Zoeken

Inloggen

Artikelen

Hof Den Bosch 161110 whiplash; oordeel over onderzoek neuroloog

Hof Den Bosch 161110 whiplash; oordeel over onderzoek neuroloog
4.1.8. Op verzoek van [X.] in het kader van een voorlopig deskundigenbericht heeft de rechtbank bij beschikking van 24 november 2004 dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, tot deskundige benoemd en bij beschikking van 22 december 2004 is aan deze nog de aanvullende vraag gesteld of hij een onderzoek door een neuropsycholoog en/of psychiater noodzakelijk achtte. Van den Doel heeft op 15 augustus 2005 een voorlopig deskundigenbericht uitgebracht. Daarin concludeert de deskundige, voor zover van belang, dat als diagnose kan worden gesteld dat bij [X.] sprake is van een post whiplash syndroom na cervicaal trauma en dat de nekklachten en de daaruit voortvloeiende problemen met het concentratievermogen zijn inziens als ongevalsgevolg zijn te beschouwen en dat hij geen reden heeft aan te nemen dat deze klachten op enig ander moment ook zouden zijn ontstaan als [X.] het ongeval niet was overkomen. De functiestoornis stelt de deskundige, uitgaande van de 5e editie van de AMA guide, op 5% van de gehele mens (de laagste categorie). Voorts is [X.] volgens de deskundige op grond van de door hem ervaren pijnklachten als licht beperkt te omschrijven in die werkzaamheden die een meer dan normale belasting van de halswervelkolom met zich brengen qua intensiviteit en qua duur, hetgeen de deskundige bij gebreke van structurele afwijkingen niet nader kan specificeren.
In reactie op opmerkingen van – de raadsman van – [X.] schrijft de deskundige in zijn rapport:

“(…) ben ik van mening dat er bij betrokkene sprake is van een depressief toestandsbeeld, hiermee heb ik bij de vaststelling van het percentage functieverlies echter geen rekening gehouden. De 5% is verkregen door een combinatie van de richtlijnen van de Vereniging voor Neurologie en de AMA-richtlijnen. Hierin speelt de depressie geen rol. De 5% wordt juist verkregen door de klachten die betrokkene weergeeft van zijn rechterarm.”

In reactie op opmerkingen van – de raadsman c.q medisch adviseur van – London stelt de deskundige:

“De ernstige klachten die betrokkene thans nog ervaart zijn door meerdere oorzaken bepaald. Ik heb hieruit die klachten gehaald die naar mijn mening kunnen worden toegeschreven op grond van de mij ter beschikking staande gegevens aan het ongeval in 1994. Dit is een moeilijke afweging gezien het feit dat betrokkene bijna 12 jaar na het ongeval wordt beoordeeld en dat specifieke gegevens over zijn gezondheidstoestand van voor het ongeval ontbreken. Dit alles afwegende ben ik tot mijn conclusie gekomen, waarbij ik de gegevens uit de behandelende sector in de periode na het ongeval zwaar heb laten meewegen.”

4.2.1. [X.] heeft bij dagvaarding van 28 juni 2007 de onderhavige procedure jegens London aanhangig gemaakt en gevorderd dat London wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 241.735,55 inzake de door hem ten gevolge van het ongeval geleden schade. [X.] stelt dat hij door het ongeval letselschade heeft, bestaande uit nekklachten, hoofdpijnklachten, schouderklachten, lage rugklachten, krachtverlies van zijn rechterarm alsmede tintelingen in de vingers van zijn rechterarm, concentratie- en geheugenstoornissen, meer dan normale vermoeidheid, en dat hij daardoor uiteindelijk volledig arbeidsongeschikt is geraakt. Het gevorderde bedrag is als volgt opgebouwd:
a. verlies arbeidsvermogen t/m 1999        € 20.275,90
b. verlies arbeidsvermogen
- 2000 t/m 2006          53.750,00  
- toekomst           103.500,00
c. pensioenschade         23.500,00
d. therapiekosten        
- 2000 t/m 2006         2.100,00
- toekomst           5.000,00
e. verlies zelfwerkzaamheid  
- 2000 t/m 2006         3.500,00
- toekomst            8.000,00
f. smartengeld           15.000,00
g. wettelijke rente tot 1.07.2007
1. verlies arbeidsvermogen 2000 t/m 2006    6.958,91
2. therapie/verlies zelfwerkzaamheid 2000 t/m 2006   1.074,82
3. smartengeld 18.09.1994 t/m 01.07.2007        16.302,73
h. fiscale schade          10.000,00
-------------
€ 268.962,36
Voorschot        -/-   27.226,81
--------------
€ 241.735,55    
4.2.2. London betwist voor de gevorderde schade aansprakelijk te zijn. Zij stelt, kort samengevat, dat het ongeval van 1994 hooguit tot tijdelijke arbeidsongeschiktheid heeft geleid, maar dat de volledige arbeidsongeschiktheid vanaf eind 2002 niet is te wijten aan het ongeval van 1994. [X.] zou ook zonder ongeval, gegeven zijn thuissituatie, psychisch gedecompenseerd zijn en arbeidsongeschikt zijn geraakt, aldus London.
4.2.3. De rechtbank overweegt in het vonnis van 15 oktober 2008 dat het geschil van partijen zich met name toespitst op het antwoord op de vraag of er na 1 september 2000 nog sprake is van arbeidsongeschiktheid bij [X.] als gevolg van het ongeval. De rechtbank oordeelt vervolgens dat [X.] zijn stelling, dat hij door het ongeval uiteindelijk blijvend arbeidsongeschikt is geworden, baseert op het door de deskundige Van den Doel vastgestelde percentage functionele stoornis van 5% van de gehele persoon alsmede op de omstandigheid dat [X.] in het kader van de WAO voor 80-100% arbeidsongeschikt is verklaard. Deze stellingen kunnen de vordering van [X.] niet dragen, aldus de rechtbank. Volledige arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO is niet hetzelfde als de 5% functiestoornis van de gehele persoon. Voor zover [X.] heeft bedoeld te stellen dat in deze zaak moet worden uitgegaan van het door de UWV vastgestelde percentage arbeidsongeschiktheid overweegt de rechtbank dat deze regels in een civiele zaak niet van toepassing zijn. In dit geschil moet worden uitgegaan van de 5% functiestoornis, maar door [X.] is niet gesteld hoe dat percentage een volledige arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft, terwijl zijn vordering tot schadevergoeding wel is gebaseerd op volledig arbeidsongeschikt- heid. De rechtbank wijst daarop de vorderingen wegens onvoldoende onderbouwing af.

4.3. De grieven richten zich tegen deze afwijzing van de vorderingen van [X.] en daarmee ligt in hoger beroep het geschil in volle omvang voor. Dit betekent dat het hof de toewijsbaarheid van de vordering van [X.] opnieuw dient te beoordelen.
Het hof merkt reeds nu op dat indien het hof mocht oordelen dat het vonnis van de rechtbank moet worden vernietigd, de zaak niet naar de rechtbank zal worden terugverwezen, zoals in randnummer 40 van de memorie van grieven wordt gesuggereerd. Het gaat in dezen om een hoger beroep tegen een eindvonnis en op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep vindt dan bij vernietiging in het algemeen, uitzonderingen daargelaten, geen terugverwijzing plaats. Een uitzondering doet zich hier echter niet voor. Dit betekent dat als in hoger beroep mocht worden geoordeeld dat London voor de gevorderde schade aansprakelijk is, de schadeposten ook dit hoger beroep zullen worden beoordeeld.

4.4. [X.] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij door het ongeval schade heeft geleden, onder meer bestaande uit letselschade, een post whiplash syndroom, als gevolg waarvan hij onder meer - volledig dan wel gedeeltelijk - arbeidsongeschikt is geraakt. London betwist dat zij gehouden is meer te vergoeden dan hetgeen zij reeds aan [X.] heeft vergoed. Zij stelt zich op het standpunt dat de bij [X.] na 1 september 2000 ontstane schade niet meer in causaal verband staat met het ongeval uit 1994.
Derhalve spitst het geschil zich ook in hoger beroep toe op de vraag of de schade van [X.] ontstaan na 1 september 2000 aan het ongeval uit 1994 kan worden toegerekend.

4.5. De stelplicht en bewijslast ten aanzien van a) de schade en/of het letsel van [X.] en b) het causaal verband tussen de schade en/of het letsel en het ongeval rust op [X.].
De rechtbank heeft in eerste aanleg geoordeeld dat [X.] niet aan zijn stelplicht heeft gedaan, meer in het bijzonder dat hij de gestelde arbeidsongeschiktheid op grond van het uit het rapport van Van den Doel blijkende percentage van 5% functionele ongeschiktheid en de rapportage van het UWV onvoldoende heeft onderbouwd. [X.] heeft in hoger beroep alsnog een in zijn opdracht opgesteld rapport van psychiater P.W. Pasmans en een rapport van arbeidsdeskundige J.E.W.M. de Bonth overgelegd. London maakt daartegen bezwaar en stelt zich op het standpunt dat voor dergelijke eenzijdige expertises na de rapportage van Van den Doel geen ruimte meer is. Volgens London volgt uit het rapport van Van den Doel dat het ongeval alleen heeft geleid tot nekklachten en daaruit voortvloeiende problemen met het concentratievermogen. Van psychische klachten als gevolg van het ongeval is, aldus London, in het geheel geen sprake. In dat verband wijst London onder meer naar de hiervoor in 4.1.8 weergegeven reactie van de deskundige op commentaar van de medisch deskundige van London op het concept rapport. Daaruit volgt, aldus London, dat de deskundige heeft onderkend dat bij [X.] ten tijde van het onderzoek sprake was van ernstige klachten, maar de deskundige heeft alleen de nekklachten en de concentratie- problemen – en dus niet de psychische klachten – aan het ongeval toegeschreven. Nu [X.] heeft nagelaten bij memorie van grieven deugdelijke argumenten tegen het rapport van Van den Doel aan te voeren, is daarmee volgens London het doek voor de grieven van [X.] gevallen. Gezien de bevindingen van Van den Doel zijn de beperkingen als gevolg van het ongeval zodanig beperkt dat de door [X.] gevorderde schadecomponenten voor afwijzing gereed liggen, aldus London.

4.6. Partijen verschillen, kort gezegd, van mening over de betekenis van de conclusie van de deskundige ten aanzien van de psychische klachten van [X.].
Vooropgesteld wordt, dat de rechter bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen in zijn beslissing zal volgen, alle terzake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking dient te nemen en op basis van de aangevoerde stellingen in volle omvang dient te toetsen of er aanleiding is van de in het rapport genoemde conclusies af te wijken (zie HR 19 oktober 2007, LJN: BB 5172).

4.7. [X.] heeft in eerste aanleg bezwaar gemaakt tegen het rapport van Van den Doel omdat de deskundige in zijn rapport wat betreft de psychische klachten van [X.] de medische en juridische causaliteit verwart. In hoger beroep heeft [X.], naar het hof begrijpt, dit bezwaar gehandhaafd en daaraan toegevoegd dat ingeval een neuroloog aangeeft dat sprake is van psychiatrische problematiek, de beoordeling waaruit die problematiek bestaat vervolgens aan een psychiater moet worden overgelaten.

4.8. Het hof is anders dan [X.] niet van oordeel dat de deskundige in zijn rapport de medische en juridische causaliteit verwart. Van den Doel heeft in zijn rapport de hem ter beantwoording voorgelegde vragen als neuroloog beantwoord. Van den Doel geeft in zijn rapport uitdrukkelijk aan, dat het voor de bepaling van het percentage functieverlies door een neuroloog van belang is om zich aan de criteria van de NVvN te houden. Volgens die criteria en de AMA-richtlijnen, waaraan de rechtbank heeft gerefereerd, speelt depressie daarbij geen rol, zo staat in het rapport. Wanneer Van den Doel dan vervolgens op p. 10 van zijn rapport opmerkt dat de ernstige klachten die [X.] thans nog ervaart door meerdere oorzaken zijn bepaald en dat hij daaruit die klachten heeft gehaald die naar zijn mening kunnen worden toegeschreven aan het ongeval uit 1994, dan valt daaruit naar het oordeel van het hof nog niet uit af te leiden dat volgens Van den Doel de psychische klachten niet aan het ongeval kunnen worden toegeschreven. Van den Doel heeft, zo leest het hof zijn rapport, die klachten als neuroloog buiten beschouwing gelaten.
Het hof neemt de conclusie van Van den Doel ten aanzien van de hem geconstateerde fysieke klachten op neurologisch gebied – de nekklachten en de daarmee corresponderende problemen met het concentratievermogen – over. Daarmee staat dus vast dat deze klachten ongevalsgevolg zijn.

4.9. Wat betreft de gestelde psychische klachten van [X.] geldt dat deze, anders dan London stelt, bij de beoordeling van de vraag of [X.] ten gevolge van het ongeval arbeidsongeschikt is geworden wel van belang kunnen zijn. Volgens vaste jurisprudentie geldt immers dat als bij een onrechtmatige daad als de onderhavige – bestaande in het veroorzaken van letsel – het in de normale lijn der verwachtingen liggende herstel uitblijft als gevolg van de persoonlijkheidsstructuur van het slachtoffer of als gevolg van moeilijkheden in diens privéleven het – geheel dan wel gedeeltelijk - uitblijven van herstel niettemin als gevolg van de daad aan de dader moet worden toegerekend (HR 4 november 1988, NJ 1989, 751). Voor een – gehele dan wel gedeeltelijke – toerekening van deze omstandigheden aan het slachtoffer zelf is slechts plaats onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld indien het slachtoffer van zijn kant zich – mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en privé-moeilijkheden – onvoldoende heeft ingespannen om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. Dit betekent dat als deze klachten, althans de realiteit van de klachten, komen/komt vast te staan, moet worden beoordeeld of deze klachten op grond van het hiervoor vermelde uitgangspunt aan het ongeval kunnen worden toegerekend. Om die reden neemt het hof de conclusie van de deskundige dat een onderzoek door een neuropsycholoog en/of psychiater niet nodig is niet over. De daartegen door [X.] opgeworpen bezwaren treffen doel.

4.10. Naar het oordeel van het hof heeft [X.] door het overleggen van de rapporten van Pasmans en De Bonth zijn stellingen betreffende het bestaan van die klachten en het causaal verband tussen die klachten en het ongeval in ieder geval voldoende onderbouwd. Psychiater Pasmans concludeert dat bij [X.] sprake is van een in algemene zin sterk afgenomen psychische belastbaarheid. Pasmans merkt in zijn rapport op dat de depressieve klachten van [X.] mogelijk te wijten zijn aan onder meer overbelasting, de tegengestelde adviezen van de huisarts van [X.] en het GAK en het stopzetten van de uitkering door het GAK. Volgens het rapport van de arbeids- deskundige De Bonth is het niet aannemelijk dat [X.] meer dan circa 12 uur per week in een arbeidssituatie kan functioneren. Zij tekent daarbij aan geen mogelijkheden te zien op de vrije arbeidsmarkt, maar eventueel wel binnen de Sociale Werkvoorziening.

4.11. Nu het hier evenwel om eenzijdig tot stand gekomen rapporten gaat, zijn daarmee naar het oordeel van het hof de stellingen waarop [X.] zijn vordering baseert, nog niet bewezen. London geeft in de memorie van antwoord aan bezwaren te hebben tegen de persoon van Pasmans als deskundige als ook tegen (sommige van) zijn conclusies. Het hof ziet daarin aanleiding om met partijen te bespreken hoe de verdere behandeling van deze zaak het beste kan verlopen en zal daartoe een meervoudige comparitie gelasten. Op deze comparitie zal met partijen worden besproken of, gelet op de in het dossier reeds aanwezige stukken, het nodig is nog nader deskundigenonderzoek te gelasten. Indien nodig zullen de persoon en de deskundigheid van de te benoemen deskundigen alsmede de aan deze ter beantwoording voor te leggen vragen worden besproken. De comparitie zal tevens worden gebruikt om te bezien of een minnelijke regeling tot de mogelijkheden behoort. In dat verband zullen ook alle schadeposten worden besproken. LJN BO5064

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies