Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Midden-NL 110315 RSI medewerker softwarebedrijf; weigering multidisciplinaire behandeling; nav deskundigenbericht schade toerekenbaar tot drie jaar na ontstaan klachten

Rb Midden-NL 110315 RSI medewerker softwarebedrijf; weigering multidisciplinaire behandeling; nav deskundigenbericht schade toerekenbaar tot drie jaar na ontstaan klachten

4 De verdere beoordeling van het geschil

4.1.
Alvorens toe te komen aan een inhoudelijke beoordeling van de onderzoeksrapportage van Dellemijn, dient te worden beslist op het verweer van Oracle dat [eiseres] met haar bezwaren daartegen te laat is, nu zij deze niet heeft kenbaar gemaakt bij haar reactie op de concept rapportage. Dit verweer slaagt niet. De door Dellemijn mede aan [eiseres] geboden gelegenheid om op zijn concept rapportage te reageren had ten doel feitelijke onvolkomenheden in de rapportage te herstellen. Indien een partij van die gelegenheid geen gebruik maakt, heeft dat niet tot gevolg dat daardoor het recht wordt verwerkt om alsnog in het vervolg van het geding bezwaren tegen de definitieve rapportage in te brengen. Dat geldt zowel voor bezwaren die zien op de wijze van totstandkoming als op die welke zien op de inhoud van de uiteindelijke rapportage.

4.2.
Voor zover de bezwaren van [eiseres] betrekking hebben op de wijze van totstandkoming van de onderzoeksrapportage van Dellemijn kunnen deze haar niet baten. Niet gebleken is dat Dellemijn zijn onderzoek niet heeft ingericht zoals van een deskundige in zijn positie verwacht mocht worden. Uit hetgeen [eiseres] over het verloop van het onderzoek heeft gesteld, blijkt niet dat Dellemijn geen rekening met haar gerechtvaardigde belangen als onderzochte heeft gehouden. Aan het beginsel van hoor en wederhoor is naar behoren vorm gegeven en de privacy van [eiseres] was voldoende gewaarborgd. [eiseres] is - net als Oracle - voldoende in de gelegenheid gesteld de voor het onderzoek relevante medische stukken in te zenden. Dit is ook in een zodanig stadium gebeurd dat Dellemijn daarmee in zijn oordeelvorming rekening heeft kunnen houden. Mogelijke kleine onvolkomenheden in de weergave van de bevindingen van eerdere behandelaars en onderzoekers kunnen, mede gezien de omvang van het medische dossier, niet tot de conclusie leiden dat Dellemijn niet de van hem verwachte zorgvuldigheid heeft betracht. Niet gebleken is dat dergelijke onvolkomenheden de kern van zijn onderzoek en bevindingen raken.

4.3.
Bij de beoordeling van de inhoud van het onderzoeksrapport van Dellemijn stelt de kantonrechter voorop dat bij tussenvonnis van 27 februari 2013 is geconstateerd dat onvoldoende vaststond dat [eiseres] dezelfde RSI-klachten en beperkingen is, en zal, blijven houden als die zij ten tijde van haar uitval op 18 maart 1998 had. Daarom is toen beslist dat, alvorens in dit geding de schade kan worden vastgesteld waarvoor Oracle jegens [eiseres] aansprakelijk is, door middel van een deskundigenonderzoek inzicht moest worden verschaft in de aard en ernst van de beperkingen die [eiseres] vanaf haar uitval in maart 1998 heeft ondervonden en dat diende te worden vastgesteld of en in hoeverre die beperkingen arbeidsgerelateerd zijn. Tegen deze achtergrond kan niet worden gezegd, zoals [eiseres] betoogt, dat Dellemijn zijn onderzoeksopdracht te buiten is gegaan. Waar Dellemijn (bij de beantwoording van vraag 2.c.) meent dat niet vast staat dat de werkomstandigheden van [eiseres] bij Oracle schadelijk waren, gaat de kantonrechter aan die opvatting voorbij. Dat Oracle ingevolge artikel 7:658 BW jegens [eiseres] aansprakelijk is, staat tussen partijen vast. In dit geding is nog slechts de vraag naar het verband tussen die werkomstandigheden en (de omvang van) de schade aan de orde. Dit tast geenszins de overige bevindingen van Dellemijn aan, nu hij er - terecht - vanuit gaat dat hem als neuroloog geen oordeel omtrent de zorgplicht van Oracle past.

4.4.
Dellemijn heeft geconcludeerd dat er op zijn vakgebied bij [eiseres] geen sprake is van objectieve afwijkingen. De deskundige komt tot een mogelijke diagnose van chronisch verhoogde spierspanning in de nekspieren en een mogelijk thoracic outletsyndroom, die beide kennelijk niet in verband kunnen worden gebracht met de omstandigheden waaronder [eiseres] bij Oracle heeft gewerkt (zoals ook geen verband wordt gezien tussen de klachten en de pre-existente hypermobiliteit van gewrichten). Een verband tussen de bij het recente deskundigenonderzoek door [eiseres] gepresenteerde klachten en die welke eind 1997/begin 1998 ten gevolge van de bedoelde werkomstandigheden zijn ontstaan is er volgens Dellemijn niet. Hieruit leidt de kantonrechter af dat Dellemijn, in antwoord op de hem gestelde vraag naar het verloop van de klachten in de tijd en zoals van hem mocht worden verwacht, nadrukkelijk onderscheidt tussen enerzijds het ontstaan van de met de werkomstandigheden bij Oracle samenhangende overbelastingsklachten en anderzijds het voortbestaan van die klachten. Daarop wijzen ook de hierboven onder 2.3. (bij de tweede aandachtstreep en in de beide laatste volzinnen) geciteerde passages uit zijn onderzoeksrapport. Voor een actueel RSI-syndroom, te begrijpen als een reeks van aandoeningen die hun gemeenschappelijke oorzaak vinden in overbelasting door repeterende bewegingen, ziet Dellemijn onvoldoende argumenten, omdat er al 15 jaar geen sprake meer is van repetitieve bewegingen. Hij acht het niet aannemelijk dat de klachten van [eiseres] , die in of omstreeks 1998 als een mogelijke RSI of passend bij RSI, al die tijd zijn blijven bestaan terwijl de oorzaak (te weten: de blootstelling aan voor de gezondheid schadelijke werkomstandigheden) - behoudens de korte reïntegratiepoging in 1999 - niet meer aanwezig was. Het feit dat de klachten bleven aanhouden (en zelfs leken toe te nemen) na het staken van de werkzaamheden voor Oracle wijst er volgens Dellemijn op dat er sprake is van andere onderhoudende factoren, die losstaan van de eerdere werkomstandigheden bij Oracle. Daarbij heeft Dellemijn mede in aanmerking genomen dat de klachten die [eiseres] deden uitvallen zijn ontstaan tijdens roeitraining en dat de aanvallen van verkramping die [eiseres] in maart 1998 en in juli 1999 heeft ondervonden, niet bij RSI passen, maar veeleer als angst- of paniekaanval moeten worden geduid. De kantonrechter neemt deze conclusies en bevindingen van Dellemijn over en maakt deze tot de zijne. Daartoe wordt, in verband met de door [eiseres] geopperde bezwaren, het volgende overwogen.

4.5.
[eiseres] heeft tegen het hierboven weergegeven oordeel van Dellemijn ingebracht dat de deskundige heeft miskend dat bij overbelastingsklachten als die van [eiseres] relevante beperkingen kunnen bestaan zonder dat een onderliggend medisch substraat kan worden geobjectiveerd. [eiseres] verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 8 juni 2001 (NJ 2001, 433 inzake Zwolsche Algemeene Schadeverzekering/ [naam] ), waarin het ging om de vraag naar het causaal verband tussen een ongeval en een post whiplash syndroom. Uit dat arrest volgt dat geen al te hoge eisen mogen worden gesteld aan (het bewijs van) het oorzakelijk verband tussen een ongeval en de gezondheidsklachten en dat het ontbreken van een specifieke, medisch aantoonbare verklaring voor de klachten in die zin voor risico van de veroorzaker van het ongeval komt dat dit niet in de weg staat aan het oordeel dat het bewijs van het oorzakelijk verband is geleverd. Uit het arrest kan, anders dan [eiseres] kennelijk meent, niet worden opgemaakt dat een medisch specialist als Dellemijn een diagnose behoort te stellen die hij op grond van de regelen van zijn professie niet meent te kunnen stellen. In die zin raakt dit bezwaar van [eiseres] niet de voorliggende onderzoeksrapportage, maar heeft dit betrekking op de vraag naar de juridische causaliteit. De kantonrechter volgt [eiseres] in haar standpunt dienaangaande niet, omdat mede op basis van de bevindingen van Dellemijn niet objectief kan worden vastgesteld dat de subjectieve klachten van [eiseres] reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn.

4.6.
Bij dit laatste speelt een rol dat onderzoekend psychologen eerder hebben geconcludeerd dat het (voort)bestaan van de klachten van [eiseres] samenhangt met ‘psychogene componenten’ (DBC 1999), in het bijzonder haar ‘hoge aspiratieniveau’ en ‘bovenmatige perfectionisme’ (LAIC 2000), welke persoonlijkheidskenmerken voortkomen uit ‘een fundamentele behoefte aan erkenning en bevestiging’, hetgeen zich - als zij overvraagd wordt - kan manifesteren in een fixatie op lichamelijke klachten. Vanwege deze ‘somatisatieprocessen’ (DBC 1999) is aan [eiseres] in 1999 en in 2000 een multidisciplinaire althans gedragsmatige behandeling aanbevolen. De kantonrechter verstaat het onderzoeksrapport van Dellemijn aldus, dat de deskundige veronderstelt dat deze persoonlijkheidskenmerken van [eiseres] aan een spoedig herstel van haar eind 1997/begin 1998 ontstane klachten in de weg heeft gestaan. Het verwijt van [eiseres] dat Dellemijn hiermee buiten zijn vakgebied is getreden, is ongegrond omdat Dellemijn er slechts op heeft gewezen dat - bij gebreke van afwijkingen op neurologisch gebied - het uitblijven van een op zichzelf te verwachten herstel zou kunnen worden toegeschreven aan de wijze waarop [eiseres] vanwege haar persoonlijkheidstrekken met de opgetreden fysieke klachten is omgegaan. Of zich dit inderdaad heeft voorgedaan, kan in dit geding in het midden blijven, nu niet is gesteld of gebleken dat spoedig herstel is uitgebleven ten gevolge van feiten of omstandigheden die aan Oracle moeten worden toegerekend.

4.7.
In het voorgaande is ook de mogelijke verklaring gelegen voor de omstandigheid dat [eiseres] , anders dan de overgrote meerderheid van patiënten met overbelastingsklachten door repeterende bewegingen, geen progressie naar herstel heeft doorgemaakt. Dellemijn heeft erop gewezen dat dit laatste ‘opmerkelijk’ is. Hieruit leidt de kantonrechter af dat de deskundige tot uitdrukking heeft willen brengen òfwel dat hij de autoanamnese niet betrouwbaar acht (daarop wijst de door hem genoemde ‘forse discrepantie’ met de door [eiseres] gestelde beperkingen) òfwel dat er andere, bijvoorbeeld in haar persoonlijkheid gelegen, factoren zijn die aan herstel in de weg hebben gestaan. De kantonrechter volgt Dellemijn is zijn verwerping van de (door [G] in 2008 aangehangen) opvatting dat de enkele langdurige presentatie van gezondheidsklachten reden is om een ‘RSI fase 3’ aan te nemen en uit te gaan van chroniciteit en irreversibiliteit. In zijn overtuiging staat Dellemijn niet alleen. Bij tussenvonnis van 27 februari 2013 is dit oordeel (in overweging 4.3.) ook al opgetekend uit de eerdere rapporten van de neurologen [F] (2000) en [C] (2007).

4.8.
Het voorgaande laat nog onbeantwoord de vraag over welke periode de eind 1997/begin 1998 ontstane klachten van [eiseres] , en de daarmee samenhangende schade, aan Oracle is toe te rekenen. Bij de beantwoording van deze vraag neemt de kantonrechter in aanmerking dat deze toerekening weliswaar in beginsel ruim dient te geschieden, in die zin dat Oracle tevens heeft op te komen voor buiten de normale lijn der verwachting gelegen schade, maar dit daarin haar grens vindt, dat toerekening zich niet ook uitstrekt tot voort-durende schade die voortvloeit uit de omstandigheid dat [eiseres] behandelmogelijkheden onbenut heeft gelaten die redelijkerwijs van haar wél mochten worden gevergd. Op haar rustte immers de verplichting de schade zoveel mogelijk te beperken. Dellemijn heeft erop gewezen dat [eiseres] baat heeft gehad bij de Mensendiecktherapie, die zij van juni tot en met november 1998 heeft gevolgd, en bij de fysiotherapie die zij daarna - in 1999 - heeft gehad. Op grond van de in die tijd uitgebrachte rapportage concludeert Dellemijn ‘dat zowel de Mensendiecktherapeut, de fysiotherapeut en de neuroloog de resterende klachten wijten aan stress.’ In november 1999 en in mei 2000 hebben ook de onderzoekend psychologen gewezen op een mogelijke psychogene factor en is aan [eiseres] een multidisciplinaire, gedragsmatige behandeling geadviseerd. Daarvan heeft zij afgezien, kennelijk omdat zij vasthield aan het idee dat haar klachten uitsluitend een fysieke oorsprong hadden. Onder deze omstandigheden kan het voortbestaan van de klachten niet meer aan Oracle worden toegerekend. Er dient vanuit te worden gegaan dat [eiseres] redelijkerwijs eerst na verloop van enige tijd zou hebben kunnen profiteren van de geadviseerde aanpak. De kantonrechter oordeelt dat [eiseres] niet later dan eind 2000 zoveel baat bij de aanbevolen behandeling zou hebben gehad dat verdere schade, derhalve die welke in de periode na 31 december 2000 zou zijn geleden, niet meer in zodanig verband staat met de schending door Oracle van haar zorgplicht ingevolge artikel 7:658 BW dat deze haar, gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, niet meer als een gevolg daarvan kan worden toegerekend.

4.9.
[eiseres] wordt thans in de gelegenheid gesteld bij akte haar schade ten gevolge van de eind 1997/begin 1998 ontstane gezondheidsklachten, geleden in de periode tot en met 31 december 2000 te begroten en te onderbouwen. Oracle zal daarop mogen reageren. Elke verdere beslissing wordt aangehouden. ECLI:NL:RBMNE:2015:9191

Deze website maakt gebruik van cookies