarop aldus worden begrepen, dat in een geval waarin een rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden. Dit betekent dat voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016, deze wordt beheerst door het oude recht (art. 3:305a (oud) BW). Voor zover de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden op of na 15 november 2016, wordt deze beheerst door de WAMCA. Op deze regel van overgangsrecht heeft de Hoge Raad geen uitzondering gemaakt in zijn (door het hof in rov. 4.15 van het tussenarrest vermelde) beschikking van 11 maart 2022.12 De Hoge Raad ziet nu evenmin aanleiding een uitzondering te maken.

4.2.5 Met het begrip ‘gebeurtenissen’ in de hiervoor in 4.2.2 vermelde bepalingen wordt gedoeld op de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie. Daarbij dient de rechter uit te gaan van hetgeen de belangenorganisatie heeft gesteld, maar ook rekening te houden met de eventuele betwisting daarvan door de gedaagde. Indien de gedaagde de desbetreffende stellingen van de belangenorganisatie betwist, is de rechter in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) niet gehouden om nader feitenonderzoek te doen of instructiemaatregelen, bijvoorbeeld ten behoeve van bewijslevering, te treffen. De rechter mag zich voor dat oordeel beperken tot de al beschikbare gegevens.

4.2.6 Het overgangsrecht met betrekking tot titel 14A van Boek 3 Rv moet eveneens op vorenstaande wijze worden begrepen. Dit betekent dat deze titel alleen van toepassing is voor zover de aan de rechter voorgelegde rechtsvordering wordt beheerst door de WAMCA.

4.2.7 Opmerking verdient dat in deze zaak geen betekenis toekomt aan de opmerking in de hiervoor in 4.2.4 bedoelde toelichting op het amendement dat “[i]n het theoretische geval dat sprake is van een reeks van gebeurtenissen die zowel vóór als na 15 november 2016 plaatsvinden”, het recht van toepassing is “zoals dat geldt op het moment dat de laatste gebeurtenis waarop de vordering betrekking heeft, heeft plaatsgevonden”.13 Hiermee is klaarblijkelijk gedoeld op gevallen die zich volgens de indieners van het amendement slechts bij hoge uitzondering voordoen. Van een ‘reeks van gebeurtenissen’ zoals bedoeld in de toelichting op het amendement is slechts sprake indien de feiten die de grondslag vormen van de rechtsvordering van een belangenorganisatie in een collectieve actie, zozeer met elkaar zijn verweven dat in het kader van de bepaling van het toepasselijke collectieve-actierecht (art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA) geen splitsing in afzonderlijke gebeurtenissen kan worden gemaakt. De feiten van deze zaak laten geen andere conclusie toe dan dat dit geval zich in deze zaak niet voordoet.

4.3.1 Onderdeel 2.1.2 keert zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.15, tweede alinea, van het tussenarrest) dat de WAMCA niet van toepassing is op vorderingen die (uitsluitend) betrekking hebben op een gebeurtenis of gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden voor 15 november 2016. Volgens het onderdeel heeft het hof aldus miskend dat als de rechtsvordering betrekking heeft op gebeurtenissen die zowel voor als op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, een splitsing van de rechtsvordering moet plaatsvinden.

4.3.2 Deze klacht slaagt. In het oordeel van het hof ligt besloten dat de WAMCA van toepassing is indien de rechtsvordering zowel berust op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na die datum hebben plaatsgevonden. Deze rechtsopvatting is onjuist. In een geval waarin de rechtsvordering betrekking heeft zowel op gebeurtenissen die voor 15 november 2016 hebben plaatsgevonden als op gebeurtenissen die op of na 15 november 2016 hebben plaatsgevonden, dient een splitsing van de rechtsvordering plaats te vinden (zie hiervoor in 4.2.4).

4.3.3 In het geding na verwijzing zal – met het oog op de toepassing van art. 3:305a (oud) BW dan wel de WAMCA – voor elke door SDEJ tegen iedere gedaagde ingestelde rechtsvordering moeten worden onderzocht welke gebeurtenis of gebeurtenissen daaraan ten grondslag is of zijn gelegd, en of die gebeurtenis of gebeurtenissen heeft of hebben plaatsgevonden voor dan wel op of na 15 november 2016.

4.3.4 De klachten van de onderdelen 2.5-2.7 en 2.10-2.14 behoeven geen behandeling.

4.3.5 De overige klachten van onderdeel 2 kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie art. 81 lid 1 RO).

1Zie voor deze emissienormen Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, PbEU 2007, L 171/1.

2Rechtbank Amsterdam 30 maart 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:1542.

3Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019, 130.

4Gerechtshof Amsterdam 13 augustus 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2238.

5Gerechtshof Amsterdam 22 oktober 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:2949, hersteld bij arrest van 26 november 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:3260.

6Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), PbEU 2012, L 351/1.

7Zie ook HR 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1196 (Rabobank c.s./Stichting Elco Foundation), rov. 3.1.

8HvJEU 16 april 2026, gevoegde zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293 (Electricity & Water Authority of the Government of Bahrain).

9Besluit van 20 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie en het besluit register collectieve acties, Stb. 2019, 447.

10Wet van 20 maart 2019 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering teneinde de afwikkeling van massaschade in een collectieve actie mogelijk te maken (Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie), Stb. 2019, 130.

11Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.

12HR 11 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:347 (SMMT/Warner c.s.), rov. 3.1.4.

13Kamerstukken II 2018/19, 34608, nr. 13, p. 2.

Hoge Raad 25 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1552

↑