Overslaan en naar de inhoud gaan

RBDHA 020926 Stichting Recht op GGZ ontvankelijk in collectieve actie t.o.v. staat over wachtlijsten specialistische GGZ

RBDHA 020926  Stichting Recht op GGZ ontvankelijk in collectieve actie t.o.v. staat over wachtlijsten specialistische GGZ 
 

2Inleiding

2.1.

Het gaat in deze procedure om vorderingen van de Stichting (Recht op GGZ; red. LSA LM) als behartiger van de belangen van patiënten die op de wachtlijst voor gespecialiseerde geestelijke gezondheidszorg (hierna: specialistische GGZ) staan. De Stichting stelt zich op het standpunt dat de Staat zijn mensenrechtelijke verplichtingen schendt jegens degenen die langer dan de Treeknormen op de wachtlijst voor specialistische GGZ staan.

2.2.

Dit vonnis gaat over de ontvankelijkheid van de Stichting in deze zaak als belangenbehartiger voor de collectieve actie. Verder gaat de rechtbank in op de vervolgstappen in de procedure.

3De vorderingen van de Stichting

3.1.

De Stichting vordert, samengevat, dat de rechtbank:

I voor recht verklaart dat de Staat jegens de Nauw Omschreven Groep mensenrechten heeft geschonden, als bedoeld in artikel 2 EVRM en/of artikel 6 IVBPR en/of artikel 2 Handvest en/of artikel 12 IVESCR en/of artikel 11 ESH en/of artikel 35 Handvest;

II voor recht verklaart dat de Staat, door het schenden van een of meer van de onder I genoemde bepalingen, onrechtmatig heeft gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW;

III de Staat, op grond van artikel 3:296 BW, gebiedt maatregelen te treffen die het aanbod van specialistische GGZ door niet-gecontracteerde aanbieders op redelijke voorwaarden beschikbaar maakt voor patiënten uit de Nauw Omschreven Groep die, na verwijzing, langer dan veertien weken wachten voordat zij in behandeling kunnen worden genomen, dit binnen een in goede justitie nader te bepalen termijn;

IV de Staat, op grond van artikel 3:296 BW, gebiedt maatregelen te treffen, aanvullend op de reeds bestaande maatregelen, die de wachttijden voor de Nauw Omschreven Groep binnen de Treeknormen brengen, dit binnen een in goede justitie nader te bepalen termijn;

V de Staat veroordeelt in de proceskosten.

4De beoordeling van de ontvankelijkheid

4.1.

De Stichting heeft vorderingen ingesteld waarmee zij stelt op te komen voor de belangen van anderen als bedoeld in artikel 3:305a BW, ook wel aangeduid als een collectieve actie of collectieve vordering. Daarvoor gelden de specifieke regels die zijn neergelegd in dat artikel en in titel 14A van Boek III van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), zoals dat per 1 januari 2020 is ingevoerd met de Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (hierna: WAMCA). Voor de ontvankelijkheid van een collectieve actie geldt een aantal vereisten. Die worden hieronder besproken.

4.2.

De rechtbank stelt allereerst vast dat is voldaan aan de op straffe van niet-ontvankelijkheid voorgeschreven handelingen als bedoeld in artikel 1018c lid 2 Rv.

4.3.

Op grond van artikel 1018c lid 5 Rv kan inhoudelijke behandeling van de collectieve vordering alleen plaatsvinden indien en nadat de rechtbank heeft beslist dat:

a. a) de Stichting voldoet aan de ontvankelijkheidseisen van lid 1 tot en met 3 van artikel 3:305a BW of aan de ontvankelijkheidseisen waaraan moet zijn voldaan op grond van lid 6 van dat artikel;

b) aannemelijk is gemaakt dat het voeren van deze collectieve vordering efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen, doordat de te beantwoorden feitelijke en rechtsvragen in voldoende mate gemeenschappelijk zijn, het aantal personen tot bescherming van wier belangen de vordering strekt voldoende is en, indien de vordering strekt tot schadevergoeding, dat zij alleen dan wel gezamenlijk een voldoende groot financieel belang hebben;

c) niet summierlijk van de ondeugdelijkheid van de collectieve vordering blijkt op het moment waarop het geding aanhangig wordt.

De rechtbank moet zo nodig ambtshalve toetsen of aan de uit artikel 1018c lid 5 Rv jo 3:305a BW voortvloeiende eisen is voldaan.

a. a) De ontvankelijkheidseisen van artikel 3:305a BW

4.4.

Artikel 3:305a BW bepaalt dat een stichting ontvankelijk is in een rechtsvordering die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen (collectieve vordering), indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- zij behartigt deze belangen ingevolge haar statuten (lid 1),

- deze belangen zijn voldoende gewaarborgd (lid 1, uitgewerkt in lid 2),

- de bestuurders betrokken bij de oprichting van de stichting, en hun opvolgers, hebben geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk, dat via de stichting wordt gerealiseerd (lid 3 sub a),

- de rechtsvordering heeft een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer (lid 3 sub b),

- de stichting heeft in de gegeven omstandigheden voldoende getracht het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c),

- de stichting stelt bestuursverslagen en jaarrekeningen op (lid 5).

De belangen waarvoor de Stichting in deze zaak opkomt (lid 1)

4.5.

De Stichting komt in deze zaak op voor belangen van een specifieke groep personen, namelijk alle volwassen personen die redelijkerwijs zijn aangewezen op specialistische GGZ en langer dan de Treeknormen moeten wachten op die specialistische GGZ. Daarmee is sprake van voldoende gelijksoortige belangen.

4.6.

De belangen waarvoor de Stichting in deze zaak opkomt sluiten aan bij de belangen die zij ingevolge haar statuten behartigt. Zoals de Stichting onweersproken heeft aangevoerd houdt zij zich sinds haar oprichting in 2024 – en haar voorganger sinds 2022 – feitelijk bezig met de in de statuten beschreven belangenbehartiging.

Het waarborgvereiste (lid 2)

4.7.

Artikel 3:305a lid 2 (aanhef) BW bepaalt dat de belangen van de personen tot bescherming van wier belangen de rechtsvordering strekt, voldoende gewaarborgd zijn wanneer de stichting voldoende representatief is, gelet op de achterban en de omvang van de vertegenwoordigde vorderingen.

4.8.

In dit geval is sprake van een rechtsvordering met een ideëel doel. Dat betekent dat de representativiteit moet worden beoordeeld aan de hand van de achterban van de Stichting. De Stichting stelt dat zij gelet op haar achterban voldoende representatief is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hierover anders te oordelen, ook omdat de Stichting heeft toegelicht voor welke specifieke groep personen zij opkomt.

4.9.

Op grond van artikel 3:305a lid 6 BW hoeft niet aan de vereisten van artikel 3:305a lid 2, subonderdelen a tot en met e en lid 5 BW te zijn voldaan, (onder meer) als de rechtsvordering wordt ingesteld met een ideëel doel. Dat is hier aan de orde. De Stichting hoeft dus niet te voldoen aan de vereisten zoals opgenomen in artikel 3:305a lid 2 subonderdelen a tot en met lid 5 BW.

Overige ontvankelijkheidseisen (lid 3)

4.10.

Op grond van artikel 3:305a lid 3 BW is de rechtspersoon die een collectieve actie instelt slechts ontvankelijk indien:

- de bestuurders betrokken bij de oprichting van de rechtspersoon, en hun opvolgers, geen rechtstreeks of middellijk winstoogmerk hebben, dat via de rechtspersoon wordt gerealiseerd (lid 3 sub a);

- de rechtsvordering een voldoende nauwe band met de Nederlandse rechtssfeer heeft (lid 3 sub b);

- de rechtspersoon in de gegeven omstandigheden voldoende heeft getracht om het gevorderde door het voeren van overleg met de verweerder te bereiken (lid 3 sub c).

4.11.

Ook aan deze eisen is voldaan gelet op wat de Stichting daartoe heeft aangevoerd.

De Staat heeft dat ook niet (gemotiveerd) weersproken.

b) Het voeren van deze collectieve actie is efficiënter en effectiever

4.12.

Gelet op de aard van deze collectieve actie is voldoende aannemelijk dat het voeren hiervan efficiënter en effectiever is dan het instellen van individuele vorderingen.

c) Niet summierlijk van ondeugdelijkheid gebleken

4.13.

Er is geen formele of andere reden naar voren gekomen op grond waarvan kan worden gezegd dat de vordering niet inhoudelijk behandeld zou moeten worden.

De Stichting is ontvankelijk

4.14.

De rechtbank concludeert dat de Stichting voldoet aan de voorwaarden voor ontvankelijkheid onder de WAMCA.

Vervolgstappen

4.15.

Op grond van de artikelen 1018e, 1018f en 1018g Rv moet de rechter een aantal beslissingen nemen voordat de zaak verder inhoudelijk wordt beoordeeld. Het gaat, samengevat, om de volgende punten:

a. a) het aanwijzen van een exclusieve belangenbehartiger (artikel 1018e lid 1 Rv);

b) het beoordelen wat de collectieve vordering precies inhoudt en voor welke nauw omschreven groep personen de exclusieve belangenbehartiger de belangen in deze collectieve vordering behartigt (artikel 1018e lid 2 Rv);

c) het vaststellen van de termijn voor zogenoemde opt-out en eventueel opt-in (artikel 1018f lid 1 en 5 Rv), waarbij de rechter in ieder geval een of meer nieuwsbladen aanwijst waarin de relevante informatie voor de opt-out / opt-in wordt aangekondigd (artikel 1018f lid 3 Rv), en

d) het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking (artikel 1018g Rv).

4.16.

De onder b) en c) bedoelde voorschriften hebben tot doel dat kan worden vastgesteld wie zich wel en wie zich niet aan de uitspraak kan onttrekken. Het vaststellen van een nauw omschreven groep is in deze zaak problematisch: de groep personen die recht heeft op specialistische GGZ, fluctueert en is niet duidelijk af te bakenen. Daar komt bij dat onttrekking aan een uitspraak bij ideële vorderingen met een algemeen belang moeilijk voorstelbaar is, terwijl de door de Stichting ingestelde vorderingen tegen de Staat, waaronder de gevorderde maatregelen, kunnen worden beoordeeld zonder dat de vaststelling van een nauw omschreven groep in het kader van de ontvankelijkheid daarvoor noodzakelijk is. De rechtbank is daarom van oordeel dat in deze zaak geen toepassing hoeft te worden gegeven aan de onder b) en c) bedoelde voorschriften.

4.17.

Tijdens de aanhoudingsperiode na het indienen van de dagvaarding is er geen andere collectieve vordering voor dezelfde gebeurtenis(sen) ingesteld. De rechtbank ziet, mede gelet op de aard van de collectieve vordering, geen aanleiding om een exclusieve belangenbehartiger aan te wijzen en zal ook geen toepassing geven aan het onder a) bedoelde voorschrift. Omdat de Stichting niet als exclusief belangenbehartiger wordt aangewezen, zal de rechtbank zorgdragen voor aantekening van het vonnis in het centraal register voor collectieve vorderingen, zodat in verband daarmee aan de Stichting geen opdracht hoeft te worden gegeven (zie 4.1 onder primair en artikel 1018e lid 5 Rv).

4.18.

Hoewel de Staat in de akte tot referte meldt dat overleg over de door de Stichting voorgestane concrete oplossingsrichting ontbreekt, hebben partijen niet kenbaar gemaakt behoefte te hebben aan het stellen van een termijn voor het beproeven van een schikking. De rechtbank zal het onder d) bedoelde voorschrift eveneens achterwege laten en gaat er vanuit dat partijen – voor zover gewenst – van de gelegenheid gebruik maken om in de periode tot aan de mondelinge behandeling een schikking zullen beproeven. Daarmee komt de rechtbank toe aan inhoudelijke behandeling van de zaak.

4.19.

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden. Rechtbank Den Haag 2 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25597

↑