Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Den Haag 090414 blessure wedstrijdpaard na verkeersongeval; 20% eigen schuld ivm schending schadebeperkingsplicht door nalaten nader onderzoek been

Rb Den Haag 090414 blessure wedstrijdpaard na verkeersongeval; 20% eigen schuld ivm schending schadebeperkingsplicht door nalaten nader onderzoek been

4 De beoordeling
in conventie
4.1. Allianz heeft aansprakelijkheid voor het ongeval erkend. Niet in geschil is dat het paard als gevolg van het ongeval in ieder geval letsel heeft opgelopen aan borst- en wervelkolom en dat Tacx daardoor schade heeft geleden. Het is om die reden dat Allianz is overgegaan tot vergoeding van de kosten van behandeling van het paard en voorschotten heeft verstrekt. Nu de aansprakelijkheid van Allianz vaststaat, is zij in beginsel gehouden tot volledige vergoeding van de schade die Tacx c.s. als gevolg van het ongeval heeft geleden.

Avulsiefractuur ongevalsgerelateerd?
4.2. In geschil is allereerst of de in 2011 bij Uchenna geconstateerde avulsiefractuur ongevalsgevolg is. Allianz c.s. verweren zich met de stelling dat causaal verband ontbreekt. Zij stellen dat eerst vanaf medio maart 2010 (na de dubbele start van het paard) sprake is geweest van klachten aan het linkervoorbeen en voeren, met een beroep op het rapport van Reijneveld van 8 november 2011, aan dat de blessure van de tussenpees veroorzaakt kan zijn door een acuut trauma, maar ook door overbelasting. Volgens Allianz c.s. is niet aannemelijk dat direct na het ongeval sprake was van een blessure aan het linkervoorbeen, mede nu een dergelijke blessure pas maanden na het ongeval voor het eerst is waargenomen en er in de tussenliggende periode verschillende onderzoeken hebben plaatsgevonden.

4.3. Op grond van het bepaalde in artikel 6:98 BW dient beoordeeld te worden of de avulsiefractuur in zodanig verband staat met het ongeval, dat zij Allianz c.s., mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van het ongeval kan worden toegerekend. De erkenning van Allianz van aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval is beperkt tot hetgeen ook daadwerkelijk als ongevalsgevolg moet worden aangemerkt. Ook in het kader van de beoordeling of de schade als gevolg van de avulsiefractuur in de zin van artikel 6:98 BW aan het ongeval toegerekend kan worden, geldt derhalve dat in beginsel vereist is dat tussen het ongeval en die schade conditio sine qua non-verband bestaat. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat het ongeval een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van de avulsiefractuur rust op Tacx.

4.4. Niet in geschil is dat de avulsiefractuur voortkomt uit een blessure van de tussenpees aan het linkervoorbeen van het paard. Evenmin is in geschil dat voor het eerst in maart 2010 kreupelheid vanuit het linkervoorbeen is geconstateerd. Voordien, in december 2009, was sprake van een gevoeligheid aan dat been, zoals Allianz c.s. ook ter comparitie naar voren hebben gebracht, maar is geen probleem met de tussenpees vastgesteld. Met betrekking tot de oorzaak van de kreupelheid volgens [dierenarts] zoals in maart 2010 door hem geconstateerd heeft Reijneveld in zijn rapport van 3 september 2010 het volgende vermeld:
“Overleg met dierenarts
(…)
Dierenarts [dierenarts] vertelde mij het volgende m.b.t. het letsel van het paard. T.g.v. van het plotseling remmen was de merrie in de trailer min of meer over de stang geschoven en had borst en hals beschadigd. M.n. waren de wervels in de hals wat verschoven en later bleek ook dat het paard in de rug, m.n. het gedeelte onder het zadel, zeer pijnlijk was. Aanvankelijk was ze niet echt kreupel maar later bleek ze dat linksvoor wel te zijn en die kreupelheid is beslist gerelateerd aan de problemen in de wervelkolom. Zowel het kogelgewricht linksvoor als de tussenpees waren verdikt. (…)”
Met betrekking tot de oorzaak van de avulsiefractuur volgens [dierenarts] heeft Reijneveld vervolgens in zijn rapport van 8 november 2011 vermeld: 
“(...)
De scintigrafie en het onderzoek middel CT-scan gaven als uitslag dat er sprake was van een avulsie fractuur. Dat is een afscheurbreuk en die ontstaat wanneer er grote trekkracht van een pees plaatsvindt op het bot. Volgens de heer [dierenarts] is die waarschijnlijk ontstaan als gevolg van de zeer plotselinge, ernstige en assymetrische overbelasting welke is opgetreden bij het ongeval. De kans dat een dergelijk trauma is opgelopen bij het lopen van dressuurwedstrijden acht de heer [dierenarts] minimaal. De combinatie van het halstrauma, beide voorbenen bot activiteit t.h.v. de aanhechting van de tussenpees aan het bot van het pijpbeen, de reactie in de beide S.I.-gewrichten en de blessure van rechtsachter passen volgens de dierenarts bij het onderuitgaan in de trailer na een noodstop en niet bij het verstappen tijdens de wedstrijd.
(…)
In het gesprek dat ik met dierenarts [dierenarts] had op 16 september 2011 is m.n. ook aan de orde geweest het moment waarop de problemen met de tussenpees zijn ontstaan dan wel geconstateerd. Op 03.09.2009 is het paard uitvoerig onderzocht en wanneer er op dat moment sprake was geweest van een avulsie fractuur dan had men wel iets moeten merken, zo gaf ook dierenarts [dierenarts] aan. Maar ook uit het verdere verslag blijkt nergens dat er voor medio 2010 een probleem met de tussenpees is vastgesteld. In zijn verslag van 13 juni 2011 geeft dierenarts [dierenarts] op bladzijde 4 aan dat er reeds begin maart 2010 het vermoeden bestond dat er sprake was van een avulsie fractuur. Maar in het gesprek dat ik in augustus 2010 met hem had is dat nooit gemeld of op enigerlei wijze ter sprake gekomen. Op mijn vraag wanneer deze avulsiefractuur dan is ontstaan, kon dierenarts [dierenarts] mij geen duidelijk antwoord geven. Mogelijk was het botvlies bij de aanrijding losgescheurd en is daardoor de fractuur ontstaan als gevolg van een slechte doorbloeding, zo gaf de heer [dierenarts] aan.
(…)
Beoordeling

(…) Uit het verslag en uit de beelden is duidelijk dat het ongeval van november 2009 gevolgen heeft gehad. Een probleem voor de borst en rug en dan m.n. ook de wervelkolom. Het paard is daarvoor behandeld en ik kan mij goed voorstellen dat het belangrijk was dat een paard met die problemen in beweging blijft. De causaliteit tussen die problemen en het ongeval zijn duidelijk.
Dat is anders m.b.t. de blessure van de tussenpees. Deze blessure kan worden veroorzaakt door bijvoorbeeld een acuut trauma maar ook door overbelasting. Het is de meest voorkomende ernstige en problematische blessure bij dressuurpaarden en dan m.n. bij paarden die op hoog niveau in wedstrijden uitkomen. De kans dat deze blessure is ontstaan door de training en wedstrijden is reëel en zeker niet minder groot dan de kans dat het ontstaan is ten gevolge van het ongeval. Temeer daar in de eerste maanden na het ongeval deze blessure niet is waargenomen. Of dat komt omdat de blessure er niet was of omdat de blessure niet is geconsulteerd is niet volledig aan te geven, maar er zijn geen duidelijke aanwijzingen dat er in de maanden direct na het ongeval sprake was van een tussenpeesblessure. De latere waargenomen avulsie fractuur kan ook ontstaan door de voortdurende overbelasting van deze tussenpees.
Uit het verslag van dierenarts [dierenarts] en uit de beelden die beschikbaar zijn blijkt nergens dat deze blessure een direct gevolg is van een trauma opgelopen bij het ongeval. Het zou kunnen, maar het wordt nergens bewezen en de kans dat het op een andere wijze is ontstaan is zeker zo groot.
(…)
De kans dat de tussenpeesblessure later is ontstaan en vervolgens ook de avulsiefractuur is mijns inziens heel reëel.
(…)”
4.5. De rechtbank stelt voorop dat - als onvoldoende weersproken vaststaat dat - een avulsiefractuur een fractuur is als gevolg van een grote trekkracht van een pees aan het bot. Uitgangspunt is - dit is (ook) niet in geschil - dat deze fractuur veroorzaakt kan zijn door een acuut trauma zoals het ongeval. Onderwerp van geschil is of de fractuur, los van het ongeval, veroorzaakt is of kan zijn door een andere gebeurtenis, waaronder overbelasting tijdens trainingen en wedstrijden. Naar het oordeel van de rechtbank hebben Allianz c.s. tegenover de gemotiveerde stelling van Tacx dat de avulsiefractuur is ontstaan als gevolg van het ongeval onvoldoende feiten en omstandigheden ter betwisting gesteld. De rechtbank neemt gelet hierop als vaststaand aan dat de avulsiefractuur is veroorzaakt door het ongeval. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.6. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat het paard vóór het ongeval niets mankeerde. Voor zover Allianz c.s. in hun brief van 11 november 2013 (na de comparitie) hun uitspraken ter comparitie op dit punt hebben genuanceerd en het verweer voeren dat de gevoeligheid van het linkervoorbeen na het ongeval geen ongevalsgevolg is, maar voortkomt uit de zwelling vóór ongeval, verwerpt de rechtbank dit verweer. Blijkens het rapport van Reijneveld van 8 november 2011 was de aanleiding voor het onderzoek op 3 september 2009 een zwelling als gevolg van irritatie door een peesbeschermer, zoals ook in het verslag van [dierenarts] van 13 juni 2011 is vermeld. Reijneveld vermeldt in dit verband voorts: “op de door mij ontvangen scanbeelden is de tussenpees niet zichtbaar maar wel is er een beeld dat duidt op een hematoom. Door dierenarts [dierenarts] is overigens reeds aangegeven dat scanbeelden waarop geen afwijking zichtbaar is niet worden bewaard en daar kan ik mij iets bij voorstellen.”

4.7. Voorts staat vast dat direct na het ongeval problemen zijn geconstateerd aan de borst- en wervelkolom, waarvoor het paard een intensieve revalidatiebehandeling onderging. Daarnaast was reeds vóórdat weer wedstrijden werden gereden, in december 2009, sprake van een gevoeligheid aan het linkervoorbeen. In de periode november 2009 - maart 2010 is Uchenna gerevalideerd en ingezet op een beperkt aantal wedstrijden. Na deelname aan de wedstrijden is in maart 2010 kreupelheid aan het linkerbeen ontdekt.

4.8. De rechtbank laat in het midden of een avulsiefractuur kan ontstaan door overbelasting alleen, zoals Reijneveld in zijn rapport van 8 november 2011 lijkt te suggereren en [dierenarts] bestrijdt. Zelfs als van de juistheid van de zienswijze van Reijneveld wordt uitgegaan, blijkt uit niets dat de blessure aan het linkerbeen uitsluitend is ontstaan als gevolg van overbelasting van het paard door de trainingen en wedstrijden in de periode na het ongeval en derhalve ook zónder het ongeval zou zijn ontstaan. Allianz c.s. hebben op dit punt tegenover de gemotiveerde stelling van Tacx dat de avulsiefractuur is ontstaan als gevolg van het ongeval onvoldoende feiten en omstandigheden ter betwisting gesteld. Volgens Reijneveld kan de avulsie fractuur ook zijn ontstaan door de voortdurende belasting van de tussenpees. Zonder feitelijke onderbouwing, die ontbreekt, volgt daaruit evenwel niet dat het causaal verband tussen het ongeval en de avulsiefractuur ontbreekt. Er zijn geen feiten gesteld of gebleken die, het ongeval weggedacht, erop duiden dat de trainingen en wedstrijden waarvan in de periode november 2009-maart 2010 sprake is geweest op zichzelf (los van het ongeval) een te grote belasting zouden zijn geweest voor een wedstrijdpaard als Uchenna. Mogelijk zijn de trainingen en de wedstrijden een te grote belasting geweest vanwege het ongeval en de direct nadien geconstateerde problemen aan de borst- en wervelkolom met als gevolg dat een blessure aan het linkervoorbeen heeft kunnen ontstaan. Mogelijk is ook dat de trainingen en wedstrijden een te grote belasting zijn geweest omdat reeds direct na het ongeval sprake is geweest van een blessure aan de tussenpees van het linkervoorbeen, die pas later, na deelname aan de wedstrijden, is waargenomen. Beide mogelijkheden laten evenwel onverlet dat die blessure (en daarmee tevens de avulsiefractuur) zonder het ongeval niet zou(den) zijn ontstaan. Of de omstandigheid dat de blessure aan het linkervoorbeen niet eerder is waargenomen en het paard is ingezet op wedstrijden, meebrengen dat sprake is van eigen schuld van Tacx, zal de rechtbank hierna beoordelen.

4.9. De rechtbank verwerpt ten slotte bij gebrek aan enig feitelijk aanknopingspunt de suggestie van Allianz c.s. dat het paard zich verstapt kan hebben bij de wedstrijden met als gevolg een blessure aan het linkerbeen en avulsiefractuur. Daarvoor acht de rechtbank van belang dat het paard voortdurend onder begeleiding heeft gestaan, door de jury tijdens de wedstrijden is waargenomen en dat in de juryrapporten van de wedstrijden waaraan Uchenna in maart 2010 heeft deelgenomen niets is opgenomen met betrekking tot een verstapping.

4.10. Het vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat Allianz in beginsel niet alleen verplicht is tot vergoeding van de schade die Tacx heeft geleden in verband met het ontstaan van borst- en wervelkolomletsel, maar ook in verband met het ontstaan van de avulsiefractuur.

Eigen schuld
4.11. Een vervolgvraag is of sprake is van eigen schuld, zoals Allianz c.s. stellen en Tacx betwist. Volgens Allianz c.s. had Tacx een langdurige rust- en herstelperiode voor Uchenna in acht moeten nemen, hetgeen zij heeft nagelaten. Tacx heeft in strijd gehandeld met haar schadebeperkingsverplichting door het paard al na verloop van twee maanden weer te laten participeren in wedstrijden. Daarom dient de schade als gevolg van de avulsiefractuur voor rekening van Tacx te blijven.

4.12. Ingevolge het bepaalde in artikel 6:101 BW geldt dat wanneer de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die Tacx kan worden toegerekend, de vergoedingsplicht van Allianz c.s. wordt verminderd, in beginsel door een verdeling naar evenredigheid van de schade over Tacx en Allianz c.s. met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden tot de schade hebben bijgedragen. Bij de beoordeling van het beroep van Allianz c.s. op eigen schuld, heeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot het bestaan van causaal verband, als uitgangspunt te gelden dat tussen het ongeval en de avulsiefractuur conditio sine qua non-verband bestaat. De stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die leiden tot een geslaagd beroep op eigen schuld rust op Allianz c.s.

4.13. Allianz c.s. benadrukken dat Tacx voorafgaand aan het rapport van Reijneveld van 3 september 2010 in eerste instantie heeft meegedeeld dat het paard niet is gestart op wedstrijden, terwijl dat later wel het geval bleek te zijn, alsmede dat dierenarts [dierenarts] Reijneveld op 23 augustus 2010 telefonisch heeft meegedeeld dat het paard meerdere keren in de periode januari-maart 2010 in wedstrijden was uitgekomen, terwijl hij in zijn behandelverslag van 13 juni 2011 heeft vermeld dat dit is gebeurd in overleg en onder controle van hem. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen die wisselende verklaringen niet de conclusie dat sprake is van eigen schuld van Tacx. Weliswaar is dit opmerkelijk, zoals ook Reijneveld constateert, maar daaruit volgt op zichzelf niet, dat die deelname heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade in verband met de avulsiefractuur.

4.14. Het verweer van Tacx, kort gezegd inhoudende dat het paard steeds onder medische controle en behandeling is geweest en dat het uitbrengen van het paard op wedstrijden verantwoord is geweest, vormt naar het oordeel van de rechtbank in het licht van de rapporten van Reijneveld een onvoldoende gemotiveerde betwisting van de gemotiveerde stelling van Allianz c.s. dat sprake is van eigen schuld. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de omstandigheid dat Tacx Uchenna vanaf januari 2010 aan (een beperkt aantal) wedstrijden heeft laten deelnemen, heeft bijgedragen aan het ontstaan van de door haar geleden schade in verband met de avulsiefractuur. Zij overweegt daartoe als volgt.

4.15. Niet in geschil is dat voor het borst- en wervelkolomletsel bij het paard een andere behandeling geïndiceerd is dan voor een tussenpeesblessure en avulsiefractuur, namelijk in het ene geval (voornamelijk) gecontroleerde beweging en in het andere geval (voornamelijk) rust. In het rapport van Reijneveld van 8 november 2011 is op dit punt het volgende vermeld, hetgeen Tacx niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft weersproken:
“Blessure paard Uchenna
(…)
Bij het onderhoud op 16.09.2011 gaf dierenarts [dierenarts] aan dat er sprake was van min of meer tegengestelde belangen. Voor de wervelkolom was er beslist de noodzaak dat het paard moest bewegen; maar bij een tussenpeesblessure kan rust noodzakelijk zijn.
(…)
Beoordeling
(…)
Uit het verslag en uit de beelden is duidelijk dat het ongeval van november 2009 gevolgen heeft gehad. Een probleem voor de borst en rug en dan m.n. ook de wervelkolom. Het paard is daarvoor behandeld en ik kan mij goed voorstellen dat het belangrijk was dat een paard met die problemen in beweging blijft.
(…)
De beste behandeling van een tussenpees blessure verschilt van geval tot geval. Maar volgens deskundigen is een lange rustperiode steeds noodzakelijk waarbij men predisponerende factoren moet proberen uit te schakelen. De prognose van de genezing van een tussenpees blessure varieert naargelang de situatie van goed tot infaust.
Wanneer er vanaf het ongeval steeds sprake is geweest van een tussenpees blessure, dan is het paard ten onrechte uitgebracht in wedstrijden. Maar uit de beschikbare informatie blijkt m.n. dat er een ernstige rugprobleem was en ik kan mij voorstellen dat er dan gekozen is voor beweging. 
(…)”

4.16. Voorts moet er naar het oordeel van worden uitgegaan, gelet op de niet, althans onvoldoende door Allianz c.s. weersproken, zienswijze van [dierenarts] blijkens het rapport van Reijneveld van 3 september 2010, dat het bestaande borst- en wervelkolomletsel op zichzelf niet in de weg heeft hoeven staan aan (beperkte) deelname van het paard aan wedstrijden:

“(…)
Omdat het een zeer enthousiast paard is dat graag wil werken is boxrust veelal een probleem en om die reden heeft men geprobeerd om het paard toch wat in training te houden, Op mijn vraag aan de dierenarts [dierenarts] of men niet te snel was gestart in wedstrijden gaf hij aan dat een wedstrijd meestal minder belastend is dan een training. 
(…)”

4.17. Gelet op het ongeval in november 2009 en de in december 2009 geconstateerde gevoeligheid aan het linkervoorbeen, had het naar het oordeel van de rechtbank op de weg van Tacx gelegen nader onderzoek te verrichten en in december 2009 óók scanbeelden te laten maken van het been om eventuele andere blessures, zoals een tussenpeesblessure, uit te sluiten. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat het paard uitkwam op hoog niveau en grote potentie had, zoals Tacx ter comparitie naar voren heeft gebracht en de gevolgen van een eventuele blessure aan het linkervoorbeen potentieel groot konden zijn. De omstandigheid dat het paard in december 2009 met name grote rugproblemen had en dat om die reden gekozen is voor gecontroleerde beweging, hetgeen ook Reijneveld voorstelbaar acht, doet hier niet aan af. Niet beslissend is naar het oordeel van de rechtbank of Tacx bij de behandeling van Uchenna na het ongeval steeds de maatstaven in acht heeft genomen die in de sector gebruikelijk zijn. De rechtbank heeft op basis van de beschikbare informatie geen aanwijzingen dat de dierenarts een beroepsfout heeft gemaakt. Het gaat er om dat Tacx in haar verhouding tot Allianz c.s. niet heeft voldaan aan de op haar rustende schadebeperkingsverplichting en er om die reden sprake is van eigen schuld. Nu Tacx geen verder onderzoek heeft verricht naar de gevoeligheid aan het linkerbeen en zij het paard bovendien vanaf januari 2010 heeft laten deelnemen aan wedstrijden, waardoor, achteraf bezien, niet kan worden uitgesloten dat de blessure aan het linkervoorbeen en daarmee de avulsiefractuur mede het gevolg is geweest van overbelasting vanwege de deelname van het paard aan wedstrijden, moet er naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat deze schade mede is toe te rekenen aan Tacx.

4.18. Anders dan Allianz c.s. hebben betoogd, stuit de vordering in conventie van Tacx hier niet op af. De rechtbank bepaalt de mate waarin Tacx heeft bijgedragen aan het ontstaan van de schade op 20%. Bepalend acht de rechtbank of en zo ja in hoeverre ervan moet worden uitgegaan dat verder onderzoek in december 2009 tot een andere behandeling zou hebben geleid dan waarvan thans sprake is geweest en dat alsdan geen sprake zou zijn geweest van euthanasie van het paard vanwege de avulsiefractuur aan het linkervoorbeen. De rechtbank acht van belang dat op de foto’s die op 4 april 2010 zijn genomen, nadat het paard had deelgenomen aan de wedstrijden en kreupelheid was geconstateerd, (nog) geen afwijking van de tussenpees te zien is. Gelet hierop acht de rechtbank onzeker dat verder onderzoek in december 2009 naar aanleiding van de bestaande gevoeligheid aan het linkervoorbeen tot een diagnose en behandeladvies had geleid op grond waarvan deelname van het paard aan wedstrijden niet verantwoord zou zijn geacht. Daarbij moet ook worden bedacht - zoals hiervoor overwogen - dat beweging van het paard in verband met de behandeling van de problemen aan de borst- en wervelkolom nodig was en dat in dat verband deelname aan een wedstrijd als minder intensief dan een training en daarmee op zichzelf als verantwoord dient te worden beschouwd. Voorts acht de rechtbank van belang dat ook bij eerdere ontdekking van de blessure van de tussenpees aan het linkervoorbeen, behandeling van de problemen met borst- en wervelkolom noodzakelijk zou zijn geweest. Gelet op de ernst van die problemen, waarbij onder meer is gerevalideerd met aquatraining, en de aard van de behandeling die daarvoor is vereist, namelijk beweging, acht de rechtbank evenzeer onzeker dat bij eerdere ontdekking sprake zou zijn geweest van een zodanig herstel van het paard dat geen euthanasie had hoeven plaatsvinden. Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank een beperkte mate van eigen schuld van Tacx. Niettemin heeft de omstandigheid dat verder onderzoek is nagelaten en het paard heeft deelgenomen aan wedstrijden wel in enige mate bijgedragen aan de ontstane schade. Naar het oordeel van de rechtbank moet ervan worden uitgegaan dat bij eerdere ontdekking van een tussenpeesblessure in ieder geval méér rust in acht zou zijn genomen dan thans het geval is geweest nu het paard heeft deelgenomen aan een, hoewel beperkt, aantal wedstrijden. Daarmee zou het risico van een avulsiefractuur en het als gevolg daarvan overlijden van het paard zijn beperkt.

4.19. Het voorgaande betekent dat Allianz gehouden is 80% van de door Tacx geleden schade ten gevolge van het onderhavige ongeval te vergoeden.

Schade; waarde van het paard
4.20. Tussen partijen is in geschil welke waarde Uchenna in het economisch verkeer vertegenwoordigde ten tijde van het ongeval, nu Tacx dit bedrag aan schade heeft geleden door het uiteindelijke verlies Uchenna. Volgens Tacx bedraagt dit waardeverlies € 200.000,. Allianz beroept zich op de waardevaststelling door Reijneveld van € 110.000,.

4.21. Voor de begroting van deze schadepost is naar het oordeel van de rechtbank een deskundigenbericht noodzakelijk, waarbij benoeming van een paardentaxateur in de rede ligt. De rechtbank zal partijen de mogelijkheid bieden zich bij akte uit te laten - bij voorkeur na onderling overleg - over de persoon van de te benoemen deskundige en de aan deze deskundige te stellen vragen. De kosten voor het deskundigenbericht zullen voorshands door Allianz betaald moeten te worden gegeven haar aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval. De rechtbank is voornemens aan de deskundige in ieder geval de volgende vragen voor te leggen:
Kunt u aangeven welke waarde Uchenna als dressuurpaard omstreeks 24 november 2009 in het economisch verkeer vertegenwoordigde?
Welke andere feiten of omstandigheden, voortvloeiend uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?

(...) ECLI:NL:RBDHA:2014:5336

Deze website maakt gebruik van cookies