RBLIM 270526 stofoverlast bosweg langs woning; eisers wisten bij aankoop van (mogelijke) overlast; gemeente heeft afdoende maatregelen getroffen
- Meer over dit onderwerp:
RBLIM 270526 stofoverlast bosweg langs woning; eisers wisten bij aankoop van (mogelijke) overlast; gemeente heeft afdoende maatregelen getroffen
4De beoordeling
4.1.
Partijen zijn het eens en de rechtbank gaat er vanuit dat [eisers] in perioden van droogte stofoverlast ervaren door verkeer dat over de [straat 1] langs hun perceel rijdt. In deze procedure gaat het om de vraag of deze overlast onrechtmatig is en de gemeente als eigenaar en beheerder van de weg daarvoor aansprakelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat dit niet het geval is. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Geen schending van de onderhoudsplicht
4.2.
[eisers] hebben de aansprakelijkheid van de gemeente gebaseerd op het schenden van de in de Wegenwet vastgelegde onderhoudsplicht van de gemeente voor de bij haar in beheer of eigendom zijnde wegen1.
4.3.
Partijen zijn het eens dat de [straat 1] een gedeeltelijk verharde bosweg is die met name dient als ontsluiting van het [locatie 2] naar de doorgaande geasfalteerde [straat 2] . [eisers] hebben, mede gelet op het door de gemeente gevoerde verweer, onvoldoende gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente niet voldoet aan de op haar rustende onderhoudsplicht van de weg.
4.4.
De gemeente heeft aangevoerd en [eisers] hebben bevestigd2 dat de gemeente de [straat 1] na het ontstaan van gaten en kuilen in de weg regelmatig laat gladstrijken waardoor de weg veilig door het verkeer kan worden gebruikt. Uit het rapport van bevindingen van de klachtadviescommissie3 volgt dat het onderhoud in het voorjaar plaatsvindt omdat bij onderhoud in het najaar kans bestaat dat bij het gladstrijken modder ontstaat waardoor de weg beschadigd raakt.
4.5.
Dat de onderhoudstaak op grond van de Wegenwet verder gaat dan het in goede staat houden (lees: veilig als bosweg kunnen gebruiken) van de half verharde bosweg heeft de gemeente betwist en hebben [eisers] niet onderbouwd. Dit betekent dat de onderhoudsplicht van de gemeente niet zo ver strekt dat de gemeente dient te voorkomen dat bij gebruik van de bosweg stof ontstaat door deze bijvoorbeeld in droge periodes nat te houden of te asfalteren.
Met het regelmatig glad trekken van de [straat 1] voldoet de gemeente daarom aan de op haar rustende onderhoudsplicht.
Geen onrechtmatige hinder
4.6. Op grond van artikel 5:37 BW mag de eigenaar van een perceel (in dit geval de gemeente als eigenaar van een weg) aan de eigenaar van een ander perceel (in dit geval [eisers] die naast de weg wonen) geen onrechtmatige hinder toebrengen. [eisers] stellen dat de gemeente in strijd handelt met deze bepaling vanwege de stofoverlast die zij ondervinden van het verkeer over de [straat 1] .
4.7.
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad4 hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen. Daarbij is verder van belang of degene die zich beklaagt over hinder, zich op die plek heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende omstandigheden zijn begonnen. In dat laatste geval zal hij ‘een zekere mate van hinder’ eerder hebben te accepteren.5
4.8.
De stelplicht en bewijslast van de onrechtmatigheid van de hinder rust op [eisers] als degenen die zich op de rechtsgevolgen daarvan beroepen. De rechtbank is van oordeel dat zij onvoldoende hebben gesteld en onderbouwd om de conclusie te rechtvaardigen dat de gemeente aansprakelijk is voor de door [eisers] ondervonden stofoverlast. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
4.9.
Duidelijk is dat [eisers] in perioden van droogte overlast ondervinden van stof veroorzaakt door autoverkeer van hoofdzakelijk arbeidsmigranten over de [straat 1] . Eveneens is duidelijk dat de [straat 1] altijd een half verharde bosweg is geweest die gebruikt werd als verbindingweg tussen [locatie 2] en de doorgaande weg [straat 2] . Op het moment dat [eisers] hun woning kochten en deze gingen bewonen werd het [locatie 2] al gebruikt voor huisvesting van arbeidsmigranten. Dit was bij [eisers] ook bekend. [eisers] hebben dit namelijk tijdens de hoorzitting van de klachtadviescommissie van de gemeente6 bevestigd. [eisers] waren dan ook bij de koop van hun woning op de hoogte, of hadden op de hoogte kunnen zijn, dat het verkeer over de [straat 1] bij droog weer stofoverlast zou kunnen veroorzaken. De omstandigheid dat de huisvestiging van de arbeidsmigranten door de gemeente tijdelijk was toegestaan en bij [eisers] de verwachting bestond dat de arbeidsmigranten zouden worden verplaatst naar een andere locatie doet daar niet aan af.
Dit betekent dat [eisers] een zekere mate van hinder door stof hebben te accepteren en niet kunnen verlangen dat de gemeente iedere vorm van stofhinder dient te voorkomen.
4.10.
Uit de stukken en de door partijen tijdens de zitting gegeven toelichting volgt dat de gemeente diverse maatregelen heeft getroffen nadat [eisers] geklaagd hadden over stofoverlast. De gemeente heeft de [straat 1] voorzien van een nieuwe gritlaag en daarnaast zijn diverse maatregelen genomen om het verkeer te vertragen. De breedte van de weg werd op sommige plaatsen begrensd door middel van zogenaamde jumboblokken (betonblokken) en er zijn diverse verkeersdrempels geplaatst.
4.11.
Dat deze maatregelen de overlast niet althans onvoldoende beperken hebben [eisers] niet aangetoond. Het proces-verbaal van bevindingen van de deurwaarder7 is van 21 maart 2025 (periode van 12:30 uur tot 12:45) en is daarmee opgemaakt voordat de hiervoor genoemde maatregelen zoals het aanleggen van de drempels zijn getroffen. Over de ernst en de duur van de stofoverlast na het treffen van de maatregelen hebben [eisers] onvoldoende gesteld en onderbouwd. De gemeente heeft in dat verband onweersproken gesteld dat nadat de laatste drempels waren gelegd in het najaar van 2025, zij geen klachten meer heeft ontvangen van [eisers] .
4.12.
De gemeente heeft verder onderbouwd als verweer aangevoerd dat met deze maatregelen door haar een voldoende inspanning is verricht om de stofoverlast voor [eisers] zoveel mogelijk te beperken. Het asfalteren van de [straat 1] behoort vanwege het belang bij een behoud van het landelijke karakter van de [straat 1] en de zeer hoge kosten niet tot de mogelijkheden. Verder heeft de gemeente goed toegelicht dat het afsluiten van de [straat 1] voor gemotoriseerd verkeer geen optie is omdat het een openbare weg is en de alternatieve route van [locatie 2] zoals door [eisers] wordt voorgesteld om meerdere redenen niet geschikt is (te smal, te veel om, door natuurgebied).
De rechtbank merkt op dat bovendien van belang is dat de stofoverlast wordt veroorzaakt door passerend verkeer (dat wil zeggen: door derden) en niet door de gemeente zelf. De feitelijke rol van de gemeente van de gemeente is beperkt tot het toegankelijk houden van de weg en het onderhoud daarvan. De juridische bewegingsruimte van de gemeente is daarbij beperkt door de aard van de weg (bosweg in landelijk gebied) en de wettelijke verplichting om openbaar verkeer aldaar toe te laten.
4.13.
Tegen de achtergrond van de hiervoor weergegeven omstandigheden en de wederzijdse belangen van partijen bestaat onvoldoende grond voor de conclusie dat de hinder onrechtmatig is. Dit betekent dat de hierop gebaseerde vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen.Rechtbank Limburg 27 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4819