Zoeken

Inloggen

Artikelen

Rb Arnhem 210508 whiplash bij pre-existente musculaire atrofie; vraagst. naar ontwikkeling pre-ex

Rb Arnhem 210508 whiplash bij pre-existente musculaire atrofie; vraagstelling naar ontwikkeling pre-existentie
2.1.  [eiseres], geboren 26 december 1976, lijdt aan de aangeboren aandoening spinale musculaire atrofie, waarbij door een aantasting van de zenuwcellen in het ruggenmerg een verminderde capaciteit van de spieren optreedt. Als gevolg daarvan is [eiseres] gebonden aan een rolstoel.

2.2.  Op 11 november 1998 is tijdens het vervoer van [eiseres] in een taxibus haar rolstoel losgeschoten uit de verankering en is zij met haar rolstoel tegen een naast haar staande bank geschoven. Haar arm is hierdoor zwaar gekneusd geraakt.

2.3.  Op 1 februari 1999 is de rolstoel van [eiseres] wederom tijdens het vervoer in een taxibus losgeschoten uit de verankering. Dit keer is [eiseres] met grote kracht in aanraking gekomen met de stoel en andere delen van het interieur van de taxibus. Als gevolg van dit ongeval had en heeft [eiseres] last van hoofdpijn, duizeligheid, concentratieverlies, vermoeidheid en pijn in nek en ledematen.

2.4.  Bovemij, de verzekeraar van het taxibedrijf, heeft de aansprakelijkheid voor de gevolgen van de ongevallen erkend.

2.5.  In juni 1999 is tijdens een autorit sprake geweest van een plotselinge rembeweging waardoor [eiseres], die als passagier in de auto zat, gedurende enkele dagen last heeft gehad van een toename van de voornoemde klachten.

2.6.  In opdracht van beide partijen heeft een neurologisch onderzoek plaatsgevonden door neuroloog dr. [naam neuroloog]. In een voorlopig rapport van 23 april 2001 heeft [naam neuroloog] geconcludeerd:

‘Betrokkene is op 01-02-99 betrokken geweest bij een verkeersongeval. De rolstoeltaxi waarin zij- wegens haar bekend spinale spieratrofie zittend in haar elektrische rolstoel – werd vervoerd moest die dag plotseling sterk remmen; de 130 kg wegende rolstoel schoot ten gevolge van een onklaar bevestigingsmechaniek los ten gevolge waarvan zij naar voren schoot, tegen de voorbank aankwam en vervolgens terugveerde en met het achterhoofd tegen de hoofdsteun van de rolstoel aankwam. Het is aannemelijk en ook begrijpelijk dat zij bij dit ongeval een cervicale whiplashverwonding heeft opgelopen, zoals haar ook reeds in de medische curatieve sector is meegedeeld. Sinds het letsel is er bij betrokkene sprake van een hardnekkig klachtenpatroon als beschreven, waarbij er dankzij langdurige rust in de loop van 1999 er zeker enige klachtenafname is bereikt doch waarbij er voor het overige geen overtuigende verdere klachtenafname is geweest en er in feite al geruime tijd sprake is van een wisselend stationaire situatie. Samenvattend zijn er dus pijnklachten in de zeer ruime cervicale regio met ook van daaruit hoofdpijnklachten, versterkte vermoeibaarheid, gebrek aan energie en wegrakingen, naast ook klachten op cognitief terrein en aanvankelijk ook emotionele labiliteit. (…) Bij (…) onderzoek thans worden enigszins beperkte cervicale bewegingen waargenomen, en is er voorts drukpijn en spierhypertonie zowel cervicaal als over de trapeziï. Er zijn geen tekenen van een intracraniële drukverhoging. Bij röntgenonderzoek CWK, verricht op de dag van het letsel zijn er geen afwijkingen waar te nemen, doch wel een verstreken lordose zoals na een whiplashletsel vaker wordt waargenomen. Bij betrokkene moet thans mijns inziens als diagnose het post-whiplashsyndroom gesteld worden. Gelet op de door betrokkene aangegeven niet onaanzienlijke en de laatste ongeveer anderhalf jaar ook niet afnemende klachten op cognitief gebied, die weliswaar deels ook onder invloed staan van de mate van pijn en/of vermoeidheidsklachten, maar ook in storende mate aanwezig zijn bij relatief weinig pijn en/of vermoeidheid, acht ik thans een neuropsychologisch onderzoek geïndiceerd.”

2.7.  Klinisch neuropsychologe drs. [naam neuropsychologe] heeft in haar rapport van 28 september 2001 onder meer geschreven:

‘- Zoals hierboven beargumenteerd zijn er milde concentratie- en geheugenproblemen geobjectiveerd, tevens is er sprake van verwerkings- en acceptatieproblemen. Deze heeft echter geen pathologische vormen aangenomen. Het patroon van cognitieve en gedragsmatige problemen past bij een postwhiplashsyndroom.
- Het is aannemelijk dat de stoornissen die op ons vakgebied worden geobjectiveerd het gevolg zijn van het letsel, opgelopen op 01-02-1999.
- Er zijn geen andere oorzaken dan het letsel dat werd opgelopen op 01-02-1999, die een verklaring zouden kunnen vormen voor de op ons vakgebied aangetoonde stoornissen. Voorheen functioneerde betrokkene goed. Zij volgde een universitaire opleiding in een normaal tempo.
- Het is aannemelijk dat betrokkene vertraging heeft opgelopen in haar studieprogramma. Het is aannemelijk dat zij minder langdurig colleges kan volgen c.q. huiswerk kan maken ten gevolge van de concentratie- en geheugenproblemen. Tevens is het aannemelijk dat zij minder energie heeft voor vrijetijdsactiviteiten zoals filmbezoek, uit eten, vrienden bezoeken.
- Mijns inziens zijn er geen andere therapeutische mogelijkheden. Betrokkene maakt reeds gebruik van strategieën om de verminderde belastbaarheid beter te reguleren door het aangepaste studieprogramma en aangepaste programma van vrije tijds activiteiten.’.

2.8.  In zijn eindrapport van 9 oktober 2001 heeft [naam neuroloog] onder meer geschreven:

‘Zoals in de conclusie van mijn eerdere rapportage werd aangegeven is er naar mijn mening ten gevolge van het ongeval sprake van een post-whiplashsyndroom. Er is cervicale bewegingsproblematiek, - spierhypertonie en – drukpijn, en voorts zijn er dus bij het recente neuropsychologisch onderzoek stoornissen op cognitief terrein waargenomen. (…)’.
(…)
Naar mijn mening zijn de thans aanwezige klachten en afwijkingen als enig en rechtstreeks ongevalsgevolg te beschouwen. (…)
Naar mijn mening is het uiterst onwaarschijnlijk dat de huidige toestand zonder het ongeval zou zijn ontstaan. (…) Hier valt nog de volgende kanttekening te maken: het feit dat betrokkene al langer bekend was als lijdend aan spinale spieratrofie doet hieraan niet af; deze aandoening hoeft beslist niet te leiden tot de klachten zoals betrokkene die thans na het letsel ervaart. (…)
Ik acht dan ook in casu een eindtoestand ten aanzien van de ongevalsgevolgen aanwezig. Of er op den duur nog enige verbetering dan wel verslechtering zal optreden laat zich thans niet goed beoordelen; denkbaar is dat er in de toekomst nog enige klachtenafname zal plaatsvinden, maar een termijn waarop zulks zou kunnen gebeuren laat zich thans niet goed beoordelen. Nu er een eindtoestand is bereikt bestaat er op neurologisch terrein een als blijvend aan te merken functionele invaliditeit. (…) Gelet op de ernst van de nog aanwezige klachten als door betrokkene aangegeven met daaruit volgende beperkingen ben ik in casu geneigd 5% functionele invaliditeit aannemelijk te achten. (…) Voor wat betreft de klachten op cognitief terrein, welke zijn geobjectiveerd middels neuropsychologisch onderzoek zou ik wel een additioneel percentage invaliditeit toe willen kennen. (…) Uitgaande van 3% additionele invaliditeit resulteert zulks volgens de combinatietabellen in een totaalpercentage van 8%. (…)”.

2.9.  [eiseres] heeft in 1995 de HAVO afgerond, in 1998 het VWO en met ingang van 1 september 1998 is zij aan de (thans) Radboud Universiteit (voorheen Katholieke Universiteit Nijmegen) een studie Bedrijfscommunicatie Letteren gaan volgen. Met die studie is zij in 2000 gestopt. Sinds 1993 heeft [eiseres] steeds - naast school- en studiewerkzaamheden - bijbaantjes gehad.

2.10.  Per 1 december 2002 is [eiseres] voor 18,5 uur per week bij het ROC te Arnhem gaan werken als administratief medewerkster. Vanwege een reorganisatie bij het ROC is zij met dit werk in 2005 noodgedwongen gestopt. Thans heeft [eiseres] geen werk maar staat zij op een wachtlijst voor een WSW-functie.

2.11.  [eiseres] heeft tot op heden in totaal € 50.441,-- aan voorschotten ontvangen.

3.  Het geschil
3.1.  [eiseres] vordert dat de rechtbank:
I. een verhoor van deskundigen zal bevelen en daartoe zal benoemen de door [eiseres] voorgedragen deskundige, met opdracht een schriftelijk bericht in te leveren en daartoe voormelde onderzoeksopdracht uit te voeren alsmede zal bevelen dat Bovemij het door uw rechtbank nader te bepalen voorschot ter zake van de kosten van het deskundigenonderzoek dient te voldoen;
II. Bovemij zal veroordelen de door [eiseres] ten gevolge van het ongeval van 1 februari 1999 geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 1 februari 1999 althans met ingang van het tijdstip van het lijden van de schade;
III. Bovemij zal veroordelen tot het betalen aan [eiseres] van een voorschot op de schadevergoeding van € 70.000,-- althans tot het bedrag dat uw rechtbank redelijk acht, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de dag van de dagvaarding.

3.2.  Bovemij voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.  De beoordeling
4.1.  Niet in geschil is dat Bovemij aansprakelijk is voor de gevolgen van de ongevallen op 11 november 1998 en 1 februari 1999. Partijen twisten over de aard, de omvang en de causaliteit van de klachten die [eiseres] als gevolg van het ongeval stelt te ondervinden en de gevolgen daarvan op haar (beroepsmatige) leven.

Aanvullend onderzoek ongevalsklachten

4.2.  Wat betreft de klachten die [eiseres] als gevolg van het ongeval stelt te ondervinden heeft Bovemij ter zitting erkend dat het rapport van [naam neuroloog] uit 2001 voor juist moet worden gehouden. Partijen twisten erover of er een nader aanvullend deskundigenonderzoek moet worden uitgevoerd naar de huidige stand van zaken betreffende die klachten. Bovemij acht een dergelijk nader onderzoek noodzakelijk omdat [naam neuroloog] niet tot een eindtoestand heeft geconcludeerd, er inmiddels zeven jaar zijn verstreken en Bovemij geen inzicht heeft gehad in de medische stukken van de afgelopen zeven jaar.

4.3.  De rechtbank volgt Bovemij hierin niet. Uit het hiervoor geciteerde deel van zijn rapport (rov. 2.8.) blijkt dat [naam neuroloog] tot de conclusie komt dat een eindtoestand is bereikt. Daarnaast heeft hij gerapporteerd dat het zich thans niet goed laat beoordelen of verbetering of verslechtering kan worden verwacht en dat denkbaar is dat er een klachtenafname zal plaatsvinden maar dat een termijn waarop dat zou kunnen gebeuren zich thans niet laat beoordelen. Daarin ziet de rechtbank echter onvoldoende aanleiding om een nader onderzoek te bevelen. Aan medische deskundigenonderzoeken als de onderhavige is - nu het daarbij vaak om een niet-statische toestand gaat - veelal inherent dat zich na het deskundigenonderzoek nog verbeteringen of verslechteringen kunnen voordoen. Zo lang er geen aanwijzingen zijn dat die van wezenlijke aard zijn, is er onvoldoende aanleiding voor een nader onderzoek. Een andere opvatting zou er toe leiden dat er bij dit soort deskundigenonderzoeken na verloop van tijd steeds een nader deskundigenonderzoek zou moeten plaatsvinden, hetgeen niet wenselijk is. Dat in dit geval sprake is van een wezenlijke verandering, is niet gebleken. Ter zitting heeft [eiseres] toegelicht dat er niets is veranderd aan de klachten. Ook uit het rapport van [naam neuroloog] valt niet af te leiden dat er wezenlijke veranderingen zijn te verwachten. Dat Bovemij geen inzicht heeft in de medische stukken van de afgelopen zeven jaar vormt geen grond voor een nader onderzoek, nog daargelaten dat een deskundigenbericht er niet toe dient om Bovemij deze informatie te verstrekken.

4.4.  Voor de verdere behandeling van de zaak zal er dus van worden uitgegaan dat [eiseres] als gevolg van het ongeval op 1 februari 1999 de door [naam neuroloog] in zijn rapport omschreven klachten ondervond en ook thans nog ondervindt.

Onderzoek professor [naam professor]

4.5.  Partijen zijn het erover eens dat er een onderzoek moet worden verricht naar, kort gezegd, de lichamelijke gevolgen van de aangeboren aandoening van [eiseres]. Zij zijn het ook er over eens dat professor [naam professor] als deskundige moet worden benoemd en dat de kosten van dit onderzoek voor rekening komen van Bovemij. Over de vraagstelling zijn partijen het ter zitting eens geworden zodat die zal worden overgenomen.

4.6.  [naam professor] heeft desgevraagd verklaard dat hij bereid is als deskundige op te treden, zij het dat hij pas in het laatste kwartaal van 2008 in de gelegenheid het onderzoek te uit te voeren. Nu [naam professor] specialist is op dit gebied en beide partijen hem als deskundige hebben voorgedragen, gaat de rechtbank er van uit dat dit voor partijen niet zodanig bezwaarlijk is dat zij benoeming van een andere deskundige verkiezen boven benoeming van [naam professor]. De rechtbank zal daarom [naam professor] tot deskundige benoemen. Aan de hand van de opgave van [naam professor] wordt het voorschot op zijn loon en kosten, inclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting, bepaald op € 4.050,--. Dit bedrag dient ter griffie te worden gedeponeerd door Bovemij. (...)

5.  De beslissing
De rechtbank

beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1.  Kunt u aan de hand van de beschikbare gegevens en nader onderzoek van betrokkene omschrijven welke klachten en functionele beperkingen de spinale spieratrofie op dit moment bij betrokkene veroorzaakt?
2.  Kunt u aangeven hoe het beloop van deze problematiek in de toekomst zal zijn? Kunt u daarbij bij benadering aangeven wanneer een eventuele toename van functionele beperkingen zich in de tijd zal voordoen? Zou u daarbij expliciet op de levensverwachting willen ingaan?
3.  Zouden de door neuroloog [naam neuroloog] ten aanzien van de ongevallen op 11 november 1999 en 1 februari 1999 geconstateerde klachten en afwijkingen en functionele beperkingen op enig moment ook hebben kunnen ontstaan ten gevolge van de spinale spieratrofie?
4.  Voor zover u de vorige vraag bevestigend beantwoordt kunt u dan een indicatie geven met welke mate van waarschijnlijkheid, op welke termijn en in welke omvang de klachten en afwijkingen dan hadden kunnen ontstaan?
5.  Kunt u aangeven welke mate van functieverlies en welke beperkingen uit deze klachten en afwijkingen zouden zijn voortgevloeid?
6.  Welke andere feiten of omstandigheden, gebleken uit het onderzoek, kunnen van belang zijn voor een goed begrip van de zaak?
LJN BD 2533

De LSA op Vimeo

Deze website maakt gebruik van cookies