Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 020610 whiplash, rb acht na orthopedische ook neurologische expertise aangewezen

Rb Arnhem 020610 whiplash, rb acht na orthopedische ook neurologische expertise aangewezen
2.1.  Ingevolge het laatste tussenvonnis hebben dr. Borstlap voornoemd als kaakchirurg en dr. Schreuder voornoemd als orthopedisch chirurg een deskundigenbericht uitgebracht op hun vakgebied. Aan hen beiden is de IWMD-vraagstelling omtrent causaal verband bij ongevallen (concept-versie maart 2009) ter beantwoording voorgelegd.

deskundigenbericht dr. Borstlap
(....)
2.4.  Beide partijen kunnen zich vinden in de rapportage van dr. Borstlap. Ook de rechtbank is van oordeel dat zijn rapportage kan worden gebruikt ten behoeve van de verdere beoordeling van het geschil. Zij neemt de bevindingen en conclusies van de deskundige dan ook over en maakt deze tot de hare.

deskundigenbericht dr. Schreuder
(....)
2.7.  Door [eiser sub 1] c.s. wordt ook het rapport van dr. Schreuder volledig onderschreven. Het Bureau heeft, behoudens op het punt van het ontstaansmechanisme van het letsel en in dat verband het al dan niet dragen van de gordel, evenmin bezwaren geuit tegen zijn rapport. Ook de rechtbank neemt de bevindingen en conclusies van dr. Schreuder over en maakt die tot de hare, met dien verstande dat op een aantal onderdelen een voorbehoud wordt gemaakt. Over het ontstaansmechanisme van het letsel bij het wel of niet dragen van de autogordel en over de door [eiser sub 1] ondervonden beperkingen alsmede de opmerkingen van de deskundige daaromtrent zal pas later in deze procedure definitief worden beslist, wellicht na raadpleging van een verkeersongevallendeskundige en/of een verzekeringsgeneeskundige. Ook bij de diagnose ‘whiplash’ wordt een voorbehoud gemaakt, niet zozeer omdat de rechtbank dr. Schreuder niet in staat acht de eerder genoemde richtlijnen van de neurologie correct toe te passen, maar omdat de rechtbank voornemens is alsnog ook een neuroloog als deskundige te benoemen en over deze diagnose pas na diens rapportage definitief zal worden beslist (zie hierna, onder 2.11).

ongevalsgevolgen

2.8.  De rechtbank constateert dat met het rapport van dr. Borstlap het door het ongeval veroorzaakte aangezichtsletsel en de gebitsschade van [eiser sub 1] volledig in kaart zijn gebracht. De verwonding aan de bovenlip is restloos hersteld en hetzelfde geldt voor de tandkasfractuur. De repositie en fixatie van de door het ongeval geluxeerde twee bovenste voorste snijtanden zijn succesvol verricht, zij het dat [eiser sub 1] geruime tijd meerdere losse gebitselementen heeft gehad door de tandheelkundige behandeling die hij heeft moeten ondergaan. Verder resteert er daardoor een klop- en/of beetgevoeligheid van de bovenste en onderste snijtanden en loopt [eiser sub 1] een verhoogd risico op verdere behandeling en uiteindelijk verlies van zijn bovenste twee voortanden. Relevante beperkingen voor de schadebegroting - met uitzondering van het smartengeld - lijkt [eiser sub 1] hierdoor niet (meer) te ondervinden. Het voorgaande zal bij de verdere beoordeling van de zaak tot uitgangspunt worden genomen.

2.9.  Over de betekenis van de rapportage van dr. Schreuder zijn de partijen wel verdeeld. [eiser sub 1] c.s. zien daarin - kennelijk - een bevestiging van hun stellingen omtrent de ongevalsgerelateerde arbeidsongeschiktheid van [eiser sub 1]: zij handhaven hun vorderingen. Het Bureau daarentegen meent op grond van datzelfde rapport dat onduidelijk is waardoor de problemen met de cervicale wervelkolom zijn veroorzaakt, dat aldus niet is komen vast te staan dat het ongeval daarvan de oorzaak is en en dat de door dr. Schreuder geconstateerde milde beperkingen op orthopedisch gebied geen ongevalsgevolg zijn. Voor zover ervan moet worden uitgegaan dat [eiser sub 1] door het ongeval (ook) een whiplash heeft opgelopen meent het Bureau dat de daaruit voortvloeiende beperkingen mild zijn en evenmin leiden tot blijvende relevante beperkingen voor het verrichten van zijn eigen werk. Op grond hiervan concludeert het Bureau dat de vorderingen van [eiser sub 1] c.s. zonder nadere deskundigenonderzoeken voor afwijzing gereed liggen, aangezien met de reeds betaalde bedragen aan voorschotten ad in totaal EUR 20.000,-- de schade reeds volledig is vergoed.

2.10.   Op het gebied van de door [eiser sub 1] gestelde andere ongevalsgevolgen - een whiplash wegens het ingedrukt raken van de verbindingsstukken tussen de vijfde en zesde nekwervel die heeft geresulteerd in ernstige klachten als pijn in de nek, bewegingsbeperkingen van hoofd, nek en schouders, hoofdpijnen, gevoelloosheid in de armen en handen, concentratieproblemen en duizeligheid - heeft het rapport van dr. Schreuder in elk geval ten dele duidelijkheid gebracht. De rechtbank begrijpt daaruit dat [eiser sub 1] lijdt aan degeneratieve verschijnselen aan de cervicale wervelkolom die zowel door het ongeval als door het verstrijken der jaren vallen te verklaren, waarbij laatstgenoemde oorzaak door dr. Schreuder het meest waarschijnlijk wordt geacht. Verder stelt de rechtbank op grond van diens rapport (voorlopig) vast dat de klachten die [eiser sub 1] ten gevolge van deze aandoening aan de cervicale wervelkolom ondervindt, leiden tot matige beperkingen bij het knielen, kruipen, hurken, gebogen werken, kort cyclisch buigen, torderen, gebruiken van de nek en bovenhands werken en tot lichte beperkingen bij het klimmen en klauteren alsmede het duwen en trekken. Vast staat op grond van het rapport voorts dat er geen klachten of afwijkingen zijn die er ook zouden zijn geweest of op enig moment hadden kunnen ontstaan als het ongeval [eiser sub 1] niet was overkomen. De degeneratieve verschijnselen zoals [eiser sub 1] die vertoont, worden ook gezien bij mensen die geen klachten ervaren. In de onderhavige zaak zijn de nekklachten en daardoor veroorzaakte bewegingsbeperkingen er echter pas vanaf het ongeval, zo moet worden aangenomen op grond van een aan het rapport gehechte brief van de huisarts van [eiser sub 1]. In verband met het voorgaande kan in het midden blijven of de degeneratieve verschijnselen als zodanig ongevalsgevolg zijn of niet. Immers, ingeval dat niet zo is, dan geldt dat [eiser sub 1] van die pre-existente verschijnselen waarvan hij vóór het ongeval geen last had, ten gevolge van het ongeval klachten is gaan ondervinden. Het moet er dan voor worden gehouden dat het ongeval luxerend heeft gewerkt. Daarmee zijn die klachten indirect ongevalsgevolg. Indien en voor zover definitief komt vast te staan dat daaruit beperkingen voortvloeien die tot schade lijden, behoort die dus tot de in beginsel door het Bureau te vergoeden schade.

2.11.  Met het voorgaande is echter niet beantwoord de vraag of de hoofdpijnklachten en de daaraan mogelijk secundaire klachten (zoals concentratieproblemen, tintelingen/gevoelloosheid en duizeligheid) eveneens kunnen worden verklaard door de degeneratieve verschijnselen aan de cervicale wervelkolom, al dan niet in combinatie met het ongeval. Deze mogelijk secundaire klachten zijn ook nog niet geobjectiveerd. Met
dr. Schreuder is de rechtbank van opvatting dat een neuroloog zou moeten worden geraadpleegd: deze kan op zijn vakgebied [eiser sub 1] onderzoeken op genoemde klachten - zo naar zijn oordeel nodig met hulponderzoek door een neuropsycholoog - en in dat verband tevens beoordelen of sprake is van een WAD graad II of III. Ook zal de neuroloog worden gevraagd of [eiser sub 1] naar zijn oordeel op het ongeval terug te voeren beperkingen ondervindt op zijn vakgebied. Bij zijn onderzoek zal de neuroloog in beginsel ook de door de rechtbank overgenomen bevindingen van dr. Schreuder tot uitgangspunt dienen te nemen. De zaak zal naar de rol worden verwezen, opdat de beide partijen zich (gelijktijdig) kunnen uitlaten over het voornemen van de rechtbank een neuroloog te benoemen, de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen. Wat dat laatste betreft is de rechtbank voornemens de IWMD-vraagstelling ‘Causaal verband bij ongeval’, concept-versie januari 2010, vragen 1 tot en met 3 (zie www.rechten.vu.nl/onderzoek/iwmd) te gebruiken. Na de gelijktijdig te nemen akte krijgen de partijen de gelegenheid, wederom gelijktijdig, voor het nemen van een antwoordakte.
LJN BM8544

Rb Arnhem 090610 whiplash; aanrijding door een viertal agenten, rb gelast desk.bericht door neuroloog adhv IWMD vraagstelling; rb wil niet sturen bij hanteren AMA-guides of NVN-richtlijnen; kosten voor aansprakelijke partij
3.  De vordering en de beoordeling

(...)
Ter beoordeling liggen dan uitsluitend nog voor de vorderingen van [eiser] (zie vorige vonnis onder 3.1. I en III) tot veroordeling van Reaal tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van het ongeval op 8 maart 2008 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met rente en de veroordeling van Reaal tot voldoening aan [eiser] van een voorschot op de schadevergoeding ten bedrage van
€ 50.000,--, althans dat bedrag dat de rechtbank in goede justitie juist acht.

3.2.  Aan zijn vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat door de Regiopolitie IJsselland onrechtmatig jegens hem is gehandeld doordat een viertal agenten [eiser] op 8 maart 2008 – onder meer – aan de voor- en achterzijde hebben aangereden op de wijze zoals door [eiser] ter comparitie (zie hiervoor 2.2.) is omschreven. Als gevolg van de aanrijdingen heeft [eiser], zo stelt hij, blijvend letsel heeft opgelopen, bestaande uit met name hoofdpijn, nekklachten, concentratiestoornissen, evenwicht- en geheugenstoornissen en een niet goed functionerend korte termijngeheugen. Als gevolg van deze klachten is hij volledig arbeidsongeschikt en lijdt hij schade onder meer bestaande uit het verlies aan arbeidsvermogen en zelfwerkzaamheid. [eiser] houdt Reaal als WAM-verzekeraar van de Regiopolitie IJsselland op grond van artikel 6 WAM rechtstreeks voor de geleden en te lijden schade aansprakelijk.

3.3.  Reaal heeft aansprakelijkheid erkend. Zij bestrijdt echter - onder verwijzing naar diverse brieven van haar medisch adviseur - dat sprake is van de genoemde klachten althans in de gestelde mate, dat die klachten het gevolg van het ongeval zijn en dat die klachten leiden tot (blijvende) beperkingen.

3.4.  De kern van het geschil vormt daarmee de vraag of en, zo ja, in welke mate [eiser] als gevolg van het ongeval de gestelde klachten ondervindt en of en, zo ja, in welke mate dat leidt tot beperkingen. De rechtbank is voornemens zich door een deskundige te laten voorlichten alvorens zij hierover verder zal oordelen. Ter zitting hebben partijen zich uitvoerig over een te gelasten deskundigenonderzoek uitgelaten. De rechtbank oordeelt als volgt.

3.5.  Partijen zijn het erover eens dat (allereerst) een neuroloog tot deskundige moet worden benoemd die, zo hij daartoe aanleiding ziet, een neuropsycholoog zal inschakelen, waarbij hij (door hem te formuleren) vragen aan de neuropsycholoog zal stellen. Van de zijde van Reaal is bezwaar gemaakt tegen inschakeling van de neuropsychologen Zaal en Koene. Partijen hebben daarnaast beide een voorkeur uitgesproken voor dr. J. Bruins (Westbroekse Binnenweg 16, 3612 AH Tienhoven). Met inachtneming van een en ander staat het de te benoemen neuroloog vrij een neuropsycholoog in te schakelen. Over de persoon van de te benoemen neuroloog staan partijen, zo is ter zitting gebleken, lijnrecht tegenover elkaar. Partijen refereren zich aan het oordeel van de rechtbank op dit punt, zij het dat zij beide nog namen hebben genoemd van neurologen tegen wiens benoeming in hun visie onoverkomelijke bezwaren bestaan. Daarmee rekening houdend zal de rechtbank neuroloog A.H.C. Geerlings tot deskundige benoemen. Hij heeft desgevraagd verklaard daartoe in staat en bereid te zijn en vrij te staan ten opzichte van partijen. Aan de hand van de opgave van de deskundige wordt het voorschot op zijn loon en kosten (inclusief het honorarium van een neuropsycholoog), inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 5.117,00. Reaal heeft ter zitting toegezegd de kosten van dit deskundigenonderzoek te dragen. Het voorschot komt dan ook voor haar rekening.

3.6.  Partijen zijn het er verder over eens dat aan de deskundige de IWMD-vraagstelling, versie januari 2010, vragen 1 tot en met 3, moeten worden voorgelegd. [eiser] heeft verzocht de vraagstelling aan te vullen met de vraag: ‘Welke mate van functieverlies kunt u vaststellen op uw vakgebied, wilt u dit uitdrukken in een percentage volgens de richtlijnen van de AMA-guide versie 6.’ Tegen de door mr. Vermeulen voorgestelde aanvullende vraag bestaat van de zijde van Reaal geen bezwaar, zij het dat in de visie van Reaal de deskundige dient te oordelen met in achtneming van de Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie en volgens de AMA-guide versie 5. De advocaat van [eiser] heeft daarop betoogd dat de AMA-guide versie 5 en de richtlijn van de Vereniging van Nederlandse Neurologie geen ruimte bieden voor het aannemen van beperkingen op basis van klachten waaraan geen neurologisch substraat ten grondslag ligt. Wanneer die regelgeving door de deskundige wordt gevolgd zal het antwoord op de aanvullende vraag volgens haar dan ook zijn dat van functieverlies geen sprake is. Daarom dient de vraag volgens haar te worden beantwoord volgens de AMA-guide versie 6, die wel ruimte biedt voor het aannemen van functieverlies bij een post-whiplashsyndroom.

3.7.  De voorgestelde aanvullende vraag zal worden overgenomen (zie in het dictum, vraag 1g), zij het dat de rechtbank - anders dan partijen voorstaan - de te benoemen neuroloog niet zal instrueren dat hij bij de beantwoording van die vraag al dan niet de AMA-guide versie 5 of 6 of de Richtlijnen van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie dient te hanteren. De rechtbank ziet het niet tot haar taak om de deskundige daarin in dit geval (dwingend) te sturen. De deskundige draagt zelf de verantwoordelijkheid om - per geval - te beslissen volgens welke (in zijn beroepgroep geldende) regels hij meent een aan hem voorgelegde vraag te moeten beantwoorden.

3.8.  Het voorgaande laat onverlet dat wanneer de te benoemen neuroloog - al dan niet vanwege de voorschriften in door hem gevolgde regels - geen functieverlies en beperkingen kan aangeven, het de rechtbank vrij staat om, indien en voor zover daartoe naar het oordeel van de rechtbank aanleiding bestaat, alsnog een medisch deskundige uit een andere discipline te benoemen aan wie die vraag wordt voorgelegd. Partijen kunnen zich daarover, afhankelijk van de inhoud van het deskundigenbericht, in hun conclusies na dat bericht uitlaten.

3.9.  Reaal heeft nog als aanvullende vraag voorgesteld de facultatieve vraag 4 van de IWMD-vraagstelling, die luidt:
‘Met het oog op de bepalingen van de looptijd van eventuele toekomstschade, is van belang te weten of in het medisch dossier van betrokkene overigens feiten en omstandigheden voorkomen – ook buiten de huidige klachten en afwijkingen en/of uw eigen vakgebied gelegen – die aanleiding zouden kunnen geven te veronderstellen dat bij betrokkene ook zonder ongeval op enig moment beperkingen zouden zijn opgetreden op het gebied van de uitoefening van de beroepsactiviteiten of het verrichten van werkzaamheden in en rond de woning.
a.  wilt u, tegen deze achtergrond, een inventarisatie maken van de feiten en omstandigheden uit het medisch dossier van betrokkene, die naar uw mening in dit opzicht relevant zijn?’
[eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen (de formulering van) deze vraag omdat de deskundige daarmee op het spoor van een fishing expedition - buiten zijn vakgebied - wordt gezet. Hij stelt voor om de te benoemen neuroloog in plaats daarvan te vragen of het medisch dossier volgens hem aanleiding geeft voor onderzoek door een andere medische specialist.

3.10.  Voor zover het gaat om binnen het eigen vakgebied van de deskundige gelegen feiten en omstandigheden bestaat tegen het stellen van vraag 4 naar het oordeel van de rechtbank geen bezwaar. Wat betreft buiten dat vakgebied gelegen feiten en omstandigheden zal – zoals [eiser] heeft voorgesteld - aan de deskundige worden gevraagd of het medisch dossier volgens hem aanleiding geeft voor onderzoek door een (of meer) andere medische specialist(en) en, zo ja, waarom. Daarmee wordt voorkomen dat aan de te benoemen deskundige wordt gevraagd zich uit te laten over kwesties die buiten zijn vakgebied liggen.

3.11.  Ten slotte verlangt Reaal nog dat door de deskundige een disclosure statement (productie 5, onderdeel 5.1., bijlage 8 van de zijde van [eiser]) wordt ingevuld zodat inzichtelijker wordt hoe de deskundige tot zijn oordeel is gekomen. In kwesties als de onderhavige, waarbij – zo stellen de beide partijen – in de beroepsgroep sprake is van verdeeldheid over de (neurologische) visie op het post whiplashsyndroom, ziet de rechtbank het nut van een dergelijk disclosure statement in. De deskundige zal dan ook worden gevraagd de vragen in het disclosure statement te beantwoorden.
  
3.12.  Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.  De beslissing
De rechtbank

(...)
bepaalt dat Reaal binnen twee weken na datum van dit vonnis als voorschot op de kosten inclusief omzetbelasting van de deskundige € 5.117,00 ter griffie van deze rechtbank dient te deponeren door dit bedrag over te maken op rekening nummer 56.99.90.548 ten name van MvJ arrondissement Arnhem onder vermelding van het rolnummer en de namen van partijen,
LJN BM8528

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies